2-565/1 | 2-565/1 |
3 JULI 2001
De immigratie is in België zeer lange tijd als een positief gegeven ervaren. Sinds de onafhankelijkheid van 1830 heeft België, een kind van de industriële revolutie, met veel overtuiging een beroep gedaan op buitenlandse werkkrachten om haar opbloeiende industrie aan de gang te houden. De immigratie was een factor van welvaart.
Anderzijds was de jonge staat vrij snel een toevluchtsoord voor asielzoekers die in hun land werden uitgerangeerd omwille van hun politieke ideeën. Het ging meestal om individuen, die misschien niet onverdeeld, maar toch in wisselende delen van de bevolking een zekere faam genoten. Het waren meestal intellectuelen. Men denke maar aan de meest bekende vluchtelingen zoals Victor Hugo, ... (zie hierover « Histoire des étrangers et de l'immigration en Belgique de la préhistoire à nos jours », onder de leiding van Anne Morelli, Brussel, 1992, blz. 152).
De immigratie was bovendien een uitsluitend nationale materie en volkomen beheersbaar. De grenzen werden bewaakt door zowel rijkswacht als douane. De verhuismiddelen waren erg beperkt en de internationale reizen waren enkel weggelegd voor gegoede burgers, meestal van Europese oorsprong, met een belangrijke trafiek naar de kolonies.
Al parameters zijn gaandeweg volledig gewijzigd en de immigratie is een bijzonder complex fenomeen geworden die bij de bevolking vragen doet rijzen die in bepaalde gevallen tot scherpe controversen kunnen leiden. De publieke opinie staat thans kritisch tegenover het fenomeen migratie, waarbij deze vaak slechts getolereerd wordt.
Het Oude Continent heeft nog wel welvaart, maar heeft geen handarbeiders meer nodig om deze op peil te houden. De tertiaire sector heeft de zware industrie bijna volledig verdrongen. Deze industrie is nu zélf gemigreerd naar de landen met goedkope werkkrachten in plaats van omgekeerd.
De nationale grenzen zijn afgeschaft in de EU, voorzover het geen buitengrenzen van Schengen zijn.
De demografische explosie en de verdere uitdieping van de noord-zuid-kloof, dwingen meer mensen tot migratie naar andere contreien. De gemakkelijke en betrekkelijk goedkope verkeersmogelijkheden zijn een extra stimulans voor deze migratoire druk.
Het politiek asiel verliest meer en meer het gunstig aura van weleer. De migratiestromen hebben tijdens de laatste eeuw een grondige evolutie ondergaan, waarbij het fenomeen van een strikt individueel gegeven is geëvolueerd naar een complexe groepsdynamiek, waarin zowel economische, politieke, als maatschappelijke elementen een belangrijke rol spelen. De eerste in België voelbare golf was zeker deze van de Joden die Duitsland ontvluchtten, waar ze als groep werden vervolgd, niet in functie van hun eigen politieke overtuiging, maar wel omwille van de politiek van de Nazi's die hen als groep wilden uitroeien. De volgende grote groep vluchtelingen van deze « tweede generatie » waren de Hongaren in 1956. Hoewel ze nog wel op de sympathie konden rekenen van de overgrote meerderheid van de bevolking, waren de groepen zo groot dat de perceptie door de Belgen van het politiek motief vervaagde.
De « derde generatie » is deze waarmee ons land nu wordt geconfronteerd, namelijk de vluchtelingen uit complexe motieven die gegrond zijn in politieke, economische en maatschappelijke moeilijkheden, die zich vaak van het asielrecht bedienen om, al was het maar voor de tijd van de procedure, een tijdelijke oplossing te vinden voor vaak hopeloze situaties.
Deze laatste groep vluchtenden geniet duidelijk nog minder sympathie bij de bevolking, omdat ze worden aangevoeld als oneigenlijke asielzoekers. Dit is verifieerbaar, vermits de politieke motieven die ze inroepen naar rato van zeker 90 % van de gevallen objectief niet aanwezig zijn (cf. de statistieken in het jaarverslag 2000 van de commissaris-generaal voor de Vluchtelingen over het werkingsjaar 1999 die een erkenningsgraad van 8,4 % aangeven), zelfs rekening houdend met een kleine foutmarge in de beoordeling van de vluchtelingeninstanties.
Deze situatie is uiteraard nefast voor de perceptie van de echte politieke asielzoekers, die over één kam worden geschoren met degenen die enkel gebruikmaken van het asielrecht om in België te kunnen verblijven.
België heeft deze mutatie in de immigratiegegevens op een evolutieve wijze benaderd, door weliswaar een principiële immigratiestop af te kondigen, maar deze tegelijk te voorzien van vele uitzonderingen, zoals de familiehereniging, en door een soepele toepassing van de wet, veelal ingegeven door humanitaire redenen.
De commissie heeft deze evolutie mee gevolgd door regelmatig te rapporteren over dit thema en door aan de plenaire vergadering van de Senaat aanbevelingen aan de regering voor te stellen, die dikwijls kritisch waren ten aanzien van het beleid.
Gaandeweg is ook het besef gegroeid dat de migratieproblematiek een wereldwijd fenomeen is geworden waarbij de meeste landen direct of indirect betrokken zijn en dat niet meer in te dijken is door puur administratieve maatregelen.
De commissie heeft zich daarvan onlangs nog vergewist via een studiereis naar Rusland en Kyrgyzstan, nadat ze de vorige jaren reeds tot dat besef was gekomen via bezoeken aan Albanië en Italië, en aan de internationale organisaties IOM, ILO en Interpol.
Alleen al uit de titels van de verschillende commissieverslagen blijkt de evolutie in de perceptie van het fenomeen « immigratie », dat in wezen een fenomeen van migraties over de hele wereld is geworden.
Van 1997 tot 1999 heette het « Evaluatie van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (zie verslagen nrs. 1-768/1 tot 4). In 1999 kreeg het verslag (nr. 2-112/1 en 2) de titel « Het regeringsbeleid met betrekking tot de immigratie », net als het voorliggende verslag trouwens.
Er wordt steeds meer getracht het fenomeen vanuit een algemene invalshoek te benaderen, en niet meer louter reglementerend.
In het jongste verslag gingen de aanbevelingen veel verder dan het voorstellen van aanpassingen aan het statuut van vreemdelingen en asielzoekers : de laatste drie van de twintig aanbevelingen betroffen het verschijnsel immigratie als geheel.
De commissie heeft een nieuwe evaluatie van het regeringsbeleid met betrekking tot de migratie ingepast in dit bredere kader en op 7 november 2000 besloten een voortgangsverslag op te stellen.
Aan deze beslissing van de commissie ging een periode vooraf waarin een schokkende gebeurtenis de actualiteit zodanig beïnvloedde dat een voorstel werd ingediend tot oprichting van een onderzoekscommissie (zie stuk Senaat, nr. 2-694/1). In de nacht van 18 op 19 juni 2000 vonden 58 Chinezen die het Kanaal probeerden over te steken, de dood in een container.
Dit nieuw sloeg in als een bom omdat ze alle heersende opvattingen over migratiestromen op de helling zette.
Opeens besefte België dat illegalen niet langer alleen uit Afrika of Oost-Europa kwamen, maar dat er een meer descreet en tot dan toe onbekend netwerk vanuit het Verre Oosten was opgezet.
Tijdens haar bezoek aan Interpol had de commissie daarover wel horen spreken, maar zij had er weinig aandacht aan besteed.
Deze tragische dood toonde duidelijk aan dat de trafiek van illegalen in de hele wereld voorkomt en dat die niet langer automatisch gepaard gaat met asielaanvragen.
Toch blijft die asielprocedure nog duizenden mensen naar Europa, en meer bepaald naar België, lokken. Tussen januari en eind september 2000 kwam 28 % van de asielzoekers uit landen van de ex-Sovjetunie (zie « Evolutie van de asielprocedure in 1999-2000 », bijlage bij het jaarverslag 2000 van het commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen).
Deze massale toevloed, die vaak gepaard gaat met maffiapraktijken, heeft de regering ertoe aangezet drastische maatregelen te nemen om het aantal kandidaat-vluchtelingen te beperken.
De commissie heeft deze maatregelen en hun directe en indirecte gevolgen onderzocht.
Tijdens de hoorzittingen heeft de commissie vastgesteld dat er drie grote thema's te onderscheiden waren :
1. de keuze tussen selectieve of onvoorwaardelijke immigratie;
2. de asielprocedure en haar gevolgen;
3. het visumbeleid.
Deze thema's zijn terug te vinden in de structuur van de volgende hoofdstukken.
De immigratiestop van 1974 werd officieel steeds in stand gehouden, en is nu nog steeds de officiële beleidslijn van de regering.
Minister Vande Lanotte verklaarde nog op 9 maart 1999 dat de immigratiestop moest worden gehandhaafd, en dat elke regularisatie een aanzuigeffect zou hebben, waardoor er niet genoeg aandacht zou kunnen worden besteed aan de integratie van de reeds aanwezig migranten.
De economische toestand zou bovendien toen niet van die aard zijn geweest om te pleiten voor een algehele opheffintg van de migratiestop (cf. Verslag nr. 1-768/1 van 23 juni 1998, blz. 251-252).
Tot op heden kwam geen van zijn opvolgers hierop terug.
Om het thema van dit immigratiebeleid goed te omschrijven, is het nodig twee punten in het oog te houden :
1. Algemeen gesproken, dient men te weten welke de achtergrond is van het debat, om te weten of er een wijziging nodig is, en in welke richting deze moet gaan;
2. Om bij de civiele maatschappij aan te slaan, dienen de rapporteurs er een duidelijke terminologie op na te houden, die duurzaam is in de tijd, samenhangend en plausibel is.
Schematisch gesproken is er immers een onderscheid tussen :
economische en professionele migraties;
economische vluchtelingen en economische migranten;
asielzoekers en asielgerechtigden;
enz.
Deze termen worden zo vaak door mekaar gebruikt, dat ze voor de gewone man in de straat een onbegrijpelijk amalgaam vormen, waardoor hij tot een verkeerde inschatting komt van hun politieke draagwijdte.
Bovendien heeft men in ons land twee tradities qua taalgebruik, wat bijvoorbeeld complicaties geeft qua invulling en modegebondenheid van de begrippen.
a) Het historisch perspectief
Deze Commissie heeft reeds een lange traditie qua opvolging van het regeringsbeleid inzake migratie.
Zo werd reeds op 23 juni 1998 een eerste verslag afgeleverd over de immigratie, dat, zoals in de inleiding uiteengezet, eerder een technische doorlichting was van de bestaande wetten en hun toepassing (zie verslag nrs. 1-768/1 en 2). Daarna volgde een opvolgingsverslag (nrs. 1-768/3 en 4).
Ten slotte werd, na een politieke machtswissel, ingevolge de verkiezingen van 13 juni 1999 een nieuw verslag neergelegd, namelijk het verslag nrs. 1-112/1 en volgende.
In al deze verslagen werd duidelijk gesteld dat de immigratiestop, die voor de opeenvolgende regeringen een streefdoel was, in feite voortdurend werd doorbroken, door de toepassing van allerlei punctuele maatregelen.
Gedurende al die tijd was ons land geconfronteerd met de uitlopers van de « Zwarte tunnel », dat wil zeggen een arbeidsmarkt met veel werklozen, en een groot begrotingsdeficit, zodat het politiek niet haalbaar was om de grenzen principieel te openen.
De maatregelen die aldus punctuele immigratie toelieten, remden de immigratie geenszins af. Anderzijds bleef de werkloosheid duren.
In feite was de houding van de regering pragmatisch, maar leidde tot een louter arbitraire toepassing van de wet.
Ook de weerslag op de begroting was niet neutraal, en veel geld diende vrijgemaakt voor opvang, hetzij omdat de vluchtelingen, geregulariseerden en familieherenigden, bij gebrek aan werk, aanspraak konden maken op OCMW-steun, of op andere vormen van solidariteit. Werk was er zoals gezegd niet genoeg voorhanden zodat op de vreemdelingen een permanente verdenking rustte, alsof zij kwamen profiteren van het systeem.
Sindsdien is er heel wat veranderd :
de conjunctuur is zo goed dat men werkvolk vraagt en men de vrijstaande plaatsen niet meer opgevuld krijgt;
de migratie is niet langer een randfenomeen dat men beheerst, maar wel een « lame de fond » die men ondergaat, tenzij men weer een Berlijnse muur zou instellen tegen de vloedgolf die nu vooral uit het oosten komt, waar geschoolde werkkrachten ter beschikking zijn in overvloed.
Men zou kunnen denken dat de problemen van de 80-er jaren opgelost zijn :
de economie draait terug volle toeren, zodat de allochtonen geen bedreiging meer vormen voor de autochtonen qua werkgelegenheid;
de krapte op de arbeidsmarkt kan ontspannen worden door het opnemen van buitenlandse gespecialiseerde werkkrachten, wat een deel van de ongecontroleerde immigratie beheersbaar maakt.
Niets is minder waar :
uit de hoorzittingen is gebleken dat het racisme verhindert dat de allochtonen in voldoende mate worden aangeworven, of worden opgenomen in bijscholingsprogramma's van de officiële diensten zoals VDAB, Forem en Orbem, of van de sectoriële fondsen. De krapte op de arbeidsmarkt heeft hierop onvoldoende positieve invloed.
de nuloptie qua immigratiebeleid werkt nog steeds door in het beleid, zodat niet of onvoldoende wordt nagedacht over concrete oplossingen zoals arbeidsimmigratie, green cards, enz.
Al deze bedenkingen dienden gemaakt te worden om het beleid te beoordelen en te trachten het te sturen in een andere richting.
Zoals duidelijk aangetoond in de inleiding bij het vorige verslag van 28 maart 2000 (nrs. 2-112/1 en 2) over « Het regeringsbeleid met betrekking tot de immigratie », heeft de legale immigratie in België nooit opgehouden te bestaan, en dit ondanks de officiële immigratiestop.
Het is van essentieel belang vast te stellen dat de nuloptie gefaald heeft en geen uitkomst biedt.
De positieve vraag naar migranten vanuit de patronale middens wordt bovendien gedubbeld door een vraag tot verjonging van onze bevolking, die uitgaat van bepaalde sociologische sectoren, zoals het departement bevolking van de VN. In een opgemerkte studie van dit departement werd immers gesteld dat Europa massaal buitenlanders moest importeren om zichzelf van de demografische ondergang te redden. Enkel een massale aanvoer van « jong bloed » zou onze bevolkingspiramide weer op het goede spoor kunnen krijgen.
Dit geheel van factuele gegevens zetten de Commissie ertoe aan de immigratie met een gunstig vooroordeel te onderzoeken, zowel onder het oogpunt van de « arbeidsmigratie » als dat van de « demografische migratie ».
Het historisch perspectief gebiedt ons vast te stellen dat, mocht de nuloptie officieel worden verlaten, dit een louter symbolisch gebaar zou zijn, in die zin dat deze echte immigratiestop nooit heeft plaatsgevonden. Hoogstens zou het debat daardoor transparanter en meer bespreekbaar worden.
b) De realpolitiek
Nochtans is het ten overstaan van de publieke opinie correcter de waarheid niet langer geweld aan te doen en duidelijk toe te geven dat de nuloptie haar tijd gehad heeft, en dat men ernstig een aktieve immigratiepolitiek moet overwegen.
Kenschetsend in dit verband was de tussenkomst van de heer Pascal Smet, sprekend in de hoedanigheid van CGVS in de commissiezitting van 9 januari 2001. Deze voormalige adjunct-kabinetschef van de heer Vande Lanotte, toenmalig vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken, en daarna verantwoordelijke van de task force in verband met immigratie bij de huidige minister van Binnenlandse Zaken, stelde dat de migratiedruk vanuit arme landen zo groot geworden is, dat men er zal moeten leren mee leven. Voor hem is dat een vorm van realpolitik.
Tijdens zijn diverse tussenkomsten in de Commissie in zijn vorige functies verdedigde hij overigens altijd al de stelling dat België wel degelijk een immigratieland was, zelfs al was er een immigratiestop. De input verliep via regularisaties om humanitaire redenen, gezinshereniging en ook arbeidsimmigratie, zij het beperkt.
De conclusie van de Commissie moet in functie van de hiernavolgende hoorzittingen worden genomen. Wellicht moet men het bestaande systeem enkel verfijnen. Afzien van de immigratiestop betekent niet dat men het bestaande wettelijke arsenaal moet opgeven, maar enkel dat men de in- en output beter doseert.
Dit houdt in dat men selectief kan inspelen op concrete situaties, en dat men de vreemdeling die toch illegaal in België geraakt, niet ipso facto moet laten verblijven in het land. Degenen die, zelfs bij een soepeler regeling, ongewenst binnenglippen, moeten, evenmin als vroeger, door dat feit alleen geen vrijgeleide hebben. Ze zullen bijgevolg verder kunnen worden weggeleid.
1.1. Hoorzitting met de heer Dominique Michel, secretaris-generaal van Agoria (vroeger Fabrimetal)
De heer Michel zet uiteen dat Agoria (vroeger Fabrimetal) een industriebond is met 1 100 bedrijven die meer dan 240 000 werknemers tewerkstellen in negen sectors, gaande van non-ferrometalen tot informatie- en communicatietechnologieën.
De titel van zijn toespraak van vandaag luidt « Immigratie, oplossing voor het tekort aan personeel ? ». Agoria heeft onderzocht of de immigratie een oplossing of het begin van een oplossing kan vormen voor de problemen in verband met het tekort aan personeel. Dat zal dus de leidraad vormen van deze uiteenzetting.
Agoria heeft het zowel over het welbekende tekort aan ingenieurs (België « produceert » jaarlijks 2 500 ingenieurs, terwijl er ieder jaar meer dan 7 000 nodig zijn) als het tekort aan geschoolde, maar niet hooggeschoolde krachten lassers, onderhoudstechnici, mechanici. Voor al deze jobs hebben onze bedrijven personeel nodig.
Vandaar de vraag of de immigratie hulp zou kunnen bieden en zo ja, in welke mate ?
Agoria is voorstander van een beleid dat de grenzen openstelt voor buitenlandse werknemers, maar niet in alle richtingen en zonder enig onderscheid. Ze zou een open immigratiebeleid voorstellen voor welomschreven jobs, naar gelang van de tekorten op de arbeidsmarkt. Wie moet die dan bepalen ? Volgens Agoria is dat uiteraard de taak van de openbare instanties voor arbeidsbemiddeling, die nauw samenwerken met bedrijven en de organisaties die ze vertegenwoordigen. Volgens Agoria moet het immigratiebeleid uitgaan van de nood aan arbeid en gaat het er niet om de grenzen in alle richtingen en zonder selectiecriteria open te gooien.
Bovendien moet dit immigratiebeleid mogelijk zijn, zelfs voor jobs van korte duur. Het feit dat personeel en werknemers in en uit ons land kunnen komen moet in de hand kunnen worden gewerkt. Een strikte opvatting over de arbeidsmarkt is geen goede zaak. Agoria heeft een veel soepelere opvatting waarbij mensen in en uit het land kunnen gaan. Dat stelt de werknemer die een tijdlang bij ons zou gewerkt hebben natuurlijk in staat om het land te verlaten met een scholing en een ervaring die in het land van oorsprong kunnen worden benut.
Dat zijn volgens hem de twee grote immigratieprincipes.
Welke mensen moeten in aanmerking komen voor immigratie ? Zetten we de deur open voor iedereen of moeten er accenten worden gelegd ? Hij wil hier ingaan op twee grote categorieën van werknemers. Een eerste is de categorie van hooggeschoolde buitenlandse werknemers, bijvoorbeeld informatici. Deze mensen hebben nu reeds een zekere toegang tot de Belgische arbeidsmarkt, maar we denken dat de mogelijkheden sterk moeten worden verbreed. Tot nu toe kunnen deze mensen voor maximum vier jaren in België komen werken. Hij denkt dat het goed zou zijn dit open te trekken en geen beperkingen in tijd meer op te leggen. De tweede categorie bevat gekwalificeerde mensen die echter niet als hooggeschoold kunnen worden beschouwd, bijvoorbeeld lassers, mechanici, onderhoudstechnici van hoog niveau, enz. Deze mensen hebben ze ook nodig, maar ze krijgen tot nog toe heel moeilijk toegang tot onze arbeidsmarkt. Ook voor deze mensen moet de deur iets meer worden opengezet. Ze zouden een arbeidskaart moeten kunnen krijgen voor een aantal maanden of zelfs een aantal jaren. Dit is één voorstel om verandering te brengen in ons immigratiebeleid.
Een tweede probleem op het vlak van aanwerving van buitenlands personeel is dat van de termijnen. Zoals men weet moet een werknemer in België eerst een arbeidsvergunning krijgen. Dat duurt ongeveer zes weken. Nadien moet hij een verblijfsvergunning krijgen en dat kan tot negen à twaalf maanden duren. Conclusie : het duurt ongeveer een jaar om een buitenlandse werknemer aan te trekken. Deze procedure is hoegenaamd niet aangepast aan de huidige economische situatie.
In Nederland duurt het een week of vijf voor er een beslissing is, dat is wettelijk vastgelegd. In Duitsland gaat het nog sneller en is het een kwestie van dagen.
Hij stelt dus voor na te denken over een versnelling van de procedures om geschoolde of hooggeschoolde werknemers in staat te stellen zich bij ons te komen vestigen en hier te werken.
In het begin vroeg hij zich af of immigratie de oplossing vormt voor onze problemen inzake arbeidskrachten. Het antwoord is neen volgens hem. Het kan slechts een klein deel vormen van de oplossing van een groot probleem. Waarom ? Voor hooggeschoold personeel, zoals ingenieurs en informatici stelt men vast dat deze mensen die kunnen worden gevonden in Oost-Europa, India en de Filippijnen niet zo'n zin hebben om in Europa te komen werken. De eerste reden is de concurrentie en verder schijnt het dat die mensen liever in de Verenigde Staten gaan werken dan in België, zonder verklaarbare reden. Vervolgens is het zo dat die landen ook problemen hebben in verband met personeel. Gisteren nog vernam hij van een van zijn medewerkers dat India momenteel een tekort heeft aan informatici. Ook de Indische informatici beginnen dus onder druk te staan om in het land te blijven. Uit de cijfers blijkt ook een omgekeerde brain drain, in die zin dat de mensen van Indische oorsprong die een paar jaar geleden naar de Verenigde Staten uitgeweken zijn terug naar hun land beginnen te gaan.
Ter afsluiting wil hij nog zeggen dat de mensen die de nodige kwalificaties zouden bezitten, met name in hooggeschoolde jobs, niet speciaal staan te springen om bij ons te komen werken. Wil dat zeggen dat geen van hen dat zou doen ? Natuurlijk niet, maar het zal nooit mogelijk zijn om genoeg mensen aan te trekken om ons tekort aan personeel te compenseren. Anderen hebben dat voor ons geprobeerd en misschien is dat een van de redenen waarom deze commissie het nodig heeft geacht om zich over het probleem te buigen. U kent de cijfers : Duitsland heeft zijn grenzen officieel geopend voor 30 000 mensen van Indische oorsprong maar het blijkt dat slechts 2 500 dossiers in orde geraken, terwijl in de eerste fase gerekend werd op 10 000. Er zijn dus niet genoeg kandidaten om aan de vraag te beantwoorden. Uit bepaalde studies ter zake blijkt dat we momenteel heel gul een bepaald aantal mensen in het land laten komen, maar dat we over enkele jaren getuige zullen zijn van een ware concurrentieslag tussen de Europese landen om buitenlandse werknemers te krijgen.
Hij denkt dat we er niet zullen in slagen alle problemen inzake arbeidskrachten op te lossen door een beroep te doen op immigratie, alleszins niet voor hooggeschoolde arbeidskrachten.
Daarmee komt hij op een andere heel belangrijke factor. Voor hooggeschoolde jobs komt het voor dat een aantal bedrijven hun productie gaan exporteren, eerder dan personeel te zoeken in het buitenland.
Deze ondernemingen trachten in deze landen zelf ontwikkelingscentra te openen en een aantal mensen werk te geven in de research, de productie van software, enz. Het doel is tweeërlei : ten eerste het oplossen van het gebrek aan personeel en ten tweede ook heel belangrijk een toegang te hebben tot deze markten op het ogenblik dat ze zich over een aantal jaren ontwikkelen. Onze grote ondernemingen trekken nu dus eerder naar het buitenland dan dat ze buitenlandse werknemers naar België halen. Het gaat hier vanzelfsprekend om hooggeschoolde buitenlandse werknemers.
Tot slot zegt hij dat de immigratie ons niet in staat zal stellen onze problemen op te lossen, maar dat ze het mogelijk zal maken om misschien voor een bepaald aantal jobs occasionele hulp te bieden. Het is niet daarop dat we onze inspanningen moeten toespitsen, maar wel op de reïntegratie van werklozen en personen die om een of andere reden niet aan het werk zijn. Het is vooral nodig dat de bedrijven en de overheden meer inspanningen leveren op het vlak van de opleidingen.
1.2. Hoorzitting van de heer Van Daele, federaal secretaris van het ABVV
Deze legale immigratie buiten het asielrecht wordt vaak voorgesteld als een oplossing voor problemen inzake het tekort aan personeel, de leefbaarheid van de pensioenen, clandestiene immigratie of informele arbeid in het Noorden en inzake de onderontwikkeling in het Zuiden.
Het ABVV geeft de voorkeur aan andere oplossingen voor deze problemen. Hij geeft enkele cijfers met betrekking tot het tekort aan personeel niettegenstaande een nog altijd hoge werkloosheidsgraad, vooral bij de immigrantenbevolking. Dit probleem zou moeten opgelost worden door de werklozen, zowel de Belgische als de immigranten, op te leiden op kosten van de ondernemingen en van de werkgeversfederaties van de betrokken sectoren, na onderhandeling met de werknemersorganisaties. Daarnaast moeten er ook betere arbeidsvoorwaarden geboden worden.
Inzake de bestrijding van de informele arbeid is het niet het feit dat het verblijf illegaal is dat leidt tot de informele arbeid, maar wel het feit dat de werkgevers zwartwerk aanbieden. De illegalen zijn slechts slachtoffers die wegens hun situatie worden gedwongen een niet-beschermde job aan te nemen in de informele economie. Of er nu illegalen zijn of niet, het zwartwerk zal blijven bestaan als het aanbod van zwartwerk niet wordt aangepakt. Daarom pleit het ABVV voor een versterking van de strijd tegen het zwartwerk, meer bepaald door een versterking van de inspectiediensten en de sancties.
Wat betreft de leefbaarheid van de pensioenstelsels zou de positieve weerslag van de toevloed van buitenlandse arbeidskrachten op de financiering van de sociale zekerheid nog meer moeten worden genuanceerd als de kosten van de werkloosheidsvergoedingen voor de autochtone bevolking even hoog blijven. Recente studies van de OESO tonen bovendien aan dat de migranten, die overigens zelf ook oud worden, zich vlug aanpassen aan het geboortecijfer van de autochtone bevolking. Op lange termijn lost de immigratie het probleem in verband met de pensioenen niet op; het komt alleen wat later. In tegenstelling tot het verslag van de UNO terzake, wil hij onderstrepen dat de leefbaarheid van de pensioenen niet alleen afhangt van demografische factoren, maar ook van de groeivoet en het tewerkstellingspercentage. Daarom pleit het ABVV eerder voor een preventieve aanpak en voor aanmoedigingen om de werknemers langer op de arbeidsmarkt te houden en het percentage actieve vrouwen te verhogen.
Nu komt hij bij de illegale immigratie. Het bestaan van dit fenomeen en de ermee gepaard gaande druk op de arbeids- en loonsvoorwaarden vormt op zich geen argument om de immigratie te institutionaliseren. In de Verenigde Staten bestaan er naast de asielprocedure andere mogelijkheden tot legale immigratie. Dit land kent nochtans proportioneel gezien een even grote illegale immigratie als de Europese landen. Andere factoren spelen daarbij een rol : de geografische toegankelijkheid, het loonverschil en nog andere gegevenheden. Daarom verheugt het ABVV zich over de regeringsbeslissingen om een budget van 63 miljoen frank vrij te maken voor de strijd tegen de mensenhandel, de beruchte clandestiene immigratienetten.
Inzake de onderontwikkeling van de Zuiderse landen tenslotte zijn er evenveel economisten die vinden dat de immigratie een positieve weerslag heeft op de ontwikkeling van de landen van de derde wereld of van het Oosten als economisten die het tegendeel beweren. Beweren dat de immigratie bevorderlijk is voor de ontwikkeling van het Zuiden of het Oosten lijkt alleszins fout. We hoeven maar te denken aan de braindrain en aan de perverse gevolgen van het geld dat naar het land van oorsprong wordt gestuurd en dat wegens de inflatie een slechte zaak kan zijn voor de mensen die niet het geluk hebben om uitgeweken familieleden te hebben. Op een meer politiek vlak kan alleszins de vrees rijzen dat de immigratie een al te gemakkelijke veiligheidsklep vormt voor dictatoriale regeringen die de mensenrechten schenden, onder andere de sociale en vakbondsrechten.
Daarom is het ABVV van oordeel dat de ontwikkeling van de Oosterse en Zuiderse landen vooral moet gebeuren via rechtstreekse ontwikkelingshulp. Dat kan gebeuren door een verhoging van het percentage van het BBP dat besteed wordt aan samenwerking, door een rechtzetting van de mechanismen die nadelig zijn voor de ontwikkelingslanden daarvoor moeten het IMF en de Wereldbank hun koers wijzigen en ook door de verdediging van de fundamentele sociale normen, zoals sociale clausules in de handelsverdragen en regelingen met betrekking tot de schuldvermindering en de goedkeuring van het ontwerp inzake de extraterritorialiteit van de straffen, allemaal punten die de steun kregen van een petitie met 10 000 handtekeningen.
Tot slot is het zo dat het ABVV geen vrede kan nemen met een immigratie die alleen maar zou gericht zijn op een verslechtering van de arbeids- en loonsvoorwaarden. Het stelt vast dat de prioriteiten die het naar voren had gebracht om de problemen op te lossen lang niet werden verwezenlijkt. Het merkt ook op dat de voorstanders van immigratie nagenoeg nooit voorzien in de middelen die nodig zijn voor de begeleiding van deze immigratie. Dat lijkt onverantwoordelijk, zowel met betrekking tot de integratiekansen van de potentiële nieuwe immigranten als met betrekking tot eerder politieke overwegingen. Bijgevolg vindt het ABVV dat een legale immigratie buiten het asielrecht in dit stadium nog niet aangewezen is.
1.3. Hoorzitting met mevrouw Sandra Rosvelds, adviseur bij de Studiedienst van het ACV
Mevrouw Sandra Rosvelds wijst erop dat het ACV op het ogenblik nog geen omlijnd standpunt heeft. Er wordt rond dit thema wel gewerkt en nagedacht, maar het is zeker te vroeg om te spreken van een ACV-standpunt. Spreekster beperkt zich dan ook tot een aantal bedenkingen.
De belangrijkste vraag die we vandaag moeten stellen is : biedt de huidige regelgeving niet voldoende mogelijkheden en worden deze wel voldoende benut ? Zoals de heer Michel al aanhaalde, bestaan er bijvoorbeeld voor het aantrekken van hooggeschoolden een categorie waarin de krapte misschien het grootst is al mogelijkheden. Er moet geen arbeidsmarktonderzoek worden uitgevoerd en er moet geen bilateraal akkoord bestaan met het land van herkomst. Voor de hooggeschoolden geldt er dus al een soepeler wetgeving, ook al kan men daarin natuurlijk nog verdergaan. Op het ogenblik liggen er bij de VDAB geen aanvragen om contingenten groepen van ten minste vijftien werknemers naar België te laten komen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld in het begin van de jaren negentig, toen het thema ook tamelijk actueel was. Vraag is dus of de werkgevers vandaag de bestaande mogelijkheden gebruiken.
Tweede vraag : maken werkgevers vandaag voldoende gebruik van de rekruteringsmogelijkheden in eigen land vooral van werknemers uit de andere gewesten en in de Europese Unie. In een aantal landen is er inderdaad een krapte op de arbeidsmarkt, maar deze is, behalve misschien voor een aantal functies, zeker niet algemeen. Bovendien heeft de mobiliteit binnen Europa zeker nog niet haar maximum bereikt. Heel concreet vraagt spreekster zich af of we niet veel beter het Eurys-systeem, de Europese vacaturedatabank kunnen gebruiken, zodat de transparantie van de arbeidsmarkt groter wordt. We moeten zelfs niet zover kijken. Ook binnen België is er geen uitwisseling, geen link tussen de vacaturebestanden van VDAB, BGDA en FOREM.
Een derde vraag heeft haar collega van het ABVV al opgeworpen : wordt er vandaag wel voldoende geïnvesteerd in de opleiding van werknemers en werkzoekenden. Op het vlak van opleiding door ondernemingen scoren we Europees relatief zwak. De opleiding van midden- en topkaders is nog relatief goed, maar de kansen van lager- en ongeschoolden zijn zeker veel te klein. Een goede opleiding is niet alleen voor de eigen loopbaan van belang, maar kan ook een « trek in de schoorsteen » creëren, een opwaartse mobiliteit binnen de bedrijven, zodat er onderaan meer plaats vrijkomt voor laag- en ongeschoolde werkzoekenden, waarvan we vandaag een groot aanbod hebben.
Het debat over de nieuwe immigratie wordt vandaag te zeer vanuit een economische invalshoek gevoerd. Het lijkt wel alsof men moet springen zodra de markt het vraagt en nieuwe immigratie enkel tegemoet mag komen aan de eisen van economie en bedrijven, terwijl men veel minder openstaat voor immigratie om humane redenen, uit landen waar het economisch minder goed gaat, maar waarvan de migranten niet meteen een economische meerwaarde bieden of niet meteen inzetbaar zijn op onze arbeidsmarkt. We spreken ook niet of nauwelijks over de immigratie die volgens de Verenigde Naties om demografische redenen nodig is.
Zelfs als immigratie om economische redenen noodzakelijk is, omdat er knelpunten zijn op de arbeidsmarkt, dan nog maakt het ACV de bedenking dat onze eigen allochtone bevolking veel te weinig kansen krijgt op de arbeidsmarkt. Men blijft vaststellen dat de werkloosheid bij allochtonen de afgelopen jaren is gestegen, vandaag wat is gestabiliseerd, maar nog altijd op een veel te hoog niveau ligt. Het lijkt wel alsof bedrijven soms liever een vacature open laten staan dan een allochtoon aan te werven. Daarvoor worden allerlei redenen aangehaald (culturele verschillen, gebrek aan integratie, ...) die blijkbaar niet gelden als het om Indiërs of Iraniërs gaat, als ze maar hooggeschoold zijn. Ook die mensen spreken nochtans geen Nederlands of Frans wanneer ze in België aankomen. We blijven dus bekommerd om onze eigen migrantenbevolking, die toch met zware discriminaties heeft af te rekenen.
Nog een ethische bemerking : het aantrekken van hooggeschoolden leidt tot braindrain. Is dat wel te verantwoorden ? Zij wil hieraan nog toevoegen dat Nederlandse bedrijven alleszins pas in het buitenland kunnen rekruteren op voorwaarde dat er daar geen rekruteringsproblemen zijn voor de beroepsgroepen die men wil aantrekken. Dat is zeker een voorwaarde om te onthouden.
Een laatste bedenking is dat heel wat tekorten op de Belgische arbeidsmarkt niet alleen te maken hebben met een gebrek aan aanbod, maar ook met de slechte arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden in de bedrijven. Op dat gebied hoort zij te weinig oplossingen. Werken in ploegenstelsel, een grote flexibiliteit, enz., allemaal elementen die het de mensen niet gemakkelijk maken en de vrouwen al helemaal niet. Zij pleit er dus voor dat bedrijven veel meer creativiteit aan de dag leggen om hun eigen arbeidsorganisatie te herdenken en te zoeken naar oplossingen om hun bedrijf en jobs aantrekkelijker te maken voor de werkzoekenden.
Indien we toch voor economische immigratie moeten kiezen, dan zijn er aan de huidige wetgeving een aantal verbeteringen mogelijk. De heer Michel heeft er al een aantal genoemd. Een evidente oplossing is het afsluiten van bilaterale akkoorden met meer landen. Er zijn maar twee belangrijke voorwaarden voor immigratie : een arbeidsmarktonderzoek en een bilateraal akkoord met het land van herkomst. Volgens haar bronnen hebben we vandaag slechts met een tiental landen een dergelijk akkoord. Eerlijk gezegd weet zij niet of de procedure voor het afsluiten van zo'n akkoord zwaar is, maar het is alleszins het onderzoeken waard. Met de uitbreiding van de Europese Unie met een aantal Oost-Europese landen zal er opnieuw een hele arbeidsmarkt beschikbaar komen, met een groot potentieel, ook aan geschoolde arbeidskrachten.
