2-976/3 | 2-976/3 |
20 FEBRUARI 2002
Evocatieprocedure
Dit wetsontwerp, dat ressorteert onder de optioneel bicamerale procedure, werd op 6 december 2001 eenparig aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, en het werd op 7 december 2001 overgezonden aan de Senaat.
Het is op 7 januari 2002 geëvoceerd. Vandaar dat de commissie Sociale Aangelegenheden het in haar vergaderingen van 30 januari en 20 februari 2002 heeft besproken in aanwezigheid van de minister van Tewerkstelling en Arbeid.
De heer Barbeaux onderschrijft het beginsel van non-discriminatie. Spreker vraagt zich echter wel het nuttig effect van de nieuwe bepalingen af, meer bepaald in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet die reeds datzelfde principe van non-discriminatie bepalen.
Bovendien vraagt de spreker of de Grondwet eigenlijk niet meer rechtsgrond biedt dan de voorgestelde bepalingen. Immers, wanneer het Arbitragehof een verschil in behandeling onderzoekt op basis van artikel 10 en 11 van de Grondwet, houdt ze eveneens rekening met het evenredigheidsbeginsel, houdt ze rekening met de vraag of de beperkingen die aan een bepaalde categorie worden opgelegd niet verder gaan dan wat nodig is om het gestelde doel te bereiken. Er bestaan met andere woorden geen andere minder discriminerende maatregelen om dat doel te bereiken.
Spreker vindt dit proportionaliteitsbeginsel niet terug in het wetsontwerp en hij vraagt daarom of de minister het beginsel kan bevestigen. Wordt bijvoorbeeld bij een differentiatie tussen een voltijdse en een deeltijdse werknemer rekening gehouden met het gegeven dat deze verschillende behandeling zo weinig als mogelijk discriminerend moet zijn ten opzichte van het beoogde doel ?
De minister herinnert eraan dat het voorliggende ontwerp het algemene beginsel van non-discriminatie ten opzichte van deeltijdwerkers bevestigt. Het laat daarbij verschillen in behandeling toe voor zover deze gebaseerd zijn op objectieve redenen.
Aangezien het niet aangewezen en niet wettelijk is om in het arbeidsrecht een aparte regime te creëren, bevestigt de minister de toepassing van het evenredigheidsprincipe in het arbeidsrecht en in de bepalingen van het voorliggende ontwerp.
Het behoort toe aan de rechtspraak om om de Grondwet en deze wet toe te passen.
De heer D'Hooghe vindt het onvoorzichtig om het proportionaliteitsbeginsel niet in te schrijven in de wet.
De voorzitter stelt vast dat bepaalde werkgevers deeltijds werk beschouwen als een recht, bepaalde andere daarentegen beschouwen het als gunst. Dit verschil in appreciatie vormt eigenlijk een discriminatie. Wordt er hieraan geremedieerd ?
De minister verklaart dat het arbeidsrecht gegroeid is vanuit de destijds unieke werkelijkheid van een voltijdse werknemer. Momenteel beantwoordt deze perceptie niet meer aan de realiteit maar alle reglementering is nog niet aan de nieuwe situatie aangepast en bepaalde deeltijdwerkers worden gediscrimineerd. Een voorbeeld hiervan is de bepaling van de opzeggingstermijn die volgens artikel 82 van de wet van 3 juli 1978 onder meer wordt bepaald in functie van het jaarlijks loon. Tot nu toe werden deeltijdwerkers gediscrimineerd net omdat ze deeltijds tewerkgesteld waren. Dankzij de nieuwe bepaling is dergelijk situatie niet meer mogelijk.
Het is dus de bedoeling om het beginsel van non-discriminatie ten gunste van deeltijdwerkers in een wettekst op te nemen. Het is daarbij niet de bedoeling om een werkgever te verplichten om aan een bepaalde werknemer een deeltijdse betrekking toe te staan indien de werknemer dat wil.
