2-179

2-179

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 7 FÉVRIER 2002 - SÉANCE DU MATIN

(Suite)

Demande d'explications de Mme Erika Thijs à la ministre adjointe au ministre des Affaires étrangères, chargée de l'Agriculture, sur «la poursuite de la régionalisation de l'agriculture» (nº 2-680)

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Door de Lambermontakkoorden werd de federale bevoegdheid inzake landbouw en zeevisserij overgedragen aan de gewesten, met uitzondering van een beperkt aantal aangelegenheden die federaal blijven. De implementatie van de overdracht van de bevoegdheden en de bijbehorende administratieve diensten zou dit jaar op het terrein moeten worden verwezenlijkt.

In de schoot van de betrokken administraties en regeringen werden werkgroepen of "task forces" opgericht om de implementatie van de overdracht van de bevoegdheden te begeleiden.

Er is ook een overgangsperiode tijdens dewelke een aantal mensen op het federale niveau zouden blijven werken om de continuïteit te verzekeren. Ook de begroting landbouw zou als een soort overgangsbegroting blijven bestaan.

Bij de concrete organisatie van de overdracht van de bevoegdheden doen zich echter een aantal problemen voor.

Welke administratie of instelling zal instaan voor de coördinatie van het landbouwbeleid, de huidige DG2? Zal dit gebeuren door de Interministeriële Conferentie Landbouw? Of berust de coördinatie van het administratieve luik bij de cel die ter beschikking van de federale minister werd gesteld?

Is het juist dat voor de administratie Landbouwproductiebeheer, de huidige DG3, het computersysteem federaal zal blijven, terwijl de bevoegdheden naar de gewesten gaan? Hoe zullen concreet gegevens worden uitgewisseld tussen de verschillende overheden? Wie zal tijdens het overgangsjaar zorgen voor de uitbetaling van de premies?

Welke diensten van de huidige administratie Kwaliteit grondstoffen en plantaardige sector, de DG4, zullen volgens de minister moeten worden overgeheveld naar de gewesten?

Zijn er met betrekking tot het nemen van stalen voor de controle van de dierengezondheid en de kwaliteit van dierlijke producten duidelijke afspraken gemaakt? Is het de bedoeling dat één staal kan gelden voor de verschillende overheden? Hoe zullen de uitgaven voor kwaliteit en selectie voor 2002 gefinancierd worden?

Mevrouw Annemie Neyts-Uyttebroeck, minister toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw. - Deze vragen geven me de gelegenheid om toelichting te geven bij de administratieve uitvoering van de politieke beslissingen inzake de regionalisering van het landbouwbeleid. Ik herinner eraan dat het een omvangrijke operatie betreft. Er zijn 2.400 mensen bij betrokken. Bovendien zijn er tegelijk nog andere processen aan de gang. Dat maakt de operatie nog ingewikkelder. Er is de terbeschikkingstelling van personeel van het ministerie van Landbouw voor het nieuwe Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen. De transfer van personeel is in volle voorbereiding. De Copernicushervorming is volop aan de gang. Dat alles roept een ingewikkeld proces in het leven. Wij proberen dat zo goed mogelijk voor te bereiden en te begeleiden in de grootst mogelijke overeenstemming met de gewesten. Het laatste dat ik wil is handelen op een manier die niet in overeenstemming is met de letter of de geest van de wet, die bijna alle landbouwbevoegdheden overdraagt aan de gewesten.

De enkele uitzonderingen daarop behoren niet tot mijn bevoegdheid, maar tot die van het Agentschap of van het ministerie van Volksgezondheid.

Mevrouw Thijs verwees naar de lopende onderhandelingen met de gewesten over de regionalisering, meer bepaald van de diensten van het huidig Bestuur voor landbouwbeleid, DG2. De Ministerraad heeft op 21 december jongstleden terzake de volgende beslissingen genomen.

