2-215

2-215

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 4 JUILLET 2002 - SÉANCE DU MATIN

(Suite)

Projet de loi relatif au recouvrement amiable des dettes du consommateur (Doc. 2-1061) (Procédure d'évocation)

Discussion générale

M. Louis Siquet (PS), rapporteur. - Je serai très bref sur le présent rapport pour le détail duquel je vous renvoie à mon rapport écrit.

Le projet qui vous est soumis a initialement été adopté par la Chambre le 21 février 2002 et a été évoqué par le Sénat par la suite. Notre commission s'est penchée sur le texte lors de ses séances du 7 mai puis des 12 et 26 juin.

L'origine de ce projet est un avis unanime du Conseil de la consommation, rendu le 5 mars 1999. Il s'agit de réguler les activités des bureaux de recouvrement. Ces derniers ont en effet fait l'objet de nombreuses questions ces dernières années.

Le projet a d'abord pour but de protéger le débiteur qui est souvent la partie la plus faible de la relation contractuelle. Il vise aussi à un assainissement bienvenu du secteur des bureaux de recouvrement et, par là même, à sa revalorisation. Ce secteur souhaite d'ailleurs lui-même voir améliorer sa réputation auprès du public.

Les objectifs présents du projet sont en l'occurrence de protéger la vie privée du débiteur, de préciser les frais que peut réclamer la société de recouvrement lors de sa mission et d'organiser le contrôle des sociétés de recouvrement.

Ces différents objectifs devaient être conciliés avec des intérêts souvent contradictoires, à savoir ceux des débiteurs et des créanciers, ainsi que ceux des agences, tout cela sans nuire à l'efficacité de la procédure amiable de recouvrement.

Plusieurs amendements ont été déposés en commission, tant par le gouvernement que par les commissaires. Plusieurs d'entre eux ont été adoptés. C'est donc un projet modifié qui vous est actuellement présenté.

La discussion s'est terminée par le vote du projet, adopté à l'unanimité des douze membres présents.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Het ontwerp dat wij vandaag behandelen behelst een wettelijk kader voor de zogenaamde incasso-activiteiten ten aanzien van de consumenten. Via dit ontwerp kiest de wetgever voor een betere bescherming van de consument en voor een wettelijke erkenning van deze belangrijke sector. Het sociale en economische belang van incasso-activiteiten kan niet worden onderschat. Dit initiatief is dan ook volmondig toe te juichen.

Sinds 1993 hanteert de sector zelf een vrij strikte deontologische code, die ruim wordt toegepast. Dat bewijst dat het overgrote deel van de sector bekommerd is om de bescherming van de consument.

Voorts dank ik de minister omdat hij is ingegaan op de talrijke suggesties om de tekst van de Kamer grondig bij te sturen, waardoor de tekst volgens ons nu evenwichtiger, meer juridisch coherent en in de praktijk beter werkbaar is.

Niettemin zijn er volgens mijn fractie nog hiaten op drie concrete punten. Ten eerste is er een lacune in artikel drie. De haalbaarheid van schulden bij een derde, bijvoorbeeld bij OCMW's, komt in het gedrang. Ons inziens zou dit best expliciet in de wet worden opgenomen waardoor het mogelijk is om met het akkoord van de consument in elk geval ook toe te staan dat bij een derde schuldenaar kan worden ingevorderd.

Ten tweede achten wij het belangrijk dat in artikel zes de verwijzing naar het telefoonnummer van de oorspronkelijke schuldeiser niet langer wordt opgenomen. Het is niet opportuun en trouwens verwarrend dat consumenten rechtstreeks contact opnemen met de oorspronkelijke schuldeiser.

Ten derde is de sanctie opgenomen in artikel 14, namelijk de volledige terugbetaling van de schuld, niet proportioneel en zal deze sanctie ons inziens de gerechtelijke toets niet doorstaan. Wij stellen voor aan de tekst van het amendement van de regering een bepaling toe te voegen waardoor de automatische sanctie zou worden beperkt tot 20% van de betaalde sommen.

Wij dienen opnieuw onze amendementen in die wij reeds in de commissie hebben toegelicht met betrekking tot die drie concrete punten.

Onze fractie kan zich in ieder geval achter dit ontwerp scharen en zal het hoe dan ook goedkeuren.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Het voorliggende wetsontwerp heeft als doel de activiteiten van de incassobureaus streng te reglementeren. De VLD is voorstander van een strenge wetgeving. In deze sector bestaan onmiskenbaar misbruiken, die streng moeten worden aangepakt. In dit ontwerp wordt voorzien in strikte procedures die de incassobureaus stipt moeten naleven op straffe van zware sancties. Oorspronkelijk was het zelfs de bedoeling de activiteiten van de incassobureaus te verbieden. Het is evenwel gebleken dat, ondanks alle misbruiken, incassobureaus ook een nuttige functie kunnen vervullen. Uiteindelijk gaat het om een minnelijke invordering van schulden. Dat is nog steeds minder tijdrovend en minder kostelijk dan een gerechtelijke procedure. Zowel voor de consument als voor de schuldeiser heeft het systeem dus voordelen. De misbruiken moeten ook in het licht worden gezien van een totaal van 600.000 dossiers. Een regelrecht verbod zou betekenen dat al die dossiers wellicht sneller aanleiding zouden geven tot juridische vervolging, wat niet noodzakelijk in het voordeel is van de consument en bovendien een nog grotere last op het juridische apparaat legt.

Het is verantwoord om misbruiken aan te pakken en de sector streng te reguleren. Het is minder te verdedigen dat een regulering op poten wordt gezet die de sector verhindert haar werk te doen. Het voorstel dat in de Kamer werd goedgekeurd, ging ons inziens te ver. In de eerste plaats rijst de vraag of er geen sprake is van discriminatie. De minnelijke invordering van schulden door de incassobureaus is uiteraard een commerciële activiteit. Zijn echter de activiteiten van deurwaarders en advocaten per definitie niet-commercieel?

Waarom worden deurwaarders en advocaten dan anders en soepeler behandeld? Voeren zij deze activiteit dan niet met een winstoogmerk? Ik blijf dus met een vraag zitten.

Vooral artikel 14 baart ons zorgen. Dit artikel legt de incassobureaus een zware straf op. Bij de kleinste fout in de procedure wordt het incassobureau verplicht de reeds ingevorderde bedragen terug te betalen aan de consument. De consument krijgt een schuldkwijtschelding, want er wordt van uitgegaan dat hij zijn betaling geldig heef verricht. Dit is een onevenredig zware sanctie en bovendien zet deze werkwijze de schuldenaar ertoe aan om te zoeken naar de kleinste fout in de procedure om zodoende de betaling te ontlopen. Dit kon uiteraard niet de bedoeling zijn. Samen met de SP.A hebben wij daarom een amendement ingediend om hieraan een mouw te passen.

Ook nu nog zijn incassobureaus gehouden de procedure scrupuleus na te leven. De absurde maatregel dat de schuld vervalt bij het niet naleven van de procedure door het incassobureau, is geschrapt. Alle partijen hebben immers hun verantwoordelijkheid: de schuldeisers, het incassobureau, maar ook de schuldenaar.

De aangebrachte wijzigingen maken van het ontwerp een evenwichtiger geheel: een potentieel nuttige activiteit blijft mogelijk, maar misbruiken worden zoveel als mogelijk met een strenge wetgeving voorkomen en aangepakt. De VLD-fractie zal dit ontwerp dan ook met veel zin goedkeuren.

-La discussion générale est close.