Vandaag wordt er voor bepaalde groepen, onder andere de hooggeschoolden, al een uitzondering gemaakt op de regel van het arbeidsmarktonderzoek en het bilateraal akkoord. Misschien kunnen er heel selectief nog uitzonderingen worden toegestaan, maar vóór we die stap doen, moeten we toch een duidelijker beeld krijgen van de behoefte van de bedrijven. De huidige trend om aan te sturen op een selectieve migratie lijkt te gaan om een iets te gratuite wens van de bedrijven. Vooral Agoria voelt de krapte, maar we moeten toch een beter en met cijfers onderbouwd zicht krijgen op de behoeften. Zijn ze werkelijk zo prangend dat we de wetgeving moeten veranderen ?
Een versoepeling van de regelgeving kan, maar niet zonder voorwaarden. We moeten inspanningen leveren voor de allochtonen die nu in België verblijven. De bedrijven die een aanvraag tot immigratie indienen, moeten actief meezoeken naar alternatieve oplossingen, meewerken aan opleidingsinitiatieven en tijdig hun vacatures bekendmaken aan de VDAB en andere opleidingsinstellingen, zodat deze hun opleidingsaanbod kunnen aanpassen en mee kunnen zoeken naar kandidaten in België. De bedrijven mogen ook geen overbodige selectiecriteria naar voren schuiven. We komen uit een situatie waarin er voor elke job tenminste tien kandidaten waren en de bedrijven keuze te over hadden. Dat is nu niet meer het geval, maar de mentaliteit bij het opstellen van vacatures en de eisen die men stelt, zijn misschien niet helemaal mee geëvolueerd. We moeten ook kritisch staan tegenover bedrijven die op het vlak van arbeids- en loonsvoorwaarden onder het gemiddelde van hun streek scoren. We mogen niet meewerken aan het instandhouden van slechte arbeidsvoorwaarden. De immigratie van nieuwe werknemers brengt zeker een aantal nieuwe plichten mee, op het vlak van inburgering, huisvesting en dergelijke. Deze mensen mogen buiten de werkuren niet aan hun lot worden overgelaten en we moeten op dit punt leren uit de fouten van het verleden. De vakbonden in de ondernemingen moeten eerst om advies worden gevraagd en we moeten kritisch staan tegenover werkgevers die vaak gebruik maken van tijdelijke werkloosheid, illegalen tewerkstellen of in het verleden RSZ-wanbetalers waren. Zij kunnen moeilijk voor een versoepeling in aanmerking komen.
1.4. Hoorzitting met de heer Van Thillo, federaal secretaris van de BTB
Spreker wil aan de uiteenzettingen van de andere vakorganisaties enkele concrete voorbeelden toevoegen. Hij is actief in de sector Goederenvervoer voor derden. De werkgevers van deze sector hebben als een van de eersten gevraagd een contingent van 5 000 Oost-Europese vrachtwagenchauffeurs te mogen aanwerven. Zijn verhaal is nuttig omdat het de inconsistentie in de motivering van deze vraag blootlegt.
De sector richt zich vooral op mensen met een zeer lage scholingsgraad. Scholingsgraad is niet gelijk aan opleidingsniveau, ook al denken de werkgeversfederaties dat vaak wel. Hij wil aantonen dat sectoren met problemen vaak oplossingen zoeken in het aantrekken van buitenlandse werknemers. De werkgevers zeggen dat er in de sector 5 000 vacatures zijn. De VDAB heeft er 1 100. Dit toont aan dat, ofwel niet alle vacatures doorstromen, ofwel cijfers op een fetisjistische manier worden gebruikt. Maar dat er 1 100 vacatures zijn in een sector met laaggeschoolden is hoe dan ook een probleem. Een duidelijk probleem in de sector is dat werkgevers geen niet-opgeleide kandidaten aanvaarden en evenmin opleiding geven. De kandidaten worden door een paritaire jury geselecteerd en mensen worden van de beroepsopleiding uitgesloten, gewoon omdat ze geen ervaring hebben met de sector. Dat is een aberratie wanneer men geconfronteerd is met een krappe arbeidsmarkt. Nog zeer vaak worden ook kandidaten geweigerd omdat ze een verkeerde attitude hebben. Zelfs eisen dat de CAO correct wordt nageleefd, wordt beschouwd als een verkeerde attitude. Die mensen stromen dus al niet door in de beroepsopleiding.
De loon- en arbeidsvoorwaarden in de sector schrikken nieuwe kandidaten ook vaak af, hoewel werkgeversfederaties dat nog steeds niet erkennen, waarschijnlijk uit angst voor de consequenties hiervan voor de komende CAO-onderhandelingen. Uit een objectieve analyse van de verschillende sectoren blijkt echter wel dat men in de transportsector vrij lang, hard en flexibel moet werken voor een vrij beperkte beloning.
Ook in de samenstelling van de arbeidsmarkt van de sector worden er een aantal aberraties vastgesteld. Van de 50 000 arbeiders rijdend en niet-rijdend personeel zijn er slechts 3,8 % vrouwen. Dat kan niet. Met een 50/50-verhouding in de bevolking zouden we een hoger percentage verwachten. Het heeft jaren geduurd, maar we hebben nu eindelijk een sectorconsulent aangeworven die specifiek voor de doelgroep vrouwen onderzoekt welke drempels men kan wegnemen. Samen met collega's van het ACV is hij er voor de sector goederenvervoer wel in geslaagd deel te nemen aan « Quo vadis », een federaal project om de instroom van vrouwen in de sector te bevorderen. De werkgevers zijn daarvoor niet geïnteresseerd, maar zes maanden later vragen ze wel 5 000 Oost-Europeanen. Quo vadis zit wel in de sector van het personenvervoer, maar dat is een ander verhaal. Hetzelfde zien we met migranten. Spreker heeft toevallig het verhaal gehoord van migranten die op een VDAB-begeleidingsdienst te horen krijgen dat er wachtlijsten zijn voor de beroepsopleiding vrachtwagenchauffeur. Het ABVV steunt die beroepsopleiding en gaat ervan uit dat er geen wachtlijsten van drie maanden mogen zijn. Er bestaat een protocolakkoord met de VDAB.
Het ABVV merkt dus dat er onbegrip is tegenover die doelgroep, die nochtans de specifieke kenmerken van onze sector een lage scholingsgraad heeft en dus snel zou kunnen instromen. Het ABVV werkt aan een vacature voor een sectorconsulent migranten, maar ook dat blijkt minder dringend te zijn dan het aanwerven van buitenlandse werknemers.
Natuurlijk staat de sector in extreme mate bloot aan internationale concurrentie en kan men daar begrip voor opbrengen. In die zin was de vakbond dan ook erg verbaasd over de vraag van de Belgische werkgeversfederaties, omdat we met de Europese werkgevers hierover al standpunten hebben ingenomen. We zijn er voorstander van alle chauffeurs van niet-Europese oorsprong die werken voor een Europees bedrijf of filiaal een soort certificaat te geven dat aantoont dat zij een arbeidsovereenkomst hebben in de lidstaat waar ze tewerkgesteld zijn en dat ze voldoen aan de loon- en arbeidsvoorwaarden, maar ook ingeschreven zijn in de sociale zekerheid van die lidstaat. Zo wordt reeds een deel van het probleem opgelost. De Belgische werkgeversfederaties van de transportsector gaan veel verder. Zo hebben zij immers zeer duidelijk bij minister Landuyt verklaard dat ze van plan waren om van de lonen van de Oost-Europese chauffeurs een deel af te houden, dit in een fonds te storten voor opleiding en daarvan eventueel terugkeeropties uit te werken. Met dit voorstel doen we natuurlijk niets aan het probleem van Belgische bedrijven die dochterondernemingen oprichten in niet-Europese lidstaten en met niet-Europese chauffeurs naar België rijden. Spreker zegt dat we de concurrentie niet moeten aangaan in de Oost-Europese trafiek. Die filialen rijden hier met Poolse en Tsjechische chauffeurs, betalen hooguit de onkosten van hun verblijf in de Europese Unie en betalen het loon zelf uit aan de families in het land van herkomst. Dat is de reinste sociale dumping en daar zijn de vakbonden precies zo bang voor. Wanneer er onvoldoende controle is, mag men geen buitenlandse contingenten toelaten. Wat hij nu zegt is een persoonlijke visie, waarvan nog niet alle leden van zijn vakbond overtuigd zijn. Een oplossing op het vlak van controle die we hebben voorgesteld in de werkgroep met de regering naar aanleiding van het dieselconflict, is de invoering van een arbeidskaart voor de mobiele beroepen, in plaats van de SIS-kaart die de regering nu voldoende vindt om te controleren of men in België is ingeschreven. Een dergelijk protocol werd ook met de Europese werkgevers afgesloten en wordt hopelijk in een richtlijn omgezet.
Een voorbeeld van inconsistentie in de standpunten, dat de vakbond ook verontrust, vinden we bij de Oostenrijkse werkgevers. Ze beweerden dat Oostenrijk een systeem aan het uitwerken is waarin buitenlandse werknemers wel in Oostenrijk worden tewerkgesteld, maar in de sociale zekerheid blijven van het land waaruit ze afkomstig zijn. Voor de Oostenrijkse werkgevers is dat een van de elementen om mensen snel te kunnen terugsturen op het ogenblik dat de conjunctuur op de arbeidsmarkt evolueert. Alle partners zijn daar enorm van geschrokken en hij zou niet willen dat we in België zulke situaties krijgen.
Tot slot nog iets over opleiding en vorming. In de sector is het zeer duidelijk : een chauffeur is niet eenvoudigweg iemand met een rijbewijs C of CE. De maatschappelijke context waarin het goederenvervoer over de weg nu moet verlopen, is van die aard dat een chauffeur bestand moet zijn tegen verkeersagressie, daar op een verstandige manier op moet reageren en de reglementen van de Europese lidstaten moet kennen. Er moet dus meer tijd en aandacht gaan naar de opleiding en attitude van de chauffeur dan naar de technische knowhow. Een contingent Oost-Europese vrachtwagenchauffeurs binnenhalen op basis van hun rijbewijs C of CE betekent dat men een bom binnenhaalt en zo ondergraaft men het maatschappelijk draagvlak niet alleen van de sector wegvervoer, maar van het hele verkeersbeleid.
1.5. Gedachtewisseling
Een lid vindt dat deze uiteenzettingen het volstrekte bewijs vormen van de noodzaak dat de commissie hierover met deze geledingen, die bijzonder relevant zijn, discussieert.
Het gewone rollenpatroon dat we kennen tussen sociale partners speelt hier ook, maar het uitgangspunt moet, wat ons betreft, worden gehouden op immigratiepolitiek. Het is goed uit te gaan van het fameuze prerapport van de UNO 50 miljoen noodzakelijke arbeidskrachten voor Europa en de vraag te stellen of dit een wetenschappelijke of realistische benadering is. Het is goed dat de commissie de regering heeft aanbevolen om hierover grondiger werk te verrichten.
We zullen tijdens het Belgische voorzitterschap deze discussie moeten voeren met de sociale partners. Uit de diverse benaderingen blijkt immers dat dit noodzakelijk is.
Het discours vanuit Agoria was vrij economisch, wat het voordeel heeft een aantal aspecten te kunnen demystifiëren. Hij brengt dit in verband met het fameuze UNO-rapport, omdat de kans bestaat dat het niet-genuanceerde globale cijfer een volstrekt begrijpelijk volume zou kunnen inhouden, maar dat door de evolutie van graad van geschooldheid de geschoolden om talrijke redenen bij ons de weg niet vinden en we alleen de laaggeschoolden in grote massa hier zouden kunnen krijgen.
Wanneer onze politiek inzake migratie niet goed getimed en naar inhoud bepaald is en geen andere keuze zou bestaan dan over te gaan tot de vorming van degenen die we opnemen tot op het niveau van degenen die we nodig hebben is er duidelijk een probleem. Waarschijnlijk staat dit haaks op de visie van de vakbonden, die eerst naar het eigen areaal willen kijken en derhalve de eigen bevolking en de bestaande generaties migranten voldoende willen scholen.
Dat in heel specifieke sectoren, bijvoorbeeld de HT, Indiërs na een tijd te hebben doorgebracht in een Europees bedrijf graag naar hun land terugkeren, is een logische evolutie, niet alleen omdat zij niet met lege handen terugkeren, maar met middelen om de bekomen welvaart in een multiply- en acceleratie-effect in te zetten in een land met grote toekomstmogelijkheden, maar ook omdat de politiek van India erin bestaat om naast de mogelijkheden in human resource te voorzien in de gewone structurele aanpak van hardware en software en de toegevoegde waarde in eigen land te creëren en niet te laten verdwijnen naar het buitenland.
Het zal dus een juiste analyse zijn dat wij waarschijnlijk binnenkort in het systeem van vraag en aanbod veel meer zullen moeten betalen dan tot op heden om dergelijke gespecialiseerde arbeidskrachten aan te trekken en dat de mogelijkheden van onder meer outsourcing op de markt zullen worden gerealiseerd. Hij huivert bij de gedachte dat een beperking dat zou tegenhouden.
Hij zegt begrip te hebben voor de visie van de vakbonden in verband met de migratiestop, maar het is goed dat men in de discussie in Vlaanderen probeert men steeds een andere mentaliteit naar voren te schuiven dan in de rest van het land goed beseft dat ten opzichte van de ideeën die aan de basis liggen van het vooroordeel als zou men vanuit de vakbeweging bijzonder positief staan tegenover bepaalde aspecten van migratie staat dat ook de vakbewegingen, net als de patronale kringen, vanuit economisch standpunt redeneren.
Tot slot heeft hij een nadrukkelijke vraag aan ieder die aan het woord is geweest met betrekking tot het federale en het gewestelijke. We weten dat de problematiek die ons bezighoudt een federale aangelegenheid is, maar dat het aspect van de integratie een gewestelijke bevoegdheid betreft.
Hij zou graag van de sprekers vernemen of ze het als een voor- of als een nadeel beschouwen dat dit een gewestelijke materie is. Persoonlijk meent hij dat het om een voordeel gaat. Aan de hand van de voorbeelden die daarnet werden aangehaald, zoals de inhouding van een deel van het loon en de mogelijkheid om de sociale zekerheid toe te passen in het land van herkomst, enz. Misschien is het verstandig bijzonder alert naar Oostenrijk te kijken.
Kan men zich voorstellen dat men in de toekomst, wanneer deze materie mee zou worden bepaald vanuit de gewesten, een dergelijk systeem genegen zou zijn in het Vlaamse landsgedeelte, maar niet in het andere ? Vandaar zijn nadrukkelijke vraag naar de mening van de sprekers ten aanzien van die opdeling.
Een lid zou zich graag eerst richten tot de heer Michel om hem te vragen of Agoria een kwantitatief en een kwalitatief onderzoek van de behoeften heeft verricht. Waarop steunt hij zich als hij het heeft over een gebrek aan deze of gene bekwaamheid ?
Ons land telt veel werklozen, maar ook veel mensen die bekwaamheden bezitten. Veel van die mensen zijn van buitenlandse oorsprong maar bijna allemaal zijn ze hier geboren. Ze hebben hier gestudeerd en een diploma behaald. U hebt het gehad over een gebrek aan ingenieurs. Van zijn kant kent hij kernfysica-ingenieurs die in centra voor beroepsopleiding zitten. Hij kent ook technische ingenieurs die lang gezocht hebben naar werk in het onderwijs. Hij is persoonlijk tussenbeide gekomen om te proberen hun een paar uren in het beroepsonderwijs te vinden. Voorts kent hij mensen met een graduaat in de informatica en hij zou nog voorbeelden kunnen geven. Hij bezit een dossier om te tonen hoeveel mensen hem vragen om hulp bij het vinden van een betrekking.
Dat brengt hem op de kwalificaties van mechanicus, elektricien en lasser. Hij kent een lasser die een voorstel kreeg voor werk in Ternat, maar slechts voor twee uur. Als de werkgevers echt willen aanwerven en een integratiebeleid volgen dan moeten ze ophouden te roepen dat er een gebrek is aan geschoold personeel terwijl dat personeel voorhanden is. Het is wel zo en dat is de natuur dat ze zwart haar en een donkere huidskleur hebben, maar ze kennen onze cultuur. Voor de mensen die we naar hier zouden halen vormt de taal nog een bijkomende hindernis. Zelfs diegenen die zich al ter plaatse bevinden, krijgen het verwijt dat ze het Nederlands of het Engels niet machtig zijn. Is dat echt zo noodzakelijk voor alle kwalificaties ? We pogen met alle middelen, zoals bijvoorbeeld het Rosettaplan of andere manieren, de werkloosheid tegen te gaan. Spijtig genoeg volgen de werkgevers niet. Bovendien weten we dat een wetenschappelijke studie discriminatie bij de aanwerving heeft aangetoond.
We kunnen ons niet beroepen op een gebrek aan personeel; daarom vroeg hij aan de heer Michel of er een kwantitatief of kwalitatief onderzoek werd verricht. Thans wordt overwogen om immigratie toe te staan naar gelang van de werkgelegenheid. Hij is niet helemaal gewonnen voor selectieve immigratie. De knappe koppen uit de ontwikkelingslanden weghalen, louter omwille van ons welzijn, moet uitgesloten worden. Er moet ook gedacht worden aan een beleid in de andere richting, misschien in de vorm van steun.
Er moet niet alleen rekening worden gehouden met de armoede van die landen. Ze moeten zich ook ontwikkelen, wat zal bijdragen tot het wereldwijde welzijn.
Er is sprake geweest van de vestiging van ondernemingen in andere landen. Dat biedt zowel voordelen als nadelen. Voor de onthaallanden is het een goede zaak want ze tellen veel werklozen, maar voor ons is het minder wenselijk. Voor zover hij weet, zijn de vakbonden tegenstanders van delokalisaties. Wij willen onze ondernemingen, onze jobs en ons welzijn houden. In dit opzicht is het voorbeeld van de textielsector welbekend. De grote merken laten hun kledingstukken maken in de ontwikkelingslanden, waar ze genieten van taksvrijstellingen. Daarna verkopen ze hun artikels hier tegen een veel hogere prijs.
Tot slot belandt hij bij de kwestie van de regularisatie. Hij kent tal van mensen die een opleiding hebben en die vragen om een regularisatie. Sommigen hebben een opleiding tot vrachtwagenchauffeur, maar de werkgever vraagt hun een werkvergunning. De werkgever zou die kunnen aanvragen, maar hij weigert dat te doen. Een oplossing met veel goedkopere arbeidskrachten uit het buitenland, zou hem misschien liever zijn. Zelf kan hij niet anders dan gekant zijn tegen dumping.
Een lid vindt dat de kwestie van de immigratie niet alleen vanuit het standpunt van de werkgelegenheid kan worden beschouwd. Klaarblijkelijk moeten er andere overwegingen in overweging worden genomen, want alle vertegenwoordigers uit de werkgevers- en vakbondswereld zeggen in welke mate dat dit het tewerkstellingsprobleem niet oplost en een risico zou betekenen op een aftakeling van bepaalde voorwaarden, terwijl het ieders wens is een sterke sociale bescherming in stand te houden.
Naast de netwerken, die een realiteit vormen, koesteren mensen in Oost-Europa en in Afrika in gedachten ook een individuele of familiale wens om in de Verenigde Staten of in Europa te wonen en zo hun levensomstandigheden te verbeteren. Ze is het helemaal eens met het standpunt dat de georganiseerde netwerken moeten bestreden worden. We moeten er echter geen mythe van maken en denken dat alle immigratie via netwerken van het maffiasoort verloopt. Vooral in het geval van de Verenigde Staten valt ze ook te verklaren door het verschil in levensstandaard en in loon.
Zoals de regularisatieoefening duidelijk heeft aangetoond, bestaat er in België al verscheidene jaren een verborgen sector van arbeidskrachten. Dat betekent dus dat een heleboel mensen zwartwerk hebben gevonden. Ook al weigert ons land zijn grenzen open te stellen om economische redenen, worden op die manier de werkrelaties gedestabiliseerd door de druk van deze totaal rechteloze zwartwerkers. Ze denkt dat er moet nagedacht worden over het geval van de Oost-Europese landen.
In het geval van de betrekkingen met de Oost-Europese landen is er geen denkwerk nodig. Nu België heeft toegestaan geen visum meer te eisen voor Poolse staatsburgers bijvoorbeeld en het bekend is dat de Poolse arbeidskrachten een doping betekenen voor de markt van de bouwbedrijven kan immers in het raam van de betrekkingen tussen West- en Oost-Europa even duidelijk worden gesteld dat een bepaald aantal visa om een bepaalde tijd in België te gaan werken een manier vormt om uit dit soort ondergrondse economie te geraken ?
Inzake de problematiek van de discriminatie bij aanwervingen meent ze dat de situatie bekend is. Ze zal zich eerder richten tot de heer Michel.
Naar aanleiding van de enquête van de ULB vraagt ze zich af hoe de werkgeversorganisaties en zelfs de vakbondsorganisaties van plan zijn de discriminatie bij de aanwerving die verband houdt met de oorsprong van de sollicitanten te kunnen onderkennen en hoe de bedrijven reageren op dit probleem. Niettemin is ze het eerder eens met het standpunt dat er waarschijnlijk niet genoeg coördinatie bestaat in het plaatsingsbeleid van de drie gewesten en dat de plaats van het aanbod voor werk dus niet de plaats is waar de arbeidskrachten zich bevinden. Ze vestigt de aandacht op het feit dat het Brussels Gewest, het grootste jobreservoir van België, het hoogste werkloosheidspercentage en tevens het laagste opleidingsniveau vertoont want meer dan de helft van de werklozen hebben er geen hogere humanioradiploma. De moeilijkheid ligt in de afstemming van de maatregelen inzake arbeidsbemiddeling op uiterst lage opleidingsniveaus.
Moet de immigratiekwestie echt worden benaderd op arbeidsvlak alleen ? En is er in ieder geval geen druk naar beneden toe op de arbeidsmarkt als we de kwestie niet aanpakken ? Valt er aan de kant van het werkaanbod geen werk te verrichten met het oog op de integratie van deze weinig geschoolde arbeidskrachten die evenwel kunnen te maken krijgen met discriminatie op grond van hun oorsprong ? Hier moet herinnerd worden aan het feit dat in Brussel de helft van de kinderen van diverse oorsprong is. Op een gegeven moment gaan we geconfronteerd worden met een arbeidsaanbod van veelvoudige oorsprong. Dan zal de aanpak van de bedrijven veel opener moeten worden dan vandaag het geval is.
Een senator verklaart zich te verheugen dat het debat dat enkele maanden geleden werd gestart plaatsgrijpt in de plenaire vergadering van de Senaat, naar aanleiding van het eerste rapport met betrekking tot de migratie.
Hij gelooft in de sterkte van een beperkte migratie, zowel wat laaggeschoolden als wat hooggeschoolden betreft, en dit omwille van diverse redenen.
De eerste maar niet de belangrijkste is de economische reden. In Vlaanderen bestaat immers het probleem van het niet kunnen invullen van vacatures. De VDAB heeft momenteel 206 knelpuntvacatures, dus vacatures waarvoor men geen kandidaten meer vindt. In 2000 heeft men 33 000 vacatures niet kunnen invullen. In de eerste helft van 2000 waren er 112 000 vacatures, of driemaal meer dan voor heel 1997.
In zijn streek, met name Kortrijk/Roeselare, bedraagt het werkloosheidspercentage 3 %, het allerlaagste werkloosheidscijfer. Hij geeft grif toe dat bepaalde groepen van mensen moeilijker tewerkgesteld worden dan anderen. Bij de migrantenpopulatie, ook al is die niet zo groot in onze streek, is de werkloosheid uiteraard iets groter.
Als het gaat over economische migratie, moet men een genuanceerd beeld ophangen en moet men naast het vormen van mensen hier ter plaatse en het plaatsen van mensen op de arbeidsmarkt ook oog hebben voor eventuele noden uit het buitenland en personen die naar hier willen komen.
De tweede reden is de demografie. Hij is blij dat de vertegenwoordigster van het ACV dit aspect heeft opgeworpen, want dit maakt eigenlijk het echte debat uit. Het andere over de economische migratie is een tijdelijk debat en eerder conjunctureel. Het echte debat is demografisch. Zolang Europa zijn poorten gesloten houdt, zal men er niet uitgeraken.
In 1999 was 16 % van de bevolking in België ouder dan 60 jaar. In 2050 zal 33 % ouder zijn dan die leeftijd. We kennen een activiteitsgraad van 1,11, waarmee hij bedoelt dat voor 1,11 actieve personen één inactieve persoon staat.
In Europa heeft men gemiddeld 2,1 kinderen per gezin nodig om de bevolking op peil te houden. In België zitten we aan 1,7 kinderen per gezin. Vandaar dat de Verenigde Naties na een wetenschappelijke studie tot het besluit zijn gekomen dat er ongeveer 47 miljoen extra mensen nodig zijn in Europa.
Intussen verschuift de discussie. Onder meer Vitorino, een Europese commissaris, heeft in een vertrouwelijk document verklaard dat een meer open politiek inzake wettelijke immigratie noodzakelijk is om de druk op het asielbeleid te verminderen. Hij herinnert aan de fameuze vraag of er een verband bestaat tussen beide.
Spreker geeft aan dat men hem niet persoonlijk moet beschouwen als een dweper voor het beleid van open grenzen. Hij is geen anarchist, maar ziet wel heil in de combinatie van een goede ontwikkelingssamenwerking en vorming van achtergestelde groepen hier enerzijds en het beperkt economisch migreren naar onze gebieden anderzijds. Hij vraagt zich trouwens af waarom we niet toelaten dat personen zich bewegen van de ene plaats naar de andere als goederen en kapitaal dat wel kunnen. Eigenlijk gaat het om een mensenrecht : het recht op migratie en het recht om te blijven.
Met betrekking tot de Indische HT-sector, waarnaar men daarnet verwezen heeft, leest hij in De Morgen van 22 april 2000 dat de vertegenwoordiger van de patroonsorganisatie van softwarebedrijven, een Indiër, verklaart : « Onze arbeidsreserve is enorm en we beschikken over vele hooggeschoolden om onze mensen op te leiden. Zelfs als 100 000 informatici naar Europa gaan, zie ik geen blijvende schaarste ontstaan. Dit is een win/win-situatie. Europa wint, maar India ook : ten eerste, omdat die mensen vreemde deviezen naar India sturen; ten tweede dragen ze bij tot het imago van de Indische software-industrie en, ten derde, doen ze ervaring op die ze kunnen gebruiken als ze later terugkomen. »
Dat niet alleen de vakbonden maar ook de werkgevers pleiten voor het behoud van een migratiestop stelt hem enigszins teleur. Op het vlak van hooggeschoolden is er niet echt een immigratiestop. Er is de fameuze wet, niet zo lang geleden in het Parlement goedgekeurd, en er bestaan een aantal mogelijkheden. Ten aanzien van laaggeschoolden merkt hij dat de schroom veel groter is en vraagt zich af of de migratie die we in de jaren 1960-1970 hebben gekend verkeerd was. Uiteindelijk worden we met hetzelfde probleem geconfronteerd, namelijk dat een aantal jobs niet ingevuld geraken.
Hij heeft een aantal concrete vragen voor beide groepen.
Ten eerste, voor de vertegenwoordiger van de werkgevers. Zijn deze bereid om eventueel een deal te sluiten die erin zou kunnen bestaan dat voor het aanwerven van één buitenlandse arbeidskracht in ruil één werkloze op onze markt vorming en opleiding krijgt gedurende een bepaalde periode, zodat op het ogenblik dat de green card van de buitenlandse arbeidskracht verstreken is de andere persoon in zijn job kan inschuiven ?
Een andere vraag betreft de transportsector, waar de meningen van de werkgevers- en de werknemersgroeperingen aanzienlijk verschillen. Is uw standpunt te rijmen met de inhouding die daarnet aan de orde kwam ?
De tweede reeks vragen richt hij tot de werknemers. Men legt terecht nogal sterk de nadruk op vorming en opleiding van personen die nu niet tewerkgesteld zijn, maar de groep inactieven ouder dan 60 is heel groot en hij verwijst ook naar het systeem van het brugpensioen. Hij veronderstelt dat de vakbond het behoud van dit systeem nog steeds sterk bepleit. Ten eerste, heeft dit niet een verkleining van de groep actieven tot gevolg ? Ten tweede, inzake tewerkstelling bestaat een enorm verschil tussen Vlaanderen en Wallonië. Zijn de FGTB of de CSC bereid inspanningen te doen om personen uit Wallonië te motiveren om naar Vlaanderen te komen ? In de 19e eeuw was het net omgekeerd. Toen zijn veel Vlamingen gaan werken in Wallonië.
Zijn laatste vraag aan de werknemersorganisaties gaat over de visie op de toekomst en op Europa. Zij wijzen er terecht op dat talrijke Oost-Europeanen hier in het zwart werken. Denk maar aan de vele Poolse poetsvrouwen en alle anderen die in allerlei sectoren « tewerkgesteld » zijn. Moet men dit afschaffen ? Vinden de vakbonden dat zwartwerken niet kan ? Welke is hun visie op de toekomst van Europa ? Zelfs als Oost-Europa zich aansluit bij onze streek, blijft een verschil bestaan in levensstandaard en levenscomfort. Betekent dit dat zij geen voorstander zijn van de uitbreiding van Europa ? Of vinden zij dat hiermee nog vijftig jaar moet worden gewacht ? De realiteit is dat deze staten dichter bij een aansluiting staan dan ooit vermoed.
Een lid zou willen herhalen dat het immigratiedebat niet alleen de economische noden van ons land als essentieel thema heeft. Dit debat ontspruit integendeel uit demografische gegevens op Belgisch en op wereldvlak en ook uit het verschil in de levensstandaard en de economische ontwikkeling tussen ons land en sommige andere landen. Dat zijn de eerste factoren die hebben geleid tot de heropening van het debat over de immigratie en ze zijn al vele jaren onvoldoende aan bod gekomen.
Met betrekking tot deze nieuwe internationale configuratie op het gebied van de demografie, deze explosie van de internationale demografie, tot de steeds toenemende kloof tussen de armste en de rijkste landen en tot onze meest onmiddellijke behoeften op het vlak van de Belgische economie hebben we zowel belangen als plichten. Belangen op korte en op lange termijn en plichten op korte en op lange termijn. Hij heeft de interventie van de vertegenwoordigster van het ACV echt bijzonder op prijs gesteld. Naast de economische behoeften van België sprak ze immers ook over de immigratie vanuit het humanitaire en demografische standpunt.
Hij zou graag de beoordeling van de andere sprekers horen over de capaciteit van ons land om deze criteria in overweging te nemen.
Dit element lijkt hem des te belangrijker omdat het uiteindelijk teruggaat tot de ganse geschiedenis van de immigratie in Europa. Veel Belgen hebben in hun familie ouders of grootouders die naar België of naar andere landen uitgeweken zijn omdat ze op zoek waren naar een beter lot voor hun kinderen of voor henzelf of omdat ze hun dagelijks bestaan wilden verbeteren. Dit heeft een belangrijke ontwikkeling van Europa mogelijk gemaakt, maar het was lange tijd een Europese traditie deze volksbewegingen toe te laten.
Hij heeft de indruk dat we vandaag een stap achteruit zijn gegaan in een Europese traditie om volksbewegingen te aanvaarden die niet noodzakelijk rechtstreeks verband huden met economische belangen op korte termijn. Wel maakten ze het mogelijk om stromen van wat men nu economische vluchtelingen noemt op te nemen. In werkelijkheid zijn dat mensen die hun dagelijks bestaan trachten te verbeteren. Vaak waren dat mensen die uit Midden-Europa, het Middellandse-Zeegebied of Zuid-Europa naar Noord-Europa kwamen of omgekeerd, en uit Ierland naar Noord-Amerika.
Er bestaat dus een lange traditie van emigratie en immigratie en hij is van mening dat we vandaag de dag een stap achteruit zijn gegaan in deze traditie. We zouden middelen moeten vinden om de traditie voort te zetten en het debat over de economische immigratie niet moeten klemzetten met de kwestie van de economische belangen op korte termijn.
Anderzijds is de contingentering van de immigratie voor bepaalde kwalificaties ter sprake gekomen. Mits enige voorzichtigheid stonden de werkgevers eerder open voor een dergelijk idee. Het ACV was er niet helemaal tegen mits wat meer voorzichtigheid en het ABVV was volgens uw uiteenzetting zichtbaar minder enthousiast over het idee. Welke Europese landen passen dit soort van contingentering toe ? Hebben onze buurlanden enige ervaring op dit vlak ? Als er geen beroep wordt gedaan op deze contingenten, welk risico zou er dan eventueel bestaan in verband met de delokalisatie van sommige bedrijven die zouden beslissen hun economische bedrijvigheid te delokaliseren omdat ze bij ons geen arbeidskrachten vinden ? Wat zou dus de eventueel negatieve weerslag zijn op onze eigen werkgelegenheid als we iedere vorm van immigratie op dat vlak weigeren ?
Hij zal niet terugkomen op de discriminatiekwesties, die reëel zijn. Misschien alleen op een detail in de uitspraak van de heer Van Daele dat men uiterst voorzichtig en zelfs vijandig moet staan ten overstaan van het idee van een immigratie op grond van economische redenen en dat men moet ingaan tegen de veiligheidsklep die deze immigratie vormt voor de « dictatoriale » landen. Dit argument lijkt hem enigszins gevaarlijk want het zou uitmonden in een weigering van politieke vluchtelingen en oorlogsvluchtelingen. Ongetwijfeld heeft dat te maken met het asielrecht maar buiten het asielrecht heeft dat ook te maken met de economische slachtoffers van een reeks regimes. Met dit soort van argument is voorzichtigheid geboden.
En dan nog te bedenken dat de economische immigratie uit dictatoriale landen hem in tegenstelling lijkt met de humanistische opvatting omtrent immigratie.
Een ander lid stelt dat de reden waarom het migratievraagstuk is ontstaan, bestaat uit de druk van buitenaf op immigratie naar onze gebieden. Hierdoor is de migratiestop ontstaan, omdat we onze grenzen wilden sluiten. Nu begint men opnieuw na lange tijd te discussiëren over het openen van de grenzen.
De reden waarom hij de migratiestop zou willen opheffen, bestaat erin dat hij de druk van buitenaf op België deels zou willen laten wegvallen, hoewel hij vreest dat de discussie de jongste maanden alsmaar meer evolueert naar het opheffen van de migratiestop, ingevolge de noden van onze Belgische economie. Hij is evenwel fundamenteel tegen de opheffing van die stop om tegemoet te komen aan de noden van de Belgische economie. Men moet eerlijk blijven en de markt laten spelen.
De jongste jaren heeft men druk uitgeoefend om de minimumlonen laag te houden. Niemand wil echter nog werken tegen die prijs. Daarom zijn er arbeidsplaatsen niet ingevuld, waarop men bereid is de grenzen te openen, omdat buitenlanders wel zullen willen werken voor een dergelijk loon. Daarmee is hij het niet eens.
Een andere reden is dat niemand nog wil werken in omstandigheden die om gezondheids- of milieuaspecten onverantwoord zijn, zoals ook het geval was in de tijd van de steenkoolmijnen. Die redenen gelden nochtans zowel voor de Belgen als voor de buitenlanders ! Om die reden de migratiestop opheffen, keurt hij niet goed. Men kan beter de werkomstandigheden verbeteren, zodat ook de Belgische arbeiders bereid zijn er te werken.
Hij herhaalt dat hij ertegen is de migratiestop op te heffen om te beantwoorden aan noden, eigen aan onze Belgische economie. Dan moet men maar de interne markt laten spelen, betere lonen betalen, zorgen voor betere werkomstandigheden en de milieuproblemen van de job oplossen.
Zo belandt hij bij zijn vragen aan de werkgevers- en werknemersorganisaties.
Zijn er met betrekking tot het migratievraagstuk concrete criteria, niet gericht op onze economie maar wel op de landen vanwaar de migratiedruk op Europa het grootst is, op basis waarvan zij bereid zijn hun verantwoordelijkheid op te nemen en mensen aan te trekken ?
Dit debat is heel moeilijk. We zijn er ook nog niet uit. Over deze materie moeten we inderdaad grondig discussiëren, want hoewel we de problemen, zoals de emigratie uit Afrika, nooit helemaal zullen kunnen oplossen, is dit niettemin de vraag die rijst.
Zijn bezorgdheid betreft niet zozeer de vraag hoe we iemand van Oost-Europa tegen een goedkope prijs in Europa met de vrachtwagen kunnen laten rijden of in de textielsector kunnen tewerkstellen. Hem gaat het erom te weten hoe we, met de economische mogelijkheden waarover we beschikken, een oplossing proberen te vinden voor bijvoorbeeld de mensen die in Afrika met zware economische problemen kampen.
Hij is altijd al voorstander geweest van de opheffing van de migratiestop, ook toen onze economie in een crisis zat, omdat we ons ten opzichte van de rest van de wereld nog steeds in een buitengewoon positieve situatie bevinden en om een antwoord te bieden aan de migratiedruk van derden, en dus niet om een oplossing te vinden voor de problemen waarmee onze economie kampt.
