2-1102/3 | 2-1102/3 |
23 APRIL 2002
Evocatieprocedure
Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd door de Kamer van volksvertegenwoordigers goedgekeurd op 18 april 2002 en overgezonden naar de Senaat op 19 april 2002.
De Senaat heeft het op dezelfde dag geëvoceerd. De commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden heeft het in aanwezigheid van de minister van Binnenlandse Zaken besproken tijdens haar vergadering van 23 april 2002.
Dit wetsontwerp omvat de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten. Het is vooral de bedoeling uitvoering te geven aan artikel 184 van de Grondwet, zoals het werd gewijzigd op 30 maart 2001. Krachtens die bepaling is voortaan alleen de wetgever bevoegd om de organisatie en de bevoegdheid van de geïntegreerde politiedienst te regelen; hetzelfde geldt voor de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van die politiedienst.
Van die essentiële elementen maken volgende aspecten deel uit :
opsomming van de graden;
de algemene voorwaarden inzake indienstneming;
de benoemende overheid;
de loopbaanstructuur;
de rechten en de plichten;
de basisregels voor de evaluatie;
de nadere regels voor de uitoefening van de mandaatfuncties en de opsomming ervan;
de regels met betrekking tot de definitieve ambtsontheffing en de ambtsneerlegging;
het recht op medische verzorging;
het recht op wedde en de gewaarborgde bezoldiging.
Die essentiële elementen worden thans geregeld bij een koninklijk besluit van 30 maart 2001, dat voorts uiteraard eigenlijke uitvoeringsbepalingen omvat; die bepalingen geven uitvoering aan die essentiële elementen of vullen ze aan. Volgens de Grondwetgever dienen de essentiële elementen van dit koninklijk besluit vóór 30 april 2002 bij wet te worden bekrachtigd. Dat is het hoofddoel van dit wetsontwerp.
De bekrachtigende bepalingen, dus de artikelen 3 tot 96 van dit wetsontwerp, zijn derhalve niet echt nieuw in het juridisch statuut dat van toepassing is op de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst. Bij de memorie van toelichting gaat een conversietabel, waarin de overeenstemming wordt aangegeven tussen de voormelde artikelen en de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001. Volgens het advies van de Raad van State moet dit wetsontwerp die artikelen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 niet alleen voor de toekomst bekrachtigen, maar ook voor de periode die is ingegaan op 1 april 2001, de datum van de inwerkingtreding ervan (een en ander is opgenomen in artikel 136 van het wetsontwerp).
Er is geen gevolg gegeven aan die opmerking van de Raad van State als behoren diezelfde artikelen tegelijk te worden opgeheven. Een onmiddellijke opheffing van die artikelen zou er immers toe leiden dat dit koninklijk besluit van 30 maart 2001 blijft bestaan, met sporen van tal van verdwenen bepalingen, waar overigens zou worden naar verwezen door andere bepalingen van datzelfde koninklijk besluit. Zulks zou kennelijk niet bijdragen tot een transparante lectuur van het statuut en de rechtszekerheid zou er niet op verbeteren. Om overlappingen en soms tot dubbelzinnigheid leidende herhalingen te voorkomen tussen dit wetsontwerp en de desbetreffende bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001, zal een en ander op termijn uiteraard moeten worden gecoördineerd. De regering zal daar werk van maken zodra dit wetsontwerp is goedgekeurd.
Voorts werd de indiening van dit wetsontwerp aangegrepen om een aantal wijzigingen aan te brengen in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; die wijzigingen zijn vervat in de artikelen 94 tot 119 en 124 van dit wetsontwerp. De aandacht van de commissieleden wordt vooral gevestigd op de artikelen 105 en 106 van het wetsontwerp, die de nadruk leggen op de sleutelrol van de burgemeester of de voorzitter van het politiecollege inzake selectie en evaluatie van de personeelsleden van de lokale politie. Ook de artikelen 107, 109 en 110 verdienen bijzondere aandacht aangezien ze het bestaan van de arrondissementele informatiekruispunten en communicatiecentra bekrachtigen, alsmede de principes inzake de werking en samenstelling ervan. Die gedeconcentreerde diensten van de federale politie zijn uitermate belangrijk voor de integratie van de twee politieniveaus; als dusdanig is het zeker aangewezen ze bij wet te bekrachtigen. Voorts moet de wet uitdrukkelijk voorzien in het principe van een bijdrage van de twee politieniveaus tot de werking van die diensten.
