2-168 | 2-168 |
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Op 4 januari 2001 bedroeg de prijs per vat Brent Crude 30 dollar. Op 18 december 2001 was dat 19,36 dollar, een daling van 35%. De dollarkoers is sinds enkele maanden ten opzichte van de euro aan het dalen.
De Nederlandse Mededingingsautoriteit, de NMa, heeft na onderzoek vastgesteld dat de grote oliemaatschappijen via een stelsel van afspraken met zelfstandige pomphouders de prijs van benzine, diesel en LPG kunstmatig hoog houden. De autoriteit zal, volgens de berichtgeving van 19 december 2001 in de Nederlandse pers, hiertegen optreden.
De NMA gebruikt als indicator de gemiddelde brutomarge per land. Een vergelijkend onderzoek van de gemiddelde brutomarge in Nederland, België, Frankrijk, Duitsland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk levert volgende vaststellingen op. Voor Euro 95 is de gemiddelde marge 20,5 Nederlandse cent. In Nederland bedraagt die 29,3 en in België 26,8. Voor diesel is de gemiddelde marge 20,6 cent. In Nederland bedraagt de marge 24,8 cent en in België 26,9 cent.
Hebben de ministers kennis van de studie van de Nederlandse Mededingingsautoriteit? Kunnen de ministers toelichten waarom de gemiddelde brutomarges grosso modo 30% hoger liggen dan in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Denemarken? Wijst deze studie voor ons land niet op een mogelijke ernstige verstoring van de mededinging op de Belgische markt? Zijn de ministers bereid dit te onderzoeken, desgevallend voor te leggen aan de Raad voor de Mededinging? Heeft de Raad voor de Mededinging of een andere overheidsinstantie weet van prijsafspraken? Wordt de correlatie tussen de evolutie van de prijzen op de internationale brandstoffenmarkt en de prijzen van benzine, diesel en LPG geregeld getoetst?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - De minister van Economie heeft me het volgende antwoord bezorgd.
De heer Van Quickenborne heeft gelijk wanneer hij zegt dat de prijs van Brent Crude op 4 januari 2001 dertig dollar bedroeg en ondanks - of misschien net door - de gebeurtenissen van 11 september is gedaald tot 19,36 dollar per vat.
Hoewel de prijs van de diverse petroleumproducten bepaald wordt door de notering van de ruwe aardolie, is dit verband helemaal niet lineair. De noteringen worden ook sterk beïnvloed door de vraag naar en het aanbod van de afzonderlijke producten en kunnen tijdelijk sterk afwijken van de trend van de prijs van de ruwe aardolie.
De noteringen van de afgewerkte producten volgen wel degelijk de trend van de ruwe aardolie. Tussen 4 januari en 18 december 2001 evolueerde de notering voor benzine 98RON van 281 naar 198 punten, voor diesel van 245 naar 192 punten en voor gasolie van 230 naar 165. Ook de gemiddelde prijs in Belgische frank volgt deze evolutie. Voor dezelfde producten daalde die in dezelfde periode van 14,73 frank tot 13,22 frank, van 14,20 naar 13 frank en van 10,66 naar 8,30 frank. In deze prijzen zijn accijnzen en BTW niet inbegrepen, maar de distributiemarges wel. De distributiemarges voor de pomphouders werden op 1 september geïndexeerd en onlangs is zowel voor benzine als voor gasolie en diesel overgestapt op laagzwavelige brandstoffen, waardoor de prijzen gemiddeld met vijftien dollar stegen op de internationale noteringen.
Het al de tweede keer dat in Nederland een studie werd gemaakt over prijsafspraken. De eerste bracht aan het licht dat Shell de rol van prijszetter speelt en dat de andere maatschappijen volgen.