Denken de werkgevers- en de werknemersorganisaties ook in die termen, dus een migratiestop ingevolge de noden van anderen en niet om te voldoen aan onze behoeften ? Bestaan er criteria terzake ? Dit heeft dus niets te maken met asiel en dergelijke, maar wel met de vraag of het rijke Westen op dat vlak een opening kan bieden. Als de migratiestop alleen wordt opgeheven om onze tijdelijke conjuncturele problemen op te lossen, hoeft het voor hem niet.
Een lid zou eerst en vooral willen weten of de toetredingsonderhandelingen worden besproken in de onderhandelingen die de economische wereld voert met zijn correspondenten uit de LMOE-landen van de EU, aangezien ze raken aan een deel van wat we thans de clandestiene immigratie noemen.
Bestaat er anderzijds met betrekking tot de Maghreblanden een discriminatie bij de aanwerving die niet op dezelfde wijze zou ervaren worden voor de werknemers uit Oost-Europa ? Valt die dan waar te nemen, bijvoorbeeld voor Agoria ? Valt dat te voelen in de bedrijven ?
Tot slot stelt hij belang in het standpunt van Oostenrijk, een land dat een systeem heeft gezocht dat een jaarlijkse immigratie van ongeschoolde mensen zou mogelijk maken samen met een immigratie van geschoolde mensen. Zouden we doelstellingen van de twee kanten niet kunnen bereiken door toe te geven dat er een probleem bestaat voor bepaalde categorieën diploma's maar dat er een immigratie nodig is die niet van die aard is, dat wil zeggen een toegang tot het grondgebied die geen verband houdt met de arbeidsmarkt. Zouden we geen twee soorten opening kunnen uitdenken ?
In een interview met de RTBF had de heer Degucht het over een cijfer van 25 000 mensen over een periode van een jaar. Dat is misschien zelfs veel, want in Oostenrijk komt dit cijfer overeen met ongeveer 10 000 mensen. Welk is het cijfer waaraan de werkgevers denken voor een jaar ?
Wat de eerste vraag over de criteria betreft, is het de vraag of het godsdienstcriterium aanvaardbaar lijkt of niet ? En waarom deze vraag vermijden, aangezien de sociale gesprekspartners eerder algemene standpunten schijnen te hebben ?
Mevrouw Sandra Rosvelds verklaart dat ze zich niet geroepen voelt alle vragen te beantwoorden.
Eén van de vragen luidt of een andere politiek denkbaar is in de twee gewesten. Natuurlijk kan zij niet in een glazen bol kijken, maar ze denkt dat de problematiek zich anders en scherper stelt in het Vlaamse Gewest, waar volgens haar de druk van de werkgevers groter is dan in het Waalse Gewest.
Een lid stelt dat de vraag was of ze er voorstander van zijn.
De heer Van Thillo wil een poging doen, zich daarbij heel voorzichtig uitsprekend. Het debat heeft uitgewezen dat criteria van de vakbonden veel belangrijker zijn dan de arbeidsmarkt om over de migratiequota te beslissen.
De Senaat is het forum waarop de normen worden vastgelegd. Door de Belgische economie even terzijde te schuiven, voorkomt men dat korte termijnfactoren, zoals de arbeidsmarkt, economie en conjunctuur, het debat vergiftigen, wat hij enkel exemplarisch heeft willen aantonen.
Dit zal zijn antwoord zijn, zonder in een communautaire discussie te willen geraken. Uiteraard zijn er desiderata die van gewest tot gewest verschillen.
Mevrouw Sandra Rosvelds vindt dat een goed antwoord.
Ze zal zich ook niet wagen aan het in vraag stellen van de bevoegdsheidsverdeling tussen het federale niveau en de gewesten of het voorstellen van alternatieven. Dat is trouwens niet haar opdracht.
Wat de intergewestelijke mobiliteit betreft en de vraag of ze bereid zijn die te stimuleren, verwijst ze naar het artikel in Het Belang van Limburg van ongeveer een maand geleden waarin ze daarvoor een pleidooi heeft gehouden.
Vorig jaar deed gouverneur De Witte een oproep met betrekking tot de mobiliteit tussen twee gewesten, vooral van Brussel naar Vlaams-Brabant. De oproep van minister Sauwens ging trouwens in dezelfde zin.
Daarop werd de mobiliteit onderzocht. Nu is ze van ongeveer dezelfde orde van grootte. Als ze zich niet vergist, stelde de heer Bourgeois hierover een parlementaire vraag, en was er een pendel van 32 000 Vlamingen naar Wallonië en omgekeerd 23 000.
De vraag is of we verder willen gaan. Zonder het debat te willen aangaan over het al dan niet verplichten en het pousseren om elders werk te gaan zoeken, meent ze dat de discussie vooral moet gaan over het weghalen van de drempels. Zoals ze daarnet al zei, is het voor haar onaanvaardbaar dat alle werkzoekenden die in de grensstreek wonen ze spreekt echt niet alleen over Brussel, want ook bijvoorbeeld in Kortrijk is dit relevant of werkzoekenden in Charleroi of Mons niet eens weten welke vacatures er 20 tot 40 km verderop in het Kortrijkse zijn. Dan spreekt ze niet eens over de culturele drempels om in een ander gewest en taalgebied te gaan werken, maar ze krijgen het aanbod van de vacatures niet eens. Er bestaan dus structurele beschotten op de arbeidsmarkt.
Het tweede element, dat voor Brussel misschien nog relevanter is, is het taalprobleem.
Een ander lid zegt dat in Brussel eerder gezegd wordt dat de VDAB bij de Brusselse werkgevers recruteert om de betrekkingen te nemen die ze aanbieden en ze dan alleen in het Vlaams Gewest door te geven. Dat vormt uiteraard een probleem, gelet op het aanzienlijk aantal werkzoekenden in het Brussels Gewest.
Mevrouw Sandra Rosvelds vindt dat dit debat enkel aantoont dat er concurrentie is in een klein land als België, dat dan nog verdeeld is in gewesten. Ondanks de bevoegdheidsverdeling is samenwerking mogelijk. Vandaag bestaan er reeds samenwerkingsakkoorden tussen de opleidingsverstrekkers. Als er politieke wil is, is samenwerking perfect realiseerbaar. Trouwens, men kan vandaag al via internet bij de drie instellingen terecht. Maar internet is enkel toegankelijk voor een bepaalde groep van de werkzoekenden en bovendien mag de bemiddelaar niet zoeken in internet of gaan kijken naar vacatures bij iemand anders.
De taal is een ander gevoelig element. Er zal een debat worden gevoerd over de vraag of de Franstaligen verplicht zullen worden Nederlands te spreken. De vraag wordt zo gesteld vermits de krapte op de arbeidsmarkt bij de Nederlandstaligen iets scherper is. Men moet die vraag zelfs niet meer stellen : ze beschouwt het bijna als vanzelfsprekend dat de opleidingen van de VDAB systematisch ook taalopleidingen omvatten, als deel van de opleiding, niet als optie. Dat heeft natuurlijk een kostenplaatje. In ieder geval moet er meer gesensibiliseerd worden voor taalopleidingen. In de huidige Brusselse arbeidsmarkt wordt volgens de BGDA voor bijna alle vacatures, voor laag- tot hooggekwalificeerd personeel, tweetaligheid gevraagd. Twee derden van de werkzoekenden zijn nochtans niet tweetalig. Dat is een ongerijmdheid die niet mag blijven duren.
Het politiek debat over de brugpensioenen ligt vandaag moeilijk.
Brugpensioenen zijn een aantrekkelijk systeem voor heel wat werknemers. We zijn geen vragende partij om dat systeem af te bouwen, ook al onderschrijven we de vraag naar een verhoging van de activiteitsgraad tot 70 %. Voor sommige mensen is brugpensioen de enige uitweg voor de race die vandaag bestaat. Van mensen van 60 jaar kan men in sommige functies moeilijk de steeds gevraagde flexibiliteit verwachten. Het werk van vandaag is niet meer te vergelijken met dat van tien of twintig jaar geleden. Een uitstapmogelijkheid moet dus behouden blijven.
Er is ook nog een tweede reden waarom een beroep wordt gedaan op het systeem van brugpensioen. Meer dan de helft van de werkzoekenden is onvrijwillig gestopt met werken. De bedrijven stoten mensen af omdat ze te duur zijn of niet voldoende flexibel. Brugpensioen is dan een aantrekkelijke uitweg voor de werknemers.
Men kan de activiteitsgraad ook verhogen door in plaats van stokken, stimulansen te gebruiken. Op federaal niveau is men begonnen met het invoeren van stimulansen om de « brugpensioenval » enigszins weg te werken. Langer werken moet aantrekkelijker worden. Het debat hierover is aan de gang. Het is niet goed iets af te schaffen vooraleer er voldoende positieve alternatieven zijn.
Een lid vroeg of er criteria zijn in andere landen. Het is een goede suggestie om het probleem niet enkel te benaderen op korte termijn. In haar uiteenzetting heeft ze gesteld dat humane redenen en demografische redenen ook meespelen. Dat zijn factoren die van binnenuit spelen. Het lid beweert dat het debat enkel moet worden gevoerd over factoren die de druk op de buitengrenzen verminderen. De twee facetten kunnen in overeenstemming worden gebracht.
Vandaag bestaat er reeds een vraag naar criteria binnen de Europese Unie. Ze kent op dit ogenblik geen criteria, op één na : de rekrutering in andere landen kan enkel voorzover er in dat land geen rekruteringsproblemen bestaan. Het rijke Westen mag niet opnieuw de verarming van het Zuiden of het Oosten in de hand werken door er het geringe aantal geschoolde werknemers van de arbeidsmarkt te halen. Dan wordt de kloof opnieuw groter. Nederland stelt als voorwaarde voor de rekrutering van verpleegkundigen uit de Filippijnen en uit Zuid-Afrika dat er daar geen rekruteringsproblemen zijn.
Het aantrekken van migranten, waarbij hun vorming en werkervaring wordt geboden, geïnspireerd op het voorbeeld van de Indiërs, die na een aantal jaren vrijwillig naar hun land terugkeren, is ook een vorm van ontwikkelingshulp. Ze heeft ooit de kritiek gehoord dat ons land niet de vorming van de hele wereld moet betalen. Als vorm van ontwikkelingshulp heeft ze er niets op tegen.
Een senator vestigt er de aandacht op dat de voorwaarde dat er geen rekruteringstekort mag bestaan in het land waaruit men wenst te rekruteren, niet is opgenomen in de Belgische wetgeving. Is de spreekster er voorstander van om de huidige wetgeving te verstrengen in die zin ?
Mevrouw Sandra Rosvelds zegt hier niet het standpunt te vertolken van de VDAB. Ze heeft daar geen mandaat toe. Ze geeft enkel reflecties, waarvan ze wel weet dat ze gedragen worden.
Er is nog geen officieel standpunt. Het debat erover is begonnen. Het wordt een moeilijk debat, waarvan het eindresultaat nog niet vaststaat. Als het debat met de achterban en de buitenwereld wordt gevoerd, wekt het emotionele reacties op.
De heer Dominique Michel is blij over de uitspraken die mevrouw Rosvelds aan het einde van haar uiteenzetting heeft gedaan. Bij het begin van haar uiteenzetting kreeg hij de indruk dat de hele verantwoordelijkheid over wat er verkeerd loopt op het vlak van immigratie, bij de werkgevers berust. Ook de vakbonden kunnen een rol spelen. Het patronaat zijn niet degenen die alles kunnen sturen.
Als antwoord op een andere vraag zegt hij dat Agoria inderdaad een kwantitatieve en kwalitatieve studie verricht over de werkaanbiedingen. Hij zal die studie doorgeven.
Voor Wallonië bestaat ze in ieder geval; onze collega's van Agoria Vlaanderen hebben er ook een verricht, en in Brussel is ze aan de gang onder leiding van de BGDA.
Op de vraag of de werkgeversorganisaties iets doen tegen discriminatie bij de aanwerving, antwoordt hij dat Agoria in januari 2001 een soort van oproep heeft gelanceerd om de bedrijven en de overheden te sensibiliseren voor een aantal zaken die daartegen moeten worden gedaan. In juni heeft Agoria heel concrete acties op touw gezet ter wille van een doelpubliek dat louter bestaat uit mensen van geïmmigreerde oorsprong. Hij was trouwens voornemens een evaluatie van deze acties te verrichten en ze aan de pers voor te leggen in januari 2001. We zijn dus aan het werk gegaan samen met de overheidspartners, waarmee we trouwens heel goed werk hebben verricht. De resultaten, die eerder interessant zijn, zal hij later voorstellen.
Verscheidenheid vormt een pluspunt, daarop wil hij nog terugkomen. Wij zeggen dat omdat het waar is en omdat dat in de komende jaren nog veel meer het geval zal zijn. De maatschappij waarin de bedrijven werken, is een multiculturele maatschappij. Een bedrijf dat niet in staat is de verscheidenheid waarin we leven binnen zijn rangen te weerspiegelen, zal in de komende jaren aan kracht verliezen, zelfs op puur economisch vlak. Bedrijven moeten zich aanpassen aan hun klanten, aan hun publiek. De diversiteit is een essentieel gegeven dat we in de hand moeten werken.
Een senator heeft gezegd dat de werkgevers blijkbaar pleiten voor een immigratiestop. Niets is minder waar : wij pleiten uiteraard niet voor een immigratiestop, maar integendeel voor een opening van de poorten van het land, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.
De senator waarvan sprake komt tussenbeide en preciseert dat zijn vraag ging over de transportsector en over de beruchte « deal » die erin bestaat dat als de werkgever één persoon uit het buitenland in België tewerkstelt, hij dan bereid is om een laaggeschoolde werkloze uit ons land te vormen en hem tewerk te stellen als de immigrant is teruggekeerd naar zijn land. Dit idee komt uit Nederland, van een bevriende partij, D66, en lijkt hem een mooi compromis.
De heer Dominique Michel repliceert door te stellen dat opleiding geven iets is dat Agoria al lang doet. Er zijn fondsen die, zoals de wet bepaalt, door de werkgevers worden gespijsd. Deze middelen worden gebruikt, in samenwerking met de vakbonden. Er worden enorm veel opleidingen ingericht, niet enkel voor topmensen maar ook voor werklozen, waaronder de risicogroepen. Hij durft te zeggen dat Agoria, samen met de vakbonden, de grootste organisator is van technische opleidingen in België. Uit cijfers blijkt dat vorig jaar 80 % van de werknemers van de ondernemingen uit haar sector ten minste één dag opleiding hebben gevolgd. De ondernemingen doen meer dan wat de wet verplicht op het vlak van opleiding. Er kan uiteraard altijd nog meer worden gedaan. Voor sommige opleidingen zijn er echter onvoldoende kandidaten. Daarom hebben zij in juni een actie gelanceerd om publiciteit te maken voor opleidingen.
Een lid wil de heer Michel twee vragen stellen.
Betreffende zijn laatste bedenking, namelijk dat er geen kandidaten zijn voor bepaalde opleidingen, vraagt hij zich af of hij dat heeft laten weten aan de plaatsingsinstanties, meer bepaald aan de BGDA ? Hij zou graag weten welke weg moet gevolgd worden om tegemoet te komen aan het gebrek aan kandidaten.
Anderzijds, zegt de heer Michel dat hij voorstander is van selectieve immigratie maar laat ons even veronderstellen dat we in een maatschappij leven waarin iedereen geschoold is. We hebben mensen nodig om taken te vervullen waarvoor geen kwalificatie vereist is. Wie gaat die taken uitvoeren als u de immigratie beperkt tot geschoolde of zelfs hooggeschoolde mensen ?
De heer Dominique Michel zegt dat de tweede vraag hem een beetje ontsnapt. Het is duidelijk dat er ongeschoolde betrekkingen bestaan. Momenteel is het soms al moeilijk mensen te vinden om ze in te vullen. In het geval van Brussel, een stad met 17 % werklozen, vormt dit een probleem dat spijtig genoeg onopgelost blijft.
Betreffende de eerste vraag over de contacten met de BGDA op het vlak van de vorming, is het duidelijk dat Agoria veel contacten heeft met de officiële plaatsingsinstanties, die dus op de hoogte zijn van al de aanvragen die we binnenkrijgen. Hij komt pas te zeggen dat Agoria de studie heeft georganiseerd over de betrekkingen die volgens de BGDA kritiek zijn. Ze hebben hun dus de kritieke betrekkingen doorgegeven waarvoor er een aantal personen ontbreekt en de BGDA staat in contact met het Brusselse opleidingsorgaan « Bruxelles Formation ».
Er zijn dus contacten geweest maar het is zijn taak niet om zich uit te spreken over de manier waarop de openbare diensten op een aantal vlakken werken.
Een lid heeft hem ondervraagd over de eventuele risico's op delokalisatie als er geen buitenlandse arbeidskrachten aanwezig zouden zijn.
Er zijn al bedrijven die zich verplaatsen. Dat is een feit, maar hij houdt niet van de term delokalisatie, hij wil het liever hebben over investeringen in het buitenland. Deze vraag komt redelijk vaak terug. Aan de ene kant krijgen we kritiek omdat we in het buitenland gaan investeren en aan de andere kant krijgen we te horen dat we aandacht moeten schenken aan de ontwikkelingslanden. Dit is een gegeven dat op middellange termijn positief kan zijn voor de landen waarin deze firma's zich gaan vestigen.
Ten antwoord op de vraag is het duidelijk dat er momenteel al investeringen zijn die in het buitenland worden verricht.
Een lid wacht tot het ABVV straks zal antwoorden, want zij zijn het duidelijkst betreffende de immigratiestop.
Wat de opening tot andere dan hooggeschoolde krachten betreft, is de vraag of we naast dit contingent, op grond van andere niet strikt economische motieven, onze deuren niet zouden kunnen openen omdat het onze belangen op lange termijn en onze plichten als Natie zijn die op het spel staan ? Ons land is niet helemaal ondoordringbaar en gesloten voor migratiestromen.
De heer Dominique Michel wil hierover een persoonlijk standpunt naar voren brengen, want deze beslissing is een louter politieke aangelegenheid. Eerst en vooral is er immigratie die politiek en humanitair kan genoemd worden. Dat is de beslissing van een land wiens vertegenwoordigers beslissen de grenzen te openen om politieke en humanitaire redenen. Als industriebond moeten ze zich niet uitspreken terzake.
Als de regering morgen beslist om op grond van een heleboel geldige redenen de grenzen te openen voor mensen uit andere landen, dan zullen we heel blij zijn ze welkom te heten.
Met de economische immigratie daarentegen is voorzichtigheid geboden. Zijn we het er vandaag mee eens de grenzen van het land te openen voor een louter economische immigratie, op grond van het feit dat mensen uit andere landen leven in slechtere economische omstandigheden dan de onze ? Ons standpunt is te zeggen : een economische immigratie op grond van de werkmogelijkheden in ons land.
Hij weet niet wat de vakbonden daarvan denken. Persoonlijk stelt hij vast dat er veel werkloosheid heerst in ons land. Zelfs in Vlaanderen, dat zich in een betere positie bevindt, bestaat er nog werkloosheid in sommige lagen. Het is belangrijk deze lagen werklozen aan te pakken.
Op het vlak van de politieke en humanitaire emigratie komt de beslissing toe aan de regering en we zullen die beslissing natuurlijk volgen.
Op het vlak van de economische emigratie moet er een band worden gecreëerd zoals in het verleden. Het migratiebeleid van de jaren vijftig en zestig beantwoordde immers aan een aantal behoeften.
Een lid merkt op dat het waar is dat dit soort zaken nooit vooraf wordt gepland. Sedert 25 jaar wordt slechts de achterstand beheerd en dat zal zo doorgaan. Er zijn twee mogelijkheden : ofwel houden we rekening met de hele economie die zich in ons land heeft ontwikkeld in de ruime zin, met inbegrip van de semi-illegale of de illegale economie, en bekijken we wat we inzake deze problematiek gaan doen, ofwel blijven we de ogen sluiten voor dit probleem. Over vijf of tien jaar gaan we dan een immigratie beheren die in ons land zal blijven binnenkomen omdat onze grenzen niet ondoorlatend zijn, of we dat nu willen of niet. Dan blijven we eenvoudigweg de achterstand beheren omdat we niet wilden horen van een pro-actief beleid.
De heer Dominique Michel antwoordt bevestigend op de vraag of de toetredingsonderhandelingen een weerslag hebben op dit debat. Sommige landen die heel interessant zijn voor ons en over een bepaald aantal kandidaten beschikken, zullen over enige jaren lid zijn van de Europese Unie. Hij denkt daarbij aan Tsjechië, Polen, enz.. De inwoners van die landen zullen deel uitmaken van de interne markt en zullen net als iedereen in de verschillende landen kunnen reizen. Ten opzichte van die landen kunnen we een andere aanpak koesteren.
Hoe lang zal het nog duren voor Tsjechië lid zal zijn van de Europese Unie. Vijf jaar, zes jaar of meer ? Voor de toekomst kan de vraag anders worden gesteld, maar momenteel moeten India en Tsjechië op één lijn worden geplaatst, op het vlak van de toetredingsonderhandelingen alleszins. De culturele problemen vormen een andere kwestie. Is het op dat vlak zo dat er bij de aanwerving eerder wordt gediscrimineerd tegen Maghrebijnen dan tegen onderdanen van de Oost-Europese landen ? Voor een antwoord op die vraag zouden we de befaamde studie van het IAB opnieuw ter hand moeten nemen. Op sommige vlakken is deze studie aanvechtbaar, maar ze bezit toch een paar goede eigenschappen.
In de bedrijven hebben we in de maand januari een actie gevoerd inzake discriminatie bij de aanwerving en ten gunste van verscheidenheid. Het is duidelijk dat sommige landen soms moeilijker liggen dan anderen, dat moet men onder ogen zien. Acties om de werkgevers én de werknemers hiervan bewust te maken, zijn heel belangrijk. Men mag niet vergeten dat er in sommige heel grote Brusselse bedrijven druk wordt uigeoefend door de werknemers om de aanwerving van mensen van buitenlandse oorsprong te vermijden. Er zijn Italianen die niet willen horen van Turken.
De heer Dominique Michel antwoordt bevestigend. Agoria heeft een vormingscyclus georganiseerd over het beheer van verscheidenheid, bestemd voor de kaderleden en de personeelsdiensten van onze bedrijven. Onlangs hebben we ze opnieuw bewust gemaakt van het bestaan van deze cyclus.
De heer De Gucht heeft het over 25 000 mensen. Hebben we zelf nagedacht over een cijfer ? Neen, want als we het hebben over geschoolde of hooggeschoolde mensen, dan vreest hij dat hun aantal niet groot genoeg is om de toestand waarin we ons bevinden recht te trekken. Hij zal dus geen cijfers aanhalen want hij vreest ten stelligste dat de quota van de personen die we nodig hebben niet kan worden bereikt voor informatici (de ervaring van Duitsland toont dit aan).
De heer Dominique Michel antwoordt dat het onaanvaardbaar is om religieuze criteria te laten meespelen bij een aanwerving. Indien dit zou gebeurd zijn, moet ervoor worden gezorgd dat het zich herhaalt. Hij heeft echter nog niet gehoord van een werkgever dat zoiets gebeurt.
De heer Van Daele wil nog zeggen dat Agoria inderdaad de meeste opleidingen ontwikkelt met de vakbondsorganisaties. Dat moest gezegd worden. Deze sector staat veel verder dan de andere, maar hij denkt dat de vertegenwoordigers van de andere sectoren rond de tafel zich ook nog zullen laten horen.
Inzake discriminatie bij de aanwerving werkt men in de vakbondsorganisaties samen met het Centrum voor gelijkheid van kansen en er werden ook enquêtes verricht op dit vlak.
In sommige bedrijven werd de opstelling van « bedrijfscharters » bekomen, dat wil zeggen een soort van gedragscode. Deze bedrijven hebben zich er toe verbonden deze na te komen.
In de NAR werkt men aan de aanpassingen van collectieve arbeidsovereenkomst 38 over discriminatie bij de aanwerving. We zouden willen komen tot een akkoord zoals dat inzake « ongewenste intimiteiten ». We zouden willen dat ieder bedrijf verplicht wordt om in het arbeidsreglement een clausule op te nemen met betrekking tot deze discriminatiethematiek. Dat vormt evenwel een probleem voor de KMO's, waarin geen vakbondsvertegenwoordiging of machtsverhouding bestaat.
Hij looft de inspanning die werd geleverd in het Vlaams Gewest ter promotie van « veelkleurige » bedrijven. Anderzijds zijn er bij Volkswagen in Vorst wel meer dan dertig verschillende nationaliteiten.
Het ABVV wil de mobiliteit tussen Vlaanderen en Wallonië in de hand werken. Zijn collega heeft het daarstraks gehad over het Eures-fenomeen. Hij houdt zich daarmee bezig in samenwerking met het ABVV. Thans is het makkelijker voor iemand uit Kortrijk, Doornik of Rijsel om informatie te krijgen over de jobs in Kent dan voor iemand uit Doornik om de werkaanbiedingen in Kortrijk te kennen en omgekeerd. In het raam van het Eures-project werkt Europa met de staten en niet met de gewesten. Hij zegt niet dat er een Eures moet worden opgericht voor de taalgrens in België, maar hij vindt dat de informatie beter moet worden doorgegeven.
Wat de taal betreft, is hij voorstander van het aanleren van de taal die gangbaar is in de plaats waar het werk wordt verricht. Hij pleit dus voor een zo groot mogelijke integratie want het is belangrijk zich aan te passen.
Precies op dit ogenblik wordt getracht een interprofessioneel akkoord te bereiken over het probleem van de brugpensioenen. Hij hoopt dat het deze week tot stand zal komen. Het is duidelijk dat de wedertewerkstelling van oudere werknemers niet kan worden vermengd met het probleem van de brugpensioenen. Het brugpensioen vormt immers een soort van sociaal contract dat moet worden nageleefd door de twee partijen en dat werd afgesloten met de werknemers en de vakbondsorganisaties toen de bedrijven moeilijke ogenblikken kenden. Als dit sociaal contract opnieuw in vraag wordt gesteld door middel van een verplichting om het werk te hervatten of door de problematiek van de oudere werknemers, dan gelooft hij dat de Belgische sociale consensus zal ten onder gaan en dat de reacties heel verdeeld zullen zijn.
Men kan aan de oudere werknemers voorstellen het werk vrijwillig te hervatten, zonder dat het werkgeverssupplement in het gedrang komt. Hij herinnert aan het feit dat er een basisbedrag van de « werkloosheid » en een werkgeverssupplement bestaat.
Sommige werkgeversfederaties zouden willen dat de oudere werknemer opnieuw aan het werk wordt gezet zodat de werkgeversbijdrage niet langer hoeft betaald te worden en de bestaande werkloosheidsvergoedingen worden geactiveerd. Wij zien de zaken niet op die manier. We zeggen dat het akkoord met de mensen die op 50, 52, 55 of 58 jaar met brugpensioen gingen, moet worden nageleefd. Dat belet niet dat iemand op vrijwillige basis het werk kan hervatten, met behoud van het eerder afgesloten contract. Dat vormt het voorwerp van de besprekingen die thans aan de gang zijn en die ongetwijfeld zullen leiden tot een akkoord.
Op het vlak van de betrekkingen met Oost-Europa is het ABVV uiteraard voorstander van de uitbreiding, omdat het gelooft in een open Europa waar vrede heerst, maar ook in een Europa van de werkgelegenheid en een sociaal Europa. Aan vakbondszijde worden grote inspanningen geleverd ter bevordering van dit alles. Zij geloven dat we meer kansen hebben op een coherent Europa door de ontwikkeling naar deze landen te brengen dan door werknemers naar hier te brengen. Natuurlijk kunnen ze naar hier komen om verder te studeren; onze universiteiten en hogescholen staan open voor hen, maar daarna moeten ze terug om de opgedane kennis in te voeren en te ontwikkelen in hun eigen land. Op vakbondsvlak organiseert men opleidingen ter plaatse inzake sociale zekerheid en sociale dialoog, die het mogelijk maken hun de middelen te geven die nodig zijn om te komen tot deze sociale consensus in de richting van vooruitgang. Aan de hand van ons Belgisch sociaal model, dat verschillende landen beschouwen als een heel dynamisch model, hebben we alleszins kunnen tonen dat dit een voorbeeld is dat navolging verdient. In sommige landen wordt niet meer gesproken van het Poldermodel, maar van het Belgisch model. Er komt misschien verandering in de modes. In Nederland wordt thans een loonverhoging met 6 % geëist, terwijl wij nog bezig zijn de norm uit te werken. We moeten de uitbreiding naar Oost-Europa dus voortzetten.
De humanitaire en demografische immigratie heeft altijd bestaan. De gezinsherenigingen gaan door zelfs al is er een « immigratiestop ». Op humanitair vlak werd nooit gezegd dat dit moest geweigerd worden. Er moet wel degelijk een onderscheid worden gemaakt tussen het asielrecht en de economische immigratie. Het asielrecht beantwoordt werkelijk precies aan het concept van de mensenrechten en aan het Verdrag van Genève. De humanitaire en demografische immigratie vormt eerder een politieke keuze. Men zou ook een gezinsbeleid kunnen uitdenken dat de Belgen aanmoedigt om kinderen te krijgen, bijvoorbeeld door het kindergeld te verdubbelen, door kinderdagverblijven op te richten, door middelen toe te kennen aan het FCUD.
De normen voor de toekenning van arbeidsvergunningen zijn altijd federale normen, maar de toepassing, de afgifte, enz. zijn regionale aangelegenheden. Hij benadrukt dit punt. Als vakbondsorganisaties zetelen we met de gewesten in de Adviesraad voor buitenlandse arbeidskrachten, waarvan mevrouw Burgeon de ondervoorzitter is. Volgens de wet worden al 19 verschillende categorieën werknemers vrijgesteld van de verplichting tot onderzoek van de arbeidsmarkt, onder andere hooggeschoolden, voetballers, au pairs, studenten, enz.
Hij meent dat de middelen om werknemers te laten komen momenteel al bestaan. Tijdens het laatste interprofessioneel akkoord werd het concept van de terbeschikkingstelling op de agenda geplaatst, op verzoek van de werkgeversfederaties. Zo komt een ingenieur van IBM voor drie maanden uit de Verenigde Staten naar een Belgische firma om software te installeren of om nieuwe processen op punt te stellen. Dat gebeurt dagelijks.
Dat heet globalisering.
Een lid merkt op dat een maatschappij met twee snelheden moet vermeden worden. Als vakbondsorganisatie moeten de vakbonden aandacht besteden aan dit aspect. In een mondiale maatschappij waarin alles zich verplaatst, is het logisch en normaal dat de bevolkingen zich ook kunnen verplaatsen. Dat is duidelijk het geval voor kaderleden, hooggeschoolde mensen, enz. Voor de anderen wordt een totaal gesloten beleid gevoerd, dat hen niet in staat stelt gebruik te maken van deze schaalvergroting. Op die manier komen verschillen tot stand die heel opvallend zullen worden op sociaal vlak. Een bepaalde sociale klasse gaat kinderen opvoeden die verscheidene talen spreken, een hoog opleidingsniveau en toegang tot internet hebben. Zowel in New York als in New Delhi, Rome of Brussel zullen ze later kunnen gaan werken. De anderen zullen in hun land moeten blijven, met grenzen die alsmaar minder open zijn.
De politieke opvatting omtrent vrij verkeer van personen krijgt af te rekenen met een moeilijkheid. Ze kan begrip opbrengen voor het antwoord van de vakbondsorganisaties dat ze een hoge graad van sociale bescherming willen in stand houden. Dat is een essentieel doel, maar het lijkt haar wel in tegenspraak met de maatschappelijke ontwikkeling. De vakbonden zouden op die manier discriminaties kunnen creëren.
De heer Van Daele gelooft fundamenteel dat we erin zullen slagen de levensstandaard van de volkeren in andere continenten te verhogen en de onze te waarborgen als we hun opleidingscapaciteit en de kwaliteit van hun universiteiten verhogen en niet door het omgekeerde te doen. Daarvoor moeten we ze eerst naar hier laten komen en ze vervolgens weer in hun land vestigen met de hulp van ontwikkelingssamenwerking.
In het raam van de mondialisering is het duidelijk dat we via sociale clausules het recht op onderwijs willen beschouwen als een van de eerste belangrijke rechten voor al deze bevolkingen, zodat ze hun opleidingsniveau kunnen verhogen.
Tot slot wil hij nog zeggen dat in de wet van 1980 die tot dusver werd toegepast de Raad van advies voor vreemdelingen werd opgericht. Deze raad, die bestaat uit vertegenwoordigers uit de hele civiele maatschappij, zoals NGO's, vakbonden, enz., is al negen jaar niet meer bijeengekomen. Hij bestaat nog steeds en wordt voorgezeten door de heer Roger Lallemand. Volgens de wet mogen de kamervoorzitters de Raad van advies interpelleren om een advies te verstrekken over de wetsvoorstellen of de aangelegenheden die behandeld worden in de Kamers. Hij doet een oproep tot de Senaat of haar voorzitter om deze raad te interpelleren om opnieuw aan het werk te gaan. Zo zullen we beschikken over een plaats waar iedere opinie aan bod kan komen. We stellen het op prijs vandaag door de Senaat te worden gehoord, maar zoals alle andere NGO's vinden we dat die ontmoetingsplaats voor de praktijkmensen op dit vlak nodig is voor de voortzetting van ons denkwerk.
Een lid vindt dat het een oplossing voor de schaarste zou zijn de verplichting om houder te zijn van een werkvergunning af te schaffen, bijvoorbeeld voor mensen die legaal in het land verblijven of een verblijfsvergunning van een jaar bezitten, maar geen werkvergunning krijgen omdat ze een werkgever moeten vinden die hen aangeeft. Wat de beroepskaart betreft, is het zo dat ze slechts bekomen kan worden na tien jaar, terwijl de naturalisatie na drie jaar kan aangevraagd worden. De wetgeving moet ongetwijfeld worden aangepast. Dat is een politiek probleem en hij is van plan terzake een wetsvoorstel in te dienen.
De heer Van Daele denkt dat alles evolueert en dat dit ook het geval moet zijn voor de beroepskaart. De wetgeving moet aangepast worden. De naturalisatiewet bestaat nog niet zo lang en werkt redelijk goed, hoewel er vertragingen geweest zijn. Vergunning A is de algemene werkvergunning. Vergunning B geldt voor een enkele werkgever en voor een bepaalde periode. Deze werkvergunningen geven toegang tot alle rechten inzake de sociale zekerheid. De werkvergunning die het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid thans verstrekt aan mensen wiens regularisatie aan de gang is, geeft hen achteraf geen enkel recht. We moeten deze problematiek zeker ter sprake brengen.
Hetzelfde lid stelt vast dat de minister aan die mensen vraagt te werken. Ze moeten evenwel een werkgever vinden die hen aangeeft en dat is precies de moeilijkheid. Hij heeft bij de minister van Tewerkstelling gepleit voor de afschaffing van de werkvergunning voor mensen in een wettige of pseudo-wettige toestand, zoals de mensen die een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend.
Mevrouw Sandra Rosvelds vindt dat het debat over de arbeidskaarten misschien een andere keer moet worden gevoerd. We mogen er niet te lichtzinnig voor pleiten om de arbeidskaarten af te schaffen. Het uitoefenen van controle op de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten heeft een aantal voordelen. Als echter blijkt dat het huidige systeem niet goed werkt, of te langzaam is, kunnen er wel verbeteringen worden aangebracht. Als het bijna een jaar duurt vooraleer een arbeidsvergunning is afgeleverd, moet men dat veranderen.
Een lid stelt vast dat, in functie van zijn Malthusiaanse redenering de gevolgen van het systeem worden aangepakt in plaats van de oorzaak.
De heer Van Thillo vreest dat er een karikatuur zou ontstaan door de vraagstelling. Het beeld zou kunnen ontstaan dat vakbonden een corporatistische houding aannemen om dezelfde redenen dan de werkgevers, in de zin dat de vakbonden de prijs van de arbeid proberen te beïnvloeden. Dat is niet waar. Zij steunen de interprofessionele en de politieke wil om een eengemaakt Europa, en zelfs een uitgebreid Europa, te realiseren. Een aantal mechanismen voor de eenmaking van Europa haperen echter. Hij is reeds acht jaar aan het onderhandelen over een eengemaakte wetgeving over de maximale arbeidsduur in Europa. Er is niet enkel de loonconcurrentie, maar ook de concurrentie op het vlak van arbeidsduur. De uitbreiding van Europa moet er voor ons liefst zo snel mogelijk komen. Alle regelgevingen de rijtijdregelingen, de regeling in verband met de digitale tachograaf enz. moeten ingevoerd worden in al de Europese landen. De vijf kandidaat-leden zijn bereid naar deze eisen te luisteren. Hoe sneller de sociale harmonisering tot stand komt, hoe sneller we tot een eengemaakt Europa komen en hoe minder dreiging van deloyale concurrentie.