De overige wijzigingsbepalingen zijn veeleer technisch en de reikwijdte ervan zal worden aangegeven tijdens de bespreking ervan.
Bij de bespreking van dit wetsontwerp in de Kamer werden sommige bepalingen verder uitgewerkt en een aantal nieuwe toegevoegd. Zo voert artikel 93 een positieve discriminatie in voor zwangere vrouwen, en voorkomt artikel 116 dat iemand van de mobiliteit misbruik maakt door een politiezone louter aan te vragen om een verlof voorafgaand aan de pensionering te verkrijgen. Ook werd in de Kamer een artikel 100, nieuw, ingevoerd, volgens hetwelk de gemeenteraad een vergoeding kan toekennen aan de secretaris van een zone die uit één gemeente bestaat.
De heer Moureaux stelt vast dat men met een hoogdringende situatie wordt geconfronteerd, waarbij de beperkingen van het tweekamerstelsel duidelijk worden.
Alhoewel de fractie van spreker niet volledig instemt met alle bepalingen van het ontwerp, gebiedt de wijsheid dat er snel over moet worden gestemd, om een hervorming die al zeer moeizaam verloopt, niet nog ingewikkelder te maken.
De fractie van spreker zal de tekst dus zijn verstandsgoedkeuring geven, zonder uit te sluiten dat over deze zaken later nog diepgaander wordt gedebatteerd.
Mevrouw Nyssens wenst dat er een antwoord wordt gegeven op de vragen die de hervorming doet rijzen bij de betreffende politie-actoren.
Die vragen gaan eerst en vooral over de beroepen die bij de Raad van State aanhangig zijn.
Sommigen hebben de indruk dat de programmawet, de weerslag van de overgangsbepalingen en van de data van bevestiging van de bepalingen die beroepen van hun zin ontdoen, omdat het laatste arrest van de Raad van State van 13 mei 2002 de aanvragen van de personen die in beroep zijn gegaan, naar het Arbitragehof heeft verwezen in de vorm van een prejudiciële vraag.
Deze vragen betreffen discriminaties waarvan sommigen het slachtoffer menen te zijn. Het gaat vooral om ex-leden van de gerechtelijke politie die blijven geloven dat een aantal bepalingen van het koninklijk besluit (het zogenaamde Mammoet-besluit) dat dit ontwerp bevestigt, bijkomende rechten verlenen aan het voormalige rijkswachtpersoneel.
Sommigen menen bijvoorbeeld dat de opleidingen en specialisaties die zij gevolgd hebben, onvoldoende in aanmerking worden genomen, niet zozeer op geldelijk vlak maar wel wat de loopbaan betreft.
De heer Kelchtermans is er zich van bewust dat in het voorliggende ontwerp, gezien het spoedeisend karakter, geen enkele wijziging aangebracht mag worden.
Het ontwerp bevat een reeks bepalingen die zijn fractie onderschrijft. De Kamer heeft een aantal verstandige wijzigingen aangebracht omdat sommige punten buiten partijgebonden overwegingen om behandeld werden.
Het voornaamste is gebeurd, namelijk het opnemen in de wet van het statuut van de geïntegreerde politiediensten, met alle waarborgen en beschermingen die eraan gekoppeld zijn.
Een aantal andere punten roepen wel vragen op, zoals het probleem van de totale kostprijs.
De politiehervorming was in het begin erg vaag, met een reeks circulaires die elkaar snel opvolgden en elkaar soms tegenspraken.
Ook de kwestie van de gebouwen heeft aanleiding gegeven tot een groot aantal tegenstrijdige verklaringen en er zou wat coördinatie mogen bestaan tussen het ministerie voor Binnenlandse Zaken en de Dienst Gebouwen.