De overdracht van de diensten Plantaardige producten, Dierlijke producten, Zeevisserij en van het Fonds voor scheepsjongens aan de gewesten wordt bevestigd. De dienst Financiering van het landbouwbeleid, waar 21 personeelsleden werken, blijft federaal. De dienst Internationale aangelegenheden wordt overgedragen aan de gewesten. Van de 19 personeelsleden van de dienst Coördinatie en concertatie blijven er 11 federaal en worden er 8 overgedragen aan de gewesten.

De gewesten moesten vóór 1 februari 2002 advies uitbrengen omtrent dit ontwerpbesluit. Dat wordt vervolgens, samen met de adviezen, opnieuw aan de Ministerraad voorgelegd. Hopelijk wordt het dan afgerond.

Na de bevestiging van dat akkoord in de federale Ministerraad zijn de besprekingen over de inhoud ervan hervat. Die waren in het vierde kwartaal van 2001 al aangevat met de gewesten, inzonderheid met betrekking tot de coördinatie van het landbouwbeleid. Hoe dat in de praktijk moet gebeuren is nog niet definitief beslist, wel dat het absoluut nodig is. Iedereen is het erover eens dat we in de Europese landbouwraden met één stem moeten spreken. Dat is immers de enige manier om te wegen op de Europese besluitvorming, waar met gekwalificeerde meerderheid wordt beslist. Er is al jaren geleden overeengekomen dat wanneer er geen eensgezindheid heerst tussen de regionale componenten, België zich moet onthouden. Dat heeft automatisch tot gevolg dat ons land niet kan deelnemen aan de verdere besluitvorming en dat met ons standpunt geen rekening wordt gehouden. De instanties van de gewesten en de gemeenschappen hebben dat ondertussen al geleerd.

Voor de noodzakelijke coördinatie wordt gedacht aan een Bureau voor de coördinatie inzake landbouw. Dat bureau zou als opdracht hebben: de volledige medewerking en de volle verantwoordelijkheid van de gewesten te verzekeren bij de uitwerking van het Europees recht inzake landbouwaangelegenheden; een nauwe samenwerking tot stand te brengen tussen de gewesten bij het concipiëren en het opvolgen van het landbouwbeleid; op technisch vlak, voor de gewestelijke landbouwaangelegenheden, te leiden tot een eensgezind standpunt dat moet worden voorgelegd voor technisch en vervolgens voor politiek overleg in de Raad.

Het Bureau voor de coördinatie van het landbouwbeleid zou moeten functioneren als een enige en autonome administratieve structuur onder een gemengd interministerieel gezag, waarbij elke entiteit evenwel onder het administratieve toezicht blijft van het machtsniveau waartoe zij behoort.

Momenteel is men aan het onderzoeken of dit een werkbaar model is, maar daar is nog geen finaal standpunt over. Ik wil benadrukken dat dit geen poging is om ten aanzien van Europa het landbouwbeleid toch nog onder een federale hoed te willen houden. Het is een poging om op de meest praktische manier ten volle recht te doen aan de politieke verantwoordelijkheid en bevoegdheden van de verschillende gewesten en er tegelijkertijd voor te zorgen dat er continuïteit is ten aanzien van de Europese instanties. Dit is van groot belang. We worden immers geconfronteerd met het voorstel van de Commissie over de mogelijkheden inzake rechtstreekse steun aan de landbouwers van de toekomstige lidstaten. Volgend jaar is ook een midterm review gepland, een evaluatie en mogelijke hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid.

Wat de rol van de Interministeriële Conferentie Landbouw betreft, heeft de bijzondere wetgever op 13 juli 2001 terzake geen aanwijzingen gegeven. Hij heeft wel voorzien in een verplichting tot overleg tussen de betrokken gewestregeringen en de federale overheid, enerzijds ter voorbereiding van de onderhandelingen, de besluiten en de voortgangsbewaking van de activiteiten van de Europese instellingen met betrekking tot het landbouwbeleid en anderzijds voor de handelingen die een weerslag kunnen hebben op het landbouwbeleid.

