2-193

2-193

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 21 MAART 2002 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Jurgen Ceder aan de eerste minister over «het standpunt van de federale regering ten aanzien van het rapport Nabholz-Haidegger» (nr. 2-926)

De voorzitter. - De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.

De heer Jurgen Ceder (VL. BLOK). - Maandagvoormiddag werd het rapport van Lili Nabholz-Haidegger inzake minderheden in België goedgekeurd door de commissie voor Justitie en Mensenrechten van de Raad van Europa. In dit rapport worden de Franstaligen op Vlaams grondgebied als nationale minderheid beschouwd. Bovendien vraagt het rapport dat België zijn voorbehoud ten aanzien van het raamverdrag inzake minderheden intrekt.

Wat is het officiële standpunt van de regering over het rapport van Nabholz-Haidegger? Is de regering van mening dat de Franstaligen in Vlaanderen een nationale minderheid vormen? Welke stappen zal de regering doen tegenover de Raad van Europa teneinde de goedkeuring van het rapport in zijn huidige vorm te verhinderen?

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie. - Ik herhaal het antwoord dat ik in de Kamer gaf, waar dezelfde vraag werd gesteld.

Het zou niet verstandig zijn mocht België het tempo of de aard van de aanpak van de communautaire problemen laten afhangen van een of andere internationale organisatie. Dat is in het verleden nooit vruchtbaar geweest en ik verwacht niet dat het in de toekomst anders wordt.

Ik heb met veel belangstelling, maar ook met enige angst gelezen dat er een vraag is om het Waalse en het Luxemburgse dialect als nationale minderheidstalen te erkennen. Ik vrees dan ook het ergste voor de vereniging van West-Vlamingen in Brussel, die eenzelfde vraag kunnen indienen. Dat zal het leven in België er niet gemakkelijker op maken. Maar dit terzijde.

Wat de grond van de zaak betreft, wil ik twee punten benadrukken. In het rapport staat dat er op federaal niveau, waar de tweederde meerderheid, de pariteit in de ministerraad, de alarmbelprocedure en dies meer worden gehanteerd, geen sprake kan zijn van minderheden, zoals er ook in Brussel geen minderheden bestaan, omdat daar dezelfde evenwichtssystemen werken. Dat betekent dat er voor de federale regelingen geen probleem rijst. De taalwetgeving in de faciliteitengemeenten, bijvoorbeeld, is federaal.

We hebben afgesproken het raamverdrag inzake minderheden goed te keuren, zonder de bestaande taalwetgeving te veranderen. In het Lambermontakkoord hebben we voor de overheveling van de gemeentewet hetzelfde principe toegepast: de bestaande garanties werden niet aangetast. Dat staat niet vermeld in het rapport. Er staat dat er steeds meer naar de gewesten wordt overgeheveld, maar er wordt niet vermeld dat bij die overheveling de garanties die op federaal niveau gedurende jaren zijn opgebouwd, behouden blijven.

We willen niet de indruk blijven wekken dat België bang is voor minderheden, maar we willen ook niet wat jarenlang is opgebouwd inzake taalwetgeving, nu van tafel vegen. In het rapport zegt mevrouw Nabholz-Haidegger zelf dat het verdrag de Franstaligen in de rand veel minder zal helpen dan ze hopen en voor de Vlamingen veel minder problemen zal doen rijzen dan ze vrezen. Deze uitspraak geeft goed weer dat we in dit debat de realiteit en de sloganachtige interpretatie van een rapport uit elkaar moeten houden.

De regering zal in de interministeriële conferentie inzake buitenlands beleid haar werk voortzetten om op basis van goed onderbouwde standpunten een mogelijkheid te scheppen om het verdrag goed te keuren, maar zonder de bestaande taalwetgeving daarmee op de helling zetten.

De heer Jurgen Ceder (VL. BLOK). - De vice-eerste minister onderschat het probleem. Ik heb de tekst van het rapport goed gelezen. Ik geef een voorbeeld. Indien Franstaligen op Vlaams grondgebied worden erkend als nationale minderheid, betekent dit dat Franstalige culturele activiteiten moeten worden gesubsidieerd. Dat staat letterlijk in voetnoot 8 van het rapport. Het betekent ook dat de Franstaligen volledige taalrechten zullen kunnen doen gelden, niet alleen in de faciliteitengemeenten, maar ook in de rest van het land. Voor de Raad van Europa zal het geen verschil uitmaken of de taalwetten federaal zijn, want hij erkent de Franstaligen als nationale minderheid in Vlaanderen. Zo staat het erin.

In het rapport staat ook duidelijk dat de nationale regering verantwoordelijk blijft ten aanzien van de Raad van Europa. Ik citeer: "In case of territorial subdivision, the state may even lose competence in those fields, but remains accountable towards the Council of Europe for the respect of its international commitments." De federale overheid blijft dus verantwoordelijk voor de stellingen die de Vlamingen innemen ten aanzien van de Franstaligen op Vlaams grondgebied. De vice-eerste minister heeft bovendien niet op mijn concrete vragen geantwoord.