Voor de heer Kelchtermans zullen de gemeenten financieel het slachtoffer worden van de politiehervorming. Om het protest van de lokale besturen in te dijken hebben de ministers en de toezichthoudende gewestelijke overheden de gemeenten de toestemming gegeven om de bijkomende kosten die uit de hervorming voortvloeien, in hun begroting op te nemen als een « te ontvangen bedrag ». Dat is bedrog, want het bedrag van de aanvaardbare meerkosten zal worden bepaald op basis van de audit die in elke politiezone aan de gang is. Volgens spreker is het zeer waarschijnlijk dat de audit zal leiden tot de verwerping van het merendeel van de meerkosten waarmee de gemeenten worden opgezadeld en waarvan slechts een klein deel werkelijk zal worden gecompenseeerd.
Daarenboven vraagt spreker zich af hoe de beloften van de eerste minister over het ter beschikking stellen van een groter aantal manschappen voor de steden Charleroi en Gent objectief verantwoord zullen worden. Zullen die bijkomende manschappen gefinancierd worden op basis van de bestaande enveloppes voor de betrokken zones ?
Tot slot meent de heer Kelchtermans dat het globale resultaat van de hervorming vrij negatief is. Zij heeft immers geleid tot minder slagkracht bij de politiediensten en tot een onaanvaardbare afwenteling van de kosten op de plaatselijke besturen. De samenwerking tussen de departementen Justitie en Binnenlandse Zaken blijft moeilijk en voor veel punten is nog steeds geen bevredigende oplossing gevonden, en dat terwijl de octopusakkoorden al van 1998 dateren.
Mevrouw Lizin benadrukt dat de invoering van de arrondissementele informatiekruispunten geen bijkomende last mag vormen voor de lokale zones. Die kruispunten moeten zowel door de lokale politie als door de federale politie worden georganiseerd. Voor de werking van die centra is het onontbeerlijk dat door de politiezones personeelsleden ter beschikking worden gesteld. Het aantal manschappen van de lokale politie mag niet te sterk dalen. Spreekster meent dat binnen de DIRCO's en DIRJU's mensen beschikbaar zijn om de opdrachten van de arrondissementele informatiekruispunten uit te voeren.
Mevrouw Lizin pleit ervoor dat de korpschefs van kleine korpsen een evaluatie ondergaan alvorens gelijkgesteld te worden met de hoofdcommissarissen van de federale politie. Welk standpunt neemt de minister hierover in ?
Ten slotte merkt spreekster op dat voor de integratie van personeel van de BOB's speciale systemen zijn opgezet. Moeten er voor het personeel van de gerechtelijke politie, dat heel wat kwaliteiten bezit maar geen gebruik heeft kunnen maken van deze stelsels, geen soortgelijke maatregelen komen ?
De minister merkt op dat dit ontwerp erg technisch is maar ook erg belangrijk, aangezien het de essentiële elementen van het statuut van de politiediensten ingevolge artikel 184 van de Grondwet, zoals gewijzigd op 30 maart 2001, in de wet verankert.
De minister antwoordt met betrekking tot de vragen over de financiering van de hervorming dat het wetsontwerp dit probleem niet aansnijdt omdat er bepalingen zijn die de organisatie van de werktijd wijzigen. Hierover is met de vakbonden onderhandeld om tot meer flexibiliteit te komen, wat besparingen heeft opgeleverd.
De minister verklaart dat de statutaire meerkost binnen elke politiezone op een objectieve en gedetailleerde manier onderzocht wordt. Waar de middelen ontoereikend blijken, zal de federale overheid bijkomende middelen moeten vrijmaken.
Wat betreft de definitie van de werkelijk toelaatbare meerkosten, zijn technici dit probleem aan het onderzoeken met verantwoordelijken van de Vereniging van steden en gemeenten. Een zeer ruime consensus is zich aan het aftekenen en de laatste obstakels zullen tegen 30 mei 2002 geruimd zijn. Volgens de huidige stand van de werkzaamheden zal er een voorspelbare meerkost zijn. Zoals de eerste minister zelf beloofd heeft, zullen de nodige financiële middelen vrijgemaakt worden tijdens de begrotingscontrole van juni 2002.
