2-235

2-235

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 17 OKTOBER 2002 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van FinanciŽn over ęde positie van de minderheidsaandeelhouders van de Nationale BankĽ (nr. 2-1088)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Sinds een aantal maanden hebben een 200-tal minderheidsaandeelhouders van de Nationale Bank van BelgiŽ zich gegroepeerd omdat ze ontevreden zijn met de beperkingen die hun worden opgelegd om te delen in de goud- en deviezenreserves die de centrale bank in de loop van de jaren heeft aangelegd. Soms verdeelde de Nationale Bank activa, maar dan alleen aan de meerderheidsaandeelhouders. Er worden daarover trouwens processen gevoerd.

Om een einde te maken aan deze ongelijke behandeling stellen de minderheidsaandeelhouders voor dat de overheid hen uitkoopt. Volgens ťťn van de scenario's die momenteel in omloop zijn, zou de regering bereid zijn de aandeelhouders te vergoeden met een soort eeuwigdurende obligatie met een rente van iets meer dan 5 procent.

De mededeling van de kabinetschef van de minister van FinanciŽn in augustus heeft de beurskoers van dit stabiel aandeel sterk beÔnvloed. Daarom is het van belang te weten of hier de zoveelste kwakkel wordt gelanceerd dan wel of de regering in die richting denkt.

De obligaties moeten dan de aandelen vergoeden. De vraag is tegen welke nominale waarde het aandeel in rekening wordt gebracht, aangezien een aandeel van de Nationale Bank op het ogenblik twee ŗ drie maal hoger ligt dan de intrinsieke waarde of beurskoers.

De vraag is of het inruilen van aandelen voor obligaties niet een vorm van onteigening is, met als bijkomende omstandigheid dat de emittent van de obligatie nooit kan worden verplicht om het kapitaal dat nominaal door de obligatie wordt verwoord, op te vragen. Daarom is het belangrijk te weten of de status van de minderheidsaandeelhouders tot de datum van de verkiezingen onveranderd blijft dan wel of het altijd terugkerende antwoord van de regering dat dit probleem vandaag niet prioritair is, eigenlijk betekent dat het volgende week wel prioritair zal worden behandeld. Waarschijnlijk zal dat dan gebeuren op basis van het denkspoor dat nu al de ronde doet.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De minister van FinanciŽn heeft me het volgende antwoord bezorgd.

Ik ben wat verbaasd dat er opnieuw vragen worden gesteld over de Nationale Bank, aangezien ik nog vorige week op gelijksoortige vragen van de heren Thissen en Van Quickenborne een zeer gedetailleerd antwoord heb gegeven. Mijn antwoorden zijn trouwens integraal opgenomen in de Handelingen van de plenaire zitting van de Senaat van donderdag 10 oktober.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb die met heel veel aandacht gelezen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Voor wie daar nood aan heeft, herhaal ik dat er binnen de regering geen werkgroep bestaat die belast is met welke studie ook over de inkoop van de NBB-aandelen van de kleine aandeelhouders. Derhalve hoef ik mij niet uit te spreken over het scenario dat de heer Vandenberghe in zijn vraag aansnijdt. Binnen de regering staat deze kwestie op het ogenblik helemaal niet ter discussie.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het antwoord van de minister is nog minder duidelijk dan dat van vorige week. Mijn vraag was of er binnen de regering een bepaald idee leeft en de minister antwoordt mij dat daarover geen werkgroep bestaat. Een bizarre redenering. Ik kan me niet voorstellen dat eminente ministers alleen tot beslissingen komen als die eerst in werkgroepen zijn voorbereid. Ik hoop dat de regering nog ministers telt die ook zonder een werkgroep op ideeŽn komen. Verder zegt de minister dat de regering niet onmiddellijk iets van plan is. Voor mij betekent dat alleszins dat de minister van FinanciŽn mijn informatie niet ontkent.