2-194

2-194

Belgische Senaat

Handelingen

WOENSDAG 27 MAART 2002 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Meryem KaÁar aan de vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie, aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, en aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid, over ęde vrijstelling van beroepskaart voor bepaalde categorieŽn van vreemdelingenĽ (nr. 2-755)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Meryem KaÁar (AGALEV). - Reeds op 12 maart 1996 heeft de interministeriŽle conferentie voor het migrantenbeleid beslist dat er een vrijstelling van beroepskaart zal worden verleend aan vreemdelingen die in BelgiŽ gevestigd zijn. Het Parlement heeft zich hierover positief uitgesproken met de wet van 2 februari 2001. Wij stellen tot onze verbazing vast dat er tot nu toe nog geen uitvoeringsbesluit is voor de wet van 2 februari 2001. Hierdoor blijft de oude wet nog steeds van toepassing.

Op deze wijze wordt een discriminatie gehandhaafd tussen de tot verblijf gemachtigde erkende vluchtelingen en de gevestigde vreemdelingen, gezien de eerste groep in 1991 die vrijstelling bekomen heeft. Hoewel deze ongelijkheid elk jaar aangeklaagd wordt in het jaarverslag van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding - dat morgen het jaarverslag 2001 zal bekendmaken waarin deze ongelijkheid nogmaals wordt aangeklaagd - valt het ten zeerste te betreuren dat dit discriminerend onderscheid nog niet is opgeheven.

Van de minister van Economie vernamen wij dat het uitvoeringsbesluit ter advies voorgelegd is aan de minister van Begroting. Hoewel de Inspectie van financiŽn het uitvoeringsbesluit al op 4 december 2001 goedkeurde, dus 4 maanden geleden, is er in dit dossier nog steeds geen beslissing genomen.

Wat gaan de ministers van Begroting en van Middenstand in dit dossier nog doen? Wat is de reden van de opgelopen vertraging? Dienen er nog andere instanties geraadpleegd te worden?

Gaat de minister van Begroting een positief advies geven voor de uitvoering van dit besluit? Zo neen, om welke redenen? Zo ja, wanneer?

Indien de minister van Begroting zijn goedkeuring verleent, wanneer zal dan de minister van Economie het uitvoeringsbesluit goedkeuren? Moeten er termijnen in acht worden genomen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Mijnheer de voorzitter, ik zal het antwoord geven dat collega Daems mij heeft laten geworden.

"Zoals ik onlangs al aan senator Fatma Pehlivan antwoordde, kan ik ook u meedelen dat het ontwerp van koninklijk besluit tot vrijstelling van beroepskaart voor bepaalde categorieŽn van vreemdelingen door mijn diensten inderdaad begin oktober 2001 voor advies en akkoord werd voorgelegd aan de Inspectie van financiŽn van mijn departement en aan de minister van Begroting. Zoals u weet zijn deze voorafgaande adviezen en akkoorden vereist, vooraleer een dossier ingeschreven kan worden op de agenda van de Ministerraad.

Op 4 december 2001 ontving ik het advies van de Inspecteur van financiŽn van mijn departement, die stelde dat er van zijn kant geen principiŽle bezwaren bestaan tegen het ontwerp van koninklijk besluit. Tot op heden heb ik evenwel nog niet het akkoord van de minister van Begroting ontvangen.

Het is mijn bedoeling het ontwerp van koninklijk besluit voor te leggen aan de Ministerraad, zodra ik het akkoord heb van mijn collega van Begroting.

Uw tweede vraag is gericht tot mijn collega van Begroting. Ik heb van collega Vande Lanotte geen antwoord op deze vraag gekregen.

De minister van Economie is in deze aangelegenheid niet bevoegd. Zodra de Ministerraad het ontwerp van koninklijk besluit goedgekeurd zal hebben, zal ik het voor advies voorleggen aan de Raad van State en het daarna aan het staatshoofd ter ondertekening voordragen."

Mevrouw Meryem KaÁar (AGALEV). - Mijnheer de voorzitter, ik betreur dat de regering mijn vraag niet volledig heeft beantwoord. Mijn vraag was gericht tot drie ministers. Als u niet van alle ministers een antwoord hebt ontvangen, waarom werd mijn vraag dan op de agenda geplaatst? Ik eis dat het onbeantwoorde gedeelte van mijn vraag nogmaals wordt geagendeerd, zodat de minister van Begroting erop kan antwoorden.

Mijn vraag was overigens in de eerste plaats gericht aan de minister van Begroting. Het antwoord van de minister van Middenstand kende ik al. Ik heb het overigens gebruikt om mijn vraag te stofferen. Ik heb dus niets bijgeleerd en ik betreur dat.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het antwoord is gebaseerd op de reacties van de ministers van Middenstand en van Economische Zaken. Ik heb tot mijn spijt ook zelf vastgesteld dat het derde gedeelte ontbrak.

Mevrouw Meryem KaÁar (AGALEV). - Ik eis dat mijn vraag opnieuw op de agenda wordt geplaatst.

-Het incident is gesloten.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 28 maart 2002 om 10 uur, om 15 uur en om 19 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 18.30 uur.)