De minister verwijst onder meer naar de besprekingen betreffende de overname door de federale overheid van de meerkost die op lokaal niveau ontstaat door de terbeschikkingstelling van personeel voor de werking van de AIK. Spreker herinnert eraan dat een van de doelstellingen van de hervorming erin bestond de samenwerking en de communicatie tussen de verschillende politieniveaus te verbeteren. De regering, die erop staat dat de lokale politie vertegenwoordigd wordt in de AIK, is bereid een aanzienlijk deel van de kosten van deze vertegenwoordiging van het lokale niveau in de AIK voor haar rekening te nemen.
Als antwoord op de analyse van de heer Kelchtermans betreffende de grote steden en de mogelijkheden voor de federale politie om overal in het land op te treden, herinnert de minister eraan dat de rijkswacht over 8 000 personeelsleden beschikte in de lokale brigades. Deze manschappen werden ingezet voor grote betogingen, voetbalwedstrijden, enz. Door de hervorming gaan die personen over naar het lokale niveau. De federale politie beschikt om zo te zeggen niet meer over gedecentraliseerde krachten. De enige personeelsleden die als administratieve politie beschikbaar zijn, zijn te vinden bij de nationale reserve, die iets meer dan 1 100 manschappen telt. De federale politie beschikt dus niet langer over genoeg personeelsleden om op te treden. Op het lokale niveau moeten er bijgevolg maatregelen komen om opdrachten inzake ordehandhaving uit te voeren.
Hoe weinig manschappen de federale politie ook telt, toch levert zij inspanningen. Ofschoon bijvoorbeeld de gerechtelijke pijler van de federale politie zowat 4 000 manschappen telt, heeft de minister de federale politie opdracht gegeven steun te verlenen aan de lokale politie gedurende een overgangsperiode van vier jaar telkens wanneer de gerechtelijke overheid de lokale politie vordert.
De heer Kelchtermans stelt vast dat er geen duidelijke richtlijnen bestaan en dat de parketten om zeer uiteenlopende redenen de lokale politie vorderen, zich daarbij beroepend op het argument dat gerechtelijke opdrachten voorgaan op administratieve.
Mevrouw Nyssens deelt mee dat er in Brussel een protocolakkoord tot stand is gekomen om al deze problemen tussen de politie en de onderzoeksrechters te regelen. Dat akkoord verdeelt de taken en stelt de voorrang vast. Spreekster pleit ervoor dat deze oplossing toepassing krijgt in alle arrondissementen.
De minister verklaart het eens te zijn met de opmerkingen van mevrouw Nyssens. Hij bevestigt dat de minister van Justitie alle gerechtelijke arrondissementen heeft bezocht om het probleem in te schatten. De toestand kan overal verschillend zijn. In Brussel is er een protocol maar er bestaan ook wettelijke instrumenten, te weten de zonale veiligheidsplannen. In de gerechtelijke sector is het personeelsbestand aan aanpassing toe.
De minister stelt evenwel vast dat er sprake is van administratieve taken maar vindt het al even opmerkelijk dat de gerechtelijke sector het aantal formaliteiten doet toenemen. Kantschriften bijvoorbeeld worden te pas en te onpas gebruikt en dat legt voortdurend beslag op een of meer politieagenten. Men zou de politiediensten kunnen ontlasten van een aantal taken en hij zal terzake een voorstel doen aan de minister van Justitie.
De resultaten van de doorlichting hebben voor hem evenwel duidelijk gemaakt dat een groot aantal moeilijkheden niet aan de politiehervorming te wijten is maar aan slechte gewoonten uit het verleden. Men behoort dus de gelegenheid te baat te nemen om een aantal praktijken bij te sturen die schadelijk zijn voor een doelmatig optreden van de politie door de agenten vrij te stellen van een aantal administratieve en bureaucratische taken. Niet alleen de procedures zijn aan vereenvoudiging toe maar ook de mentaliteit moet veranderen.