De heer Van Quickenborne deelt mee zich volledig achter de doelstelling te scharen om de discriminatie ten opzichte van de deeltijdwerkers op te heffen. Hij merkt echter op dat de omzetting van de richtlijn zeer laattijdig gebeurt en dat ze daarenboven slechts gedeeltelijk in het Belgisch recht wordt omgezet. Immers, de richtlijn 97/81/EG heeft, zoals de memorie van toelichting van het huidige wetsontwerp stelt, een dubbele doelstelling :
de opheffing van discriminatie van deeltijdwerkers te verzekeren en de kwaliteit van deeltijdarbeid te verbeteren;
de ontwikkeling van deeltijdarbeid op vrijwillige basis te vergemakkelijken en bij te dragen aan een flexibele organisatie van de arbeidstijd waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van werkgevers en werknemers.
Spreker merkt met betrekking tot de tweede doelstelling geen enkele bepaling in het voorliggende ontwerp. Nochtans zijn de mogelijkheden legio aangezien de internationale kritieken op de Belgische arbeidsreglementering met name voor deeltijdse arbeid vaak het bestaan van een overdreven hoeveelheid « red tape », een overdreven overheidsbeslag, aanwrijven.
Zo bepaalt bijvoorbeeld artikel 11bis vijfde tot en met laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 dat het niet mogelijk is om een deeltijdse werknemer minder dan 13 uur per week te laten werken in een onderneming met een voltijdse arbeidsduur van 38 uur per week.
Zo verplicht het tweede lid van hetzelfde artikel 11bis de opname van de overeengekomen deeltijdse arbeidsregeling en het werkrooster in de arbeidsovereenkomst.
Zo bepaalt de drie-urenregel in dat een deeltijdse werknemer minimum drie uren na elkaar moet worden tewerkgesteld.
Zo bepaalt artikel 157 van de programmawet van 22 december 1989 dat een kopie van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer moet worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden.
Zo bepaalt artikel 159 van diezelfde wet dat, zo het werkrooster variabel is, de dagelijkse werkroosters ten minste vijf werkdagen vooraf ter kennis moeten worden gebracht van de werknemers.
Zo moeten bijkomende arbeidsprestaties naast de voorziene werkuren, die de 39 uur per kwartaal overschrijden, worden betaald volgens overuren aan 150 % of 200 %.
Zo moet er bij een vacature voor een voltijdse arbeidsplaats voorrang gegeven worden aan de deeltijdwerkers.
Deze limitatieve maar niet volledige opsomming geeft reeds een beeld van alle verplichtingen waaraan een deeltijdse werknemer en zijn werkgever zijn onderworpen. Het past uiteraard om in het kader van de richtlijn 97/81/EG deze verplichtingen op te sporen en ze te wijzigen. In het wetsontwerp zou dus op zijn minst de vraag moeten worden gesteld of de huidige vigerende wetgeving voldoet aan de tweede doelstelling van het ontwerp. Spreker is van mening dat de tweede doelstelling helemaal niet wordt ingevuld en dus de richtlijn niet volledig wordt uitgevoerd. Vanuit deze vaststelling heeft de senator dan ook een aantal amendementen ingediend.
De minister antwoordt dat België internationaal zeer goed scoort inzake flexibiliteit, productiviteit en andere. Ze verklaart vervolgens dat bovenvermelde bepalingen zijn genomen ter bescherming van de werknemers en dat ze de misbruiken verhinderen. Bovendien zijn op de bovenvermelde bepalingen afwijkingen mogelijk en zij worden via de beslissingen van de paritaire comités en koninklijk besluit getroffen. De beperkingen zijn dus verre van absoluut maar een opheffing verondersteld wel een bepaalde procedure namelijk dat er op voorhand een debat heeft over plaatsgehad tussen de verschillende sociale partners en dat er een collectieve arbeidsovereenkomst wordt afgesloten.
