2-184

2-184

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 28 FÉVRIER 2002 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de Mme Erika Thijs au vice-premier ministre et ministre du Budget, de l'Intégration sociale et de l'Économie sociale sur «les demandeurs d'asile qui séjournent dans un lieu d'accueil d'initiative locale» (nº 2-712)

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Op 5 december 2001 is er een omzendbrief uitgevaardigd die bepaalt dat asielzoekers die na 7 januari 2002 een negatieve beslissing krijgen van het CGVS en die een beroep bij de Raad van State aantekenen, niet meer in het lokaal opvanginitiatief mogen blijven.

In 2000 startte het OCMW van Bilzen met een lokaal opvanginitiatief. Een aantal asielzoekers werd hierin opgevangen, terwijl andere een gewone maandelijkse steun kregen.

Met deze omzendbrief worden asielzoekers die toevallig in het lokaal opvanginitiatief zijn terechtgekomen, gediscrimineerd. Ze zijn immers evengoed geïntegreerd in de lokale samenleving als asielzoekers die een maandelijkse financiële steun ontvangen, maar ze mogen niet in de gemeente blijven als ze een beroep bij de Raad van State aantekenen.

In feite zou voor alle asielzoekers dezelfde reglementering moeten gelden, ongeacht of ze in het opvanginitiatief verblijven of een maandelijkse financiële steun ontvangen. Ofwel moeten alle asielzoekers die voor 3 januari 2001 een asielaanvraag hebben ingediend en na 7 januari 2002 een negatieve beslissing van het CGSV ontvangen hebben en hiertegen een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State indienen, opgevangen worden in een opvangcentrum. Ofwel moeten deze mensen verder worden opgevangen door het OCMW waaraan zij aanvankelijk werden toevertrouwd. Het is uiteraard de minister die deze knoop moet doorhakken, maar zijn beslissing moet wel voor iedereen op dezelfde manier gelden. Hoe kunnen we deze mensen ooit uitleggen dat familie X, die enkele maanden na familie Y een asielaanvraag heeft ingediend, maar een maandelijkse steun ontvangt, in Bilzen mag blijven en dat familie Y, die in het lokaal opvanginitiatief verbleven heeft, naar een opvangcentrum moet verhuizen, terwijl de beide families dezelfde procedures hebben ingesteld? Asielzoekers die in een opvanginitiatief terechtkwamen, ervaren de verhuizing naar een opvangcentrum als een straf.

Wordt het gelijkheidsbeginsel niet geschaad door een onderscheid te maken tussen mensen die uit een lokaal opvanginitiatief komen, en mensen die van de gemeente financiële steun krijgen?

Hoeveel asielzoekers zijn er sinds de omzendbrief al teruggebracht naar de drie betrokken federale centra?

Werden er al asielzoekers die na deze laatste omzendbrief naar de federale centra gekomen zijn, teruggeleid naar hun land van herkomst?

Is de vice-eerste minister bereid een vijfde uitzondering toe te voegen aan de omzendbrief van 5 december 2001 voor asielzoekers die voor 3 januari 2001 een asielaanvraag indienden en na 7 januari 2002 een beroep bij de Raad van State aantekenden en in een lokaal opvanginitiatief verblijven?

(M. Jean-Marie Happart, vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie. - Eind 2000 werd de beslissing genomen om de asielzoekers die vanaf 2001 ons land binnenkomen, geen financiële steun meer te verlenen. Deze beslissing is de basis voor de volgende beslissingen.

In de omzendbrief van 5 december 2001 wordt bepaald op welke wijze materiële hulp wordt verleend aan de asielzoekers die enkel materiële hulpverlening krijgen, of ze nu in een federaal centrum, een lokaal initiatief, of ergens anders verblijven. De omzendbrief heeft geen gevolgen voor de asielzoekers die financiële hulp krijgen. Wettelijk behouden zij het recht op financiële hulp zolang hun procedure voor de Raad van State loopt. Voor hen kan bijgevolg geen materiële hulp via een omzendbrief worden georganiseerd.

Wanneer het asielverzoek van personen die materiële hulp krijgen, wordt afgewezen en ze in beroep gaan bij de Raad van State, krijgen ze voortaan materiële hulp in drie gespecialiseerde centra. De ervaring leert immers dat de begeleiding van afgewezen asielzoekers moeilijk is.

Er is dus een onderscheid tussen degenen die vóór 2 januari 2001 en erna het land zijn binnengekomen. Dat is een objectief onderscheid, dat het gelijkheidsbeginsel niet schendt. Het Arbitragehof aanvaardt dat een wet een wijziging doorvoert waardoor een verschillende regeling geldt voor degenen die zich reeds in een bepaalde situatie bevinden, en degenen die pas later in die situatie terechtkomen. Het Arbitragehof heeft dat principe in enkele arresten bevestigd. De voorwaarde is dat er redenen zijn om de regeling te veranderen. De reden voor de nieuwe regeling was de grote toevloed aan vluchtelingen en de beperkte opvangmogelijkheden.

Tussen 7 januari en 15 februari 2002 hebben 147 personen zich bij de dienst Dispatching aangemeld. Ze werden naar Sint-Truiden, Kapellen en Florennes gebracht. Ik beschik op dit moment niet over cijfers inzake afwijzingen. Dat behoort tot de bevoegdheid van mijn collega van Binnenlandse Zaken.

Het onderscheid heeft dus niets te maken met het feit of het opvanginitiatief lokaal of federaal is. Het enige criterium is of iemand vóór of na 2 januari 2001 het land is binnengekomen. Ik mag geen onderscheid maken op basis van de verblijfplaats van asielzoekers.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Asielzoekers die in een lokaal opvanginitiatief verblijven zijn vaak veel beter geïntegreerd. Wanneer ze plots worden gedwongen te verhuizen naar een federaal centrum, beschouwen ze dit als een straf, zeker als een andere familie uit hetzelfde land die maar enkele maanden eerder is aangekomen, niet moet verhuizen. Ik begrijp natuurlijk dat de regering een keuze heeft moeten maken, maar deze regeling is moeilijk te aanvaarden voor de mensen die in een lokaal opvanginitiatief verblijven.

-L'incident est clos.