Voor de problemen in de grote steden zijn er jammer genoeg geen manschappen beschikbaar. De minister wijst er evenwel op dat hij tracht op te treden waar nodig. Dat geldt onder meer voor Antwerpen, waar de synagoge en de joodse gemeenschap bedreigt zijn geworden. Het materieel en een dertigtal bijkomende manschappen werden in Antwerpen ter beschikking gesteld ter versterking van de lokale politie.
Het is echter niet alleen een kwestie van manschappen. Het is niet door meer mensen in te zetten dat men de beste resultaten verkrijgt maar wel door die mensen op een optimale manier aan te wenden. In België is het aantal politiemensen minstens even groot zoniet groter dan in andere Europese landen.
De minister zegt dat hij op dezelfde wijze in Charleroi tussenbeide is gekomen. Men geeft niet zomaar bijkomende financiële middelen aan die stad. De financieringstechniek die voor de grote steden is gekozen, dit wil zeggen diegenen te belonen die in het verleden een bijzondere inspanning gedaan hebben door meer in politiepersoneel te investeren en minder op rijkswachters een beroep te doen, heeft tot resultaat dat zij over bijkomende financiële middelen beschikken waardoor zij ook bijkomend personeel kunnen aanwerven.
Het probleem is vermoedelijk dat het aantal kandidaten om naar Charleroi of Antwerpen te gaan minder groot zal zijn en dat men moet nadenken over de manier waarop politiemannen kunnen worden gemotiveerd om zich kandidaat te stellen voor die steden.
Ten slotte is er bij het uitwerken van de hervorming niet grondig nagedacht over de toestand van de grote steden. Er moet een evaluatie worden gemaakt om te zien of de beschikbare middelen voor uitdagingen zoals de criminaliteit, een adequaat antwoord zijn op de problemen. Misschien dient een bijkomende inspanning te worden geleverd en moeten we ook zien wat dat meebrengt voor de mogelijkheid dat de criminaliteit zich verplaatst.
De programmawet zal het evaluatieprincipe trouwens bevestigen, wat verschillende ministers in staat zal stellen met verantwoordelijken van steden en gemeenten besprekingen te voeren om de wederzijdse informatie beter samen te brengen. Zo zal een doorlopende evaluatie gemaakt kunnen worden op financieel en sociaal vlak, voor de pensioenen, de gebouwen, enz. Voor dit laatste is hij natuurlijk niet bevoegd, maar tijdens de laatste vergadering met minister Daems heeft deze aangekondigd dat de laatste drie koninklijke besluiten die het systeem doen werken, op het punt stonden genomen te worden. De programmawet zal trouwens, voor de politiezones die dat wensen, de mogelijkheid inbouwen om te verzaken aan de eigendomsoverdracht en te kiezen voor een gelijkwaardige financiële retributie.
De uiteindelijke regeling voor de financiële bijdrage van de federale overheid in de lokale politie zal trouwens in de wet opgenomen moeten worden, teneinde ongerustheid bij de plaatselijke overheden te voorkomen.
De minister betreurt evenzeer dat er zoveel koninklijke besluiten en omzendbrieven uitgebracht werden, maar acht dit onvermijdelijk voor een hervorming van een dergelijke omvang. Het is duidelijk dat het werk van de politie er nu deels in bestaat deze hervorming te verwerken, maar op middellange termijn zal zij er qua tijdswinst en efficiëntie op vooruitgaan.
Voor deze hervorming moest snel gewerkt worden, en was de volgorde niet altijd logisch. Zo bestonden er geen taalkaders in de voormalige politiekorpsen (rijkswacht), maar voor de benoeming van de kaderleden van de federale politie werd de pariteit wel geëerbiedigd. Nu pas is de procedure voor het taalkader aan de gang.
De Raad van State heeft bevestigd dat hij de methode van de regering goedkeurt die, met het oog op de rechtszekerheid, een aantal processen door middel van een wet bevestigt, mits de regering haar beslissing motiveert aangezien er ook een probleem van terugwerking rees.
Er zijn overigens zeer weinig beroepen bij de Raad van State geweest en de adviezen van de auditeurs waren met elkaar in tegenspraak. De wet zal dus de toestand ophelderen.