Als men economische elementen laat meespelen in standpunten rond migratie, moet men een aantal omkaderende maatregelen voorzien die voor iedereen gelijk zijn. Wij veroordelen niet het systeem van zwartwerkende immigranten omdat de werkers immigrant zijn, maar omdat het zwartwerk is, waarmee men een systeem van solidariteit doorbreekt. Hij heeft zijn angst uitgedrukt voor tijdelijke contingenten. De rechten van iemand die hier woont en werkt, belastingen en socialezekerheidsbijdragen betaalt, kunnen niet van de ene dag op de andere worden opgezegd om economische of conjuncturele redenen. Een lid heeft gesteld dat de laaggeschoolden nu eenmaal zoveel talrijker zijn dan de hooggeschoolden. Het is moeilijk om criteria te stellen zonder beschuldigd te worden van corporatisme of protectionisme.
Hij vindt het een slechte zaak om een ruil voor te stellen van een quota ten aanzien van opleiding, zowel van werknemers hier als uit het buitenland. Er zijn andere methoden om middelen vrij te maken voor opleiding. In het vorige interprofessioneel akkoord staat duidelijk dat opleiding en permanente vorming de enige instrumenten zijn om de kwetsbaarheid binnen de Belgische of Europese arbeidsmarkt te verminderen. Deze stelling moet niet gekoppeld worden aan het migratiedebat, want dan ondergraaft men deze stelling.
Een senator stelt dat de uitbreiding van Europa en de mogelijke toetreding van Oost-Europese landen stof vormen voor een belangrijk debat. De hamvraag in de discussie over de harmonisering op onder meer fiscaal en sociaal vlak, stelt zich des te meer als deze landen toetreden tot de Europese Unie. De economische en sociale situatie in die landen is jammer genoeg nog steeds fundamenteel verschillend van de onze. Zijn de vakbonden van mening dat men moet wachten met de uitbreiding, tot deze landen ongeveer hetzelfde sociaal-economische niveau bereiken als het onze of niet ? In dat laatste geval bestaat het probleem dat een sociale harmonisering op een bepaald niveau moet komen liggen. Als de vakbonden stellen dat de Europese normen voor bijvoorbeeld de transportsector minstens even hoog moeten zijn als de huidige Belgische normen, dan stelt men onrealistische eisen aan landen waar de lonen lager liggen maar ook de koopkracht verschillend is. Het is een moeilijk debat. Hij vraagt zich af welke prioriteiten de vakbonden stellen : eerst een sociale harmonisering en pas dan een uitbreiding of omgekeerd.
De heer Van Daele merkt op dat er in de onderhandelingen voor het interprofessioneel akkoord thans discussie wordt gevoerd over een origineel idee dat binnenkort in de pers zal verschijnen. Dit idee is een initiatief van zijn vakbondsorganisatie. Het heeft betrekking op de oprichting van een fonds voor de internationale samenwerking van de vakbonden, door middel van een sociale bijdrage van 0,10 % voor de sociale zekerheid. Op grond van gelijkaardige argumenteringen als die welke we hier hebben ontwikkeld, kan hij zeggen dat de werkgevers niet tegen dit idee gekant zijn. Hij hoopt dat dit nieuwe idee, dat in het toekomstige interprofessionele akkoord zal staan, door iedereen zal aanvaard worden. Naast de inspanning die de overheid levert in het raam van de ontwikkelingssamenwerking en die nog moet verhoogd worden, moeten we komen tot 1 % van het BBP, terwijl we momenteel slechts 0,4 of 0,5 % bereiken. Binnen de internationale vakbondssamenwerking zullen de sociale partners de voorrang geven aan de uitbreiding tot de landen van Oost-Europa, maar ook aan de Afrikaanse landen, op grond van verschillende historische en andere redenen.
De heer Van Thillo vindt dat het een arbitraire keuze blijft in welke mate men moet harmoniseren in het al dan niet uitgebreide Europa. Als in de transportsector de maximale arbeidsduur de rijtijd dus nog niet kan worden geharmoniseerd voor de huidige en toekomstige leden van de Europese Unie, dan is er niets mogelijk en krijgt de deloyale concurrentie vrij spel. Hij stelt als minimumvereiste dat de arbeidstijd en de rusttijd kan worden gecontroleerd, zowel voor de huidige lidstaten als voor de toetredende landen. Dat is geen sociaal-economische kwestie.
Neem het voorbeeld van de Euro-3-motoren. De ecologische normering moet eerst worden geharmoniseerd en als toetredingsvoorwaarde worden opgelegd aan de kandidaat-lidstaten, zonder overbruggingstijd. Anders voert men deloyale concurrentie ten koste van het sociale en het ecologische. Euro-3 is technologie waarvan iedereen weet dat men ze binnen de drie jaar zal moeten invoeren. Waarom die eis nu niet stellen ? Het zou oneerlijk zijn om landen voor te spiegelen dat ze nog meer tijd krijgen om deze technologie in te voeren. Hij pleit dus voor een uniformisering vóór de toetreding, ter bescherming van onze welvaart en ons welzijn.
2.1. Hoorzitting met mevrouw Sonja Kohnenmergen, afgevaardigde van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO)
Mevrouw Kohnenmergen zou vooraf twee opmerkingen willen maken : het VBO is onlangs gestart met zijn beraad over dit onderwerp en heeft vandaag nog geen mandaat dat door zijn interne instanties volledig is geformaliseerd en goedgekeurd. Bovendien wilde het zich enkel uitspreken over de economische immigratie.
Het VBO vindt namelijk dat het asielbeleid de verantwoordelijkheid is van de overheid.
Het VBO denkt dat men zich eerst over de huidige wet moet buigen en nagaan wat nu reeds haar mogelijkheden zijn, vooraleer men weet of het gepast is de immigratiestop op te heffen, zoals dit op Europees niveau is voorgesteld, of een nieuw immigratiebeleid in te voeren om te beantwoorden aan de nieuwe, specifieke kwalificatienoden die op de arbeidsmarkt opduiken. Want in vergelijking met wat Europa zegt, bestaat er geen echte nulimmigratie. En zelfs na de beslissing in 1974 om de immigratie te stoppen, dan nog laat de wet over het verblijf van buitenlandse werknemers in België al heel wat afwijkingen toe. Zo bestaan er naast de gezinshereniging tal van manieren om een beroep te doen op werknemers uit derdewereldlanden. Dat is het geval van hooggeschoold personeel of kaderpersoneel en zelfs voor andere categorieën, op voorwaarde dat de arbeidsmarkt is onderzocht. De aanpassingen, de versoepelingen dient men eerder te zoeken in de toepassing van de huidige wet die regionaal is geworden, dan in een fundamentele wijziging van de wet zelf.
Uiteraard bestaan er bepaalde beperkingen, onder meer de beperking dat een verblijfsvergunning en een werkvergunning enkel kunnen toegekend worden op voorwaarde dat de werkgever bekend heeft gemaakt dat hij personeel aanwerft. Volgens het VBO zou, a priori en onder voorbehoud van wat eerder is gezegd, dit systeem moeten blijven. Anderzijds zou het VBO evenmin vragen dat het principe en de filosofie van het tijdelijk verblijf zouden worden opgeheven.
Men moet ook rekening houden met de andere elementen van de arbeidsmarkt en ook de Belgische arbeidsmarkt grondig onderzoeken. De reserve aan arbeidskrachten blijft groot, zowel van de kant van de werkzoekenden als van de oudere arbeiders, meer bepaald de bruggepensioneerden. Wij hebben in België een relatief lage werkgelegenheidsgraad in vergelijking met bepaalde Europese landen, en dat vooral in de categorie van de oudere werknemers. De werkgelegenheidsgraad bij vrouwen zou merkbaar verbeterd kunnen worden, en dit nog altijd ten opzichte van onze Europese partners. Deze vergelijking wordt meer en meer een realiteit in het kader van de actieplannen voor de tewerkstelling en het tewerkstellingsproces dat in het Verdrag van Amsterdam is ingevoerd. Ze denkt dat men ook een toekomstgericht beleid moet voeren omtrent de gevolgen van de uitbreiding van de Europese Unie. Het principe van het vrije verkeer van personen zou op het moment van deze uitbreiding volop nageleefd moeten worden. Uit deze landen zullen wij dus een aantal arbeiders zien arriveren die we in onze markten zullen moeten integreren.
En zoals ook de minister reeds heeft gezegd, stelt zij dat er reeds een aantal allochtone werknemers sinds een aantal jaren in België verblijft; jegens hen is dan ook een beleid van vrijwillige integratie wenselijk.
Parallel hiermee denk het VBO dat de samenwerking met de derdewereldlanden zeker moet doorgaan. Dat is het probleem van de vlucht van de « intellectuele grondstoffen ». Men kan deze landen niet systematisch de hooggeschoolden ontzeggen die ze nodig hebben om te zorgen voor hun eigen ontwikkeling. Tenslotte vestigt ze de aandacht op de recente mededeling van commissaris Vitorino die de lidstaten uitnodigt hierover na te denken, maar dan in een Europese optiek. Dat is een goede zaak, want in een grote markt mag men dit probleem niet op een geïsoleerde manier aanpakken.
In de context van de Belgische wet en de aanpassingen die het VBO wenst, zou het nuttig zijn een onderzoek te voorzien, vooral voor de lage opleidingen, omdat uitgerekend daar geen automatisme bestaat. Deze zeer ernstige en systematische studie zou handelen over de kwalificaties waarvoor de vacatures lang open blijven staan. In dat geval zou een aanpassing van de wet nuttig zijn, en wel in die zin dat de regionale arbeidsbureaus lijsten zouden opstellen van knelpuntfuncties, met de bedoeling de procedure te versoepelen voor de toekenning van de vergunningen aan de werkgevers die ze nodig hebben. In plaats van de werkgever te verplichten om keer op keer het nijpende tekort aan een bepaalde kwalificatie aan te tonen, en de tijd te verliezen die daarvoor waarschijnlijk nodig is, zou men een contingent of een quotum kunnen bepalen men moet nog bekijken hoe dit in cijfers kan worden omgezet. Dit zou de mogelijkheid bieden om onmiddellijk een vergunning aan de werkgever toe te kennen. Het waarde van het contingent zou afhangen van de kritieke aard van de betreffende kwalificaties.
Het VBO denkt ook aan enkele andere aanpassingen die zouden kunnen gebeuren aan elementen die niet meer aangepast zijn aan de internationale arbeidsmarkt. Zo zijn er de stagiairs die mogen komen, op voorwaarde dat ze niet ouder zijn dan dertig jaar. In een arbeidsproces met een continue bijscholing of bij inspanningen om oudere arbeiders te integreren, zou deze leeftijdsgrens van dertig jaar misschien verhoogd moeten worden. Hetzelfde geldt voor arbeiders die de toelating hebben om te komen in het kader van montages die bij verkoopcontracten horen. Ook daar zou men de verblijfsduur van zes maanden kunnen versoepelen en verlengen om te kunnen inspelen op bepaalde transacties die duidelijk langer dan zes maanden duren.
Dit is onze eerste aanpak, onder voorbehoud van het vertalen van deze stellingen in formele teksten.
2.2. Hoorzitting met de heer Marc Andries, adviseur bij het Vlaams Economische Verbond (VEV)
De heer Andries zegt dat, evenmin als het VBO, het VEV een standpunt heeft ingenomen over de versoepeling van het immigratiebeleid om tegemoet te komen aan de noden van de arbeidsmarkt, met andere woorden, het toelaten van economische immigratie. De raad van bestuur van het VEV heeft de opdracht gegeven aan zijn studiedienst om deze kwestie te onderzoeken. Zij zijn nu volop bezig met een grondige studie en hopen om tegen begin volgend jaar een dossier en een voorstel van standpunt te kunnen voorleggen.
Hij verwacht niet dat dit standpunt erg zal afwijken van wat tot nog toe werd verdedigd door de vertegenwoordigers van andere werkgeversorganisaties, zoals het standpunt van sommige sectorale organisaties of het standpunt van het VBO.
Als primeur wil hij de resultaten voorstellen van een studie over de « Structurele knelpunten op de Vlaamse arbeidsmarkt ». Tussen de feiten en de gegevens uit deze studie en de selectieve arbeidsmigratie bestaat zijns inziens om twee redenen een sterk verband.
Ten eerste, is de vraag naar een aanpassing van het immigratiebeleid aan de nood aan rekrutering in het buitenland het grootst bij werkgevers en in industriële sectoren die al jarenlang te kampen hebben met deze problemen, zonder dat deze ooit zijn opgelost.
Ten tweede, kan, in de zoektocht naar een alternatief immigratiebeleid misschien eens gekeken worden naar wat gangbaar is in de Angelsaksische landen, zoals de VS en Canada, die de knelpuntberoepen als criterium voor hun toelatingsbeleid hanteren.
Hij raadt aan om het Canadese systeem te bestuderen waarin voor het migratiebeleid systematisch migratiequota per beroep worden uitgewerkt. De VS houden er een bredere benadering op na en kennen ook een « green card » toe aan hooggeschoolden.
Op de Vlaamse arbeidsmarkt laat zich vandaag meer en meer een krapte gevoelen. Dankzij de economische conjunctuur zijn er immers meer vacatures en minder werkzoekenden. Bij de 150 000 als werkzoekenden ingeschreven werklozen in Vlaanderen beantwoordt een aantal niet meer aan wat de IAO als een werkloze beschouwt, met name iemand die beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en actief op zoek is naar werk. Een aantal langdurig werklozen hebben immers afgehaakt.
De werkloosheid is in Vlaanderen wellicht gedaald tot het laagst mogelijke minimum. Dat blijkt overigens ook uit een aantal internationale cijfers. Er kunnen uiteraard nog steeds werklozen aan het werk worden gezet, maar uit de economische litteratuur blijkt toch dat er altijd een aantal mensen hun werk verliezen, even op zoek zijn naar een nieuwe baan en dan weer werk vinden. Het huidige aantal werklozen in Vlaanderen benadert wellicht zeer dicht dit onsamendrukbare aantal.
Een ander fenomeen is de geringe regionale mobiliteit van werklozen. Het is algemeen bekend dat zeer weinig werkzoekenden in Brussel en Wallonië waar de werkloosheid toch nog een stuk hoger ligt dan in Vlaanderen, solliciteren in Vlaanderen. Ook binnen Vlaanderen zelf, doet dit fenomeen zich voor. Zo zijn weinig werklozen uit het Gentse, waar de werkloosheid relatief hoger is, bereid om te gaan werken in de streek van Kortrijk.
Ten slotte is er het gekende fenomeen van de grote « mismatch », vanuit kwalitatief oogpunt, tussen de vraag en het aanbod op de Vlaamse en de Belgische arbeidsmarkt. De helft van de werklozen zijn vandaag laaggeschoold. Zij hebben hoogstens een diploma van het lager secundair onderwijs. De jobaangroei situeert zich echter vooral in het hooggeschoolde segment. Er is dus wel degelijk sprake van een « mismatch ».
Ten gevolge hiervan blijven er steeds meer vacatures oningevuld. Een momentopname toont aan dat in Vlaanderen dit jaar de grens van de 40 000 oningevulde vacatures overschreden is. Heel veel vacatures geraken nooit ingevuld en worden gewoonweg geannuleerd. De tijd die nodig is om een vacature in te vullen, wordt ook voortdurend langer. Momenteel rekent men daarvoor op gemiddeld zes weken.
Uit peilingen bij bedrijfsleiders, zoals deze van UNIZO, blijkt dat het vinden van werkwilligen vandaag hun grootste kopzorg is. Enkele jaren geleden was dat nog de teloorgang van de arbeidsmarkt of de ongebreidelde stijging van de kosten. Het gebrek aan arbeidskrachten leidt ertoe dat orders worden geannuleerd en opdrachten niet worden aangenomen. Dit is een rem op de bedrijfsgroei.
In een bedrijf dat vandaag zijn machinepark wenst uit te breiden, rijst niet als eerste vraag of de extra productie wel een afzet zal vinden, maar wel of er genoeg mensen bereid zullen worden gevonden om de vacatures op te vullen.
De intermediairen op de arbeidsmarkt, zowel de VDAB als de privé-uitzendbureaus, krijgen het niet alleen steeds moeilijker om de vacatures in te vullen, maar wat erger is, zij vinden ook steeds moeilijker kandidaten voor hun opleidingen, hoewel voor onvoldoende gekwalificeerde werkzoekenden de oplossing toch in vorming ligt.
Voor de opleidingen die nagenoeg zeker toegang bieden tot een job, worden vaak het moeilijkst kandidaten gevonden. Dat geldt voor technisch en beroepsonderwijs, maar ook voor de VDAB-beroepsopleiding.
Nu komt hij tot de studie over de knelpuntberoepen. Ondanks de gunstige evolutie die de Vlaamse arbeidsmarkt de voorbije jaren kende, is de toestand er allerminst zonder problemen. Vele sectoren in Vlaanderen krijgen steeds meer te maken met vacatures die moeilijk of zelfs niet ingevuld geraken. Ondanks het feit dat toch nog 75,4 % van de knelpuntvacatures die de VDAB in 1999 registreerde ingevuld konden worden, is het belangrijk dit probleem nauwlettend in de gaten te houden en te anticiperen op de duidelijke signalen die uit de cijfers naar voren komen. Want het blijkt dat Vlaamse ondernemingen het steeds moeilijker krijgen om knelpuntvacatures in te vullen.
Op basis van de VDAB-publicatie « Analyse vacatures 1999-Deel I » over knelpuntberoepen, kan een lijst opgesteld worden van de knelpuntberoepen op de Vlaamse arbeidsmarkt. We baseren ons dus op de gegevens van de VDAB omdat deze een meer globaal zicht geven op de situatie voor heel Vlaanderen. Dit zijn ook de cijfers waarop bijna elk onderzoek naar knelpuntberoepen gebaseerd is.
Belangrijkste conclusies in verband met de (structurele) knelpuntberoepen
Er waren 206 knelpuntberoepen in 1999, die samen 32 880 jobs vertegenwoordigden. Op een totaal van 97 206 jobs die de VDAB aanbood betekent dit dus 33,8 %.
Het aandeel van vacatures voor knelpuntberoepen in het totaal van de vacatures van de VDAB is op tien jaar tijd verdubbeld.
Het kost gemiddeld dubbel zoveel tijd om een knelpuntvacature in te vullen in vergelijking met tien jaar geleden (van 29 dagen naar 59 dagen).
Er zijn meer knelpuntvacatures voor hooggeschoolde functies.
In de nijverheidstakken « onroerende goederen, verhuur en diensten aan bedrijven », « bouw », « metallurgie en producten van metaal », « machines, apparaten en werktuigen », « elektrische en elektronische apparaten », « medische, precisie- en optische apparaten », « hotels en restaurants » en « financiële instellingen » zijn er relatief meer vacatures die knelpunten zijn dan in andere nijverheidstakken.
Van de knelpuntberoepen van 1999 heeft 31,55 % een structureel karakter. Uitgedrukt in jobs bezit maar liefst 43 % van alle vacatures voor knelpuntberoepen een structureel karakter.
De knelpuntberoepen die al negen jaren of langer knelpuntberoepen zijn vertegenwoordigen 19,38 % van alle knelpuntjobs. Bijna een vijfde van alle knelpuntjobs zijn dus al jaren een gekend en ernstig probleem.
Van de 206 knelpuntberoepen werden er slechts 32 in de periode van 1990-1995 vier keer of meer geregistreerd als knelpuntberoep. In de vijf jaren daarna zouden dit er echter 99 worden. Dus meer dan een verdriedubbeling van de ernstige structurele knelpuntberoepen.
Informatici komen, omwille van benamingsproblemen en de snelle evolutie, niet voor als structureel knelpuntberoep. Echter, men verwacht zeer sterk dat ze allemaal structureel zullen worden.
De situatie van de knelpuntberoepen is penibeler geworden op tien jaren tijd. Het is ook duidelijk dat er knelpuntberoepen bestaan die een structureel karakter vertonen, volgens ons criterium 67 beroepen.
Het vermoeden dat meer en meer knelpuntberoepen structureel zullen worden, wordt sterk gevoed door de verergering van de problemen in de tweede helft van de jaren '90.
Belangrijkste conclusies met betrekking tot negen punctueel onderzochte structurele knelpuntberoepen
Wat opviel bij de raadpleging van de sectororganisaties was dat sommige sectoren heel veel wisten te vertellen over bepaalde beroepen, terwijl andere sectoren slechts vaag de situatie van een bepaald beroep konden omschrijven. Algemeen is er nog niet veel onderzoek naar het structurele karakter van knelpuntberoepen geweest door de sectoren, enkele uitzonderingen buiten beschouwing gelaten.
Er worden meer vaardigheden van een technicus elektromechanica verwacht en hoge kwalitatieve eisen gesteld, maar bovenal betreft het hier een kwantitatief probleem door het veel te lage aantal jongeren dat voor een technische studierichting kiest. Dit is te wijten aan de onderwaardering van het technisch onderwijs en aan het watervaleffect.
De opleiding tot technicus bouwwerfleider, graduaat bouwkunde, wordt slechts op twee plaatsen in het centrum van het land aangeboden. Het studieaanbod (of beter, het gebrek eraan) is hier de belangrijkste oorzaak voor het knelpuntkarakter.
« Goede lassers zijn niet te vinden », en het gebrek aan een competente vorming in het secundair onderwijs verergert het probleem. Een lasser moet vele vaardigheden machtig zijn en zich specialiseren in enkele lastechnieken. Dé lasser bestaat immers niet. Met een uitstroom van ongeveer 4 500 mensen per jaar en een instroom van ongeveer 500 schoolverlaters wordt het knelpuntkarakter van dit beroep bestendigd. Het stimuleren van vrouwen om een opleiding tot lasser te volgen lijkt vooralsnog niet echt te lukken.
Binnen twee jaren wordt het knelpuntkarakter van de ziekenhuisverpleegkundige nog penibeler, aangezien het aantal eerstejaars verpleegkunde ten overstaan van 1998 daalde met 25 % in 1999 en met 35 % in 2000. De voornaamste oorzaak hiervan is het negatieve imago van het beroep door de ongunstige tijdsregeling, de hoge fysieke en psychische belasting, het relatief lage loon, het gebrek aan rolmodellen en het feit dat je, pas wanneer je aan je studie begint, via de stage de feedback en waardering proeft die patiënten kunnen geven. Een mogelijke oplossing bestaat erin aan takensplitsing te doen waarbij lagere geschoolden sommige taken van de hoger geschoolde verpleegkundigen kunnen overnemen.
Het gebrek aan ervaring vormt het grootste rekruteringsprobleem bij de schrijnwerker-timmerman die buitenschrijnwerk verricht. De link met het onderwijs moet hier gelegd worden aangezien de studierichtingen Houtbewerking-schrijnwerkerij en Houtbewerking-meubelmakerij samengevoegd werden tot één richting Houtbewerking. Dit staat haaks op de nood aan een doorgedreven vooropleiding die voor dit beroep vereist is.
Ondanks de al aanzienlijke inspanningen die rond de opleiding van metselaars gedaan worden, blijft er een tekort aan metselaars. Het negatieve imago van dit beroep zorgt voor een daling van de interesse van jongeren. Het belang van een schoolse opleiding mag niet worden onderschat, maar het is duidelijk dat vooral het hebben van ervaring een belangrijk selectiecriterium is voor metselaars. Een belangrijke oplossing bestaat in het opsporen van potentieel en de opleiding ervan.
Het aantal afgestudeerden dekt niet de vraag naar beenhouwers. Het betreft dus voornamelijk een kwantitatief tekort. Ondanks het middenstandskarakter van het beroep worden beenhouwers ook in de voedingsindustrie aangeworven. De oorzaken zijn te zoeken in het drieploegensysteem dat in de voedingsindustrie vaak gangbaar is, in de geringe flexibiliteit van werkzoekenden en in de imagoproblemen van de voedingssector.
Er bestaat een groot verschil tussen chef-koks van gastronomische restaurants en anderen. Allebei vormen ze knelpunten, met dit verschil dat de chefs van gastronomische restaurants bijna uitsluitend « overgekocht » worden van andere gastronomische restaurants vanwege de hoge ervaringseisen. Er is namelijk een slechts zeer geringe instroom van lager geplaatsten naar het beroep van chef-kok. De krapte is een gevolg van het feit dat chef-kok de laatste is in de ketting. Wanneer het aantal leerlingen hotelschool stijgt, stijgt op termijn ook het aantal chef-koks. Het is ook zeer belangrijk dat deze studenten voldoende ervaringsmomenten krijgen in hun opleiding.
De schaarste aan ingenieurs is enorm. Bijna alle afstuderende ingenieurs kunnen bij de bedrijven die lid zijn van Fabrimetal alleen al aan het werk. Er studeren te weinig jongeren voor burgerlijk of industrieel ingenieur. Dit heeft als oorzaken de lage appreciatie van technische opleidingen en de studiebeperkingen waarmee de jongere op het einde van zijn secundaire schooljaren geconfronteerd wordt als gevolg van zijn vroegere studiekeuze. Ook het negatieve imago van de industrie en van de studies schrikt jongeren af. Grote bedrijven blijken minder problemen te hebben om ingenieurs aan te trekken dan kleinere bedrijven.
Er is een algemeen tekort aan goede technici. De voornaamste oorzaak is de lage interesse in technische studierichtingen, waardoor te weinig jongeren voor het TSO kiezen. Ook de lage waardering van het technisch secundair onderwijs werkt dit mee in de hand.
De kwaliteit van leraars van sommige vakken gaat achteruit omdat zij niet mee zijn met de nieuwste technieken en omdat zij zaken aanleren waarvoor geen significante vraag bestaat in het bedrijfsleven.
Het niveau van de afgestudeerden uit het secundair onderwijs houdt vaak geen gelijke trend met de toenemende eisen vanuit de sectoren. Ook vinden de ondernemingen dat er voldoende ervaringsmomenten moeten zijn in de opleiding door, bijvoorbeeld, een stage.
De VDAB zou meer resultaten bereiken wanneer de trajectwerking, die uitgaat van wat de werkzoekende wil, meer omgebogen zou worden tot vacaturegericht werken, dat uitgaat van de vraagzijde op de arbeidsmarkt. Hierbij is het noodzakelijk de werkzoekenden zo concreet mogelijk informatie te geven over de mogelijke functies.
De arbeidsreserve die de VDAB publiceert is niet realistisch en heeft nood aan een zeer grondige screening.
Bijna alle geraadpleegde sectoren noemen imagoproblemen van hun sector en van het bepaalde beroep als één van de oorzaken van de invullingsproblemen.
De toekomstverwachtingen zijn niet rooskleurig en dit geldt voor alle onderzochte beroepen. Meestal wordt er een verergering van de problemen verwacht, maar nooit een vermindering. Dit kan in het algemeen betekenen dat de structurele knelpuntberoepen structureel zullen blijven.
De sectoren vrezen dat zij onvoldoende kunnen inspelen op de opportuniteiten die de gunstige conjunctuur mogelijk maken door het toenemende tekort aan medewerkers. Dit vormt dus een ernstige bedreiging van hun groei en winstprestaties.
Ten slotte, nog deze bedenking : de situatie op de arbeidsmarkt werd jarenlang beschouwd als een sociaal probleem. Meer en meer wordt deze situatie ervaren als een economisch probleem. De economie begint de gevolgen te voelen van de krapte op de arbeidsmarkt.
2.3. Bespreking
Een senator stelt vast dat in de hoorzittingen terecht werd gewezen op het probleem van de ondertewerkstelling van de tweede en derde generatie migranten in België. Hij is geïnteresseerd in de specifieke werkloosheidsgraad bij deze groepen en heeft de indruk dat er inderdaad wel ernstige problemen zijn, maar dat in bepaalde gebieden, waar er een tekort aan arbeidskrachten is, de werkloosheidsgraad bij deze groepen in verhouding ook laag is. Het zou dus goed zijn dat eens in kaart te brengen.
Anderzijds verbaast het hem een beetje dat het VBO en Agoria een heel verschillende houding aannemen. Agoria was zeer duidelijk voorstander van de versoepeling van de wet van 1999, maar ook van het soepeler inschakelen van laaggeschoolden, zolang het gaat om knelpuntberoepen. Dat is een hele stap voorwaarts. Hij heeft de indruk dat het VBO de zaken een beetje in het midden laat en niet heel duidelijk een standpunt inneemt. Is dat omdat Agoria precies een sector met knelpuntberoepen vertegenwoordigt en het VBO het hele terrein moet beslaan ?
Verder denkt hij dat het een goede suggestie is eens te gaan kijken naar het voorbeeld van Canada en een knelpuntenlijst op te stellen, op basis waarvan dan eventueel arbeidskaarten gemakkelijker worden toegekend. In dat geval wordt er immers van uitgegaan dat het probleem objectief moet worden onderzocht. Ook voor de commissie zou het interessant zijn de nodige informatie te krijgen over het systeem dat in Canada wordt opgezet.
Een lid merkt eveneens een meningsverschil tussen Agoria en het VBO. Het VBO houdt zich een beetje in, zeker in vergelijking met Agoria.
Het is misschien inderdaad een goed idee eens naar het Canadese systeem te kijken. Mag hij er echter aan herinneren dat Canada tegelijk ook een wet rond « equity », de evenredige participatie op de arbeidsmarkt, heeft ? Beide elementen moeten onvoorwaardelijk aan elkaar worden gelinkt. Dat betekent dat de kansen op de arbeidsmarkt voor bepaalde doelgroepen zeker moeten worden verhoogd.
Opvallend is ook de immigratieproblematiek van bepaalde beroepen, zoals het VEV dat zelf aangeeft. De inspanningen die tot nog toe zijn geleverd, blijken onvoldoende te zijn om de problemen in bepaalde knelpuntberoepen op te lossen. Dat doet hem denken aan het verhaal dat Belgische werkgevers veel te weinig oog hebben voor en te weinig inspanningen doen op het vlak van opleiding en vorming, hetzij voor eigen werknemers, hetzij voor werklozen. Op dat gebied bengelen we in de Europese Unie zelfs aan de staart.
Een ander lid stelt vast dat uit de gegevens van de VDAB blijkt dat de werkloosheid onder allochtonen drie keer zo hoog is als onder autochtonen. Dat cijfer wordt nog hoger wanneer het gaat om mannelijke allochtone werklozen. Vrouwelijke allochtonen doen het qua tewerkstelling beter dan mannelijke, die men blijkbaar minder vertrouwt. Toen de VDAB de werkgevers de mogelijkheid gaf om via hun website het werklozenbestand te raadplegen, bleken de mensen met vreemde namen het minst « bezocht » te worden. Ze weet wel dat er op het terrein initiatieven bestaan om dergelijke discriminaties aan te pakken, zoals het charter dat het VEV samen met een aantal werkgevers heeft opgesteld, maar dringt erop aan dat er nog meer van deze initiatieven komen die meer algemeen gedragen worden.
Ze wil dit probleem echter ook opentrekken. Allochtone werklozen zijn vaak laaggeschoold. Waarom wordt er op onderwijsvlak niets ondernomen ? Het begint immers bij de vorming van de allochtone jongeren. Bijna 60 % van de leerlingen in het beroepsonderwijs is allochtoon en zij zullen in de categorie van laaggeschoolde werklozen terechtkomen. Ze pleit er dus voor hieraan concreet iets te doen.
Een lid verklaart dat zij graag wil weten of er een statistiek van de RVA of de BGDA bestaat die deze groep mensen uit de migrantenbevolking bespreekt die een potentieel hebben om werk te vinden, maar dit niet kunnen omdat ze niet over de juiste papieren beschikken. Het is zeer moeilijk om hun aantal te achterhalen. Vaak komen mensen haar zeggen dat ze een werkgever hebben, maar dat ze de baan niet kunnen aannemen omdat ze niet in regel zijn. Kan men dit verschil meten aan de hand van een statistiek ?
Een lid legt uit dat er nog geen statistieken zijn van een systematische screening van werkloze migranten waarin wordt nagegaan of er naast het gegeven dat ze door hun afkomst minder gewild zijn nog andere problemen zijn. Subregionale gegevens over migrantenwerkloosheid, zoals een senator vroeg, zijn bij de VDAB wellicht ter beschikking. Het grote probleem is dat een groot aantal migranten de Belgische nationaliteit heeft en dus niet meer geregistreerd zijn is als migrant. De VDAB levert wel inspanningen, maar sommige migranten wensen niet als migrant in statistieken te worden opgenomen. Er is uiteraard meer werkloosheid bij de migrantenbevolking; in sommige regio's zelfs het twee- of het drievoud.
Het is evenwel een complexe problematiek die te maken heeft met opleiding, talenkennis, met de specifieke situatie van een aantal migrantenvrouwen die niet op elke vacature intekenen en met discriminatie bij aanwerving. De werkgeversorganisatie nam reeds een aantal initiatieven. Een aantal topbedrijfsleiders gaat in tegen de praktijk waarbij mensen puur op basis van hun afkomst of huidskleur bij een aanwerving worden uitgesloten. Dit is geen zaak van de werkgever of van de selectieverantwoordelijke alleen. Uit ervaring weet men dat het weren van migranten voor bepaalde functies minder te maken heeft met racisme bij degenen die de aanwerving moeten doen, maar meer met de angst voor de reacties die men zal krijgen van bijvoorbeeld klanten of toekomstige collega's.
Er is nog heel wat te doen op het vlak van onderwijs en het aanwervingsgedrag van bedrijven. De toelating van buitenlandse werknemers omdat er vacatures voor hen zijn, die op de binnenlandse arbeidsmarkt moeten worden ingevuld, moet niet te veel worden vermengd met de situatie van werkloze migranten die in ons land verblijven. Een werkgever die nieuwe migranten naar hier wil halen, terwijl de migranten die in België verblijven nog niet aan het werk zijn, moet niet meteen van xenofobie worden verdacht. Hij heeft waarschijnlijk personeel gezocht, maar geen mensen met de vereiste kwalificaties gevonden en verkiest in het buitenland te gaan aanwerven. We mogen de twee fenomenen niet door elkaar halen. Het is bijvoorbeeld een illusie te menen dat op middellange termijn het tekort aan ingenieurs kan worden opgevangen door werkloze migranten op te leiden tot ingenieur.
Uit studies blijkt dat de Belgische werkgevers in vergelijking met hun buitenlandse collega's nogal zwak scoren op het vlak van opleiding. De cijfers dateren al van 1993 en momenteel is er een nieuw onderzoek aan de gang. Hij is ervan overtuigd dat we een inhaalbeweging gemaakt hebben. Het VEV promoot bovendien een personeelsbeleid dat de bedrijven ervan bewust maakt dat ze zullen moeten leren leven met de krapte op de arbeidsmarkt en dat ze daar ook creatief moeten in zijn. Heel veel bedrijven leggen die creativiteit ook aan de dag. Het onderzoek wijst uit dat er grote inspanningen gedaan zijn om structurele problemen op te lossen, onder meer in de bouwsector. Naarmate de inspanningen weinig of geen resultaat opleveren geraakt men wat ontmoedigd. De verleiding is misschien groot om bijvoorbeeld in Polen naar arbeidskrachten te zoeken. Men kan van de bedrijven ook niet blijven eisen met de VDAB en met onderwijs samen te werken als het resultaat niet voldoende is.
Het VEV heeft, samen met een aantal andere werkgeversorganisaties, een campagne gevoerd tegen racisme op de arbeidsmarkt en voor diversiteit. Men kan wel campagnes organiseren voor aanwerving van migranten, gehandicapten of vrouwen in typisch mannenberoepen, maar die zullen weinig resultaat hebben als de bedrijven per definitie tegen diversiteit zijn in hun bedrijf. We benaderen de problematiek dus positief via een pleidooi voor diversiteit. We hebben zelfs een charter waarin bedrijven zich engageren de diversiteit en het antiracisme in hun bedrijf te promoten. Honderden bedrijven, en niet van de minste, hebben dat charter ondertekend. Een bedrijfsleider of personeelsdirecteur zal weinig resultaat boeken als er bij de andere werknemers een bepaalde vijandigheid bestaat ten opzichte van migranten.
Mevrouw Kohnenmergen zou dit antwoord nog willen aanvullen. Einde 1998 heeft het VBO, samen met de regionale werkgeversorganisaties een gemeenschappelijke verklaring afgelegd om het principe van de niet-discriminatie aan te bevelen in de verschillende integratiefasen op de arbeidsmarkt, dus evenzeer bij de opleiding, de aanwerving als bij de arbeidsvoorwaarden. Ze herinnert ook nadrukkelijk aan het bestaan van deze gemeenschappelijke verklaring over niet-discriminatie.
Ze heeft kennis genomen van het standpunt van Agoria. Ondanks het feit dat de raad van bestuur van het VBO nog geen gecoördineerd interprofessioneel standpunt heeft ingenomen, heeft ze toch de indruk dat er helemaal geen tegenstelling bestaat tussen het standpunt van het VBO en dat van Agoria. In de sector van Agoria is de krapte op de arbeidsmarkt natuurlijk het grootst, niet alleen inzake hooggekwalificeerde arbeidskrachten, maar ook inzake laaggeschoolden. Ook het VBO vraagt een versoepeling van de wet voor de laaggeschoolden. Voor de hooggeschoolden zijn er minder problemen, omdat de lonen die ze vragen niet zo hoog liggen en ze meestal werken op terreinen waar er geen arbeidsmarktonderzoek moet gebeuren. Het VBO denkt dus dat de wet al voldoende mogelijkheden biedt voor de hooggeschoolden. Wel vraagt het een versoepeling voor de laaggeschoolden en het automatisch afleveren van vergunningen op basis van de lijsten waarover zij het daarstraks had.