Tot slot verricht de NAR de nodige onderzoeken en besprekingen om de mogelijkheden voor deeltijdarbeid te bevorderen. In tweede instantie zullen dus ook wat dat aspect betreft op basis van het sociaal overleg de nodige maatregelen worden getroffen. Ze verwijst hiervoor naar het advies van de NAR nr. 1302 van 9 februari 2000.
« De Raad merkt op dat clausule 5, punt 1 van de raamovereenkomst de sociale gesprekspartners verzoekt om de belemmeringen van juridische of administratieve aard waardoor de mogelijkheden voor deeltijdwerk kunnen worden beperkt, op te sporen, te onderzoeken en in voorkomend geval te verwijderen.
In de volgende punten van deze clausule wordt ingegaan op de elementen die daarvoor in overweging moeten worden genomen.
De Raad verbindt er zich toe de nodige onderzoeken en besprekingen te verrichten om de inhoud van deze clausule uit te voeren.
Zo zal die oefening betrekking hebben op de aspecten inzake administratieve vereenvoudiging en sociale bescherming, om deeltijdarbeid te vergemakkelijken, zoals in clausule 1 van de raamovereenkomst is bepaald, en dit met inachtneming van het in clausule 4 geformuleerde beginsel van gelijke behandeling. »
De heer Van Quickenborne blijft bij zijn kritiek dat het wetsontwerp ook de tweede doelstelling van de richtlijn had moeten invullen. Hij herinnert er bovendien aan dat het verdere onderzoek voor de invulling van de tweede doelstelling de volledige implementatie van deze richtlijn in het Belgische recht nog verder zal vertragen met de nodige potentiële problemen voor de Belgische Staat.
De heer D'Hooghe besluit dat het wetsontwerp helemaal niet tegemoet komt aan de ontwikkeling van de deeltijdarbeid en deze fundamentele discriminatie voor hen die deeltijdarbeid wensen maar niet kunnen, onverkort laat bestaan.
Omdat dit wetsontwerp toch wel een aantal belangrijke lacunes kent, vraagt de spreker daarom de organisatie van een hoorzitting met vertegenwoordigers van de Nationale Arbeidsraad voor de toetsing van een aantal fundamentele principes.
De heer Van Quickenborne dient amendement nummer 1 in en hij verwijst naar zijn schriftelijke verantwoording (stuk Senaat, nr. 2-976/2).
De minister verwijst naar haar antwoord bij de algemene bespreking.
Het amendement wordt verworpen met 5 stemmen tegen 3.
De heer Van Quickenborne dient amendement nummer 2 in en hij verwijst naar zijn schriftelijke verantwoording (stuk Senaat, nr. 2-976/2).
De minister verwijst naar haar antwoord bij de algemene bespreking.
Het amendement wordt verworpen met 7 stemmen tegen 3.
De heer Van Quickenborne dient amendement nummer 3 in en hij verwijst naar zijn schriftelijke verantwoording (stuk Senaat, nr. 2-976/2).
De minister verwijst naar haar antwoord bij de algemene bespreking.
Het amendement wordt verworpen met 8 stemmen tegen 3.
De heer Van Quickenborne dient amendement nummer 4 in en hij verwijst naar zijn schriftelijke verantwoording (stuk Senaat, nr. 2-976/2).
De minister verwijst naar haar antwoord bij de algemene bespreking.
Het amendement wordt verworpen met 8 stemmen tegen 3.
De heer Van Quickenborne dient amendement nummer 5 in en hij verwijst naar zijn schriftelijke verantwoording (stuk Senaat, nr. 2-976/2).
De minister verwijst naar haar antwoord bij de algemene bespreking.
Het amendement wordt verworpen met 8 stemmen tegen 3.
Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem. Het verslag wordt goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Fatma PEHLIVAN. | Theo KELCHTERMANS. |
De door de commissie aangenomen tekst
is dezelfde als het door de Kamer
van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp
(zie stuk Kamer nr. 50-01374/3)