Wat betreft de vraag van mevrouw Lizin over de AIK en de hoofdcommissarissen, wijst de minister erop dat men in de Kamer gevraagd heeft om voorlopig de korpschefs de titel en de bezoldiging van hoofdcommissaris te laten genieten, omdat er in de kleine zones, een uitzonderlijke toestand bestaat met minder middelen, terwijl de korpschef toch belangrijke taken moet vervullen. Die maatregel is slechts een overgangsmaatregel en zal dus niet voor de toekomst gelden.
Wat de BOB's en de gerechtelijke politie betreft heeft hij beoogd dat iedereen in de nieuwe organisatie zijn gading vindt via het evenredigheidsbeginsel. Dat is niet gemakkelijk geweest. Het heeft geleid tot sommige excessen en hij erkent dat er thans te veel officieren zijn. Niettemin was dit de prijs voor een zekere rechtvaardigheid en de sociale vrede. Om die reden heeft hj het evenredigheidsbeginsel toegepast. Hij werd erover aangesproken en is ervan overtuigd geworden dat er een probleem zou kunnen zijn voor sommige mensen van de gerechtelijke politie. Hij heeft zich ertoe verbonden om de noodzakelijke correcties aan te brengen.
De heer Kelchtermans wenst nog te weten hoe het staat met het protocol 57 waarover een aantal zaken nog moeten worden onderhandeld.
Hij komt ook terug op het probleem van de audit en van de werkelijk toelaatbare meerkosten. Volgens de minister zal dus telkens worden beoordeeld of de gemaakte kosten als dusdanig begrip aanvaard kunnen worden en, indien dat het geval is, worden deze kosten integraal terugbetaald.
Hij verneemt nu dat de zonechef en de bijzondere rekenplichtige reeds een belangrijke mandaatvergoeding moeten krijgen, dat geldt eventueel ook voor de secretaris die vanuit het KALOG moet worden aangeduid. Door de auditcommissie wordt echter nu reeds gezegd dat dergelijke kosten niet worden aanvaard als aanvaardbare meerkost. Dit voorbeeld illustreert duidelijk hoe een nieuwe financiële vergoeding die werd ingevoerd door de hervorming en het nieuw statuut ten laste valt van de zone hoewel deze de beslissing zelf niet heeft genomen. Het is dan ook onaanvaardbaar dat dit niet als aanvaardbare meerkost wordt beschouwd en dergelijke houding wekt bij velen een groot scepticisme op over het werk van de auditcommissie die wordt beschouwd als zeer arbitrair. Het is nooit eerder gebeurd dat een voogdijoverheid toelaat om ontvangsten en uitgaven in te schrijven terwijl de diensten ze nog niet hebben ontvangen. Aan het bedrag dat dan is ingeschreven beginnen knabbelen lijkt sterk op een doorgestoken kaart. De werkingsmethode van die auditcommissie moet dus grondig worden gecontroleerd. Men kan niet enerzijds beloven dat de meerkost tot op de laatste frank zal worden betaald en dan beginnen beweren dat sommige evidente, van buitenaf opgelegde, meerkosten niet als dusdanig worden beschouwd.
Wat de toelaatbare werkelijke bijkomende kosten betreft, antwoordt de minister dat er een consensus is om de berekening te bepalen van de gemiddelden van de overuren en weekenduren die in rekening moeten worden gebracht om de weerslag op de bijkomende kosten te berekenen. Het is immers normaal dat de federale overheid de redelijke gevolgen ten laste neemt van de politiehervorming. Maar indien de lokale overheid zonder reden overuren laat oplopen in plaats van de lokale politie te herorganiseren, moeten zij zelf de verantwoordelijkheid ervan op zich nemen.
Wat de functie van bijzonder rekenplichtige betreft, verklaart de minister dat de kostprijs voor die functie door de federale overheid gedragen moet worden. Wat daarentegen de functie van secretaris betreft dient in de eerste plaats te worden vermeld dat die taak in talrijke politiezones beperkt is en kan worden opgenomen door een politieman of nog beter door een lid van KALOG. De meeste parlementsleden-burgemeesters hebben erop aangedrongen dat de federale overheid de lokale overheid de keuze zou laten om deze functie al dan niet in te vullen. De federale overheid is op dat verzoek ingegaan. De minister veronderstelt bijgevolg dat die lokale overheid de moed heeft om de noodzakelijke beslissingen te nemen.