Een lid wil er, zonder vooruit te lopen op het standpunt dat zal worden ingenomen, toch op wijzen dat hij het niet helemaal eens is met wat zijn collega net zei. Ook voor de hooggeschoolden zijn er wat problemen. Hét probleem dat men hem signaleert, is de maximumgrens van vier jaren. Hooggeschoolde buitenlandse werknemers kan men vrij soepel aanwerven, maar de duur van hun tewerkstelling en verblijf is begrensd tot vier jaren. Vaak is dat een onrealistische termijn. In een researchafdeling bijvoorbeeld kiest men eerder voor lange tewerkstellingsperiodes. Bovendien moeten we voor ogen houden dat hooggeschoolden uit bijvoorbeeld Aziatische landen, die de ambitie hebben om een bepaalde periode in het Westen te werken en natuurlijk de keuze hebben tussen de Verenigde Staten, Canada, nu ook Duitsland en België, geconfronteerd worden met die grens van vier jaren in ons land.
Voor deze mensen is België dan ook niet echt aantrekkelijk. Ook daar rijzen er dus af en toe problemen.
Wel is hij het met zijn collega eens dat de procedure die moet worden gevolgd voor beroepen waarvoor een arbeidsmarktonderzoek nodig is, het bijna onmogelijk maakt om arbeidsvergunningen te krijgen. Er zijn twee problemen. Ten eerste moet elke werkgever individueel bewijzen dat hij niemand kan vinden en zowel de formulering als de toepassing van de wet zijn zeer streng. Ten tweede moet er een bilateraal verdrag met het betrokken land bestaan. Met heel wat landen waaruit we werknemers zouden kunnen aantrekken, heeft België echter geen bilateraal verdrag. In dat geval moet de minister een individuele beslissing nemen, een soort gunstmaatregel. De procedure is dus eigenlijk zeer complex en maakt het bijna onmogelijk uit die landen arbeidskrachten aan te trekken.
2.4. Hoorzitting met de heer Éric Decoo, afgevaardigde van de Algemene Centrale van de Liberale Vakbonden van België (ACLVB)
De heer Decoo is vertegenwoordiger van de federale vakbond ACLVB, maar werkt niet interprofessioneel. Hij werkt in de paritaire comités en spreekt meer uit ervaring met de problemen op het vlak van knelpuntfuncties in de sectoren.
Kenmerkend voor het laatste decennium is de introductie van heel wat nieuwe technologieën. Hij denkt aan de SERV die daarvoor een speciaal orgaan heeft gecreëerd, namelijk Stichting Technologie Vlaanderen die deze nieuwe technologieën begeleidt.
Er is ook een veralgemening van het gebruik van informaticasystemen. De vraag naar klassieke functies, waar nieuwe werknemers geen of weinig interesse voor hebben, blijft echter bestaan. Dat kan gedeeltelijk te wijten zijn aan de slechte werkomstandigheden. Hij denkt bijvoorbeeld aan de sector van de metaalconstructie, (het lassen) en aan de horecasector.
In maart werd een studie verricht in het kader van Cevora, het instituut van het aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden dat zich bezighoudt met de besteding van de gelden voor risicogroepen. Er wordt ongeveer 0,15 % ingehouden op de jaarlijkse brutoloonmassa. Dat bedrag komt terecht in een fonds per sector. Bepaalde sectoren hebben deze fondsen niet, maar de meeste, en zeker de grote sectoren hebben die wel. Deze studie is gebeurd in samenwerking met UPEDI, de beroepsfederatie van interimbureaus. Die studie lijkt hem zeer interessant omdat uitzendarbeid een rol speelt als instroommechanisme, in de jaren tachtig misschien eerder voor tijdelijk werk, maar nu meer en meer voor vast werk.
In die studie komen een aantal knelpuntfuncties en -sectoren aan bod zoals de niches en de callcentra. Het gebrek aan personeel in knelpuntfuncties kan volgens hem gedeeltelijk worden opgelost door een goede opleiding van risicogroepen. Hierover is in deze vergadering al gesproken. Een andere knelpuntfunctie is informaticus, maar daar is een gespecialiseerde opleiding voor nodig. De functie van kwaliteitscontroleur is vandaag ook belangrijk. Kwaliteit en de ISO-normen zijn vandaag belangrijk, zeker in een Europese context. Er zijn ook belangrijke bediendefuncties waarvan de invulling problematisch is, bijvoorbeeld secretariaatsfuncties. We kennen allemaal het voorbeeld van werkgevers die bereid zijn om auto's ter beschikking te stellen om een secretaresse aan te werven en ze zeker niet kwijt te spelen.
Hetzelfde geldt voor telefonisten en receptionisten, voor wie, zoals voor het secretariaat, talenkennis onontbeerlijk is. De talenkennis is een belangrijke troef waar we nu nog over beschikken en die we niet mogen kwijtspelen.
Er zijn ook moeilijk in te vullen arbeidersfuncties, de heer Andries heeft ze reeds ten dele aangeduid , namelijk elektromecaniciens, vrachtwagenbestuurders en confectiepersoneel. Enkele jaren geleden schreeuwde de confectiesector moord en brand door het gebrek aan geschoolde arbeidskrachten. De textielsector heeft een grote uitstroom gekend in de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig. Ook aan drukkers is er een tekort. Enkele jaren geleden heeft hij een staking meegemaakt in een scheikundig bedrijf in Oudenaarde, waar de werkgever aan zijn drukkers een loonsverhoging van 80 frank per uur hetgeen in die sector buitengewoon is bijgaf om ze te kunnen houden.
Bij het horecapersoneel heerst ook een tekort. Bij die federatie werd enkele weken geleden voorgesteld hiervoor asielzoekers in te schakelen. Wij stellen eerder voor om het onderwijs en openbare opleidingsinstellingen aan te bevelen om de accenten te leggen op taalonderricht, standaardpakketten informatica en specifieke technische vaardigheden. Er doen zich niettemin rekruteringsproblemen voor. Volgens hem is dit te wijten aan het onvoldoende aantal afgestudeerden, het niet beschikken over de nodige kwalificaties en wat tot nu toe misschien onvoldoende aan bod is gekomen een ongunstige arbeidsmarkt. Daarmee bedoelt hij : flexibiliteit, nachtwerk, werken in moeilijke omstandigheden bijvoorbeeld in de beenhouwerijsector, en ongunstige loonomstandigheden.
Het lokken van Indische informatici vindt hij ook geen goede oplossing. Men heeft de derdewereldlanden reeds hun grondstoffen ontnomen, nu moet men niet nog eens hun intellectuele grondstoffen gaan exploiteren. Het ACLVB ziet eerder een oplossing in de activering van de werkloosheidsvergoeding, waarmee de vorige minister van Tewerkstelling en Arbeid reeds was begonnen. Het vreest ook dat door het ongebreideld aantrekken van een nieuwe generatie migranten, deze migranten het eerste slachtoffer zullen worden bij een volgende recessie. Op dit moment zijn er voldoende waarborgen voor het vrije verkeer van personen in Europa. Er zijn voldoende mogelijkheden om vreemde contingenten aan te trekken. Dat dit niet steeds goed lukt, heeft ook te maken met de markt zelf en de loon- en werkomstandigheden.
Het ACLVB ziet als oplossing het verder activeren van de werkloosheidsvergoedingen, en blijvende inspanningen op het gebied van vorming. De 0,15 % die nu naar risicogroepen gaat is zeker onvoldoende. Die 0,15 %-bijdrage is opgelegd door minister Van den Brande op het einde van de jaren tachtig. Als de politiek geen bijdrage oplegt, kunnen wij dit heel moeilijk verkrijgen van werkgevers in onderhandelingen. In de ene sector zijn er misschien meer financiële mogelijkheden dan in de andere, maar in de vormingsfondsen blijft het geld nog veel te lang in de reserves zitten.
Er zullen altijd migraties zijn, al dan niet individueel. Hij denkt aan Nederland, dat in België leraren, artsen en politieagenten rekruteert.
De correlatie met vorming en onderwijs is ongetwijfeld aanwezig. Dit moet verder onderzocht worden om op dat vlak oplossingen te bieden.
2.5. Hoorzitting met de heer Edwin Loof, afgevaardigde van het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV)
De heer Edwin Loof, afgevaardigde van het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) verklaart dat hij al ongeveer dertig jaar in de immigratiesector werkt.
Hij begint met een antwoord te geven op de volgende vraag : is er een immigratiebeleid nodig boven op het asielbeleid ?
Niet alleen is het antwoord hier een duidelijk « ja », maar het is zelfs zo dat dit beleid zeer snel in werking moet worden gesteld. De immigratie is inderdaad een onvermijdelijke realiteit die we bescheiden, want we kijken voorlopig nog over een aantal aspecten ervan zo goed mogelijk op wettelijk vlak moeten proberen te kaderen. Zoniet, dan zullen wij binnen enkele jaren geconfronteerd worden met nieuwe regularisaties. De analyse ervan is eenvoudig : dezelfde oorzaken leiden tot dezelfde gevolgen. We mogen de zeer hoge sociale en menselijke tol die de clandestiniteit eist, niet uit het oog verliezen. Het is dus aanbevolen om een actief beleid te voeren, in plaats van de ogen te sluiten en vervolgens na een tijd verplicht te worden om tot een nieuwe regularisatie over te gaan. Moeten we dan de grenzen wagenwijd openzetten volgens de vragen van de bedrijven ? Met andere woorden, is het op verzoek van de ondernemingen openstellen van de grenzen, een alternatief voor de onvermijdelijke, illegale immigratie die we momenteel kennen ? Het antwoord is neen.
Hij herinnert er ook aan dat de hele reglementering met betrekking tot de werkvergunningen geactualiseerd is met de wet van april 1999. Over deze nogal ingewikkelde kwestie van de werkvergunningen is jarenlang gediscussieerd in het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid. Hij herinnert er ook aan dat de ondernemingen altijd de mogelijkheid hebben om arbeiders aan te werven buiten de Europese Economische Ruimte. Dit is, toegegeven, nogal moeilijk, vooral wegens het gebrek aan bilaterale conventies. Hij keurt trouwens het voorstel goed dat mevrouw Kohnenmergen zopas heeft gedaan om door de regionale Arbeidsbureaus lijsten te laten opstellen met kwalificaties waarvoor het moeilijk is om werkkrachten te vinden. Het zou misschien interessant zijn dit punt te integreren in de toekomstige discussies over de problematiek die ons bezighoudt. Maar objectief gezien, bestaat er een mogelijkheid om gebruik te maken van de immigratie, wanneer een vacature niet kan worden ingevuld.
We moeten ook rekening houden met het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie. Maar over het vrij verkeer van diensten daarentegen, spreekt men nooit. Welnu, er werken zeer veel niet-Europese arbeiders in België. We hoeven maar te kijken naar de bouwwerven in het Brusselse, om ons hiervan te overtuigen. Deze mensen zijn niet meegerekend in de statistieken, maar het verschijnsel is wel degelijk een realiteit.
We mogen evenmin de werkloosheid, de discriminatie op het werk en de onderbezetting vergeten. In België kunnen we niet spreken van een tekort aan arbeidskrachten, en dan nog : alles hangt af van de definitie die men aan dit concept geeft.
Een andere oplossing die reeds ter sprake is gebracht, is het toelaten van de aanwerving van computeringenieurs of hooggeschoold personeel. Hiervoor bestaan reeds bepaalde mogelijkheden, maar ze moeten nog in een ander debat besproken worden, want ze beantwoorden waarschijnlijk niet aan het streven van bepaalde leden van deze commissie om een wettelijk statuut te geven aan de werkelijke immigratie. Deze zal in elk geval blijven duren, of men nu ingenieurs of informatici aanwerft of niet. En men zal er iets aan moeten doen.
Als we ondertussen al twintig jaar geconfronteerd worden met de illegale immigratie, dan is dat niet omdat we een zeer strenge controle hebben uitgeoefend op de immigratie uit hoofde van de ondernemingen. Naar aanleiding van de werkloosheidscrisis in 1974 heeft men de immigratie gestopt. De discussie hierover is opnieuw veranderd, maar u moet weten dat de bedrijven sinds twintig jaar geen beroep meer doen op de immigratie. Het is juist dat men de kraan heeft dichtgedraaid, maar er was ook geen vraag meer. De laatste jaren heeft men verschillende initiatieven genomen hij denkt daarbij aan de debatten van de Nationale Arbeidsraad, de studie van het IAB, enz. maar tot dan toe was het patronaat zeer discreet gebleven over kwesties in verband met de immigratie en de integratie van migranten. Bovendien is historisch gezien de massale inschakeling van immigratie aanvankelijk een vraag van de werkgeversorganisaties geweest.
Dus, de fout was niet dat men vijfentwintig jaar lang de economische immigratie heeft willen beperken, want er was gewoon geen vraag. De fout was dat men ook de andere immigratiemogelijkheden heeft willen inperken. En deze fout moeten we aan iedereen, en niet aan één verantwoordelijke, toeschrijven. Vanaf het einde van de jaren zeventig en dit verschijnsel is in de jaren tachtig nog toegenomen heeft men aan de gezinsherenigingen bepaalde beperkingen opgelegd. Men wilde toen ook de huwelijken inperken, om een sneeuwbaleffect bij de gezinsherenigingen te voorkomen. Ondertussen is men gedeeltelijk teruggekomen op deze zeer beperkende reglementering. En dan is er ook nog de ontmanteling van het asielrecht geweest tot in het absurde. Dus, men draaide de economische kraan dicht, maar tezelfdertijd probeerde men ook de andere mogelijkheden te beperken. Spreker is toevallig lid van de Regularisatiecommissie. Wanneer men te maken krijgt met mensen die geen bescherming van de Conventie van Genève hebben gekregen en die de opdracht krijgen om het land te verlaten met een niet-uitwijzingsclausule, dan wordt men zich bewust van het probleem. Dan wordt een degelijk asielbeleid noodzakelijk. Toch moeten deze twee debatten apart worden gevoerd.
Deze overdreven beperking van het asielrecht werd gerechvaardigd door de hoge werkloosheidscijfers. Dit is ook vandaag nog het geval. Bovendien beschouwde men de rem op de immigratie als een noodzakelijke voorwaarde om het integratiebeleid in te voeren; men moest zich inspannen om de bevolkingsgroepen van de verschillende immigratiegevolgen te stabiliseren en geen nieuwe migranten toelaten. Het werk dat meerbepaald door de eerste Rijkscommissaris voor migrantenbeleid is verricht, illustreert zeer goed deze aanpak : immigratiestop en prioriteit aan de integratie. Volgens hem moeten we terugkomen op dit plan. Vandaag beseffen we dat we tegelijk nood hebben aan een immigratiebeleid en aan een integratiebeleid. Maar het opheffen van het ene kan geen voorwaarde zijn voor het slagen van het andere. Dat hebben de laatste tien jaar ons meer dan duidelijk aangetoond.
Op korte termijn zijn het niet de criteria met betrekking tot de arbeidsmarkt die bepalend zullen moeten zijn om de immigratie te rechtvaardigen. Als de economische criteria vandaag doorslaggevend zouden zijn, dan zou men zoals in 1974 overgaan tot een regularisatie in functie van de werkvergunning : men zou hen een termijn van drie maanden geven om deze werkvergunning te bekommen. De criteria van de regularisatiewet illustreren ruimschoots dat het niet in functie van de vraag van de arbeidsmarkt is dat men de wettelijke immigratie moet toelaten. Maar de migratiedruk blijft duren en wordt zelfs sterker. We moeten dus andere vormen van beleid zoeken.
In vergelijking met een ander immigratiebeleid moet men enerzijds de bestaande kanalen volop benutten en moet men anderzijds nieuwe mogelijkheden voorzien voor een legaal verblijf in ons land. We moeten vernieuwen en iets anders vinden dan enerzijds het asiel en anderzijds uitsluitend de immigratie met « arbeidsvergunning ». Laat ons een derde deur openen. Laat ons blijk geven van verbeeldingskracht.
Hij zou de nadruk willen leggen op en punt waarover hij niet zal uitweiden : het asielbeleid moet met veel meer edelmoedigheid worden gevoerd dan nu het geval is. Een groot aantal asielzoekers is geweigerd en zo opnieuw in de clandestiniteit gedwongen. We moeten beginnen met de toepassing van de Conventie van Genève, maar dit is nu niet het onderwerp van het debat.
Een tweede mogelijkheid zou een immigratie kunnen zijn die eerder georganiseerd wordt om sociale en familiale redenen dan om economische redenen. Mensen die hun verblijf kunnen rechtvaardigen om sociale, familiale of humanitaire redenen, moeten zonder beperking de toelating krijgen om in het land te werken. Dat is een beetje het principe waarop wij ons baseren om een nieuw immigratiebeleid te definiëren. In feite is dit niet nieuw want de vakbonden hebben bereikt ook al zijn ze niet helemaal tevreden over de uiteindelijke redactie dat de geregulariseerde personen in het kader van artikel 9, § 3, van de vreemdelingenwet toegang zouden krijgen tot de arbeidsmarkt, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de situatie van de werkgelegenheidsmarkt. Dus als we de redenering van de vakbonden volgen, moet men aan personen die om andere redenen die in de eerste plaats niet te maken hebben met de arbeidsmarkt op het grondgebied worden toegelaten, de toelating geven om zonder beperkingen te werken. In het kader van deze aanpak hebben wij ook gevraagd en bekomen dat de kandidaten voor een regularisatie op voorlopige basis zouden kunnen werken. We hebben vastgesteld dat er hierover een bepaald scepticisme heerst, hoewel ondertussen 7 000 mensen wier dossier voor onderzoek bij de regularisatiecommissie is ingediend, reeds werkzaam zijn met een volgens de vorm opgemaakt arbeidscontract. Uiteraard zijn deze mensen niet naar ons gekomen om te beantwoorden aan de vraag van bedrijven, maar op het moment dat ze er zijn, en dat ze een arbeidsvergunning krijgen, vinden ze ook werk zoals blijkt uit dit recent experiment. Hij vindt dat men niet mag muggenziften als men de immigratie moet openstellen op basis van sociale, familiale en humanitaire criteria. De regularisatie en de regularisatiecriteria illustreren duidelijk wat er de laatste twintig jaar is misgegaan. Men zou dus opnieuw moeten vertrekken vanuit de jurisprudentie van de Regularisatiecommissies. Uitgaande van de manier waarop ze de bestendige banden, de familiale banden, humanitaire redenen interpreteren, zouden we iets veel soepelers kunnen voorzien dan hetgeen momenteel is ingevoerd. Zo zouden we morgen een permanente commissie kunnen bedenken die belast is met het onderzoek van immigratieaanvragen die gemotiveerd zijn door het feit dat de hele familie in België verblijft, om humanitaire of andere redenen ... Deze mensen zouden zonder beperking naar werk mogen zoeken, zodra ze een vergunning hebben gekregen om in België te verblijven. Deze werkwijze zou elk jaar aan enkele duizenden mensen de mogelijkheid bieden om legaal op ons grondgebied te verblijven, terwijl ze anders verplicht zouden zijn om gedurende vijftien jaar te overleven in de hoop dat ze eventueel een regularisatie zouden krijgen.
Dan komt hij bij de kwestie van de clandestiniteit. Hij denkt dat het aanbevolen is om de illegale immigratie te bestrijden, het vrij verkeer van personen te vergroten in plaats van te proberen het kost wat kost te beperken, ook al lijkt dit paradoxaal. Hierbij denkt hij in het bijzonder aan een versoepeling van het visumbeleid en maakt hij het onderscheid tussen de vrijheid om in een land te reizen en de vrijheid om zich in een land te vestigen. De opeenstapeling van moeilijkheden om toeristenvisa te verkrijgen, schept gunstige omstandigheden voor het organiseren van kanalen die bestemd zijn om de obstakels te omzeilen. Bovendien zal iemand die mislukt is in zijn opzet te migreren en die geconfrontreerd werd met zo'n grote berg moeilijkheden om het visum aan te vragen waarmee hij door de controle in Zaventem kon geraken, geen seconde aan terugkeren denken. Hij gaat er immers van uit dat dit de kans van zijn leven is, zelfs wanneer hij hier in nog slechtere omstandigheden zal moeten leven dan in zijn geboorteland. Spreker zegt niet dat de visa moeten afgeschaft worden, maar wel dat een versoepeling van het beleid omtrent deze materie zou bijdragen tot een vrijer verkeer, met inbegrip van de mensen die terugkeren. Want niet iedereen wil absoluut in ons land blijven onder eender welke voorwaarde.
De vakbonden beperken zich niet tot de motieven voor de toelating om hier te verblijven, zoals de asielaanvraag, humanitaire, familiale, sociale redenen, enz. Ze pleiten voor het recht op arbeid zonder beperking, namelijk de uitreiking van vergunning A of de vrijstelling van een werkvergunning voor alle personen die toelating hebben om hier te verblijven. Ze eisen de gelijke behandeling op van arbeiders Europeanen en niet-Europeanen, die op een zelfde grondgebied werkzaam zijn. Deze gelijke behandeling kan dan wel toegekend worden, maar ze moet gekoppeld zijn aan een verblijfszekerheid opdat de werknemers zouden kunnen opkomen voor hun rechten, zonder dat ze het risico lopen om alles in een land te verliezen.
Als men morgen een beroep doet op werknemers er worden jaarlijks toch 3 000 werkvergunningen uitgereikt dan moeten ze zonder beperkingen in het land kunnen verblijven. Bepaalde teksten van de Europese Commissie over het statuut van niet-Europese werknemers voorzien om hen na tien jaar een definitief statuut met betrekking tot hun verblijf toe te kennen. Men is van plan hen te laten komen en vervolgens hun verblijfskaart te verlengen in functie van de evolutie van de arbeidsmarkt. Dit zou er op neerkomen dat ze tien jaar of zelfs langer in een spreekwoordelijk vagevuur moeten verblijven, want er zou sprake zijn van het bijtellen van bepaalde periodes. De toepassing van zulk een systeem zou voor België neerkomen op een terugkeer naar de situatie die in 1947 heerste, toen de Italiaanse arbeiders tien jaar in een steenkoolmijn moesten werken voordat ze zich op een andere activiteitsector mochten richten. Men zal dus zeer veel aandacht aan het Europese beleid moeten schenken. Sommigen zijn van mening dat deze problemen pas op een bevredigende manier kunnen opgelost worden dankzij een Europees beleid. Maar het is evident dat dit ons niet verbiedt om op Belgische schaal te vernieuwen. Wij moeten ons in elk geval tegen dit soort van beperkingen verzetten. Hij legt de nadruk op het feit dat het debat over de immigratie niet alleen te maken heeft met de verschillende hoofdrolspelers van het economische leven en hij suggereert dat de commissie ook de verenigingen en de migranten zelf zou horen. Men heeft het immers enorm veel over de immigratie, maar men luistert nooit eens naar de afgevaardigden van de migranten.
2.6. Gedachtewisseling
Een senator verklaart dat hij naar aanleiding van de Europese Top in Nice toch een aantal vragen heeft over de uitbreiding van de Europese Unie. De uitbreiding is een enorme uitdaging, maar er is ook grote angst om het mogelijke verlies van de sociale verworvenheden van onze arbeidsmarkt. Enerzijds pleiten de vakbonden voor een uitbreiding van Europa, maar anderzijds is er nog altijd een verschillende economische dynamiek en die zal niet verdwijnen in tien of twintig jaren. Alleen door integratie in de Europese Unie kunnen landen economisch worden gelijkgeschakeld. Spanje, Portugal en Ierland kunnen als voorbeeld worden genomen.
Wat zijn volgens de vakbonden de sociale uitdagingen ? Als Polen morgen tot de Europese Unie toetreedt, dan krijgen alle Poolse poetsvrouwen die nu in België aan het werk zijn een legaal statuut. Zijn de vakbonden daar voorstander van of zijn ze daar tegen ?
Volgens een collega van de commissie is het geen goede uitgangspositie het migrantenvraagstuk alleen te benaderen vanuit een economisch tekort. Vanuit idealistisch standpunt is dat natuurlijk correct, maar is dat wel realistisch ? Hij gelooft in de verruiming van de Conventie van Genève. Hij gelooft in het recht op migratie over de hele planeet. Goederen en kapitaal kunnen vrij bewegen, maar mensen niet. Dat vindt hij kapitalistisch, maar welke criteria hanteert de vakbond om mensen naar hier te halen ? Iemand die naar hier komt doet dat natuurlijk in de hoop werk te vinden. Hij gaat namelijk uit van de goede wil van mensen en niet, zoals een aantal partijen beweren, van de wil om hier de komen profiteren van het systeem. De meesten willen werken, ze willen een job, een gezin, sociale zekerheid. Dat kost geld, er moet dus tewerkstelling zijn.
Er is een enorm tekort aan ingenieurs. Waarom heeft men bijvoorbeeld het ingangsexamen niet op ? Het ingangsexamen is een drempel en is een van de redenen van het tekort aan ingenieurs, welnu schaf het ingangsexamen af. Er zal een grotere instroom zijn en het tekort zal stelselmatig verdwijnen.
Een lid stelt dat het debat uitsluitend draait rond de economische noodzaak van het ontvangend land. Dat mag evenwel niet het enige criterium zijn. In de jaren zestig werden gastarbeiders niet goed onthaald. Men dacht dat hun verblijf kort zou zijn, maar uiteindelijk draaide het anders uit. Laat ons niet dezelfde fout begaan door te denken dat de immigranten hier maar tijdelijk zullen verblijven. Als ze hier komen betekent dat ook dat ze hier werken, met alle sociale en maatschappelijke contacten vandien. Hun tijdelijk verblijf zal dus definitief worden.
De heer Loof zegt dat hij meermaals heeft aangedrongen op de verblijfszekerheid. Wie naar België komt, beschikt eerst over een verblijfsrecht van beperkte duur. Wie zin heeft om terug te keren, keert ook terug. We moeten zeker niet geloven dat iedereen hier wil blijven. Het is duidelijk dat de cirkelmigratie, die tijdelijk migratie en we kunnen ons nog andere omschrijvingen voorstellen geen goede zaak is. Ze is niet realistisch. En we mogen niet de fouten uit het verleden blijven herhalen. Men heeft ons toch genoeg gezegd dat het beleid dat men in de jaren zestig heeft gevoerd, een beleid van sociale kortzichtigheid is geweest ? Alle verslagen van de sociologen bevestigen dit. De tijdelijke immigratie, de cirkelmigratie, enz. moeten verworpen worden. Trouwens, in deze situatie wordt het principe van de gelijke behandeling voor de werknemers niet gegarandeerd.
En omtrent de concrete criteria die een intervenant heeft gewenst, wil hij niet beginnen muggenziften. Sinds enkele maanden zetelt hij in de regularisatiecommissie. Hij krijgt er de gelegenheid om een zicht te krijgen op de gevallen van personen die men momenteel regulariseert volgens criterium nr. 4, namelijk het bestaan van bestendige banden of om humanitaire redenen. Het treft hem dat zeer veel van deze mensen hier al tien of vijftien jaar illegaal wonen en familie in België, en zelfs Belgische familieleden hebben. Daarom zal hij voorstellen dat men in plaats van alles af te sluiten en te blokkeren, waardoor men verplicht is periodiek te regulariseren, in de toekomst criteria zou bepalen voor verblijfsvergunningen. Daarvoor zou men dan de jurisprudentie van de regularisatiecommissie kunnen hanteren en de criteria, de argumenten en de motiveringen kunnen gebruiken die ze voor de regularisatie van deze personen heeft toegepast. Hij merkt terloops op dat er in België 7 000 zulke mensen werken. Het is niet omdat deze mensen vragen geregulariseert te worden op grond van sociale criteria dat ze niet in staat zijn om te werken, want er verkeren ok zeer bekwame mensen in een illegale situatie.
Concreet stelt hij voor deze jurisprudentie te onderzoeken en er permanente criteria uit te distilleren. Deze criteria zouden dan de basis kunnen vormen voor een wet die een Marokkaan in staat zou kunnen stellen om vanuit Marokko aan België te laten weten dat hij in Europa een verblijfsvergunning wil bekomen omdat er een schoonzuster, een neef of een broer werkt, of omdat hij een bepaalde beroepsopleiding heeft. We zouden ons kunnen voorstellen dat men aan deze mensen een verblijfsrecht zou toekennen. Omdat het hier niet gaat om humanitaire gevallen, noch om asielzoekers, zou men zelfs kunnen stellen dat deze mensen hun verblijfsrecht zouden verliezen, wanneer ze binnen een bepaalde periode geen werk zouden vinden. Met een beetje goede wil, is het best te doen om zo'n systeem uit te denken. Het spreekt vanzelf dat als het verblijfsrecht toegekend is om humanitaire redenen, wegens het recht op asiel, om gezondheidsredenen, enz., dat men dan niet zal zeggen : « Als u geen werk vindt, dan sturen wij u naar uw land terug. » laten we hierover dus duidelijk zijn : als de verblijfsvergunning wordt toegekend om sociale of familiale redenen in de ruimere betekenis van het woord, dan kan ze onderworpen worden aan de voorwaarde dat de persoon in kwestie binnen een bepaalde termijn werk moet vinden.
We kunnen hierover uren, dagen en jaren discussiëren, maar als we niet ingrijpen, dan zullen de mensen illegaal blijven komen en zullen we hen na een tijd moeten regulariseren. We hebben er alle belang bij om te vernieuwen en uit de schema's te stappen waarbinnen we al twintig jaar werken. Alles bewijst dat deze schema's gedoemd zijn om te mislukken. We moeten iets anders proberen.
Wat Europa en de gevolgen van de verruiming betreft, weet hij in elk geval dat er enorme verschillen bestaan tussen de mogelijke potentiële emigratie en de werkelijke immigratie. Hij weet ook dat er een overgangsfase is geweest toen Spanje, Portugal en Griekenland zijn toegetreden, maar dat we daarna geen massale komst van Spanjaarden, Portugezen of Grieken hebben moeten vaststellen. Integendeel, deze Europeanen bleken hier niet lang te blijven en naar Spanje terug te keren. In die mate zelfs dat het een probleem was voor de vakbonden die permanente leden, goede permanente leden hadden. Laten we vooral niet denken dat iedereen zich in België wil vestigen. Sommige mensen zouden misschien weg willen. Zo willen de Marokkaanse migranten dat de vakbond het vrij verkeer van gepensioneerden en bruggepensioneerden eist. De gepensioneerde of de bruggepensioneerde Marokkaanse arbeiders blijven in België wonen, maar velen onder hen zouden graag naar Marokko terugkeren. Maar als ze terugkeren, dan verliezen ze na een jaar al hun sociale rechten die ze in België verworven hebben, zelfs als ze daar dertig jaar hebben gewerkt. Als we het vrij verkeer laten toenemen, dan geven we ook toe dat er mensen zijn die komen en gaan. Het is hoog tijd dat deze problematiek veel dynamischer wordt aangepakt dan men tot nu toe gewoon is geweest.
De heer Decoo zegt dat een positief punt van de Europese uitbreiding kan zijn dat de Oost-Europese poetsvrouwen niet meer clandestien zouden hoeven te werken. Daardoor krijgen ze een statuut, een ziekteverzekering en een mate van werkzekerheid. Er zal steeds een zwart circuit blijven bestaan, maar voor degenen die niet meer in de clandestiniteit willen werken, komen er misschien nieuwe mogelijkheden. Poetsvrouwen spelen in ieder geval in op een bestaande behoefte. Eens de Europese integratie van de voormalige Oostbloklanden is gerealiseerd, zullen een aantal mensen niet meer in de clandestiniteit hoeven te werken.
3.1. Hoorzitting met de heer Auquier, directeur bij de « Union wallonne des entreprises »
De heer Auquier legt uit dat Wallonië 3,3 miljoen inwoners telt, waarvan 530 000 werknemers in de privé-sector, 207 000 zelfstandigen en 340 000 ambtenaren en onderwijzers. Maar Wallonië heeft ook 232 000 werkzoekenden, hetzij meer dan 16 % van de beroepsbevolking. Dit laatste cijfer volstaat om te stellen dat het onverantwoord is, tegemoet te komen aan de vraag om de markt aan alle kanten open te stellen en te liberaliseren. Natuurlijk verplicht de huidige omvang van de werkloosheid ons om een liberalisering van de markt om sociale redenen uit te sluiten. Bovendien kan het Waalse Gewest zich niet meer als een rijk gewest gedragen, omdat het niet of niet meer rijk is. Dat neemt niet weg dat men een nijpend tekort aan arbeidskrachten voornamelijk geschoolde arbeidskrachten vaststelt in een bepaald aantal disciplines.
Alvorens te spreken over de arbeidsvergunning, wenst hij te spreken over de gelijkwaardigheid tussen vraag en aanbod. Hierbij moeten twee valkuilen vermeden worden. Als we kijken naar de vragen van de werkgevers, het probleem van de niet-ingevulde kwalificaties, de ongeveer dertigduizend vacatures, dan zouden we kunnen zeggen : pech voor de 232 000 werkloze arbeiders. We moeten ze maar beschouwen als niet-recupereerbare krachten op de arbeidsmarkt. Het andere, gelijkaardige struikelblok, zou kunnen zijn dat we zeggen : al bij al is de werkloosheidsuitkering een onvoorwaardelijk recht; het is niet meer een recht dat ondergeschikt is aan het zoeken naar werk.
Er moeten twee zaken gebeuren om de gelijkwaardigheid tussen vraag en aanbod te verbeteren. Ten eerste zou men iets kunnen doen aan de scholing van de werkzoekenden. In de bouwsector klagen de werkgevers erover dat ze niet de arbeidskrachten vinden die ze nodig hebben, terwijl de statistieken van de « Forem » ons vertellen dat er 13 600 werklozen in deze sector zijn; dit betekent dat men zich niet mag beperken tot het opstellen van namenlijsten en tot het noteren van een inschrijving die min of meer kunstmatig is in de ene of de andere specialiteit. Bij de « Forem » moet men een inspanning leveren, en dat gebeurt ook om te komen tot een daadwerkelijk beheer van de beroepscapaciteiten. De « Forem » moet ook in staat zijn om de capaciteiten van de werkzoekenden te evalueren en te oordelen over wat ze tekortkomen om een bepaald opleidingsniveau te bereiken dat de werkgevers nodig hebben. Bovendien moet ze in staat zijn om eventueel in partnerschap, opleidingen op punt te stellen, die zo mogelijk doelgericht en van korte duur zijn om de mogelijkheid te bieden, binnen een redelijke termijn aan de vraag te beantwoorden. Maar dit zou betekenen dat het probleem in een verder stadium wordt aangepakt. Deze remedie zou tijd vergen en maakt het onmogelijk om morgen al aan een onmiddellijke vraag van een bedrijf te beantwoorden.
De andere belangrijke actie reikt buiten het kader van het Waalse Gewest, omdat men in het onderwijs moet ingrijpen en dat valt dan weer onder de bevoegdheid van de Franstalige Gemeenschap. Het is goed dat men iets doet aan de lacunes in de opleidingen, maar het is nog beter deze lacunes te voorkomen. Momenteel is men reeds bezig met een actie op het vlak van technisch en beroepsonderwijs. Naar het schijnt telt men in de Franstalige Gemeenschap elk jaar tienduizend jongeren die de school zonder diploma verlaten. 60 % van de werklozen zijn jongeren die hun middelbare studies niet volledig hebben uitgedaan. Werkgevers, leerkrachten en vakbondsorganisaties hebben de opleidingsprofielen besproken en zijn bezig ze om te zetten in programma's. Vanaf nu tot in september 2002 zullen alle leerprogramma's van het secundair technisch en beroepsonderwijs geactualiseerd zijn en in de scholen worden toegepast. Op die manier hoopt men bepaalde afwijkingen te corrigeren en iets te doen aan het feit dat jongeren zonder diploma de school verlaten en dat anderen aan opleidingen beginnen die hen niet aan een baan helpen. Maar ook hier biedt dit geen antwoord op de onmiddellijke vraag naar arbeidskrachten.
Maar de noden bestaan en ze zijn gemakkelijk te herkennen. Daarvoor beschikken wij over overzichten van de RVA, die elk jaar een lijst maakt van « knelpunt »-vakken en -beroepen waaraan men een nijpend tekort vaststelt. En dan zijn er nog de adviezen van de subregionale werkgelegenheidscomités en de zeer veel geraadpleegde studies van UFORA en van UPEDI over de te voorziene posten. De lacunes kunnen dus gemakkelijk gedefinieerd worden.
