(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Op 11 augustus 2001 verscheen in de pers een artikel met als titel « Dodende drug : gerecht zweeg als vermoord ». Er was sprake van twee personen die tengevolge van het gebruik van de PMA-drug waren overleden. Naar verluidt werden diverse instanties door het parket, op bevel van procureur des Konings Bart Van Lijsebeth, verplicht om gedurende meer dan een week te zwijgen over de als XTC vermomde dodende PMA-drug. Uit andere persberichten blijkt dat de minister van Justitie hierover een brief richtte aan het Antwerpse parket-generaal.
Graag ontving ik van de geachte minister een antwoord op de volgende vragen :
1. Is de informatie correct dat op bevel van de procureur des Konings Bart Van Lijsebeth geen informatie over de PMA-drug mocht worden verstrekt ? Is het naar het oordeel van de geachte minister aannemelijk dat de volksgezondheid ondergeschikt wordt gesteld aan de behoeften van justitie om desgevallend een netwerk te kunnen opsporen ? Overigens rijst de vraag of mede in het licht van de scheiding der machten, justitiële diensten zomaar andere departementen kunnen hinderen in het uitoefenen van hun essentiële taken die bovendien tot doel hebben levensbedreigende risico's te vermijden.
2. Welke informatie heeft de geachte minister aan het Antwerpse parket-generaal gevraagd en welke elementen werden als antwoord verstrekt ?
3. Zo er toch voldoende motieven zouden bestaan om bepaalde informatie niet door te spelen aan andere departementen of om andere departementen het stilzwijgen op te leggen, welke procedures moeten er dan worden gevolgd ? Welke eventuele lessen worden uit het voorval getrokken om de procedure zo nodig bij te stellen en op welke punten dient dit naar het oordeel van de minister te gebeuren ?
4. Waarom duurde het vijf dagen eer mevrouw Walckiers van het Instituut voor Volksgezondheid antwoord kreeg van de onderzoeksrechters op haar vragen inzake het PMA-dossier ?
5. Vanaf welke exacte data waren de parketten van Antwerpen en Turnhout enerzijds en de onderzoeksrechters anderzijds op de hoogte van het circuleren van de PMA-drug ?
Aanvullend antwoord : Op grond van de inlichtingen die mij door de gerechtelijke overheden zijn bezorgd, deel ik het geachte lid het volgende mee.
1. Het is niet juist dat de procureur des Konings te Antwerpen enig bevel zou hebben gegeven om geen informatie over de PMA-drug te verstrekken.
2. Voormelde informatie maakte, onder meer, het voorwerp uit van de bevraging door mijn diensten aan het Antwerpse parket-generaal en had voor het overige betrekking op de wijze waarop de informatie en kennisgeving omtrent de nieuwe drug is verlopen.
3. Teneinde een juiste afweging te kunnen maken tussen de belangen van de volksgezondheid en deze van het onderzoek wordt thans verder werk gemaakt van de uitwerking van de punten van de federale nota inzake drugs met betrekking tot het Belgium Early Warning system (punten 4.2.1 en 4.2.2) waarbij onder meer nadere afspraken zullen worden gemaakt in verband met de mededeling van inlichtingen tussen de betrokken actoren en de communicatie naar het publiek.
4. Onder meer ingevolge de bevraging onder punt 3 is duidelijk gebleken dat de onderzoeksrechter te Antwerpen noch zijn ambtgenoot te Turnhout gecontacteerd werd door het Instituut voor volksgezondheid in verband met het PMA-dossier.
5. Uit de bevraging is gebleken dat het parket te Turnhout op 20 juli 2001 mondeling werd geïnformeerd door de aangestelde deskundige in verband met het aantreffen van PMA in de onderzochte stalen. Hieromtrent werd op 27 juli 2001 door de procureur des Konings te Turnhout schriftelijk verslag uitgebracht aan de procureur-generaal te Antwerpen, die op 30 juli 2001 de andere parketten van het rechtsgebied, evenals de vier andere parketten-generaal en de gespecialiseerde bijstandsmagistraat, schriftelijk informeerde over deze vaststelling.
Ondertussen waren er op 26 juli 2001 door Volksgezondheid initiatieven genomen naar de media toe (cf. berichtgeving in het journaal van de VRT en in een krant) teneinde het publiek te waarschuwen voor de PMA-drug.
Wat het onderzoek te Antwerpen betreft bekwam de onderzoeksrechter aldaar op 2 augustus 2001 de verslagen van de deskundige waarin melding werd gemaakt van de sporen van PMA bij een recent overlijden. Het parket te Antwerpen werd hiervan achteraf op de hoogte gebracht. Intussen verschenen (op 11 augustus en 13 augustus 2001) reeds enkele ophefmakende artikels in een krant.