Met betrekking tot protocol nr. 57 verklaart de minister dat de syndicale organisaties dit protocol op 25 januari 2002 hebben ondertekend. Begin maart werd een aanvullend protocol goedgekeurd dat in hoofdzaak betrekking heeft op de vergoeding voor nachtprestaties. Gelet op de striktere definitie van het begrip « nacht » in protocol nr. 57, waren de syndicale organisaties van oordeel dat het hierdoor veroorzaakte inkomensverlies moest worden gecompenseerd door een aanpassing van de vergoedingsregeling. Daarom zullen de prestaties van 19 uur tot 22 uur eveneens worden vergoed, maar aan een lager percentage dan dat wat geldt voor de uren die 's nachts worden gepresteerd.
In protocol nr. 57 wordt de kwestie van de medische verzorging niet geregeld tenzij voor het KALOG-personeel waaraan een hospitalisatieverzekering zal worden aangeboden op kosten van de overheid.
Mevrouw Nyssens en de heer Dallemagne dienen amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) dat ertoe strekt het middenkader uit te breiden met de graden van districtsinspecteur van politie en aspirant-districtsinspecteur van politie. De indieners verwijzen naar de verantwoording van hun amendement.
De heer Kelchtermans en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) teneinde het middenkader eveneens uit te breiden met de graden van afdelingsinspecteur van politie en van aspirant-afdelingsinspecteur van politie. Ook deze indieners verwijzen naar de verantwoording van hun amendement.
Beide amendementen worden verworpen met 6 tegen 2 stemmen.
Mevrouw Nyssens en de heer Dallemagne dienen amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) dat ertoe strekt de woorden « hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie » te vervangen door de woorden « districtsinspecteur van politie ». Dit amendement is een logisch gevolg van amendement nr. 3.
De heer Kelchtermans en mevrouw Thijs dienen een identiek amendement in (amendement nr. 9, stuk Senaat, nr. 2-1102/2). De indieners verwijzen voor de details naar de verantwoording van hun amendement.
Beide amendementen worden verworpen met 6 tegen 2 stemmen.
Mevrouw Nyssens en de heer Dallemagne dienen amendement nr. 5 (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) in dat ertoe strekt de woorden « hoofdinspecteur van politie met specialiteit politie-assisent » te vervangen door de woorden « districtsinspecteur van politie met specialiteit politie-assistent« .
Dit amendement, dat een logisch gevolg is van amendement nr. 3, wordt verworpen met 6 tegen 2 stemmen.
Mevrouw Nyssens en de heer Dallemagne dienen amendement nr. 6 (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) in, dat ertoe strekt dit artikel te vervangen als volgt : « De personeelsleden die slagen voor de basisopleiding kunnen worden bevorderd door overgang naar het beoogde hoger kader. Zij ontvangen een diploma waarmee zij zich volgens de regels inzake mobiliteit kandidaat kunnen stellen voor een vacante betrekking bij zowel de lokale als de federale politie. »
Dit amendement wordt verworpen met 6 tegen 2 stemmen.
De heer Kelchtermans en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) dat ertoe strekt een artikel 38bis (nieuw) in te voegen volgens hetwelk de inspecteur van politie die geslaagd is voor een georganiseerde proef waarvan het programma vastgesteld is door de door de minister aangewezen dienst, vrijgesteld is van de in artikel 16 bepaalde diplomavereisten. De indieners verwijzen voor de details naar de verantwoording van hun amendement.
Dit amendement wordt verworpen met 6 tegen 2 stemmen.
Mevrouw Nyssens en de heer Dallemagne dienen amendement nr. 7 (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) in dat ertoe strekt een nieuw artikel 40bis in te voegen dat bepaalt dat de inspecteur van politie of de hoofinspecteur van politie die geslaagd is voor een georganiseerde proef waarvan het programma wordt vastgesteld door de directeur van de door de minister aangewezen dienst, is vrijgesteld van de in de artikelen 16 en 17 bepaalde diplomavereisten.