Het probleem is dat men ze zeer snel moet kunnen invullen. Begin 1999 bijvoorbeeld, bevestigde de transportindustrie dat ze in Wallonië een gebrek had aan 2 000 chauffeurs voor zware vrachtwagens of autocars. Deze vraag werd in 2000 opnieuw gesteld en het antwoord was dat er nog altijd 800 chauffeurs te weinig waren. Betekent dit dat de sector 1 200 chauffeurs had gevonden ? Helemaal niet. Dat betekent dat een bepaald aantal transportbedrijven die een grotere omzet op het oog hadden waarvoor ze een groter wagenpark nodig hadden en dus meer chauffeurs zouden moeten aanwerven, de stap niet hebben durven zetten. En dat betekent ook dat anderen noodoplossingen hebben gevonden in de vorm van onderaannemingen met bedrijven uit de Oostbloklanden. Met andere woorden, het risico bestaat dat de zakenvolumes verloren gaan als we niet snel reageren.
Een ander aan te snijden punt is het risico. We horen soms zeggen : « Jullie, de werkgevers, jullie hebben geprofiteerd van een arbeidsmarkt waar een teveel is aan werkzoekenden, om het niveau van jullie eisen te verhogen. Jullie hebben ingenieurs in dienst genomen voor banen waar jullie eigenlijk tevreden waren geweest met technici en nu doen jullie hetzelfde in omgekeerde richting en stellen jullie je tevreden met lager geschoold personeel. » Dat zou verkeerd zijn; we zijn hier niet bezig in een economische context waar het de producent is die aan de klant beveelt wat hij moet kopen, de situatie is net het omgekeerde : als men een beroep zou doen op onvoldoende geschoolde arbeidskrachten, dan zou dat leiden tot een verlies aan omzet.
Wij vragen dus dat daar, waar er een nijpend tekort wordt vastgesteld, het mogelijk zou zijn om binnen een redelijk korte termijn te beantwoorden aan de vraag van de ondernemingen. Voor een zeer acute vraag naar hoger geschoolden heeft een internationaal bedrijf uit Bergen dat een activiteit in de informatica ontwikkelt, in India een twaalftal topingenieurs gerekruteerd. Dit bedrijf heeft trouwens zonder problemen de nodige vergunningen gekregen van de gewestelijke autoriteiten. Omdat dit bedrijf zo snel een beroep heeft kunnen doen op dit zeer hooggeschoold personeel, kan het een uitbreiding van zijn activiteiten en dus ook de aanwerving van technici plannen. Wij denken dat een te strenge aanpak en de systematische weigering om aan bepaalde beroepen toe te laten in België te werken, net het tegenovergestelde effect hebben van wat men beoogt. Wij beschikken over een groot volume aan activiteiten die zich aan tele-arbeid aanpassen of die in onderaanneming kunnen gegeven worden. Enkele weken geleden hebben wij bij de Waalse Unie een brief ontvangen van een Vietnamese firma die haar diensten aanbiedt om computerarbeid op afstand te verrichten. Als we niet in staat zijn om vroeg genoeg de arbeidskrachten naar hier te brengen die we nodig hebben, dan bestaat er een zeker risico voor onderaanneming, voor delocalisering.
Om te eindigen nog dit. Vermits Europa binnenkort zijn grenzen toch zal openstellen voor een aantal Oostbloklanden en de staatsburgers van deze landen daardoor ook toegang krijgen tot de arbeidsmarkt zoals de staatsburgers van het huidige Europa van de vijftien, en vermits we toch bezig zijn een bijzondere inspanning te leveren, waarom zouden we dan niet de moeite doen om aan deze landen voorrang te geven ? Ze worden immers toch binnenkort lid van de Europese Gemeenschap.
3.2. Gedachtewisseling
Een lid stelt dat men door de meningen die over de arbeidsimmigratie zijn uitgesproken tijdens de hoorzittingen met de arbeidswereld, het idee heeft dat men zich maar beter onthoudt van gedeeltelijke wijzigingen aan de wetgeving die al ingewikkeld genoeg is, om naar een harmonieuze wetgeving toe te werken. Zou de « Union wallonne des entreprises » bijvoorbeeld geïnteresseerd zijn in een systeem dat verwant is met de « green card » van de Verenigde Staten ? Heeft ze al gedacht aan een vereenvoudiging van de procedures ?
De heer Auquier antwoordt dat de UWE zich beperkt heeft tot het vaststellen van het feit dat de huidige wetgeving zeer ingewikkeld is, ongeacht of het de wetgeving is die de toegang tot arbeid opent zonder de aanvraag van een werkvergunning, of de wetgeving die de toekenning van vergunningen toelaat. Ze heeft geen concreet voorstel voor een aanpassing van de wetgeving. Het essentiële is dat men een mechanisme vindt dat het mogelijk maakt om zo snel mogelijk te beantwoorden aan de noden, van zodra men het nijpend tekort vaststelt.
Is de UWE voorstander van een quotabeleid waarmee men sector per sector zou beslissen over het aantal werknemers dat men vanuit het buitenland per jaar mag aanwerven ? Dit type wetgeving bestaat reeds in tal van landen.
Een ander lid stelt vast dat de heer Auquier er aan heeft herinnerd dat er een groot aantal werklozen was in het Waalse en in het Brusselse Gewest. De vraag omtrent de coördinatie van de opleidingen moet dan ook gesteld worden. Bepaalde opleidingen blijkt men enkel te kunnen geven binnen ondernemingen en kunnen dus niet door de school gegeven worden. Zijn de ondernemingen bereid om in eigen huis werklozen en in het bijzonder jonge werklozen op te leiden ?
Bestaat er een coördinatie tussen de instellingen van de drie gewesten om de eventueel niet ingevulde vacatures van het ene in te vullen met werkzoekenden van het andere ? Wat doen de ondernemingen om de jongeren door middel van werk op te leiden ? Sommige jongeren hebben een diploma maar ze hebben soms nog een bijkomende opleiding nodig die ze enkel in een onderneming kunnen krijgen. Hij zegt verrast te zijn door het gebrek aan chauffeurs voor zware vrachtwagens. Hij kent een allochtone vrachtwagenchauffeur die reeds maanden werk zoekt en wiens aanvragen tot nu toe geweigerd zijn. Het gaat hier uiteraard om discriminatie bij de aanwerving. Wat doen de ondernemingen om deze realiteit van de discriminatie bij de aanwerving te bestrijden ? Zullen de jongeren die nu al gediscrimineerd worden, niet nog meer het gelag betalen wanneer de arbeidskrachten uit Oost-Europa hier worden binnengelaten ?
Wat hemzelf betreft, is hij gekant tegen eender welke vorm van open stellen, zolang er hier geschoolde en gediplomeerde werklozen zijn die binnen ondernemingen een aanvullende opleiding zouden kunnen volgen. Hij stelt soms ook misbruiken vast : bepaalde onderzoekers worden door de ondernemingen aangeworven als studenten terwijl ze hun studies reeds hebben afgemaakt. Wat kunnen we doen om ervoor te zorgen dat de ondernemingen deze situaties in regel brengen ?
Een lid vreest dat men door zo een beroep te doen op buitenlandse arbeidskrachten, zal eindigen met een verzadiging in bepaalde sectoren. Wat doen we dan met de arbeidskrachten die we naar hier hebben laten komen en die hun werk zouden verliezen ? Zullen ze gaan stempelen ? We zullen er een groep werklozen bij krijgen. Mensen die we inderdaad gedurende een tijd nodig hadden, maar niet voor altijd.
De heer Auquier zegt dat hij heeft verwezen naar het probleem van de opleidingen binnen bedrijven. Dit probleem moet in samenwerking met de « Forem », de openbare dienst voor tewerkstelling, onderzocht worden. We mogen ons niet meer tevreden stellen met de situatie waarin men een persoon in een bepaalde sector « labelt » en zo op hem het etiket plakt dat hij meteen bereid is een baan in die sector aan te nemen. Het kan best zijn dat hij na enige tijd niet meer gemotiveerd is om in die sector te werken; het kan ook zijn dat hij deze sector vijf of tien jaar geleden verlaten heeft en dat hij de technische evolutie ervan dus niet heeft gevolgd. We moeten de beroepen doelgerichter maken en profiteren van de huidige periode met een groot aantal werkaanbiedingen die niet zijn ingevuld, om te kunnen meten wat de werklozen tekortkomen wanneer ze enkele jaren niet in de sector hebben gewerkt, of wanneer ze de school misschien voortijdig hebben verlaten om werk te zoeken. We moeten deze kans grijpen om korte opleidingen uit te werken.
Er lopen experimenten in twee sectoren : met Agoria en de bouwsector. De « Forem » plaatst zijn agenten, zijn adviseurs in de kantoren van de sector zelf waar ze sneller een idee krijgen van de beschikbare banen en zich ook een beter beeld kunnen vormen van de inhoud van de beroepen. Deze zorg is gekoppeld aan de zorg voor het beheer van deskundigheidsportefeuilles die nog moet worden gestart. Het gaat om een aanloop naar een antwoord op de vraag naar inspanningen voor opleidingen. We kunnen van de gunstige economische omstandigheden profiteren om de afwijkingen te meten en te proberen ze in te vullen door middel van opleidingsmodules die beperkt zijn in tijd. Dit op voorwaarde dat men blijk geeft van de nodige soepelheid. Er zijn nog andere sectoren, zoals de sector van de interim-arbeid, die bereid zijn zich op deze weg te engageren.
Het vastleggen van quota is een delicate zaak. Als men spreekt over quota die men aan ondernemingen wil opleggen, dan reageert de UWE daar systematisch negatief op. Zij heeft deze reactie gehad in verband met het eerstebanenplan, het zogenaamde « Rosetta »-plan. Als dit plan lukt, dan zal de onderneming in eerste instantie jongeren aanwerven. Dat betekent dat ze voor de beschikbare banen geen oudere mensen zal aanwerven, en binnen enkele maanden staan we hier opnieuw om te spreken over de tewerkstelling van mensen ouder dan 45 jaar. Trouwens, dat is nu al aan het gebeuren. Als ze de regionale en de federale verplichtingen cumuleert, dan wordt ze onderworpen aan drie prioriteiten : het bevorderen van de tewerkstelling van mensen jonger dan 25 jaar, van de groep van 25 tot 45-jarigen en van de groep ouder dan 45 jaar ! Een theorie van opgelegde quota leidt enkel tot een impasse. Bovendien heeft men het over quota voor de allochtonen, voor de gehandicapten, voor de vrouwen. Als men al deze quota zou moeten opleggen, dan zou er geen enkele mogelijkheid meer overblijven voor de selectie en de aanpassing van rekruteringen aan de noden van het bedrijf. Uiteraard is de gestelde vraag omgekeerd, vermits het gaat om rekruteringsmogelijkheden. Hij persoonlijk zou zeggen : waarom niet ? En hij zou daarbij preciseren dat we er belang aan blijven hechten dat men een bepaalde wervingsduur vastlegt. Deze moet korter kunnen zijn omdat de noden zeer actueel kunnen zijn. Het feit dat men iemand uit het buitenland laat komen, betekent vaak ook een grote investering. We moeten blijk geven van soepelheid.
Wat moeten we doen met de « ingevoerde » arbeidskrachten wanneer de conjunctuur een ommekeer kent ? Omdat het voornamelijk geschoolde arbeidskrachten zullen zijn, gelooft hij toch dat het risico voor werkloosheid klein zal zijn. En het is evenmin onmogelijk dat sommigen onder hen naar hun land zouden terugkeren nadat ze enkele jaren in België hebben gewerkt en er een bepaalde nuttige « background » hebben verworven. Als hij weer het voorbeeld van de Indische ingenieurs neemt, dan is het duidelijk dat de onderneming hen morgen niet graag ziet vertrekken en dat ze hoopt, hen enkele jaren te behouden. Maar zou er een fundamenteel probleem zijn door het feit dat ze door terug te keren naar India, een land dat niet bepaald rijk is aan hooggeschoolde mensen, het intellectuele potentieel van hun land verrijken ?
De discriminatie bij de aanwerving is een ingewikkeld probleem. Omdat spreker zelf lang heeft gewerkt in een onderneming die, toen hij ze verliet, 60 % niet-Belgen tewerkstelde, weet hij dat het niet alleen om een probleem van de directie gaat : de kaderleden en de arbeiders kunnen een rassenonderscheidende houding aannemen. Dit probleem moet niet aangesneden worden met de bedoeling om schuldigen te vinden, maar het moet op bedrijfsniveau worden aangepakt. Het is in die richting dat het werk van het Comité économique et social de la région wallonne (het Economisch en Sociaal Comité van het Waalse Gewest) evolueert. Ze vestigen de aandacht op de ervaringen die het verdienen om als voorbeeld te dienen. Pas in een dialoog binnen de onderneming, met de ondernemingsraad, met de vakbondsafvaardiging, kunnen we ons voorstellen dat er op dit gebied vooruitgang wordt geboekt.
4.1. Algemeen
De regering is tot op heden nog niet tot een besluit gekomen. Dat is onder meer te verklaren, door de complexiteit van de materie, met haar mundiale implicaties, maar ook door de plotse niet te voorziene economische heropbloei na de sombere jaren tachtig en negentig.
De werkelijkheid is op dat gebied de politieke besluitvorming ver vooruit en bewijst aan de bewindvoerders dat ze dringend soepele oplossingen moeten bedenken voor het invullen van duizenden openstaande plaatsen op de arbeidsmarkt.
Het gebrek aan vooruitziendheid en de ingewikkelde staatsstructuur zijn twee factoren die de totstandkoming van deze maatregelen hinderen, en aldus onrechtstreeks de economische ontwikkeling afremmen.
Alleszins is duidelijk dat noch het onderwijs, noch de werkgelegenheidsagentschappen van de gewesten in staat waren voldoende in te spelen op de tendensen om de vorming aan te passen aan de arbeidsmarkt. De vraag die zich nu stelt is of dit deficit op korte termijn kan worden ingehaald via versnelde vorming of niet. In sommige gevallen zal dat wellicht kunnen. In andere niet. In dit laatste geval zit er niets anders op dan gekwalificeerd personeel te importeren.
Het alternatief is dat onze ondernemingen stilstaan en kansen missen op uitbreiding van hun marktaandeel.
Twee opties kunnen worden genomen : ofwel importeert men hic et nunc gespecialiseerden uit derdewereldlanden, wat technisch toegelaten is, maar een omslachtige procedure vereist.
Ofwel speculeert men op de zeer nabije toekomst, door Oosteuropese burgers te selecteren die vanaf 2003 zonder enige administratieve rompslomp aan het werk kunnen worden gezet.
De hoorzittingen hebben aangetoond dat de noden bestaan, maar dat de mogelijke oplossingen niet onverdeeld worden aanvaard. Zo is er binnen het patronaat onenigheid over de te volgen weg : daar waar de ene enkel heil zien in directe immigratie, willen anderen eerst een poging doen tot bijscholing van werklozen.
De syndicaten willen dan weer de verworven sociale rechten vrijwaren en de sociale dumping vermijden. Om dit doel te bereiken, streven ze eerder naar de vorming van de werkloze autochtone werknemers, onder meer via de vormingsfondsen van de sectoren. Gemakkelijke oplossingen door de import van kant-en-klare technici, zijn voor hen uit den boze.
Dit laatste kan slechts een oplossing bieden op termijn, wanneer alle vormingsinitiatieven uitgeput zijn, en de nood dan nog bestaat.
De regering volgt blijkbaar deze stellingnames op de voet, en tracht een gemene deler te vinden. Daardoor neemt ze de facto een afwachtende houding aan.
Een gelijkaardige conclusie geldt trouwens ook voor de studiediensten die haar beleid ondersteunen.
Zo is er onlangs een opgemerkt verslag verschenen van de Nationale Hoge Raad voor tewerkstelling dat ook zeer terughoudend is voor de import van vreemde arbeidskrachten. De NAR werd in commissie uitgenodigd, doch had nog geen standpunt ingenomen.
Het ware wellicht aangewezen dat de regering gesprekken zou aanknopen met de gemeenschappen en de gewesten enerzijds, en met de Europese instanties anderzijds om een breed debat te voeren dienaangaande. Zonder deze partners is immers niets mogelijk.
Bovendien leent het moment zich ertoe, omdat België voorzitter wordt van de Europese Unie.
4.2. Gedachtewisseling met de heer Charles Piqué, minister van Economie en Wetenschappelijk onderzoek, de dato 7 december 2000
De minister zet uiteen dat het opstarten van een debat rond de opportuniteit om een beroep te doen op een vorm van selectieve immigratie, om het hoofd te bieden aan eventuele knelpunten of spanningen op de arbeidsmarkt, een debat vereist dat veel verder reikt dan enkel de aangewezen problematiek, met name op een passende manier tegemoetkomen aan een situatie van het conjuncturele type.
In België kennen we evenwel een werkloosheidssituatie van het structurele type dit wel zeggen naar gelang van de markten een overmatig aanbod in vergelijking met de vraag en/of het omgekeerde (tekort of overvloed) die verschilt naar gelang van de regio's of de kwalificaties.
Deze bevinding biedt meteen al een inderdaad gemakkelijk maar verdedigbaar argument voor de aanhangers van een selectieve immigratie van hooggeschoolde werknemers. Dat is het argument dat aangevoerd werd in Duitsland om de openstelling van de grenzen voor Indische informatici te rechtvaardigen. Om de zaken eenvoudiger voor te stellen : u hebt veel informatici, wij hebben er onvoldoende ... De immigratie lijkt het onmiddellijke antwoord te zijn op een veel groter probleem (eenrichtingsvisie waarbij geen rekening wordt gehouden met de behoeften van de andere landen). Het geval van Duitsland heeft evenwel een tweevoudig fenomeen in het daglicht gesteld : weinig aantrekkingskracht en een omgekeerde braindrain.
Bovendien lijkt het niet nutteloos om een beetje terug te gaan in de tijd : op het ogenblik dat er te weinig geschoolden zijn voor een beroep, is het belangrijk dat men begrijpt hoe het zover is gekomen. Niemand heeft iets zien aankomen, noch de openbare instanties, noch de bedrijven.
Van 1991 tot 1996 werden de informaticaspecialisten hard getroffen door de werkloosheid. Dat waren zwarte jaren, die volgden op een lange periode van euforie. Tijdens deze periode hebben veel bedrijven hun rekrutering stopgezet, zonder werfreserves aan te leggen. Daardoor hebben ze vandaag zoveel moeilijkheid om bepaalde posten in te vullen. Wat is geworden van al die informatici van toen ? Niemand kan het zeggen. Velen van hen hebben zich omgeschoold.
Vandaag stemt het meest gezochte profiel altijd overeen met een ontoereikende aanpassing aan de markt.
Vandaar de nood aan een verduidelijking en een kwantificering van de reële behoeften in deze sector.
Voor België is er evenwel een studie van de SES die bepaalde ophelderingen biedt en komaf maakt met enkele recente mythes over de situatie in Wallonië. Hier volgen enkele conclusies die hij uit deze studie kon trekken :
Bij de meest gevraagde beroepen (waar er schaarste heerst) staan de informaticaspecialisten en de ingenieurs veel verder in het rijtje dan andere beroepen zoals geschoolde arbeiders, verplegers, architecten, ...;
De bedrijfsleiders geven over het algemeen blijk van een relatief beperkte kennis van de bestaande opleidingssystemen, aangezien deze laatste zeer weinig samenwerken;
De sectoren waarin men het moeilijkst jonge of minder jonge afgestudeerden vindt, zijn natuurwetenschappen en wiskunde.
Daarom denkt hij dat we er niet zullen in slagen om een evenwicht te scheppen tussen het aanbod en de vraag naar bepaalde soorten werk door een beroep te doen op economische immigratie, zoals dat in België het geval was in de jaren 50 en 60.
In de eerste plaats lijkt het hem vanuit een humanitair standpunt niet opportuun om aan de hand van aantrekkelijkere lonen en voordeligere sociale omstandigheden de meest begaafde technici van ontwikkelingslanden aan te moedigen om van het zuiden naar het noorden te vluchten.
Vanuit een standpunt dat meer toegespitst is op België, dringt zich meteen een kwalitatieve en kwantitatieve beschouwing op over de arbeidsmarkt, of eerder over de arbeidsmarkten. Hieruit blijkt dat de omstandigheden zowel geografisch als sectoraal zeer heterogeen zijn.
Hij voegt eraan toe dat er in België een migrantenbevolking van de tweede of de derde generatie woont die regelmatig geconfronteerd wordt met een fenomeen van discriminatie bij de aanwerving (aangetoond door een studie van het Internationaal Arbeidsbureau). Hoewel deze personen opgeleid zijn, worden ze geconfronteerd met barrières die onduldbaar zijn vanuit het standpunt van de gelijkheid.
Het lijkt hem dan ook relevanter onze inspanningen toe te spitsen op de volgende punten : integratie, reïntegratie, vorming, informatie, inter- en intraregionale mobiliteit, evenals coördinatie van de verschillende gezagsniveaus die betrokken zijn bij deze missies : de openbare instanties, de bedrijven, de opleidingscentra en organen zoals BGDA, RVA en VDAB.
De bedrijven en de arbeidsbemiddelingsinstanties beginnen bijvoorbeeld stilaan het belang van opleidingen in te zien. In het laatste rapport van de CRB over de evolutie van de lonen en de tewerkstelling een rapport dat de basis vormt voor de interprofessionele onderhandelingen wordt er bijvoorbeeld duidelijk op gewezen dat de deelname van werknemers aan opleidingen constant is gestegen tijdens de jaren 90. Er is evenwel een redelijk groot verschil tussen geschoolde en niet-geschoolde arbeiders.
Het is dus noodzakelijk deze inspanningen zowel horizontaal als verticaal verder te zetten.
Wat de informatieverstrekking betreft, is een pro-actief beleid noodzakelijk vanaf de jongste leeftijd. Initiatieven zoals roadshows of campagnes die tot doel hebben wetenschappelijke roepingen te doen ontstaan, gaan die richting uit.
4.3. Gedachtewisseling met mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid
4.3.1. Uiteenzetting
4.3.1.1. Inleiding
Het debat over het opheffen van de zogenaamde migratiestop wordt actueler met de dag. De druk om terug contingenten van migranten toe te laten wordt groter, vooral vanuit werkgevershoek.
De motivaties voor het opheffen van de stop zijn verschillend :
er zijn de tekorten op de arbeidsmarkt zowel bij hooggeschoolden (sterk stijgend) als laaggeschoolden. De werkgevers zouden die graag sneller zien opgevuld, door middel van quota of contingenten toegelaten vreemde arbeidskrachten;
er is de demografische evolutie met de toenemende vergrijzing en de daaruit groeiende wanverhouding tussen het aantal actieven en passieven op de arbeidsmarkt. Dit heeft gevolgen voor het kunnen blijven betalen van de sociale zekerheid;
er is het oneigenlijk gebruik van de asielprocedure door economische vluchtelingen, en de problematiek van de illegalen, en de hoop dat deze druk zou verminderen door ook een gecontroleerde instroom of contingenten van migranten toe te laten.
Concreet uitgewerkte voorstellen zijn er nog niet, maar de pleidooien van de werkgevers gaan van een soepelere procedures en kortere termijnen in het bekomen van arbeidsvergunningen voor buitenlandse werknemers tot het makkelijker verkrijgen van arbeidsvergunningen zonder tijdsbeperking voor hooggeschoolden. Andere ideeën werken met het toekennen van een jaarlijks contingent van een beperkte omvang. En de Europese Commissie wil de lidstaten vragen na te gaan hoeveel en welke arbeidskrachten zij nodig hebben, om in 2004 tot een nieuw gemeenschappelijk immigratie- en asielbeleid te komen.
4.3.1.2. Is er momenteel wel een migratiestop ?
Bij de hele discussie dient vooreerst nagegaan in hoeverre er momenteel wel een migratiestop is. In theorie is dit zo. In praktijk is het nodig om de zogenaamde migratiestop sterk te relativeren :
er is niet alleen het vrije verkeer van personen binnen de EU, maar ook het fenomeen van de volgmigratie van buiten de EU in het kader van het recht op gezinshereniging (in 1999 een kleine 4 000, vooral uit Maghreb en Turkije);
er zijn de erkende asielzoekers met een ruw gemiddelde van 1 500 a 2 000 per jaar, de geregulariseerden met ongeveer 1 500 per jaar;
er zijn een 2 000-tal verblijfsvergunningen per jaar voor studenten.
De migratiestop slaat dus enkel op de arbeidsmigratie van buiten de EU, en ook daar zijn er uitzonderingen mogelijk.
De cijfers over het nettomigratiesaldo (immigranten emigranten) in België geven voor de periode 1989-1998 gemiddeld voor de Belgen een negatief saldo van 4 400 en voor de vreemdelingen een positief saldo van 19 757 wat gemiddeld een positief saldo geeft van zo'n 15 000 per jaar en volgens officieuze prognosecijfers van het Planbureau zou dit voor de komende 50 jaren rond de 17 000 blijven.
Volgens de Europese Commissie heeft de Europese Unie voor de periode 1990-1998 een positief migratiesaldo van gemiddeld 2,2 % (800 000 per jaar), tegen bijna 0 % voor Japan, en 3 % voor de Verenigde Staten.
Er is dus geen echte migratiestop, maar eerder een poging tot gecontroleerde migratie.
4.3.1.3. De situatie van de arbeidsmarkt
De knelpunten op de arbeidsmarkt zijn reëel : steeds meer van de vacatures behoren tot de knelpuntenberoepen. En deze knelpuntenberoepen zijn quasi identiek voor de drie gewesten. Toch geraakte 75 % van deze vacatures nog ingevuld. Het probleem stelt zich zowel bij hooggeschoolden (informatici, ingenieurs), technisch geschoolden (lassers, ...) als laaggeschoolden (vervoer, horeca).
De verschillende werkgeversfederaties pleiten bijgevolg voor soepelere mogelijkheden om deze arbeidskrachten elders aan te trekken.
Maar er zijn vandaag in België nog ongeveer 350 000 uitkeringsgerechtigde werklozen, waarvan de helft laaggeschoolden : de werkloosheidsgraad bij hen is vijfmaal hoger dan bij hooggeschoolden. Voor niet-Belgen van buiten de EU, vooral Turken en Marrokanen is die werkloosheidsgraad ook vijfmaal hoger.
De mogelijkheden om buitenlandse arbeidskrachten in te voeren bestaan reeds en worden ook gebruikt : in 1998 werden in totaal 7 341 eerste arbeidskaarten afgeleverd en 4 505 hernieuwingen.
Vooral in de categorie van het hogergeschoold personeel is het vrij eenvoudig om buitenlandse arbeidskrachten aan te trekken, waarbij het land van herkomst zelfs geen rol speelt. De huidige wetgeving voorziet immers dat voor hogergeschoolden geen onderzoek dient te gebeuren van de Belgische arbeidsmarkt, vooraleer een arbeidsvergunning kan afgeleverd worden. En van zodra het loon dat aan die werknemer uitbetaald wordt bruto ongeveer 90 000 frank per maand overschrijdt, is er een vermoeden dat het om een hogergeschoolde gaat.
De tekorten aan laaggeschoolden hebben eerder te maken met onaantrekkelijke arbeidsvoorwaarden, en bovendien speelt ook de discriminatie ten aanzien van allochtonen een grote rol. Bovendien moet er naast de werklozen ook rekening gehouden worden met een latente arbeidsreserve van niet-werkenden zonder werkloosheidsuitkeringen. De vraag is dan ook of niet eerder dient gewerkt aan die arbeidsvoorwaarden en aan een heroriëntering van de huidige werkzoekenden, in plaats van beroep te doen op de gemakkelijkheidsoplossing van de invoer van nieuwe werknemers.
Op termijn zal in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie (105 miljoen extra inwoners, met een hoog werkloosheidspercentage in de kandidaat-lidstaten en een grote sociaal-economische divergentie), het aanbod op de arbeidsmarkt zeker vergroten.
Het aantal illegalen in de EU wordt tussen een half en vier miljoen geschat, waarvan een deel « te gepasten tijd » geregulariseerd wordt : sinds 1970 zijn al 1,8 miljoen illegalen geregulariseerd en zo beschikbaar voor de legale arbeidsmarkt. In België werden er jaarlijks zo'n 1 000 tot 1 500 illegalen individueel geregulariseerd, en zijn met de regularisatiecampagne zo'n 33 000 dossiers ingediend voor 55 000 mensen.
Een te gemakkelijk ingaan op de wensen van de werkgevers zou de druk op hen om bijkomend te investeren in opleiding van personeel doen verminderen. Ook de druk om verdere inspanningen te doen op het vlak van de evenredige arbeidsparticipatie (personeelsbestand als afspiegeling van de arbeidsmarkt) en het wegwerken van achterstelling op de arbeidsmarkt van bijvoorbeeld de aanwezige werkloze allochtonen, zal verminderen. Idem voor de druk om een aantal beroepen op te waarderen. Voor sommige sectoren kan men zich de vraag stellen of men behoefte heeft aan (bijkomende) werkkrachten of aan bijkomende illegale werkkrachten.
Het is een gemakkelijkheidsoplossing om zonder meer te kiezen voor zoveel mogelijk inpasbare vreemde werkkrachten. Bovendien draagt dit de kiemen van sociale dumping in zich, en zal in periode van slechtere conjunctuur in de eerste plaats de (nieuwe) migrant het slachtoffer zijn, en zal de samenleving dan weer voor de kosten opdraaien.
In elk geval dienen de inspanningen inzake opleiding en werkgelegenheidsbeleid, specifiek naar achtergestelde groepen, verder opgevoerd te worden.
4.3.1.4. Noodzaakt de demografische evolutie een immigratiegolf ?
De vergrijzing van de bevolking is bekend.
Volgens de bevolkingsvooruitzichten 2000-2050 van het Planbureau zal de bevolking dalen vanaf 2020. Vanaf 2025 zal er per potentieel werkende persoon meer dan één afhankelijke persoon zijn. En terwijl er in 1997, 39 ouderen waren voor 100 potentieel actieven, zullen dit er in 2050, 67 zijn.
Er stellen zich dus mogelijke problemen naar de blijvende betaling van de welvaartstaat in zijn huidige vorm.
Toch kan arbeidsmigratie onmogelijk aan een realistische oplossing bijdragen voor deze problematiek : volgens prognoses zou de EU, wil het de bevolking tot 2050 op peil houden 47 miljoen extra migranten nodig hebben. Wil het de beroepsbevolking op peil houden, dan heeft het 79 miljoen migranten nodig, en wil het de verhouding actieven-passieven op peil houden, dan heeft ze 674 miljoen extra migranten nodig. Dat wil zeggen 13,5 miljoen per jaar. En dit terwijl het huidig gemiddelde positief migratiesaldo voor de EU slechts 800 000 per jaar is.
Deze cijfers tonen aan dat immigratie hoogstens iets kan bijdragen om het bevolkingspeil op peil te houden maar weinig of niets aan de wijzigende leeftijdsstructuur van de bevolking. Problemen inzake de onvermijdbare vergrijzing zullen dan ook in een andere organisatie van de samenleving gezocht moeten worden. De aanzet hiertoe wordt al gegeven met het Zilverfonds, een streven naar een verhoging van de activiteitsgraad met ook een activering van de mensen uit de latente arbeidsreserves, zoals de herintreders en herintreedsters, in een andere spreiding van de loopbaan en een verdere daling van de werkloosheid.
4.3.1.5. Een keuze tussen economische vluchtelingen of arbeidsimmigranten ?
Het aantal asielzoekers in België stijgt de laatste jaren weer sterk : van 11 602 in 1997, 21 967 in 1998 tot 35 778 in 1999. Ongeveer 70 % van hen komt uit de ex-Sovjet-Unie en Oost- en Midden-Europa. De gemiddelde erkenningsgraad vanaf 1988 bedraagt 8,4 %. De meeste asielzoekers kunnen dus als economische vluchtelingen of -migranten beschouwd worden die hun situatie elders trachten te verbeteren, en hiervoor de asielprocedure gebruiken. Met een overbelasting van die procedure als gevolg.
Vandaar de vraag of het toelaten van contingenten (arbeids)migranten de druk op de asielprocedure zou verminderen.
Het geval van de Verenigde Staten toont nochtans aan dat, wanneer je een contingent migranten toelaat, dit contingent snel vol raakt, waarna de asielproblematiek zich identiek stelt.
Bovendien kan men maar een deel van de migratie selecteren : de volgmigratie van de naaste familie die steeds op gang komt, heeft men veel minder in de hand, zelfs met een gedeeltelijke beperking van het recht op gezinshereniging zoals in de Verenigde Staten : wie er het ene jaar niet meer bijkan schuift op naar het volgende, terwijl dat recht bij ons losstaat van quota. Volgmigratie, al dan niet geregeld, groeit vaak uit tot het grootste aandeel in de totale migratie.
Ten slotte, wie « tijdelijke » migratie toelaat krijgt steeds te maken met (illegale) blijvers : de meeste migranten zullen toch blijven. Men schat dat ongeveer 40 % van de illegalen in de Verenigde Staten mensen met een verlopen tijdelijke vergunning zijn.
De vooropgestelde quota raken dus meer en meer volzet door enerzijds volgmigratie en anderzijds het regulariseren van illegalen en van verlopen tijdelijke vergunningen.
4.3.1.6. Een ander probleem bij quota : welke zijn de herkomstlanden ?
De vraag is ook in functie van welke criteria je wie toelaat : de eigen arbeidsmarkt, de toestand van de herkomstlanden, die landen van waaruit de druk het grootst is, wat niet hetzelfde is als de armste landen, of een combinatie.
In elk geval is het belangrijk om ook rekening te houden met de invloed van de migratie op de herkomstlanden. Onderzoek levert hier geen eenduidig antwoord : emigratie kan zowel bijdragen als afbreuk doen aan de ontwikkeling van de herkomstlanden.
Alhoewel meestal gebruikt in de betekenis van het verlies aan hooggeschoolden is het begrip braindrain eigenlijk van toepassing op elke situatie waarin een land mensen verliest, die het zelf kan gebruiken.
Volgens de Verenigde Naties betekenen de 90 000 hooggeschoolden die een ontwikkelingsland hebben ingeruild voor de Verenigde Staten, in 1990 een verlies van 642 miljoen dollar (7 400 dollar elk of aan de huidige koers ongeveer 280 000 frank) aan investeringen en onderwijs, naast het verlies van professionele ervaring die in het land van herkomst ook voor ontwikkeling en innovatie zou kunnen zorgen.
Men schat dat ongeveer 1,5 miljoen geschoolde mensen uit ontwikkelingslanden werkzaam zijn in Europa, Verenigde Staten, Japan, of Australië, en dat 30 % van de hooggeschoolden uit Afrika vertrekt.
Ook in Oost-Europa heeft de emigratie sinds begin de jaren 80 voor een braindrain gezorgd.
Voor sommige landen lijken er ook positieve effecten te spelen. In Indië, dat een groot surplus aan hooggeschoolden heeft, hebben migranten die, vooral in de Verenigde Staten, kennis en ervaring hebben opgedaan bedrijven opgezet in hun thuisland en zo bijgedragen tot de ontwikkeling van de ICT-sector in Indië.
Niet enkel het aspect braindrain dient bekeken : ook het feit dat de immigrant geld terugstuurt naar het land van herkomst kan de situatie ter plaatse beïnvloeden. Voor een aantal landen is de teruggestuurde geldstroom van emigranten aan familie groter dan de ontwikkelingshulp.
Dit teruggestuurd geld kan de koopkracht doen stijgen, en een stimulans zijn voor de plaatselijke economie.
De mate waarin terugkerende migranten en teruggestuurd geld bijdragen in de ontwikkeling van de landen van herkomst hangt ook af van het beleid in die landen. In de mate dat het daartoe bijdraagt zou het op lange termijn de migratiedruk doen afnemen. Op korte termijn, zo blijkt, verhoogt het die druk aangezien succesvolle emigratie aanzet tot navolging.
4.3.1.7. Recente evoluties op wettelijk en reglementair vlak
Economische immigratie is vandaag een realiteit, dat weten we. Het is nu de zaak te weten of er voorzieningen dienen opgezet te worden, met als doel er op een structurele wijze rekening mee te houden.
De regering heeft reeds inspanningen geleverd om de sociaal-professionele integratie van de vreemdelingen beter te verzekeren, meer bepaald van de vreemdelingen die zich reeds op het grondgebied bevinden en die, naargelang hun toestand, hier een wettelijk verblijf hebben, of op weg zijn om dat te verwerven.
Een eerste maatregel dateert van 15 februari 2000. Op die datum werd het koninklijk besluit goedgekeurd dat vreemdelingen met een verblijfsvergunning van onbepaalde duur vrijstelt van de verplichting om over een arbeidsvergunning te beschikken.
Een vreemdeling met een verblijfsrecht van onbepaalde duur heeft op basis van dit koninklijk besluit zonder enige formaliteit toegang tot de arbeidsmarkt.
Een tweede maatregel dateert van 6 april 2000 : het betreft de omzendbrief met betrekking tot de voorlopige arbeidsvergunningen voor kandidaten voor de regularisatie.
Deze omzendbrief laat toe dat kandidaten voor regularisatie werken binnen het kader van een voorlopige arbeidsvergunning. De aflevering daarvan is onderworpen aan drie voorwaarden :
er moet door een werkgever een verzoek tot aanwerving ingediend worden;
een kopie van de arbeidsovereenkomst moet worden bijgevoegd;
een kopie van het ontvangstbewijs van de regularisatieaanvraag moet eveneens worden bijgevoegd.
