2-1066/1 | 2-1066/1 |
1 MAART 2002
Op 18 oktober 2001 besliste de Senaat om binnen de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden een werkgroep op te richten die belast werd met de voorbereiding van een wetsvoorstel over de dotaties ten gunste van leden van de koninklijke familie.
Dit wetsvoorstel bouwt verder op de besprekingen in de commissie naar aanleiding van de discussie over het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid.
Het voorstel komt tegemoet aan een aantal verzuchtingen die door verschillende senatoren werden geuit. Vooreerst was er nood aan criteria voor de wetgever bij de bepaling van de dotaties. Nu lijken die criteria volstrekt willekeurig. Het is dus ook in het belang van de rechtszekerheid van de leden van de koninklijke familie zelf, dat er een abstracte wettelijke regeling komt.
Bovendien is een minimum aan bezinning over de rol van de prinsen en prinsessen noodzakelijk. Het lijkt immers niet langer houdbaar om alle kinderen van de Koning van een dotatie te voorzien en representatieve taken te laten vervullen. Vanaf het aantreden van de volgende vorst kan er best een nieuwe regeling van kracht worden. De huidige dotaties zouden evenwel onverminderd doorlopen tot op dat ogenblik.
Het nieuwe systeem vermijdt eveneens pijnlijke en steeds wederkerende publieke debatten in het Parlement, zelfs bij heuglijke gebeurtenissen zoals een huwelijk. Ook bij de publieke opinie groeit de indruk dat de leden van de koninklijke familie cadeaus krijgen die door het Parlement op arbitraire wijze werden uitgedeeld. Dit tast het gezag van de constitutionele monarchie aan. Hier geldt dan ook dezelfde ratio legis als bij het vaststellen van de civiele lijst.
In de toekomst lijkt het aangewezen de financiering van de leden van de koninklijke familie ook een grondwettelijke basis te geven, of eventueel het systeem van de civiele lijst te hervormen. Aangezien artikel 89 van de Grondwet echer niet voor herziening vatbaar is, valt dit buiten het bereik van deze legislatuur.
Artikel 2
Dit artikel bevat een aantal definities. Het begrip « vermoedelijke troonopvolger » is tot nu toe niet ingevuld, maar komt wel voor in de artikelen 102, 107, 111 en 112 van het Strafwetboek. Deze omschrijving bouwt voort op artikel 85 van de Grondwet, dat bepaalt dat de grondwettelijke macht overgaat « bij erfopvolging (...) op natuurlijke en wettige nakomelingschap, in de rechte lijn, van Z.M. Leopold, Joris, Christiaan, Frederik van Saksen-Coburg en volgens eerstgeboorterecht ». Er zal dus steeds een troonopvolger zijn; het concept van een benoemde « kroonprins » bestaat niet in het Belgische publiek recht. Het begrip « afgetreden Koning » wijst op de Koning die afstand gedaan heeft van de troon en derhalve de troon « niet meer bezit ».
Artikel 3
Dit artikel kent een dotatie toe aan de vermoedelijke troonopvolger. Het lijkt redelijk deze dotatie pas te laten ingaan vanaf het achttiende levensjaar. In het tweede lid wordt een aparte dotatie verleend aan de echtgenoot of echtgenote van de vermoedelijke troonopvolger. Enerzijds vermijdt men zo dat de wetgever de dotatie dient te verhogen bij een huwelijk. Anderzijds, is het een bevestiging van de onafhankelijkheid van gehuwde partijen en geeft het de aangetrouwde persoon de mogelijkheid eigen representatieve taken op te nemen en te organiseren.
Artikel 4
In dit artikel wordt een dotatie toegekend aan de weduwe of weduwnaar van het staatshoofd of de troonopvolger, evenals aan de Koning die afstand doet van de troon.
De dotatie van Koningin Fabiola als weduwe van wijlen Koning Boudewijn blijft gehandhaafd.
Artikelen 5 en 6
Deze artikelen werden overgenomen uit eerdere dotatiewetten en regelen de betaling.
Artikelen 7 en 8
Deze artikelen regelen de inwerkingtreding van de nieuwe regeling.
De bepaling over de dotatie voor de echtgenote van de vermoedelijke troonopvolger treedt slechts in werking bij de eedaflegging van de volgende koning. Deze dotatie werd immers al verrekend bij het huwelijk van de huidige kroonprijs Filip.
De dotaties voor prinses Astrid en prins Laurent blijven eveneens gehandhaafd tot aan de eedaflegging van de volgende koning. Prinses Elisabeth komt dan immers in aanmerking voor een dotatie als vermoedelijke troonopvolger.
In het 170-jarige bestaan van ons koninkrijk is er voor de koningskinderen slechts één uitzondering gemaakt op het principe dat enkel de vermoedelijke troonopvolger een dotatie krijgt. In 1856 werd, op verzoek van Leopold I, een dotatie van 200 000 frank toegekend aan prins Philippe, Graaf van Vlaanderen. Toen Leopold II in 1865 de troon besteeg, werd prins Philippe troonopvolger en behield hij zijn dotatie.