Dit amendement wordt verworpen met 6 tegen 2 stemmen.
De heer Kelchtermans en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 11 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) houdende vervanging van het voorgestelde artikel door een bepaling waarbij aan de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader het genot van de kosteloze gezondheidszorgen wordt gewaarborgd. De indieners verwijzen naar de verantwoording van hun amendement.
Dit amendement wordt verworpen met 6 tegen 2 stemmen.
De heer Kelchtermans en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) houdende invoeging van een artikel 87bis (nieuw) waarin bepaald wordt dat het personeelslid zich voor de uitoefening van zijn recht op kosteloze gezondheidszorgen mag wenden tot om het even welke zorgverstrekker zoals bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967. De indieners verwijzen voor de details naar de verantwoording van hun amendement.
Dit amendement wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen.
De heer Kelchtermans en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 13 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) houdende vervanging van artikel 96bis van de wet van 7 december 1998 betreffende de medewerking van de politiezones aan het functioneren van de communicatie- en informatiecentra. De detâchering van het personeel van de lokale politiezones aan die centra geschiedt lastens de federale begroting. De indieners verwijzen naar de verantwoording van hun amendement.
Dit amendement wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen.
De heer Kelchtermans en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 14 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) houdende aanvulling van artikel 115, § 9, van de wet van 7 december 1998 met een bepaling luidens welke de steun voor wettelijke opdrachten gratis is voor wat betreft de manuren. De indieners verwijzen naar de verantwoording van hun amendement.
Dit amendement wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen.
Mevrouw Nyssens en de heer Dallemagne dienen amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) dat ertoe strekt artikel 129 te doen vervallen. De indieners verwijzen naar de verantwoording van hun amendement, meer bepaald naar de prejudiciële vraag die de Raad van State heeft gesteld over de geldigheid van artikel 168 van de programmawet van 30 december 2001. Er moet dus worden gewacht op het arrest van het Arbitraghof voor het toepassingsgebied van artikel 168 wordt uitgebreid.
De heer Kelchtermans en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 15 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) dat eveneens ten doel heeft dit artikel te doen vervallen. De indieners verwijzen naar de verantwoording van hun amendement.
Beide amendementen worden verworpen met 7 tegen 2 stemmen.
De heer Kelchtermans en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 16 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2) houdende invoeging van een artikel 131bis (nieuw) waardoor de minister de personeelsleden die bekleed zijn met de graad van inspecteur van politie, aanstelt in de graad van hoofdinspecteur van politie indien ze houder zijn van bepaalde brevetten. De indieners verwijzen voor de details naar de verantwoording van hun amendement.
Op dit amendement dienen de heer Kelchtermans en mevrouw Thijs een subamendement in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2, amendement nr. 17) dat bepaalt dat ook het diploma uitgereikt door het ministerie van Justitie, Nationale School voor criminologie en criminaliteit wordt geviseerd.
Beide amendementen worden verworpen met 7 tegen 2 stemmen.
Artikelen 131ter tot 131octies (nieuw)
De heer Kelchtermans en mevrouw Thijs dienen een reeks amendementen in houdende invoeging van de artikelen 131ter tot 131octies (nieuw) met het oog op de verdere verwezenlijking van de gelijkstelling tussen de personeelsleden van de verschillende politiekorpsen (stuk Senaat, nr. 2-1102/2, amendementen nrs. 18 tot 23). De indieners verwijzen voor de details naar de verantwoording van hun amendementen.
Deze amendementen worden verworpen met 7 tegen 2 stemmen.
Mevrouw Nyssens en de heer Dallemagne dienen amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 2-1102/2), dat ertoe strekt artikel 138, 2º, te doen vervallen. De indieners verwijzen naar de verantwoording van hun amendement.
Dit amendement wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen.
Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 7 stemmen bij 2 onthoudingen.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitster, |
| Frans LOZIE. | Anne-Marie LIZIN. |