Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-53

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Landsverdediging

Vraag nr. 1990 van de heer Maertens d.d. 20 maart 2002 (N.) :
Windturbines. ­ Vliegvelden en radarinstallaties. ­ Reglementering.

De tekst van deze vraag is dezelfde als die van vraag nr. 1989 aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer, die hiervoor werd gepubliceerd (blz. 2842).

Antwoord : Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te willen vinden op de door hem gestelde vragen.

Inleiding

De stelling dat een windturbine op de terreinen van de suikerfabriek te Veurne buiten de landingscorridor gelegen zou zijn is onjuist. Voor een precisienadering (PAR : Precision Approach Radar) is dit inderdaad zo maar voor gewone procedures met TACAN (Tactical Air Navigation) is dit niet het geval (Koksijde beschikt niet over ILS-apparatuur : Instrument Landing System). In het geval een windturbine met een maximale hoogte van 120 m zou geplaatst worden op de bewuste site zou de minimumhoogte waarnaar een toestel mag dalen beperkt worden tot ongeveer 200 m boven het niveau van het vliegveld, wat onaanvaardbaar is.

Bovendien zijn er rond vliegvelden vrijgemaakte zones voorzien die de veiligheid van het luchtverkeer dienen te garanderen. Op de voorgestelde site zouden de veiligheidszones doorbroken zijn op een hoogte van om en bij 45 m. In zo'n situatie (hindernis binnen de veiligheidszone) moet de verantwoordelijke autoriteit beslissen of er nog procedures op instrumenten naar dit vliegveld mogen gevlogen worden wat in dit geval ten stelligste zou afgeraden worden.

De opmerking dat de inplanting op meer dan 4 km van de controletoren gesitueerd is, is verkeerd (3 km in realiteit) en niet ter zake.

1. De in Spanje gebruikte normen zijn ons niet bekend en wij kunnen bijgevolg geen vergelijkingen uitvoeren. Defensie past tot op heden de NATO normen toe die vervat zijn in de (ATM) Air Traffic Management Instruction 7 uitgegeven door de Luchtcomponent. De vervanging van deze normen door ICAO-normen (International Civil Aviation Organisation ­ Annex 14) die van toepassing zijn voor de internationale burgerluchtvaart ligt ter studie. De vrijgemaakte vlakken bepaald in de ATM-instruction 7 zijn voor de grotere vliegvelden, zoals dit van Koksijde, vrijwel gelijk aan de vrij gemaakte vlakken die zouden worden bepaald door het toepassen van de ICAO-normen. Militaire uitzonderingen op deze normen zijn ons niet gekend.

2. De vrijmakingsvlakken rond de vliegvelden, zoals in het antwoord op vraag 1 verduidelijkt, zorgen er tevens voor dat verticale obstakels zoals windturbines hoogst waarschijnlijk geen mogelijke bron van interferentie vormen voor de door Defensie op de vliegvelden gebruikte radarinstallaties. Aangezien de behoefte zich niet voordoet werd dit aspect nog niet in detail bestudeerd.

3. Er bestaan voor deze materie geen protocolakkoorden als dusdanig met de gewesten, onder andere omdat die problematiek relatief recent is. Desalniettemin streeft de minister van Landsverdediging een nauwe samenwerking na met de betrokken gewestelijke overheden (ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Leefmilieu en Infrastructuur, ministère wallon de l'Aménagement du territoire, de l'Urbanisme et de l'Environnement) en federale diensten (bestuur van de Luchtvaart, Belgocontrol).

De beoordeling van het risico, gevormd door verticale obstakels (hier windturbines) is een exclusieve bevoegheid van Defensie. Het spreekt echter voor zich dat, met het oog op een behoorlijke ruimtelijke ordening en de duurzame ontwikkeling van ons land, de bevoegde ministers op de samenwerking van Defensie mogen rekenen. Zo werd onlangs met de Waalse minister Foret overeengekomen alle projecten gezamenlijk op hun doenbaarheid te onderzoeken. Om te voorkomen dat de betrokken operatoren overbodige uitgaven zouden besteden aan projecten die niet haalbaar zijn, dient hun toetsing aan de veiligheidsregels van de militaire luchtvaart in een zo vroeg mogelijk stadium te worden ondernomen. De Vlaamse overheid werkt momenteel aan een gewestelijk uitvoeringsplan voor windmolens te Veurne. Voor deze zone heeft Defensie geen bezwaar tegen projecten voor zover een hoogte van min of meer 70 m ten opzichte van het maaiveld niet wordt overschreden en een aantal bebakeningsvoorschriften worden nageleefd. De precieze hoogtebeperking en de op te leggen bebakening zijn nog ter studie binnen de Afdeling Ruimtelijke Planning van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van de Vlaamse Gemeenschap, het bestuur van de Luchtvaart en Defensie.

4. Er bestaan voor deze materie geen protocolakkoorden.

5. Elk natuurlijk of kunstmatig vertikaal object wordt getoetst aan een virtueel gabariet dat door de NATO of ICAO normen is beschreven (zie ook vraag 1). In voorkomend geval bevindt de betrokken site zich in een hellend vlak van 1/20 of 5 %. De exact toegelaten hoogte bedraagt op de site van de suikerfabriek te Veurne voor windturbine 1 (coördinaten x 31753 y 196862) 47 m boven het referentieniveau van het vliegveld of 49 m boven het maaiveld. Windturbine 2 (x 31519 y 196547) kan maximaal 52 m boven het referentieniveau van het vliegveld bedragen of 54 m boven het maaiveld. Het verschil met het in de eerste studie gegeven cijfer van 45 m boven het referentieniveau van het vliegveld vloeit voort uit het feit dat in de aanvraag een snel antwoord verwacht werd en dat ditmaal de studie ten gronde werd uitgevoerd.

6. Er zijn geen afzonderlijke NAVO-onderrichtingen die betrekking hebben op windturbines.

7. We kunnen zeggen dat de interne militaire reglementering ATM 7 wordt afgeleid uit NATO-normen en op termijn uit ICAO-normen. De ICAO-normen, onder meer bijlage 14 omtrent de luchthavens, zijn normen en aanbeloven werkwijzen uitgevaardigd krachtens het Verdrag van Chicago inzake internationale burgerlijke luchtvaart, en latere wijzigingen, goedgekeurd bij wet. Zij houden internationaal rechtelijke verplichtingen in voor België. De opvolging ervan behoort, wat de regionale luchthavens betreft, krachtens artikel 6 § 1, X, 7c van de bijzondere wet op de hervorming der instellingen tot de bevoegheid van de gewesten, en wat de luchthaven Brussel-Nationaal betreft, tot deze van de Federale Staat. De NATO-normen betreffen aanbevelingen die werden uitgevaardigd krachtens het NAVO-verdrag. Het reglement ATM-7 is een nationale militaire reglementering, gebaseerd op deze normen. Het bevat in de mate van het mogelijke en van de beschikbare middelen, veiligheidsnormen die vergelijkbaar zijn met die van burgerluchthavens. Buiten dit wettelijke aspect spreekt het voor zich dat de overheid bevoegd voor de ruimtelijke ordening erop moet toezien dat operationele vliegvelden aan de vereiste veiligheidsnormen kunnen voldoen. Wat de helikopterbewegingen betreft kunnen we stellen dat het respecteren van de vrijmakingen zo mogelijk nog belangrijker is dan voor gewone vliegtuigen aangezien helikopters zich doorgaans op lagere hoogtes voortbewegen.