Tegen elke traditie in ontstonden er na meer dan anderhalve eeuw op een paar jaar tijd dubbel zoveel uitzonderingen.
In 1999 werd aan prinses Astrid een dotatie toegekend met als officieuze reden haar plichtplegingen voor het « Rode Kruis » en « Kroostrijk Gezin ».
Op basis van het « gelijkheidsbeginsel » werd dan ook aan prins Laurent een dotatie toegekend, om discriminatie tussen de koningskinderen te vermijden. De toekenning van een dotatie aan de « tweede » vermoedelijke troonopvolger, zou diezelfde discriminatie opnieuw in de hand werken. De werkgroep « Dotaties » werd opgericht om dit euvel te verhelpen.
In geen enkel Europees vorstenhuis worden aan koningskinderen dotaties toegekend, behalve aan de vermoedelijke troonopvolger. België is de enige uitzondering met prinses Astrid en prins Laurent.
Ter illustratie : in Groot-Brittannië bedragen de dotaties 14,4 miljoen EUR, waarvan 12,8 miljoen voor koningin Elisabeth, 0,6 miljoen voor prins Philip en 1 miljoen voor de koningin-moeder. Prins Charles krijgt niets.
In Nederland bedragen de dotaties 6,7 miljoen EUR. Koningin Beatrix 3,6 miljoen, prins Claus 0,2 miljoen, prinses Juliana 1 miljoen, prins Bernhard 0,6 miljoen en kroonprins Willem Alexander 0,8 miljoen EUR. De andere kinderen van koningin Beatrix krijgen niets.
In Zweden ontvangt uitsluitend de Koning een dotatie (4,5 miljoen EUR).
In alle andere koningshuizen oefenen de koningskinderen een notoir beroep uit of leven ze van het fortuin van hun ouders.
| Jean-Marie DEDECKER. Vincent VAN QUICKENBORNE. Michiel MAERTENS. Josy DUBIÉ. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In deze wet wordt verstaan onder :
1º « vermoedelijke troonopvolger » : de verwachte erfgenaam van de grondwettelijke macht van de Koning, zoals bepaald in artikel 85 van de Grondwet;
2º « echtgenote van de Koning » : de echtgenoot of echtgenote van de persoon die drager is van de grondwettelijke macht van de Koning;
3º « afgetreden Koning » : de Koning die de troon niet meer bezit;
4º « spilindexen » : de getallen behorend tot een reeks waarvan het eerste het indexcijfer der consumptieprijzen van de maand december 2001 is, en elk van de volgende bekomen wordt door het voorgaande te vermenigvuldigen met 1,02.
Art. 3
Vanaf de leeftijd van achttien jaar ontvangt de vermoedelijke troonopvolger jaarlijks een dotatie ten laste van de Schatkist van het Rijk, waarvan het bedrag bij wet wordt bepaald.
De echtgenoot of echtgenote van de vermoedelijke troonopvolger ontvangt jaarlijks een dotatie ten laste van de Schatkist van het Rijk. Het bedrag van deze dotatie wordt bij wet bepaald op basis van het bedrag van de in het eerste lid bedoelde dotatie.
Art. 4
De afgetreden Koning ontvangt jaarlijks een dotatie ten laste van de Schatkist van het Rijk, waarvan het bedrag bij wet wordt bepaald.
Bij overlijden van de Koning, ontvangt de overlevende echtgenote van de Koning jaarlijks een dotatie ten laste van de Schatkist van het Rijk. Bij overlijden van de vermoedelijke troonopvolger ontvangt de overlevende echtgenoot of echtgenote jaarlijks een dotatie ten laste van de Schatkist van het Rijk. Het bedrag van deze dotaties wordt bij wet bepaald.
Art. 5
De in de artikelen 3 en 4 bedoelde dotaties worden betaald per trimester en vóór vervallen termijn overeenkomstig de bepalingen van deze wet.
Art. 6
De overeenkomstig de artikelen 3 en 4 vastgestelde bedragen zijn gekoppeld aan de koopkracht op 1 januari 2002 die overeenstemt met het indexcijfer der consumptieprijzen van de maand december 2001. Deze bedragen worden aangepast aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen bij overschrijding van een van de spilindexen.
Art. 7
De wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip, een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid en een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent wordt opgeheven.
Art. 8
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 3 en 7 die in werking treden op de eerste dag van de derde maand die volgt op de eedaflegging, zoals bepaald in artikel 91 van de Grondwet, van de opvolger van Zijne Majesteit Albert, Felix, Humbert, Theodoor, Christiaan, Eugène, Marie, Koning der Belgen.
28 december 2001.
| Jean-Marie DEDECKER. Vincent VAN QUICKENBORNE. Michiel MAERTENS. Josy DUBIÉ. |