Er moet dus een permanente structuur worden ingesteld waar de verschillende overheden overleg kunnen plegen over politieke en technische aangelegenheden. Met het oog daarop is voorgesteld om naar het voorbeeld van wat bijvoorbeeld al enkele jaren voor leefmilieu bestaat, binnenkort een Interministeriële Conferentie voor het Landbouwbeleid op te richten, die de plaats zou innemen van de huidige Interministeriële Conferentie Landbouw (ICL) en die de huidige taken en opdrachten ervan zou overnemen.

Zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de gewesten met betrekking tot de internationale politiek, zou een dergelijke interministeriële conferentie kunnen worden bijgestaan door een Overlegcomité voor de Landbouw, dat zou overeenstemmen met de huidige permanente werkgroep van de ICL en op technisch vlak het werkelijke permanente overlegorgaan zou zijn.

Wat de voorbereiding van de Europese besluiten betreft, moet het permanente overlegorgaan zorgen voor een sterkere betrokkenheid van de verschillende machtsniveaus bij de onderhandelingen stroomopwaarts. Ten tweede moet het de Belgische woordvoerders in het Comité van Permanente vertegenwoordigers (COREPER) en in het Speciaal Comité Landbouw in staat stellen te beschikken over een duidelijk standpunt dat is vastgelegd door en rekening houdt met alle bevoegde overheden. Ten derde moet het overlegorgaan instaan voor de voorbereiding van de werkzaamheden van de Comités van de Europese Commissie en de voortgangsbewaking ervan verzekeren.

Over de doelstellingen werd dus een ruime consensus bereikt; er is evenwel nog geen definitief akkoord over de technische en administratieve uitwerking. Momenteel werken de betrokkenen zoveel mogelijk samen, maar die samenwerking moet een solidere basis krijgen. Ik probeer dit niet te overhaasten omdat ik het belangrijk acht dat dankzij een zorgvuldige voorbereiding misverstanden voorkomen worden.

Het gedifferentieerde beheer van de huidige bevoegdheden van DG3 houdt in dat de gewesten hun eigen informaticasysteem moeten ontwikkelen. Tegelijkertijd moet de federale overheid blijven instaan voor een aantal ICT-taken in verband met het landbouwproductiebeheer, zoals het opstellen van statistieken en het verzamelen van gegevens voor de Europese Unie met het oog op de berekening van de superheffing in de sector melk. Ook daar moet nagegaan worden wat de beste aanpak is. Inmiddels blijft het ICT-systeem functioneren zoals overeengekomen in de akkoorden over de overgangsfase. Met de gewesten is afgesproken dat de huidige DG3 tot 15 oktober 2002 blijft voortwerken, maar dan voor rekening en onder de politieke verantwoordelijkheid van de regio's. De premies zullen in deze overgangsfase dus door de diensten van DG3 worden uitbetaald.

Bij het bestuur voor de Kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige sector zal de dienst Teeltmateriaal overgeheveld worden naar de gewesten, met uitzondering van het gedeelte dat zich bezighoudt met sommige controles verbonden aan het fytosanitaire beleid, dat federaal blijft.

Zullen gedeeltelijk overgedragen worden naar de gewesten, de dienst Plantenkwaliteit en plantenbescherming, met name de delen verbonden aan de controles van biologische en geïntegreerde productiemethodes, evenals de dienst Controle op EU-interventies en -steun voor het gedeelte belast met de controles voor rekening van het bestuur voor Landbouwproductiebeheer, in uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Ten slotte zullen de directie- en managementcellen gedeeltelijk overgedragen worden in verhouding tot de geregionaliseerde delen van de voornoemde diensten.

De controle van de dierengezondheid en de daarmee verbonden staalnames behoren tot de materies die niet voor regionalisering in aanmerking komen.

Voor de staalnames met betrekking tot de kwaliteit van de dierlijke producten moet een onderscheid gemaakt worden tussen de sanitaire kwaliteit en de economische kwaliteit. De regionalisering heeft betrekking op de economische kwaliteit, met name op de bepaling van de samenstelling van rauwe melk die door producenten aan de zuivelfabrieken wordt geleverd. Die samenstelling bepaalt immers mee de prijs.