Met het oog op de vergemakkelijking van de situatie van de regularisatieaanvragers, die onderworpen worden aan formaliteiten die hen vaak verhinderen om een job te krijgen, heeft de minister een ontwerp voorbereid ter wijziging van deze omzendbrief, waarin voorzien wordt dat kandidaten voor de regularisatie kunnen werken zodra ze een aanvraag indienen. De gewesten krijgen twee maanden om uitspraak te doen over deze aanvraag. Wanneer bij het verstrijken van deze periode geen negatieve beslissing is genomen, wordt de arbeidsvergunning beschouwd als zijnde toegekend.
Deze nieuwe manier van werken zal de taak van iedereen vergemakkelijken : die van de werkgevers en van de kandidaten voor een job, alsook de taak van de gewesten, die hun inspectie-inspanningen zullen kunnen richten op dossiers die hen niet lijken te beantwoorden aan de wettelijke criteria.
Een derde punt is de beslissing om aan de volgende drie categorieën van vreemdelingen in het kader van de programmawet voortaan toegang te verlenen tot de programma's voor steun bij aanwerving (plan + 1, + 2 en + 3; PWA) :
1º diegenen die een machtiging tot verblijf van onbepaalde duur hebben en ingeschreven zijn in het vreemdelingenregister (dit is een 1e nieuwigheid);
2º de vreemdelingen bij wie het behoud van het verblijfsrecht afhankelijk is van het vinden van een job (dit is een 2e nieuwigheid);
3º de vreemdelingen met een machtiging tot verblijf van bepaalde duur, maar met een expliciet vooruitzicht op een machtiging van onbepaalde duur na een bepaald aantal hernieuwingen (dit betreft de geregulariseerden die niet beoogd worden door de regularisatiewet van 22 december 1999) (dit is een 3e nieuwigheid).
De voorwaarde om deze maatregelen te kunnen genieten is voortaan voor alle rechthebbende categorieën de periode van inschrijving als werkzoekende. Deze voorwaarde wordt gekoppeld aan het eenvoudige bezit (zonder voorwaarde van tijdsduur) van de hoedanigheid van begunstigde van maatschappelijke hulp, van werkloosheidsuitkering, enz.. Dit is een vierde nieuwigheid. Voordien voorzag de wetgeving dat men begunstigde moest zijn geweest van deze hulp, van werkloosheidsuitkering, enz., gedurende een bepaald aantal maanden.
Deze wijziging betekent concreet dat regularisatieaanvragers (die in deze hoedanigheid geen recht hebben op maatschappelijke hulp maar zich kunnen inschrijven als werkzoekenden), vanaf hun regularisatie kunnen genieten van steunmaatregelen voor aanwerving als ze op dat ogenblik hun recht op maatschappelijke hulp doen gelden en als ze bovendien kunnen aantonen dat ze zoals vereist is al zes maanden ingeschreven zijn als werkzoekende.
Naar de toekomst toe, wenst zij eveneens mee te delen dat zij van plan is om aan de regering een nieuwe vorm voor te stellen van reglementering van de aflevering van arbeidsvergunningen om zo de procedure te kunnen vereenvoudigen in de mate van het mogelijke, en van het wenselijke.
Concreet omvat deze hervorming het volgende.
Ze stelt voor om de vreemdelingen die een machtiging tot verblijf hebben en waarvan de toegang tot de arbeidsmarkt afhankelijk is van objectieve voorwaarden waarvan het bestaan gemakkelijk vastgesteld kan worden door een werkgever, te onderwerpen aan de regeling van de vrijstelling van vergunning. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op de situatie van de vreemdeling die naar België is gekomen op basis van de omzendbrief met betrekking tot de samenwoonst in het kader van een duurzame relatie, of op die van de vreemdeling die een verblijfsvergunning krijgt in de hoedanigheid van student.
Het regime van de vergunning A (geldig ten opzichte van elke werkgever) zou dan weer van kracht zijn voor vreemdelingen met een machtiging tot verblijf waarvan de toegang tot de arbeidsmarkt afhankelijk is van objectieve voorwaarden waarvan het bestaan moeilijk gecontroleerd kan worden. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op de hypothese dat de toekenning van de vergunning A afhankelijk is van de voorwaarde dat men gedurende x maanden in het bezit is geweest van een vergunning B, voor activiteiten gepresteerd tijdens een legaal en ononderbroken verblijf : de administratie is beter geplaatst dan een werkgever om te controleren of aan deze voorwaarden voldaan is.
Tot slot stelt ze voor om het regime van de vergunning B in stand te houden en er de vreemdelingen te laten van genieten die zich niet in België bevinden of die er over een onzeker verblijfsrecht beschikken, met behoud van de voorwaarde met betrekking tot de arbeidsmarkt (dit wil zeggen prioriteit voor personen die al deel uitmaken van de arbeidsmarkt). Voor dit behoud zouden dezelfde beperkingen gelden als op dit ogenblik (dit wil zeggen dat de momenteel voorziene afwijkingen behouden worden, met hier en daar versoepelingen).
Dit alles toont duidelijk haar vastberadenheid aan als minister van Werkgelegenheid om de economische migranten zo goed mogelijk te integreren. Zij denkt aan de mensen voor wie de verwijdering een menselijk niet aanvaardbare oplossing is omwille van omstandigheden zoals een langdurige aanwezigheid op het grondgebied, een onmogelijke terugkeer of nog het ontwikkelen van duurzame banden in ons land.
4.3.1.8. Conclusies
Zowel voor de vergrijzing als voor de ontlasting van de asielprocedure biedt een bijkomende arbeidsmigratie geen oplossing. De strijd tegen de illegale migratie blijft in elk scenario even noodzakelijk.
Voor de tekorten op de arbeidsmarkt zou bijkomende arbeidsmigratie soelaas kunnen bieden, maar wordt de weg geopend voor sociale dumping met minder aandacht voor achtergestelde groepen en al in België verblijvende allochtonen. Migratie is dus niet de aangewezen weg om de zogenaamde knelpuntenvacatures in te vullen.
Een eventueel aanvaarden van quota, wat nog verder dient onderzocht te worden en wat dus niet kan vanuit het oogpunt van gemakkelijksoplossing inzake invullen van vacatures, zou beter in Europees perspectief bekeken worden. Een Europese harmonisering van niet alleen de asielwetgeving, maar ook van de afwijkingen op de zogenaamde migratiestop zijn sowieso aangewezen. Hierbij kan men eventueel anticiperen op de uitbreiding van de EU.
Maar hoe dan ook, indien hiertoe overgegaan wordt, is het duidelijk dat, voor wat mij betreft :
1. er bijkomende inspanningen gevraagd moeten worden van de werkgevers ten aanzien van opleidingsprogramma's en evenredige arbeidsparticipatie voor de achtergestelde groepen hier;
2. de sociale rechten voor iedereen gevrijwaard blijven;
3. een degelijk onthaalbeleid moet gevoerd worden.
Bovendien mogen de eigen behoeftes van de werkgevers en arbeidsmarkt dan nooit het uitgangscriterium zijn, maar zal er, via bilaterale akkoorden rekening gehouden moeten worden met de belangen van de bevolking in de herkomst- en ontwikkelingslanden : braindrain vermijden, opzetten van mogelijke terugkeerprojecten, investeren in de plaatselijke ontwikkeling.
Enkel in een dergelijke verruimde context, die er niet één is van arbeidsmarktwetten, kan een ruimer debat gevoerd worden over de noodzaak, het nut en de effecten van een nieuw immigratiebeleid.
Buiten een aantal uitzonderingen (tuinbouw) is het voor de categorie laaggeschoolden moeilijk om arbeidsvergunningen te verkrijgen, maar bestaan er ook ontwijkingsmechanismen : in het kader van associatieovereenkomsten met Oost-Europa, met het vrije verkeer van dienstverlening, uitbesteding en filialisering, EU-ondernemers met buitenlandse werkkrachten, enz.
Hierbij dient opgemerkt dat de mogelijke afwijkingen op de zogenaamde migratiestop in de EU sterk verschillend zijn : zo kunnen Oostenrijkse en Duitse werkgevers tijdelijke arbeidscontracten afsluiten met seizoenarbeiders uit Oost-Europa van maximum drie maanden, en moet er bij contracten korter dan twee maanden geen sociale lasten betaald. Op het totale aantal seizoenarbeiders staat geen maximum, er is enkel een beperking op de sectoren waarin ze tewerkgesteld zijn : dit zijn vooral tuin- en landbouw, horeca en bouw. In 1997 werden er zo in Duitsland 226 000 seizoenarbeiders, vooral Polen, toegelaten. Ook in Nederland zou, vergeleken met België, een soepelere regeling bestaan. Zonder harmonisering ligt ook hier de baan open voor verdere sociale dumping.
Volgens een recente Britse studie zou de toevloed binnen het kader van het vrije verkeer uit Polen, Hongarije, Tsjechië en Slovenië, landen van de kopgroep, zich echter beperken tot 1,96 miljoen mensen over een periode van vijftien jaren. Twee derden zou na een periode van twee tot drie jaren terugkeren. Volgens een rapport van de Europese Commissie zouden uit de tien kandidaat-landen jaarlijks 335 000 mensen verhuizen, waarvan één derde werk zou zoeken.
Bovendien worden in dit debat ook de eerste kiemen aangedragen van een duale welvaartsstaat en duale sociale zekerheid : in navolging van het op dat vlak zeer brute Amerikaanse systeem (onderhoudsplicht van familie of kennis voor 10 jaren ten aanzien van de migrant, die niet ten laste mag komen van de Tax-payer) wordt er door de Europese Commissie en ook Reginald Moreels gesproken over een proportioneel laten aanspraak maken op de sociale zekerheid in functie van de zelf of door familie geleverde (sociale) bijdragen in het gastland. Dit zou in tegenspraak zijn met het door ons verdedigde principe dat iedereen die zich legaal op ons grondgebied gevestigd heeft aanspraak kan maken op dezelfde (sociale) rechten.
4.3.2. Bespreking
Een senator heeft enkele vragen en opmerkingen bij de uiteenzetting van de minister van Werkgelegenheid.
Uiteraard is het belangrijk rekening te houden met de in ons land bestaande werkloosheid. Daar kunnen we inderdaad niet blind voor zijn, vooral niet voor het buitenproportioneel aandeel van migranten van de eerste, tweede en derde generatie.
Voortdurend proberen we een idee te krijgen van hun aandeel in de werkloosheid. Waar situeren ze zich ? Klopt het dat in streken waar de werkloosheid vrij laag is, zoals in Kortrijk, West-Vlaanderen, belangrijke groepen migranten, die intussen misschien Belg geworden zijn, nog steeds geen job hebben ? Kunt u hierover cijfers bekendmaken ? Indien zou blijken dat belangrijke reserves aanwezig zijn, ook in gebieden waar de werkloosheid klein is, dan denk ik dat dit een argument is om de aandacht op deze groepen te vestigen.
Zijn tweede vraag kwam reeds bij andere hoorzittingen aan bod en betreft de problematiek van de regionale verschillen in ons land. De minister zal er zich allicht van bewust zijn dat een ander arbeidsmarktbeleid moet worden gevoerd in Vlaanderen en Wallonië, omdat Vlaanderen alsmaar meer te kampen heeft met arbeidstekorten, terwijl in een aantal gebieden in Wallonië een grote werkloosheidsgraad bestaat.
Dan rijst de vraag hoe het komt dat men er niet in slaagt werklozen van bijvoorbeeld de provincie Henegouwen aan het werk te stellen in de provincie West-Vlaanderen, daar waar mensen uit Noord-Frankrijk, die hij uiteraard verwelkomt, en masse solliciteren bij de interimkantoren. Hijzelf woont in Kortrijk en merkt dit op. Talrijke vrienden in Henegouwen en Wallonië in het algemeen slagen er evenwel niet in die stap te doen. Is de minister van plan hieraan iets te doen ?
Zijn derde vraag betreft de problematiek van de knelpuntberoepen. De minister heeft op het bestaan ervan gewezen en de heer Andries heeft terzake een belangrijke uiteenzetting gehouden, met een document waaruit blijkt dat in Vlaanderen een negental beroepen echte knelpuntberoepen zijn. Hij denkt hierbij onder meer aan de ziekenhuisverpleegkundigen, lassers, metsers, beenhouwers en chef-koks, die reeds sinds 1990 het kenmerk van knelpuntberoep hebben.
Wat gaat de minister doen om dit probleem zo snel mogelijk op te lossen ? Het is immers acuut en blijft bestaan. Indien er niets verandert, wordt ook geen oplossing geboden. Graag dus een extra inspanning.
Zijn vierde opmerking gaat over de aanwezigheid van een grote groep migranten, vaak illegalen, bijvoorbeeld uit Polen, die actief zijn op onze arbeidsmarkt. Ze verrichten weliswaar zwartwerk, maar volgens hem vaak nuttig werk.
Uiteraard kan zwartwerk worden bestreden, vooral ten aanzien van de werkgever, maar niettemin is het de realiteit en komt het werk van die mensen tegemoet aan een behoefte in onze arbeidsmarkt. Graag had hij voor die mensen een oplossing wordt gevonden. Vaak gaat het immers om niet-criminelen die heel nuttig werk verrichten.
Zijn laatste opmerking betreft een suggestie van collega Van Boxtel, de Nederlandse minister voor Grootstedenbeleid, die de werkgevers een deal voorstelt. Als zij mensen willen krijgen uit niet-Europese landen, moeten zij in ruil één ongeschoolde niet-tewerkgestelde persoon van eigen land tewerkstellen en opleiden. Stilaan komt men tot de consensus dat men daardoor een win/win-situatie creëert : de werkgever kan de job laten uitvoeren en de ongeschoolde niet-tewerkgestelde van eigen land krijgt een extra kans en zal op termijn, zodra de migrant is teruggekeerd, vermits het slechts om een tijdelijke situatie gaat, kunnen instromen in de job. Dit lijkt hem een mooi compromis te zijn waar iedereen gelukkig kan mee zijn.
Een lid zegt zeer tevreden te zijn de voorstellen en plannen van mevrouw de minister te horen. Hij heeft vol belangstelling geluisterd en was onder de indruk van de brede visie op het immigratiebeleid. Hij heeft al lang de persoonlijke wens dat de verkrijging van de arbeidsvergunning vereenvoudigd zou worden. Vorig jaar heeft hij hieromtrent een vraag gesteld, en hij stelt vast dat men op goede weg is. In de praktijk kunnen we vaststellen dat de werknemer vaak de kans op werk aan zich ziet voorbijgaan wegens de moeilijkheid om een vergunning te verkrijgen, omdat de werkgever de te ondernemen stappen te complex vindt.
Wat het immigratiebeleid betreft, is het standpunt van de minister hetzelfde als het zijne : alvorens een beroep te doen op een economische en selectieve immigratie, dient men zich eerst te bekommeren om diegenen die zich al in ons land bevinden. Er zijn in België arbeidskrachten van vreemde of allochtone afkomst die er niet in slagen werk te vinden, omdat ze het slachtoffer zijn van discriminatie bij de aanwerving. Hij heeft voor zich een document dat afkomstig is van de heer Michel van Fabrimetal, waarin alle behoeften van de werkgevers uit zijn sector in Wallonië samengevat worden.
Hij betreurt het feit dat er geen studies zijn voor Brussel. Het volstaat niet te klagen over het gebrek aan arbeidskrachten, men moet dit nog kunnen staven aan de hand van cijfers. Als hij onderzoekt welk profiel men vraagt van arbeiders, technici of ingenieurs, stelt hij vast dat men opleidingen eist die niet worden gegeven in de scholen, maar in de bedrijven zelf. Dat is een ander debat. Het is de verantwoordelijkheid van de Staat of van de gemeenschappen om aan de jongeren in de scholen een opleiding te geven die de mogelijkheid biedt om tegemoet te komen aan deze vragen. Zo zouden er 226 lassers te kort zijn. Het kan niet moeilijk zijn om mensen die al een opleiding hebben genoten en die werk zoeken, op te leiden tot lasser. Hij kent persoonlijk veertigers die industrieel ingenieur zijn van opleiding en die alfabetiseringcursussen geven; het zou gewoon volstaan om hen bijscholingen te geven. Men moet beginnen met de opleiding en de rekrutering van dergelijke mensen. De rest kan nadien besproken worden. Dat verhindert hem niet om na te denken over het immigratieprobleem. Men hoeft absoluut niet geconfronteerd te worden met noodgevallen om na te denken.
Rest het probleem van de samenwerking tussen de gewesten. We horen dat er in Vlaanderen een vreselijk tekort aan arbeidskrachten is en dat er veel werkzoekenden zijn in Brussel en in Wallonië. Dat is een politiek probleem qua coördinatie op federaal niveau. Waarom slagen we er niet in om mensen uit Brussel of Wallonië in Vlaanderen aan het werk te zetten ? Sommigen zullen zeggen dat het gaat om een taalprobleem, maar de mensen die men eventueel uit het buitenland zou laten komen, zullen geconfronteerd worden met hetzelfde probleem dat ze geen Nederlands kennen. De mensen die hier wonen, zijn al vertrouwd met het Nederlands en kunnen de taal dus gemakkelijker leren. Het patronaat zou de mensen moeten aanmoedigen om Nederlands te leren. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren in het kader van cursussen voor sociale promotie.
Wat de immigratie betreft, is hij het eens met de analyse van de minister. De immigratie mag evenwel niet beperkt worden tot een selectieve en economische immigratie. Men dient een percentage voor te behouden voor niet- of laaggeschoolden. Dat is een debat dat geopend moet worden.
In België is er een gebrek aan leerkrachten voor wetenschapslessen, verpleegsters enz. In de Maghreb-landen is er echter een teveel aan mensen die over deze kwalificaties beschikken. Dat biedt dus mogelijkheden om te rekruteren, maar in het kader van een gemeenschappelijk overleg tussen het land van herkomst en het gastland. Deze immigratie moet ook bijdragen aan de ontwikkeling van de landen waar we arbeidskrachten zouden rekruteren. Het is de taak van de ontwikkelde landen om bij te dragen aan de ontwikkeling van de andere landen.
Dan stelt zich ook nog het probleem van het statuut van deze immigranten. Zullen ze een tijdelijk of onbeperkt verblijfsrecht hebben ? We moeten niets meer weten van het huidige immigratiebeleid waarbij alles beheerd wordt in het kader van de gezinshereniging. Als men een doordacht en op lange termijn duurzaam immigratiebeleid wil, moet men denken aan de integratie van de immigranten in de maatschappij.
Alvorens een definitieve oplossing te concretiseren, dient men ook de gevolgen af te wachten van de uitbreiding van de Europese Unie met landen met een hoog werkloosheidspercentage. In België werken er al veel Polen in de bouwsector. Het is voor niemand een geheim dat het gemakkelijk is om een Pool te vinden die klusjes doet « in het zwart ». Als u de deuren opent voor onvoorwaardelijke immigratie, dan zullen we geconfronteerd worden met een verslechtering van het levensniveau, wegens de concurrentie op de markt, gezien het grotere aanbod van arbeidskrachten. Daardoor zouden de sociale verworvenheden in het gedrang kunnen komen.
Een lid verklaart dat de conclusies van de minister redelijk correct zijn, voor zover men beoogt de problematiek van de immigratie te scheiden van een benadering die louter verband houdt met de arbeidsmarkt. Het is in die richting dat ze een impuls wil geven aan het rapport en aan de toekomstige aanbevelingen. Als er zich op een bepaald ogenblik een bepaald aantal economische mogelijkheden aandienen, dan begint men opnieuw na te denken over het probleem van de immigratie, maar deze twee problemen mogen niet star aan elkaar worden gekoppeld, omdat ze tegemoetkomen aan verschillende behoeften. Ze is het eens met een groot aantal beschouwingen van de minister. In een globale wereld waarin alle productiefactoren evolueren, waarin men een beroep doet op alle krachten van de hele planeet zowel inzake kapitaal en investeringen als creatie is het evenwel frustrerend voor laaggeschoolde of matig geschoolde werknemers die toegang hebben tot mondiale informatie (TV, internet, enz.), om te moeten horen dat er voor hen geen mobiliteit is. Cultureel moet er op dit vlak een beheer gegarandeerd worden. Antwoorden dat Europa en de meest ontwikkelde landen hun grenzen volledig sluiten, is niet houdbaar, noch cultureel noch sociaal. Men dient dit probleem in overweging te nemen.
Ze zou van de minister een verduidelijking willen omtrent de arbeidsvergunningen die uitzonderlijk toegekend worden voor een bepaald aantal beroepen. Ze zou willen weten op basis waarvan en op welk ogenblik men beslist om deze mogelijkheid toe te passen. Wat bijvoorbeeld de lassers betreft, zijn de behoeften overduidelijk, maar dit type van arbeid wordt niet beoogd door deze specifieke vergunningen.
Men zou verder kunnen praten over het probleem van de opleiding. Er is op dat vlak duidelijk een probleem dat men zou kunnen proberen op te lossen aan de hand van aantrekkelijkere financieringsmaatregelen voor de werknemers en eventueel voor de werkgevers. Men dient evenwel voorzichtig te blijven, want de hoofdbekommernis moet de financiering van de sociale zekerheid zijn.
De instandhouding van deze illusie van de sluiting van de grenzen met een clandestiene bevolking of een bevolking met een verblijfsvergunning maar geen arbeidsvergunning, leidt ertoe wat het zwartwerk betreft dat er een regulering is in een bepaald aantal sectoren waarin deze arbeidskrachten ingezet worden. Deze situatie zet aan tot nadenken. Er zijn initiatieven van de overheid, meer bepaald in de dienstensector, om te proberen uit te zoeken hoe de betrokken sectoren legaal kunnen worden gereguleerd. Het voorstel van visa of tijdelijke arbeidsvergunningen heeft ook tot doel te proberen om een bepaald aantal werknemers uit de clandestiniteit te halen die de arbeidsmarkt op illegale manier reguleren, aangezien ze de kosten laag houden. Ze zou dus verduidelijkingen willen over deze programma's.
Een andere vraag riskeert zich op te dringen. Als men weet dat dit een gevaar kan inhouden voor de arbeidsmarkt, hoe kan men er dan mee instemmen om het immigratiebeleid te bespreken, zelfs als dit niet gebaseerd wordt op de problematiek van de arbeidsmarkt ? Volgens de uiteenzetting van de heer Michel van Agoria lijden de werkgevers niet onder de beperkingen in termen van antwoord op behoeften aan arbeidskrachten. Men heeft het geval van de informatici aangehaald, maar ze denkt dat dit geldig is voor tal van andere beroepen. Dit is geen structureel antwoord, aangezien de meeste mensen die werk zoeken bereid zijn om eender welk werk te doen en aangezien hypergeschoolde individuen geconfronteerd worden met een zeer brede markt en zich veeleisend kunnen opstellen. Ze zijn niet op dezelfde manier als anderen kandidaat voor de immigratie.
Een ander lid wijst erop dat dit probleem een dimensie inhoudt die we misschien hier niet kunnen aansnijden, maar die zeer belangrijk is. Een Indische informaticus die het risico loopt onder handen te worden gepakt door skinheads in Berlijn, zal niet naar Berlijn gaan. Dat is fundamenteel. Men moet goed begrijpen waarom de Duitse quota-aanbiedingen absoluut geen effect hebben. Als u praat met mensen in Berlijn, dan merkt u dat het een algemene regel is dat de fysieke angst aanwezig is zodra men eerder zwart haar heeft. De Indiërs blijven niet. Het eerste dat ze doen als ze nog maar twee maanden in Duitsland zijn, is vragen om naar de Verenigde Staten te gaan.
Het is belangrijk dat er rekening wordt gehouden met deze houding die op geen enkel ogenblik aan bod zal komen in een officieel document, maar die het echte probleem vormt. Ze heeft een dag doorgebracht in Berlijn en heeft er twee taxichauffeurs gezien. De ene was een Iraniër en de andere een Turk. Ze wilden eerst in Duitsland blijven, maar ze panikeerden omdat ze nooit weten wie er in de taxi zal stappen. Uit angst voor hun fysieke integriteit hebben ze alle twee aangevraagd om te emigreren naar de Verenigde Staten, hoewel ze al tien jaar in Duitsland wonen. Men moet nagaan wat de evolutie van het racisme in Duitsland betekent.
Deze feiten, die niet aan de orde zijn in ons debat, zijn een zeer belangrijk element van hetgeen zich afspeelt op de fameuze markt van de geschoolden. Ze verduidelijkt dat deze taxichauffeurs geschoolde personen zijn die in Duitsland geen werk hebben gevonden in hun vakgebied. Deze commentaar heeft betrekking op een probleem dat we in kaart zouden moeten brengen, maar dat niet kwantificeerbaar is. Als we erkennen dat er een soort concurrentie bestaat tussen de lokroep van de Amerikaanse markt en de lokroep van de Europese markt of van Europa als dusdanig, dan speelt dit element al in het nadeel van Europa.
Een lid verklaart dat hij zich aansluit bij de woorden van de vorige spreekster, omdat de discussie over het tijdelijk fenomeen van het racisme in Europa naar hij hoopt in alle opzichten tijdelijk ons niet mag wegleiden van het feit dat bijvoorbeeld een Indiër zijn toegevoegde waarde in geld wil omzetten. Volgens hem zijn de onveiligheid of het racisme eerder bijkomstig ten opzichte van wat hem zowel als persoon als met betrekking tot zijn land bezielt als zijn echte « finaliteit ». Vanuit de eigenheid van de vorming die hij in zijn land heeft gekregen en vanuit wat hij wil, namelijk zichzelf op een superkapitalistische manier te gelde te maken, liefst in zijn land en zijn cultuur, zal hij zijn voornemen uitvoeren. Hij zal zich tijdelijk als human resource uitvoeren om daarna zo snel mogelijk in eigen land te kunnen ondernemen. Deze redenering op zich heeft niets verwerpelijks, wat ons zou moeten steunen in de benadering van het fenomeen.
Vervolgens stelt het lid vast dat men in een aantal ontwikkelingslanden zal proberen de globaliteit van de toegevoegde waarde in eigen land te houden, zowel met betrekking tot de dienstensector als wat de ontwikkeling van de soft- en de hardware betreft. Ons probleem dat erin bestaat ons te positioneren ten opzichte van andere landen om iemand wel naar België en niet naar Duitsland of wel naar Europa en niet naar Amerika te laten afvloeien, is aldus slechts van tijdelijke aard.
Een veel diepzinnigere discussie zou er waarschijnlijk in bestaan om het outsourcingprobleem, dat hier telkens als negatief wordt beschouwd, op een andere manier te benaderen. Hij roept de leden dan ook op die discussie te deculpabiliseren en na te gaan in hoeverre wij een aantal denkrichtingen niet beter kunnen ontwikkelen dan thans gebeurt door per se een aantal mensen naar ons land aan te trekken of ze hier te houden.
Indien de economische realiteit ons ertoe dwingt om puur economische redenen mensen aan te trekken, gaat voor de regering de discussie over de green cards. Is dat een al dan niet aanvaardbare piste ? Hij weet niet of deze vraag op dat niveau reeds werd gesteld. Indien dit niet het geval is, moet dat alleszins gebeuren, al was het maar om er de economische voor- en nadelen van te onderzoeken.
De vorige spreekster zegt dat men zowel rekening dient te houden met hetgeen een lid heeft gezegd als met de voorstellen van de minister, namelijk de vergunning B meer openstellen door ze nauwer te laten aansluiten bij vergunning A. Kan men geen speciale kaart bedenken die toegang zou verlenen tot de andere twee en die uiteindelijk tegemoet zou komen aan deze optie ? Is het te vroeg om iets dergelijks voor te stellen waarbij rekening zou worden gehouden met de bestaande praktijken in de Verenigde Staten, zodat er een zone wordt behouden waarin men een vereenvoudigde procedure kan ontwikkelen ? Het is inderdaad zo dat men het risico niet kan lopen om te improviseren op het vlak van het arbeidsrecht. Ze denkt dus dat de voorstellen van de minister al zeer breed waren en tegemoetkwamen aan deze bekommernis.
De minister antwoordt op de vraag of het belangrijk is om rekening te houden met de bestaande werkloosheid in ons land. En wat met de schaarste ? Ze herinnert eraan dat ze vandaag het immigratiebeleid als dusdanig niet heeft willen behandelen, maar dat ze wou onderzoeken wat er schuilgaat achter het discours « immigratie wegens nood aan arbeidskrachten ». In dit kader is het vanzelfsprekend interessant om de argumenten van de werkgevers te beschouwen.
Is er een hoog werkloosheidspercentage in ons land ? Dat kennen we. Voor meer duidelijkheid zouden we misschien ook kunnen spreken van tewerkstellingspercentage. Dit is het aantal personen dat werkt in verhouding tot het aantal personen dat de leeftijd heeft om te werken, volgens de criteria van de Europese Unie. In België hebben we een tewerkstellingsgraad van 54 % op basis van de voltijdse werknemers en 59 % als er rekening wordt gehouden met deeltijdse werknemers. U weet trouwens dat we tegen 2010 een graad van 70 % moeten bereiken om in overeenstemming te zijn met de conclusies van de Top van Lissabon. Dit betekent dat België voor de beschikbare arbeidskrachten die niet werken, een potentieel van meer dan twee miljoen mensen aan het werk zal moeten zetten.
De Hoge Raad voor tewerkstelling, die voorgezeten wordt door de heer Jan Smet van de Nationale Bank, is trouwens officieel geïnterpelleerd. Er is aan de raad gevraagd om een advies uit te brengen over het tewerkstellingspercentage. De raad heeft zeer duidelijk geantwoord dat men, om andere personen dan diegenen die ingeschreven zijn als werkzoekenden te winnen voor tewerkstelling, interessante arbeidsvoorwaarden moet kunnen aanbieden of een harmonisatiebeleid moet promoten tussen de levenstijd op het werk en de levenstijd thuis. Ofwel moet men nog stimulansen vinden om de activiteitsgraad van ouderen te verhogen. De Hoge Raad voor tewerkstelling spoort ons aan om specifieke beleidslijnen in te voeren om de tewerkstellingsgraad te verhogen via een grotere kwaliteit van de tewerkstelling.
Om de realiteit van de arbeidsvoorwaarden te omschrijven, neemt ze het voorbeeld van de transportsector. In deze sector, waarin sprake is van schaarste, is er geen nood aan hooggeschoold personeel. Men loopt evenwel het risico dat de werklozen een dergelijke werkaanbieding niet aanvaarden, omdat de arbeidsomstandigheden te slecht zijn. Is men dus niet bezig de debatten scheef te trekken en de aandacht toe te spitsen op de arbeidsomstandigheden in België, op de ontoereikende inspanningen op het vlak van de opleiding van het personeel zowel de opleiding van de jongeren en de alternerende opleiding als de opleiding binnen het bedrijf door zich niets aan te trekken van het probleem van de arbeidsvoorwaarden en de opleiding en door een immigratiequota op te eisen om de plaatsen in te vullen die opengelaten worden door diegenen die niet willen werken ? Een groot deel van de problemen en de huidige vraag van het patronaat vloeit daaruit voort. Men mag niet elke schaarste ontkennen. Ze heeft het trouwens gezegd : de immigratie is niet gestopt. Ze is constant. Er worden constant arbeidsvergunningen afgeleverd. Er worden illegalen geregulariseerd voor het werk. Dat bestaat allemaal in ons land. Maar ze stelt vast dat, wat deze grote oproep betreft die veroorzaakt werd door een enorme schaarste die zou bestaan in België, de cijfers en de realiteit aantonen dat de argumenten die aangevoerd werden gegrond zijn.
Ze wijst er tevens op dat de werkloosheid van de vreemdelingen in België hoger ligt dan het gemiddelde en verder blijft stijgen. In 1993 bedroeg dat percentage 16,9 % en in 1998 18 %. Nochtans neemt de werkloosheid van de burgers van de Europese Unie af. Het is dus de werkloosheid van personen die afkomstig zijn uit een land dat niet tot de Europese Unie behoort, die onophoudelijk stijgt. Als men spreekt van discriminatie bij de aanwerving, dan is dit dus waar. We moeten hiermee rekening kunnen houden in onze realiteit, om te reageren op het ruimschoots ontwikkelde argument. Ze pleit dus niet voor de zogenaamde territoriale voorkeur. Ze onderzoekt de arbeidsmarkt, de kwaliteit van de tewerkstelling, de inspanningen op het vlak van opleiding en mobiliteit van de werknemers. Het is ook interessant op te merken dat er in het kader van de uitbreiding en het vrije verkeer van werknemers zeer veel personen zijn die kunnen inspelen op de eventuele schaarste.
Wat de arbeidsvergunning en de arbeidskaarten betreft, stelt artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 het volgende : « De arbeidsvergunning wordt alleen dan toegekend wanneer het niet mogelijk is binnen een redelijke termijn onder de werknemers op de arbeidsmarkt een werknemer te vinden die, al of niet door een nog te volgen gepaste beroepsopleiding, geschikt is om de arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een billijke termijn te bekleden. En wat het hooggeschoold personeel betreft, bepaalt artikel 9, 6º, het volgende : « In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 67 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aangegeven bedrag » (dit bedrag bedraagt 1 186 000 frank het voornoemde bedrag is berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet).
De arbeidsvergunningen worden afgeleverd door de gewesten. In 1999 werden er in Vlaanderen 4 645 vergunningen B afgeleverd, waarvan 55 % voor de tewerkstelling van hooggeschoolden. Ze zou ook de statistieken kunnen geven voor alle gewesten en hun evolutie. Maar men heeft op zeer grote schaal toegang tot deze mechanismen. Bovendien heeft ze in haar interventie voorgesteld om deze toegang uit te breiden, te vergemakkelijken en te versoepelen.
Het kan niet dat een rapport over het immigratiebeleid van de regering geen rekening zou houden met het bestaan van bepaalde trends en suggesties die in de wetenschappelijke wereld de ronde doen en die een weerslag op dit beleid zouden kunnen hebben.
De commissie voelde zich dan ook verplicht om zich te beraden over de fameuze studie van de UNO betreffende de noodzaak om een demografisch tekort in Europa in te vullen met de massale invoer van vreemdelingen.
Deze studie kende een nogal eigenaardige geschiedenis en wel in die zin dat ze maandenlang circuleerde onder het label van de UNO, zonder dat ook maar iemand er voor ongeveer februari 2001 kennis van had kunnen nemen in de vorm van een officieel document.
Deze studie was ter inzage beschikbaar op de volgende site :
« www.UN.org/esa/population/popdecline.htm »., terwijl het in feite een informeel document betrof.
Het Planbureau had de reflex om een studie over dit verschijnsel te starten, teneinde het dossier te demystificeren. Het heeft deze studie gekaderd in zijn financiële perspectieven 2000-2050 van de sociale zekerheid.
Dit is de reden waarom de commissie een hoorzitting met deze openbare instelling heeft georganiseerd.
De Senaat heeft in voorpremière kennis genomen van deze studie.
Andere instellingen, zoals de Centrale Economische Raad, werden geraadpleegd, maar ze hebben zich ofwel onbevoegd verklaard, ofwel waren ze niet bereid om hierover hun conclusies te geven.
2.1. Uiteenzetting van de heer Englert over de financiële vooruitzichten voor de sociale zekerheid voor de periode 2000-2050
2.1.1. Inleiding
2.1.1.1. Tien jaar voorspellingen op lange termijn
Sinds de jaren tachtig werd het wettelijk pensioenstelsel al verschillende malen hervormd. De regering heeft meteen de noodzaak aangevoeld om die hervormingen zo aan te passen dat de financiële draagbaarheid van de openbare herverdelingssystemen op lange termijn behouden blijft. Vandaar dat sinds het einde van de jaren tachtig het Federaal Planbureau verschillende malen is uitgenodigd om in het kader van zijn wettelijke opdrachten voor het bieden van hulp bij het nemen van beslissingen in het economisch beleid de ontwikkeling op lange termijn te bestuderen van de pensioenen (1), de andere sociale uitgaven, het overheidstekort en de openbare schuld en om het effect van de hervormingen te evalueren. Het is met dat doel voor ogen dat het MALTESE-model (2) is uitgewerkt.
De verschillende onderzoeken werden onder verantwoordelijkheid van het Federaal Planbureau gepubliceerd en op internationale wetenschappelijke colloquia voorgesteld. De voorspellingen werden overigens al verschillende malen officieel voorgesteld aan de parlementaire commissies en aan de commissies van de Centrale Raad voor economie (sociale partners) en dus opgenomen in de officiële verslagen van die commissies. Onlangs nog is een reeks voorspellingen verwezenlijkt als nationale bijdrage aan een internationale evaluatie van de toekomstige budgettaire kost van de pensioenen in de lidstaten van de Europese Unie, enerzijds, en van de OESO, anderzijds.
2.1.1.2. Oefeningen met een verkennende bedoeling
Het MALTESE-model werd dus ontwikkeld met de bedoeling de financiële leefbaarheid van het pensioenstelsel op lange termijn te testen.