In het verleden had Nederland een programmaovereenkomst die vergelijkbaar was met die in België. Op een bepaald moment heeft de heer Van Aardenne, de toenmalige minister van Economie, die overeenkomst opgezegd en is ongeveer de helft van de Nederlandse tankstations dichtgegaan. Bovendien heeft de Nederlandse gemeentelijke overheid een concessiepolitiek gevoerd waardoor alle onafhankelijke stations niet meer konden overleven. De huidige minister van Economie heeft in de Tweede Kamer onomwonden gezegd dat de hoge prijzen aan de pomp niet alleen te wijten zijn aan eventuele prijsafspraken, maar ook aan de concessiepolitiek. Die heeft het aantal stations zo doen dalen dat er in sommige regio's van concurrentie geen sprake meer is.
In België hebben we doelbewust de pomphouders in sommige omstandigheden het recht toegekend op een gegarandeerde marge. Deze waarborg is niet alleen belangrijk voor de pomphouders, die daarmee een menswaardig inkomen verkrijgen, maar vormt ook de garantie dat er voldoende tankstations zijn en dat de distributie van motorbrandstoffen altijd verzekerd blijft. Toestanden zoals in Frankrijk, met vijftig 50 kilometer tussen twee tankstations, moeten we vermijden. Het zou dus verkeerd zijn om vanuit een kortzichtige liberaliseringspolitiek de gerechtvaardigde verzuchtingen van zowel de pomphouders als van de automobilisten te negeren.
De studie van de NMA is toegespitst op de Nederlandse markt en de voorbeelden van andere lidstaten worden er enkel ter illustratie vermeld, zonder dat ze echt ingaan op de concurrentietoestand op deze markten. Het is daarom wetenschappelijk niet verantwoord uit deze studie conclusies te trekken voor de Belgische markt. Gelet op het grote aantal stations krijgt de regering zowel van de uitbaters als van de grote maatschappijen het verwijt dat de concurrentie op de Belgische markt moordend is. Dit sluit evenwel niet uit dat de praktijken die in de Nederlandse studie werden aangetoond, ook in België en in de andere lidstaten mogelijk zijn. Daarom worden de gemiddelde prijzen die op de Belgische markt worden toegepast, wekelijks vergeleken met deze van de ons omringende landen. Tot nu toe bevinden ze zich in de middenmoot van de Europese prijzen. Wat zeer aanvaardbaar is.
Niettemin moeten we waakzaam blijven voor onderlinge afspraken. Indien we daar een vermoeden van hebben, zullen we niet nalaten in te grijpen.
Wij hebben absoluut geen weet van prijsafspraken wat niet uitsluit dat ze bestaan, maar door de sterke concurrentie zijn ze waarschijnlijk geen lang leven beschoren. Zoals hoger uiteengezet worden de prijzen op de Belgische markt immers wekelijks vergeleken met deze van de andere lidstaten.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De regering lijkt niet geneigd om dit onderwerp voor te leggen aan de Raad voor de Mededinging. De regering wil de concurrentie tussen pomphouders beperkt houden. Het is opvallend dat langs de Belgische autowegen, waar de tankstations heel dicht bij elkaar liggen, er geen enkele prijsconcurrentie bestaat. In Frankrijk wordt concurrentie aangemoedigd door aan het begin van een autoweg de benzineprijzen aan de verschillende tankstations te afficheren. Ik betreur dat in ons land de concurrentie niet wordt aangemoedigd.
De Belgische prijzen bevinden zich in de middenmoot van de Europese, maar de brutomarge is eerder hoog. Wat meer concurrentie tussen pomphouders zou de consumenten ten goede komen.
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - De affichering op de autowegen - of zelfs op andere plaatsen - van de brandstofprijzen in een volgend tankstation kan misschien ook in België worden uitgeprobeerd. In Frankrijk heeft dit positieve gevolgen. Met het oog op de concurrentie is een groter aantal tankstations misschien nuttig. Ik zal beide opmerkingen van de heer Van Quickenborne aan mijn collega voorleggen.