De regeling is terug te vinden in het protocol dat met de gewesten werd gesloten: "Hoofdstuk 4. In verband met de dierengezondheid en de kwaliteit van de dierlijke producten, met name artikel 17 van het protocol tussen de federale staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met betrekking tot de overgangsmaatregelen voor de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het vlak van landbouw en visserij ..."

Wat de staalnames betreft, is afgesproken dat van elke melklevering maar één monster genomen kan worden dat representatief is voor de totale levering. Op dat staal moeten zowel de hygiënische kwaliteit als de samenstelling voor de bepaling van de economische waarde worden bepaald.

Tijdens de overgangsperiode zal de controle op de goede werking van het gehele systeem door de betrokken federale dienst voortgezet worden met middelen die door het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten bij de producenten en kopers geïnd worden. Inmiddels dient in gemeenschappelijk overleg tussen het federale en het gewestelijke niveau een werkwijze voor de toekomst te worden uitgewerkt.

Met betrekking tot de financiering van de uitgaven voor de selectie verwijs ik naar het eerder genoemd protocol en naar de voorstellen voor de tenuitvoerlegging van de begroting 2002. In het kader van de continuïteit van de uitvoering van de programma's zullen, ten laste van de gewesten, de bedragen aan de respectieve verenigingen kunnen worden toegekend. De dienst Fokkerij en vlees zal de voorschotten vóór 30 september 2002 betalen. De betaling van de saldi zal worden gedaan door de gewesten, meer bepaald door de gewestelijke diensten die ze hiervoor zullen aanwijzen. De controle van de rekeningen van de verenigingen, van de besteding van de toelagen en van de uitbetaling van het saldo zal gebeuren door het gewest waar de sociale zetel van de vereniging ligt. Voor de verenigingen met een zetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gebeurt de controle van de rekeningen en de uitbetaling van de saldi door het gewest van waaruit het grootste bedrag aan toelagen komt.

Ik verontschuldig mij voor dit technisch antwoord, maar deze materie is nu eenmaal bijzonder ingewikkeld en er moet met verschillende factoren rekening worden gehouden. Ten eerste zijn er de ambtenaren, met wie men niet om het even wat mag doen. Vervolgens zijn er de agrobedrijven, de grote en kleine landbouwers, enzovoort. Daarenboven is er nog het Europees beleid, dat constant evolueert en waarvan de continuïteit moet worden verzekerd. We proberen deze operatie met de grootste zorg en nauwgezetheid te begeleiden.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ook voor de betrokken sector is dit een zeer complexe materie. De sector weet niet echt waar ze aan toe is.

De minister heeft het belang van de continuïteit met het oog op het Europees beleid benadrukt. We moeten ervoor zorgen dat deze hervorming snel wordt voltooid. Mijn vraag is dan ook of reeds een einddatum voor de voltooiing is vastgelegd.

Ik heb ook nog een opmerking over het federale ICT-systeem. De minister heeft gezegd dat ook de gewesten een ICT-systeem zullen moeten ontwikkelen en bepaalde informatie beheren. Hierbij is een permanente uitwisseling van gegevens tussen federaal en regionaal niveau van essentieel belang. Anders krijgen we nooit een overzicht over het geheel.

Voor de rest zullen we het dossier op de voet moeten volgen.

Mevrouw Annemie Neyts-Uyttebroeck, minister toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw. - We hebben 15 oktober 2002 als einddatum vooropgesteld. Ik hoop dat we die halen. Er wordt hard gewerkt, maar ik heb de indruk dat sommigen niet echt beseffen hoe complex deze materie wel is en hoe snel de tijd voorbijgaat. Sommigen blijven discussiëren over komma's en punten en ondertussen kort de tijd. Er zal dus hard gewerkt moeten worden.

Morgen staat het eerste overleg met de vakbonden over de transfers van de ambtenaren op de agenda.

De uitwisseling van gegevens is inderdaad van essentieel belang, maar ook hier moet rekening worden gehouden met de territoriumdrift van de betrokkenen.

-L'incident est clos.

(La séance, suspendue à 11 h 10, est reprise à 11 h 40.)

(M. Jean-Marie Happart, vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)