Aangezien het praktische beheer van de sociale zekerheid gedurende de jaren tachtig de ontwikkeling van mechanismen van financiële doorlatendheid tussen de verschillende takken van de sociale zekerheid vertoonde, was het echter nodig om de modelvorming uit te breiden naar die andere takken.
Sinds de invoering van het principe van het « globale beheer » van de sociale zekerheid in 1995, wat elk praktisch belang heeft weggenomen van de identificatie van de bijdragen en de transfers van het centraal gezag, die specifiek toegewezen zijn aan de verschillende takken van de sociale zekerheid, kan men niet anders dan rekening houden met het geheel van de sociale zekerheid. Die globale benadering is bijzonder opportuun gebleken bij de evaluatie van de effecten van de hervorming van 1996, die de verplaatsing van belangrijke uitkeringsvolumes tussen de verschillende takken impliceerde.
De globale benadering die voor de sociale zekerheid in de institutionele zin van het woord werd uitgekozen, leidt er op een natuurlijke manier toe de financiële ontwikkeling ervan in te schrijven in het kader van de financiën van het geheel van de openbare besturen, zodat ook de uitgaven die verbonden zijn aan de sociale bescherming en die niet tot het domein van de sociale zekerheid behoren, gedekt zijn.
De modelvorming heeft betrekking op het verband tussen de dynamiek van de sociale uitgaven, enerzijds, en de parameters van de wetgeving op het vlak van de in aanmerking komende personen en de berekening van de uitkeringen, anderzijds. Met de gegeven wetgeving is de dynamiek van de sociale uitgaven sterk beïnvloed door de demografische, sociaal-demografische en macro-economische omgeving : het model is echt geconcipieerd om het effect van de voornaamste parameters van de wetgeving op de interactie tussen, enerzijds, de demografische, sociaal-demografische en macro-economische ontwikkelingen en, anderzijds, de dynamiek van de sociale uitgaven te analyseren.
De demografische, sociaal-demografische en macro-economische voorspellingen zijn gemaakt op basis van zuiver exogene hypothesen : in de referentievoorspelling zijn die hypothesen gebaseerd op de tendensen op lange termijn van de Belgische economie.
Het scenario van het sociale beleid namelijk de regels voor de indexering van de uitkeringen is in de referentievoorspelling gebaseerd op de wettelijke bepalingen en het bestaande beleid. Het budgettaire beleid is ontworpen op basis van de strategie op middellange termijn van de Belgische overheid, die zelf rekening houdt met het Europese Pact voor stabiliteit en groei.
Dankzij demografische, sociaal-demografische en macro-economische scenario's en scenario's voor een alternatief sociaal beleid kan de gevoeligheid van de resultaten voor de verschillende hypothesen, alsook de stevigheid van de conclusies worden geanalyseerd.
In de mate dat de voorspellingen bewust worden gerealiseerd bij constante wetgeving en beleid, en waarbij de demografische, sociaal-demografische en macro-economische hypothesen exogeen zijn, is de voorspellende waarde van de oefeningen beperkt. Zij zorgen ervoor dat de toekomstige ontwikkeling van de financiën van de sociale bescherming kan worden geschetst en dat de belangrijkste determinanten van die ontwikkeling op het niveau van de reglementering en de omgeving waarin ze is geplaatst kunnen worden geïdentificeerd. De voorspellingen hebben dus een verkennende bedoeling.
2.1.2. Methode
MALTESE verwijst in feite naar een systeem van onderling afhankelijke modellen of modules. Het demografische model vormt er het vertrekpunt van. De module die de globale rekening en de rekening van het geheel van de openbare administraties genereert met inbegrip van de tekorten, de rentelasten en de corresponderende schulden vormt er het eindpunt van.
De uitgaven van elk van de takken van de sociale zekerheid zijn het voorwerp van een speciale modelvorming, zowel wat betreft het aantal begunstigden als wat betreft het gemiddelde bedrag. Met betrekking tot de gezondheidszorgen is de modelvorming een beetje anders, aangezien ze een gemiddeld verbruik per inwoner identificeert, afhankelijk van de leeftijd en het geslacht. De inkomsten (zie punt 1) worden op het globaal niveau berekend.
2.1.2.1. Sociale zekerheid
Aantal begunstigden
De ontwikkeling van het aantal begunstigden in elk van de takken van de sociale zekerheid wordt gegenereerd met behulp van de aantallen van de verschillende leeftijds- en geslachtsklassen die voortvloeien uit de demografische voorspelling, daarbij rekening houdend met eventuele niet-ingezeten begunstigden en gevallen waarbij men tegelijkertijd verschillende statuten heeft. Die indeling is afhankelijk van :
het sociaal-demografische scenario met betrekking tot de scholings- en activiteitsgraad in de verschillende leeftijds- en geslachtsklassen;
het macro-economische scenario met betrekking tot de verdeling van de actieve bevolking over werkloosheid en werkgelegenheid in de verschillende statuten (voornamelijk de loontrekkenden van de bedrijven, de zelfstandigen en het openbaar ambt).
Het aantal begunstigden in de takken van de sociale zekerheid die de verschillende vormen van inactiviteit dekken (invaliditeit, brugpensioen, pensioen) ontwikkelt zich op basis van het gemiddelde gedrag bij het stopzetten van de activiteit of de overgang naar een andere vorm van inactiviteit. Dat gedrag wordt vertegenwoordigd door waarschijnlijkheden die eigen zijn aan de verschillende leeftijds- en geslachtsklassen en die toegepast worden op de verschillende categorieën rechthebbende begunstigden.
In de praktijk gebruikt men in de gerealiseerde voorspellingen de waarschijnlijkheden die voortvloeien uit de recentste waarnemingen. Sommige van die waarschijnlijkheden ontwikkelen zich echter om rekening te houden met de ontwikkeling van het vrouwelijk activiteitsgedrag, enerzijds, en de wijziging van de regels van de wetgeving in verband met de rechthebbenden, anderzijds. Bijvoorbeeld : de geplande verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen zorgt voor een reductie van de vrouwelijke pensioneringsgraad tussen 60 en 65 jaar.
Zelfs wanneer die waarschijnlijkheden voor de toegang tot één of andere tak van de sociale zekerheid constant zijn, verandert het percentage van de bevolking dat men in die tak terugvindt (activiteitsgraad, brugpensioneringsgraad, pensioneringsgraad). Inderdaad :
de waarschijnlijkheden die corresponderen met de meest recente waarnemingen kunnen verschillen van die uit het verleden.
de aantallen van de sociaal-economische categorieën waarop die waarschijnlijkheden van toepassing zijn (werkgelegenheid, werkloosheid) ontwikkelen zich.
De demografische voorspelling wordt op die manier via een evolutieve scholings-, activiteits-, werkgelegenheids-, werkloosheids-, invaliditeits-, brugpensionerings- en pensioneringsgraad getransformeerd tot een sociaal-demografische voorspelling die een coherent beeld geeft van de verdeling van de bevolking over de verschillende sociaal-professionele categorieën, meer bepaald de verschillende categorieën met begunstigden van sociale uitkeringen.
De modelvorming die betrekking heeft op de ontwikkeling van de pensioneringsgraad in de verschillende stelsels (loontrekkenden, zelfstandigen, openbaar ambt, bijzondere stelsels) en tussen categorieën binnen hetzelfde stelsel (verdeling van de gepensioneerden van het stelsel van loontrekkenden over pensioenen voor huishoudens, pensioenen voor alleenstaanden, overlevingspensioenen enz.) is sterk ontwikkeld (HORBLK-model); de voorspelling van de andere sociaal-demografische graden gebeurt met behulp van het traditionele MALTDEMO-model.
Er kunnen verschillende sociaal-demografische scenario's die betrekking hebben op het pensionerings- en brugpensioneringsgedrag worden getest.
Gemiddeld bedrag
De ontwikkeling van het gemiddelde bedrag van de uitkeringen wordt in elk van de takken gesimuleerd door zo getrouw mogelijk de reeks parameters van de wetgeving in verband met de opeenvolgende cohorten begunstigden te reproduceren.
Die parameters zijn :
de plafonds en de forfaitaire bedragen;
de regels voor de indexering van de uitkeringen, de plafonds en de forfaitaire bedragen (bovenop de indexering van de prijzen, die inherent is aan het Belgische systeem van sociale zekerheid);
in het voortkomende geval, de coëfficiënten voor de berekening van de uitkeringen op basis van het referentieloon;
in het voorkomende geval, de regels die bepalen wie recht heeft op een specifieke categorie van uitkeringen (bijvoorbeeld : supplementen voor personen ten laste, leeftijdssupplementen, rang van een kind, enz.)
Dankzij de sociaal-demografische en macro-economische omgevingen kan de ontwikkeling van het referentieloon, het aantal begunstigden dat het plafond heeft bereikt en de demografie van de begunstigden worden gesimuleerd. Omwille van verschillende redenen is het immers zo dat het bedrag van de uitkeringen het vaakst varieert op basis van de leeftijd en het geslacht. Ten slotte wordt er nog rekening gehouden met het effect van de gemiddelde duur van het verblijf in elk van de takken.
De modellen Pension en Public, die de ontwikkeling van het gemiddelde bedrag van het pensioen simuleren in het stelsel van loontrekkenden en in dat van het openbaar ambt, vormen twee grondig uitgewerkte voorbeelden van modelvorming voor de dynamiek van de verschillende sociale uitkeringen.
Er kunnen verschillende scenario's voor sociaal beleid met betrekking tot de uitgekozen formules voor de indexering van de uitkeringen, de plafonds en de forfaitaire bedragen worden getest.
Het MALTESE-systeem

2.1.2.2. Globale openbare financiën
De voorspelling van het geheel van sociale uitgaven geeft de budgettaire kost van de veroudering, die in het algemeen wordt uitgedrukt in de vorm van een toename van de openbare uitgaven (in % van het BBP) voor een bepaalde periode.
MALTESE omvat een module waardoor men het effect kan bestuderen van de budgettaire kost van de veroudering op de trajectorie van de nettobehoeften inzake financiering en de schuldenlast van het geheel van overheidsapparaten. Om dat te kunnen doen worden er eenvoudige hypothesen opgesteld aangaande de ontwikkeling van de primaire inkomsten en uitgaven die niet gelinkt zijn aan de sociale bescherming, alsook een hypothese inzake de rentevoet op lange termijn. In de praktijk veronderstellen de gerealiseerde voorspellingen voor die andere primaire uitgaven een ontwikkeling die parallel loopt met die van het BBP. De fiscale en parafiscale druk is constant nadat er rekening is gehouden met de eventuele toekomstige aanpassingen die al in de wetgeving zijn opgenomen.
De scenario's die hier worden voorgesteld, reproduceren de budgettaire strategie van de Belgische overheid, met name het creëren van een nettocapaciteit voor een positieve structurele financiering, waaraan voor elk jaar van de voorspelling een primaire surplusnorm beantwoordt die afhangt van de rentelasten. In de mate dat de MALTESE-voorspellingen een trajectorie geven van het primaire saldo bij een ongewijzigd beleid, wijst de voorspelling van de openbare financiën jaar na jaar en naar gelang van het geval, op de manoeuvreerruimte die beschikbaar is voor nieuwe initiatieven of de omvang van de te leveren saneringsinspanningen.
2.1.3. De vooruitzichten voor 2000-2050 : demografische voorspellingen met de budgettaire kost van de veroudering
De laatste financiële vooruitzichten op lange termijn voor de sociale bescherming die gepubliceerd zijn, werden opgesteld in 1997. Zij werden voorafgegaan door de demografische vooruitzichten voor de periode 1996-2050 van 1996.
Er heeft net een updating van die oefening plaatsgevonden. Men hoeft zich niet te verbazen over de stabiliteit van de conclusies : de sociale wetgeving is weinig veranderd en de tendensen die werden verwacht op demografisch, sociaal-demografisch en macro-economisch vlak, werden bevestigd. De toename van de werkgelegenheid is echter groter dan men heeft voorspeld. Dat komt door een vertraging van de productiviteitswinst en de snellere economische groei. De budgettaire sanering is sneller verlopen dan voorzien.
De ramingen inzake de budgettaire kost van de veroudering moeten dus niet ingrijpend worden gewijzigd.
2.1.3.1. Hypothesen
Demografisch scenario
Tabel 1 toont de basishypothesen van het centrale scenario van de demografische vooruitzichten voor de periode 2000-2050.
De hypothesen werken met drie parameters : de vruchtbaarheid, de levensverwachting en de interne en externe migraties. Ze worden gekenmerkt door een lagere vruchtbaarheidsgraad, een toename van de levensverwachting en een zeer positief migratorisch saldo.
Tabel 1 : demografisch scenario
| 2000 | 2050 | |
| Vruchtbaarheidsgraad (gemiddeld aantal kinderen per vrouw) | 1,61 | 1,74 |
| Levensverwachting bij de geboorte | ||
| Mannen | 75,1 jaar | 83,9 jaar |
| Vrouwen | 81,5 jaar | 88,9 jaar |
| Migraties | ||
| Migratorisch saldo (duizendtallen) | + 18,4 | + 17,3 |
Bron : NIS FPB, De vooruitzichten op het vlak van de bevolking voor de periode 2000-2050, nog te verschijnen.
De ontwikkeling van de structuur van de bevolking die resulteert uit die hypothesen wordt getoond in tabel 2.
Tabel 2 Leeftijdsstructuur van de bevolking
| 2000 | 2010 | 2030 | 2050 |
Structuur (% van het totaal). Structure (% du total)
| 0-19 | 24 | 22 | 21 | 20 |
| 20-59 | 54 | 54 | 49 | 47 |
| 60+ | 22 | 24 | 30 | 33 |
| Afhankelijkheidscoëfficiënt van bejaarden. Coefficient de dépendance des âgés | 40 | 44 | 63 | 69 |
(60+/20-59)
| Veroudering van de bejaarde bevolking. Vieillissement de la population âgée | 16 | 21 | 22 | 32 |
Bron : NIS - FPB. De vooruitzichten op het vlak van bevolking voor de periode 2000-2050, nog te verschijnen.
Sociaal-demografisch scenario
Het sociaal-demografisch scenario van de referentievoorspelling is uitgewerkt op basis van drie stuwende elementen : de tendensen op lange termijn op het vlak van activiteitsgraad, het waargenomen gedrag op het vlak van pensioen (met inbegrip van vervroegd pensioen) en de hervormingen inzake de pensioengerechtigde leeftijd en de voorwaarden om recht te hebben op vervroegd pensioen.
De tendensen op het vlak van activiteitsgraad worden gesimuleerd met behulp van een voorspelling van de potentiële activiteitsgraad, een zeer ruim begrip dat zowel werkgelegenheid als werkloosheid (met inbegrip van oudere werklozen die niet meer op zoek zijn naar een baan) en brugpensioen omvat en dat als basis dient voor de voorspelling van de aantallen van de verschillende categorieën.
Figuren 1 en 2 tonen de ontwikkeling van de activiteitsgraad per geslacht en leeftijdsklasse tussen 1947 en 2050.
Figuur 1 (in % van de corresponderende bevolking)
Activiteitsgraad vrouwen

Bron : NIS voor de waarnemingen, FPB : referentievoorspelling MALTESE.
Figuur 2 (in % van de corresponderende bevolking)
Activiteitsgraad mannen

Bron : NIS voor de waarnemingen, FPB : referentievoorspelling MALTESE.
Figuren 3 en 4 tonen de voorspelling van de pensioneringsgraad van mannen en vrouwen.
Figuur 3

Figuur 4
Macro-economisch scenario
Het macro-economich scenario geeft een ontwikkeling op lange termijn met betrekking tot de productiviteit, de lonen, de werkgelegenheid, de minimum werkloosheid en de rentevoet.
Voor de periode 2000-2050 is het gekozen scenario gebaseerd op voorspellingen op middellange termijn van het Federaal Planbureau.
De hypothese inzake productiviteitswinst is op lange termijn 2,25 % in de referentievoorspelling en 1,75 % in de macro-economische variant. De ontwikkeling van de werkgelegenheid is iets dynamischer dan die van de actieve bevolking en leidt tot het bereiken van de gestelde minimum werkloosheidsgraad (5 %). De werkelijke rentevoet op lange termijn is 4 %.
Wat betreft de tendentiële groei en de gemiddelde groei van de Belgische economie gedurende de langste periode die gekend is uit het verleden (2,25 %) zijn de hypothesen van de referentievoorspelling gebaseerd op de bestaande evaluaties.
Het scenario van de werkgelegenheid kan pessimistisch lijken als men rekening houdt met het ritme van het creëren van werkgelegenheid van de laatste vijf jaar (bijna 1 % per jaar), maar het is weinig waarschijnlijk dat een dergelijk ritme kan worden gehandhaafd als de impulsen van het werkgelegenheidsbeleid verslappen en de actieve bevolking inkrimpt.
| Productiviteit op lange termijn | Referentie 2,25 % |
Variant 1,75 % |
| Werkgelegenheid * | 0,1 | 0,1 |
| Productiviteit en loon * | 2,2 | 1,8 |
| BBP * | 2,3 | 1,9 |
| Minimum werkloosheid (% van de actieve bevolking, zonder oudere werklozen die niet meer op zoek zijn naar een baan) | 5 | 5 |
| Werkelijke rentevoet | 4 | 4 |
* Gemiddelde jaarlijkse groei (reële cijfers).
Bron : FBP, MALTESE-voorspellingen.
Scenario's voor een sociaal en een budgettair beleid
Het scenario voor een sociaal beleid beschrijft de hypothesen op het vlak van de welzijnsaanpassing van de sociale uitkeringen en de ontwikkeling van de loonplafonds (tabel 4).
De wet tot hervorming van de pensioenen bepaalt dat het loonplafond, dat gebruikt wordt bij de berekening van het pensioen, bovenop de automatische indexering, verhoogd zal worden met een bedrag dat gelijk is aan de reële loonsverhoging die wordt toegestaan door de mechanismen van de loonmatiging. Anderzijds wijst men op de mogelijkheid om de pensioenen aan te passen aan de ontwikkeling van het bestaansniveau (« welzijnsaanpassing »), maar dan op een selectieve manier.
Het scenario voor een sociaal beleid baseert zich op die wet om het ritme vast te leggen van de (reële) verhoging van het loonplafond en dat niet alleen voor de pensioenen, maar ook voor de andere vervangingsinkomens. De verhoging van het loonplafond houdt rekening met een verschil tussen de macro-economische groei van de lonen en de toegestane groei, een verschil dat te wijten is aan de « wage-drift » (0,5 % per jaar). De gemiddelde welzijnsaanpassing is volgens de hypothese 0,5 % per jaar in de referentievoorspelling.
In werkelijkheid komt het scenario voor een sociaal beleid niet overeen met het beleid dat gevoerd werd tussen 1982 en 1998. Gedurende die periode gebeurde er bovenop de automatische indexering geen welzijnsaanpassing meer, tenzij een selectieve en één die beperkt bleef tot de stelsel van loontrekkenden en met uitzondering van de invoering van supplementen voor werklozen gekoppeld aan de leeftijd in het begin van de jaren negentig.
Tabel 4 : Scenario's voor een sociaal beleid
(werkelijke jaarlijkse groei in %
periode 2000-2050)
| Productiviteit op lange termijn | Referentie 2,25 % |
Variant 1,75 % |
| Lonen (macro-economische ontwikkeling) | 2,25 | 1,75 |
| Loonafwijking | 0,5 | 0,5 |
| Expliciete stijging | 1,75 | 1,25 |
| 1. Pensioenen (openbaar ambt) | ||
| Loonplafonds | 1,75 | 1,25 |
| Welzijnsaanpassing (1) | 1,75 | 1,25 |
| 2. Pensioenen (algemeen stelsel) | ||
| Loonplafonds | 1,75 | 1,25 |
| Welzijnsaanpassing (1) | 0,5 | |
| 3. Andere takken van de sociale zekerheid | ||
| Loonplafonds | 1,75 | 1,25 |
| Welzijnsaanpassing (1) | 0,5 | |
| 4. Uitkeringen die niet gelinkt zijn aan het loon (kinderbijslag, minimumpensioenen) | 1 | 0,5 |
(1) Jaarlijkse aanpassing van de uitkeringen, ongeacht de jaarlijkse toename van de uitkeringen van de nieuwe begunstigden.
Bron : FPB.
De forfaitaire uitkeringen (zoals de kinderbijslag, sommige pensioenen van zelfstandigen en het gewaarborgd inkomen) profiteren van een jaarlijkse welzijnsaanpassing van 1 % in de referentievoorspelling, met andere woorden van een toename die tussen die van de plafonds en die van de vervangingsinkomens ligt.
2.1.3.2. De resultaten
Werkgelegenheid
De resultaten op het vlak van activiteit, werkgelegenheid en werkloosheid worden samengevat in tabel 5.
Tabel 5 : Activiteit, werkgelegenheid en werkloosheid
| 2000 | 2010 | 2030 | 2050 | |
| Actieve bevolking (1) (in duizendtallen). Population active (1) (milliers) | 4 407 | 4 582 | 4 441 | 4 398 |
| (totaal % van de bevolking 15-64). (total % population 15-64) | 65,5 % | 65,9 % | 67,6 % | 68,8 % |
| (vrouwen % van de bevolking 15-64). (femmes % population 15-64) | 58,9 % | 62,2 % | 65,8 % | 66,9 % |
| (mannen % van de bevolking 15-64). (hommes % population 15-64) | 72,0 % | 69,4 % | 69,4 % | 70,6 % |
| Werkgelegenheid (% van de bevolking 15-64). Taux d'emploi (% population 15-64) | 58,7 % | 60,2 % | 63,5 % | 65,3 % |
| Werkloosheid (1) Taux de chômage (1) | 10,3 % | 8,6 % | 6,0 % | 5,0 % |
| Totale werkloosheid Taux de chômage total | 13,2 % | 12,5 % | 9,5 % | 7,6 % |
(1) Oudere werklozen die niet meer op zoek zijn naar een baan niet inbegrepen.
De daling van de activiteitsgraad bij de mannen is een zuiver demografisch fenomeen : vergeleken met 2000 is in 2050 de mannelijke activiteitsgraad stabiel in de leeftijdsklasse 20-54 jaar en is er in dat jaar een lichte vooruitgang te merken in de leeftijdsklasse 55-64. De toename van de vrouwelijke activiteitsgraad weerspiegelt het activiteitsgedrag van de nieuwe generaties.
Afhankelijkheid
De resultaten van de referentievoorspelling op het vlak van afhankelijkheid worden in tabel 6 getoond.
Tabel 6 : De afhankelijkheidscoëfficiënten
(scenario 2,25 %)
| 2000 | 2010 | 2030 | 2050 | 2050/2000 |
Afhankelijkheidscoëfficient van de bejaarden. Coefficient de dépendance des âgés
| demografisch : (60 en +)/(20-59). démographique : (60 et +)/(20-59) | 40 | 44 | 63 | 69 | + 71 % |
| sociaal-demografisch : gepensioneerden (1)/actieven. socio-démographique : pensionnés (1)/actifs | 47 | 48 | 70 | 81 | + 70 % |
| sociaal-economisch : gepensioneerden/werkenden. socioéconomique : pensionnés/emploi | 54 | 55 | 78 | 87 | + 60 % |
| financieel : pensioenen/loonmassa. financier : pensions/masse salariale | 16 | 16 | 21 | 21 | + 29 % |
Totale afhankelijkheidscoëfficiënt (zonder jongeren). Coefficient de dépendance total (sans les jeunes)
| sociaal-demografisch : (werklozen + invaliden + gepensioneerden)/actieven. socio-démographique : (chômeurs + invalides + pensionnés)/actifs | 67 | 68 | 89 | 97 | + 45 % |
| sociaal-economisch : (werklozen + invaliden + gepensioneerden)/werkenden. socioéconomique : (chômeurs + invalides + pensionnés)/emploi | 77 | 78 | 98 | 105 | + 36 % |
| financieel : (werkloosheidsuitkeringen + invaliditeitsuitkeringen + pensioenen)/loonmassa. financier : allocations de chômage + invalidité + pensions/masse salariale | 23 | 22 | 26 | 26 | + 12 % |
(1) Personen op brugpensioen inbegrepen.
Bron : FPB, referentievoorspelling MALTESE.
De demografische afhankelijkheidscoëfficiënt van de bejaarden stijgt tussen 2000 en 2050 met iets meer dan 70 % omwille van de afname van het aantal personen met een actieve leeftijd en een grote toename van het aantal bejaarden. De hypothese van stabiliteit van de werkgelegenheid toont een minder grote toename van de sociaal-economische afhankelijkheidscoëfficiënt (+ 60 %). De vertaling van die afhankelijkheidscoëfficiënten in termen van financiële massa's verloopt via de ontwikkeling van de verhouding gemiddeld pensioen/gemiddeld loon. Die verhouding neemt af in de loop van de simulatieperiode en de financiële afhankelijkheidscoëfficiënt van de bejaarden neemt uiteindelijk « slechts » met 29 % toe tussen 2000 en 2050.
In het referentiescenario bijvoorbeeld is de verhouding gemiddeld sociale uitkering/salaris tegen 2050 afgenomen met 20 % voor een gemiddeld pensioen in alle stelsels, ofschoon de koopkracht van een gemiddeld pensioen tegelijkertijd vermenigvuldigd is met 2,4. Er moet nog op gewezen worden dat het percentage vrouwen dat een eigen pensioen heeft tegelijkertijd stijgt.
De toename van de afhankelijkheidscoëfficiënten is kleiner als men het geheel van de vervangingsinkomens in aanmerking neemt.
Het is natuurlijk zo dat deze resultaten zeer afhankelijk zijn van de gekozen hypothesen op het vlak van werkgelegenheid, productiviteit en sociaal beleid.
De tendens van de financiële afhankelijkheidscoëfficiënt is een voorafbeelding van de ontwikkeling van het gewicht van de sociale uitgaven in het kader van het BBP. De voorgestelde afhankelijkheidscoëfficiënten laten echter de uitgaven voor kinderbijslag en gezondheidszorg niet meespelen. Daar is rekening mee gehouden op het niveau van de resultaten van het geheel van de financiële rekening van de sociale zekerheid, uitgedrukt in verhouding tot het BBP.
Budgettaire kost van de veroudering
Tabel 7 toont de budgettaire kost van de veroudering voor de periode 2000-2030, verdeeld over de verschillende takken van de sociale bescherming.
Tabel 7 : De budgettaire kost van de veroudering
(% van het BBP variatie tussen 2000 en 2050)
| Productiviteit op lange termijn Productivité à long terme |
Referentie 2,25 % Référence 2,25 % |
Variant 1,75 % Variante 1,75 % |
||
| 2000-2030 | 2000-2050 | 2000-2030 | 2000-2050 | |
| Pensioenen. Pensions | 2.1 | 2.4 | 2.5 | 3.1 |
| Gezondheidszorg. Soins de santé | 2.0 | 3.2 | 2.1 | 3.2 |
| Invaliditeit. Invalidité | 0.1 | 0.0 | 0.1 | 0.0 |
| Werkloosheid. Chômage | -0.7 | -1.0 | -0.7 | -1.0 |
| Prepensioenen. Prépensions | 0.0 | 0.0 | 0.0 | 0.0 |
| Kinderbijslag. Allocations familiales | -0.7 | -0.9 | -0.7 | -0.9 |
| Totaal (zonder onderwijs). Total (hors enseignement) | 2.8 | 3.5 | 3.1 | 4.1 |
De financiële draagbaarheid op lange termijn kan worden geraamd door de budgettaire kost van de veroudering te vergelijken met de verwachte daling van de rentelasten van de Staat, bijvoorbeeld in een scenario voor een budgettaire trajectorie dat de onlangs door de Belgische overheid aangekondigde verbintenissen op middellange termijn respecteert. Men stelt vast dat de afname van de rentelasten groter is dan de budgettaire kost van de veroudering. In het geval dat de primaire uitgaven (sociale uitgaven niet inbegrepen) en de inkomsten van de Staat zich parallel met het BBP ontwikkelen, komt het verschil tussen de afname van de rentelasten en de budgettaire kost van de veroudering overeen met de (gecumuleerde) beschikbare manoeuvreerruimten (tabel 8).
Er moet echter wel worden opgemerkt dat het wezenlijke van die manoeuvreerruimten zich concentreert op het volgende decennium (2000-2010), dus voor de verouderingsschok (2010-2030). In het geval dat de manoeuvreerruimten gebruikt worden voor structurele maatregelen (met terugkerend effect), zal de budgettaire kost van de veroudering gedurende bepaalde jaren de budgettaire surplus doen afnemen, zodat men niet hoeft terug te komen op sommige van die maatregelen.
Het bestaan van een budgettair surplus (eventueel geconcretiseerd door een verouderingsfonds) vóór de verouderingsperiode biedt op die manier samen met de afname van de rentelasten een mogelijke bron voor de financiering van de budgettaire kost van de veroudering.
Tabel 8 : Budgettaire manoeuvreerruimten (% van het BBP) : referentievoorspelling (2,25 %)
(% van het BBP)
| 2000-2010 | 2010-2020 | 2020-2030 | 2000-2030 | |
| Budgettaire kost van de veroudering. Coût budgétaire du vieillissement (a) | -0,2 | +1,5 | +1,5 | +2,8 |
| Rentelast voor de openbare schuld. Charges d'intérêt de la dette publique | -3,0 | -1,8 | -1,0 | -5,8 |
| Budgettair surplus. Surplus budgétaire | +1,1 | 0,0 | -0,4 | +0,6 |
| Manoeuvreeruimten (-2-3-1). Marges de manoeuvre (-2-3-1) | +2,1 | +0,3 | 0,0 | +2,4 |
(a) Zonder onderwijs.
Bron : FPB, MALTESE-voorspellingen.
Tabel 8bis : Budgettaire manoeuvreerruimten :
variant (1,75 %)
(% van het BBP)
| 2000-2010 | 2010-2020 | 2020-2030 | 2000-2030 | |
| Budgettaire kost van de veroudering. Coût budgétaire du vieillissement (a) | -0,2 | +1,6 | +1,7 | +3,2 |
| Rentelast voor de openbare schuld. Charges d'intérêt de la dette publique | -2,9 | -1,7 | -0,9 | -5,5 |
| Budgettair surplus. Surplus budgétaire | +1,1 | -0,1 | -0,7 | +0,2 |
| Manoeuvreerruimten (-2-3-1). Marges de manoeuvre (-2-3-1) | +2,0 | +0,2 | 0,0 | +2,1 |
(a) Zonder onderwijs.
Bron : FPB, MALTESE-voorspellingen.
2.1.3.3. Internationale vergelijking
Er werden de afgelopen jaren voor verschillende landen voorspellingen gedaan in verband met de budgettaire kost van de veroudering. Die oefeningen werden door nationale instellingen of door internationale organisaties (zoals de OESO) voorbereid.
De nationale onderzoeken waren gebaseerd op verschillende demografische, sociaal-economische en macro-economische hypothesen en op verschillende methodologieën. Vandaar dat het moeilijk is of zelfs onmogelijk om internationale vergelijkingen te maken. De voorspellingen die door internationale organisaties werden gedaan, waren echter gebaseerd op uniforme methodologieën en hypothesen, zodat ze vergelijkbare nationale resultaten hebben opgeleverd. De gebruikte standaardmodellen waren echter overdreven gestileerd, zodat er geen rekening kon worden gehouden met de institutionele specificiteit van de verschillende landen.
In 2001 vond er onder toezicht van de Comités voor economisch beleid van de OESO en de Europese Commissie een nieuwe oefening plaats. Ditmaal werd er een beroep gedaan op nationale modellen en gebeurde alles in een coherent kader van gemeenschappelijke demografische, sociaal-economische en macro-economische hypothesen. In het Belgische geval werden de voorspellingen gedaan door het Federaal Planbureau. Voor de eerste keer heeft die oefening enkel betrekking op de pensioenuitgaven en niet op de andere sociale uitgaven.
Dat onderzoek heeft uitgewezen dat, rekening houdend met de basishypothesen, « in de meeste landen de effecten van de veroudering een toename van de pensioenuitgaven met 3 à 5 % van het BBP met zich mee zullen brengen » (citaat uit het verslag van het Comité voor economisch beleid van de Europese Commissie). Dat zal het geval zijn in België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Ierland en Oostenrijk. In Italië en Zweden zal de toename van de pensioenuitgaven minder groot zijn, in Nederland, Spanje en Portugal daarentegen groter (zie tabel 9).
Tabel 9 : Voorspelling van de pensioenuitgaven
in de EU (% van het BBP)
| 2000 | 2010 | 2030 | 2040 | 2050 | Grootste stijging sinds 2000 Hausse maximale depuis 2000 |
2050-2000 | |
| België. Belgique | 9,3 | 9,0 | 12,5 | 13,0 | 12,6 | 3,7 | 3,3 |
| Denemarken. Danemark | 10,2 | 12,7 | 14,7 | 13,9 | 13,2 | 4,5 | 3,0 |
| Duitsland. Allemagne | 10,3 | 9,5 | 13,2 | 14,4 | 14,6 | 4,3 | 4,3 |
| Griekenland. Grèce | NB/NC | NB/NC | NB/NC | NB/NC | NB/NC | NB/NC | NB/NC |
| Spanje. Espagne | 9,4 | 9,3 | 12,9 | 16,3 | 17,7 | 8,3 | 8,3 |
| Frankrijk. France | 12,1 | 13,1 | 16,0 | 15,8 | NB/NC | 3,9 | NB/NC |
| Ierland. Irlande | 4,6 | 5,0 | 7,6 | 8,3 | 9,0 | 4,4 | 4,4 |
| Italië. Italie | 14,2 | 14,3 | 15,9 | 15,7 | 13,9 | 1,7 | - 0,3 |
| Luxemburg. Luxembourg | NB/NC | NB/NC | NB/NC | NB/NC | NB/NC | NB/NC | NB/NC |
| Nederland. Pays-Bas | 7,9 | 9,1 | 13,1 | 14,1 | 13,6 | 6,2 | 5,7 |
| Oostenrijk. Autriche | 14,5 | 14,8 | 17,6 | 17,0 | 15,1 | 3,1 | 0,6 |
| Portugal | 9,8 | 12,0 | 16,0 | 15,8 | 14,2 | 6,2 | 4,4 |
| Finland. Finlande | 11,3 | 11,6 | 15,7 | 16,0 | 16,0 | 4,7 | 4,7 |
| Zweden. Suède | 9,0 | 9,2 | 10,7 | 10,7 | 10,0 | 1,7 | 1,0 |
| Groot-Brittannië. Royaume-Uni | 5,1 | 4,7 | 4,7 | 4,4 | 3,9 | | - 1,2 |
Bron : Comité voor economisch beleid van de commissie en eigen berekeningen.
NB : niet bekend.
Men merkt dat de budgettaire kost van de veroudering in termen van pensioenen tussen 2000 en 2050 groter is in de internationale oefening (3,3 %) dan in de macro-economische variant (3,1 %, tabel 7). Het verschil valt voornamelijk te verklaren door de verschillen op het vlak van de demografische hypothesen die opgesteld werden door Eurostat en door de macro-economische hypothesen.
Op het vlak van de demografische voorspellingen is het belangrijkste verschil te wijten aan de leeftijdsstructuur van de migranten. Terwijl de voorspellingen die door Eurostat werden gedaan en waarop de internationale oefening zich baseert en de nationale voorspelling uitgaan van een vergelijkbare globale netto-immigratiegraad, hanteert de nationale voorspelling die gebaseerd is op de meest recente waarnemingen voor de immigratie een gemiddelde leeftijd die heel wat lager ligt.
Op het macro-economische vlak in de internationale oefening zakt de productiviteitswinst tegen 2020 in elkaar om zich te stabiliseren op 41,75 %. De werkloosheidsgraad op lange termijn is 6,6 %, tegenover 5 % in de nationale oefening.
2.1.4. Beknopte conclusies
De budgettaire kost van de veroudering wordt in België door verschillende elementen getemperd.
De totale sociaal-economische afhankelijkheidscoëfficiënt zal gunstig worden beïnvloed door :
De toename van de activiteitsgraad bij de vrouwen.
De daling van de werkloosheid.
De toename van de activiteitsgraad bij de vijftigplussers (hervormingen inzake de leeftijd voor brugpensioen en pensioen, daling van de werkloosheid).
De verhouding gepensioneerde bevolking/werkgelegenheid vergroot dus minder snel dan de verhouding bejaarde bevolking/bevolking met een actieve leeftijd.
De financiële afhankelijkheidscoëfficiënt zal gunstig worden beïnvloed door bepaalde kenmerken van het algemeen stelsel van pensioenen voor loontrekkenden :
De afname van het aandeel van de pensioenen in het huishouden met 75 %.
De speling van het loonplafond.
De veroudering van de gepensioneerde bevolking.
De vervangingsgraad (verhouding gemiddeld pensioen/gemiddeld loon) zou dus moeten dalen.
Dankzij het globale beheer van de sociale zekerheid, ten slotte, zal de toename van de uitgaven voor pensioenen en gezondheidszorg worden gecompenseerd door de afname van de uitgaven voor werkloosheid en kinderbijslag.
Rekening houdend met de dynamiek van de al op gang gekomen daling van de lasten en de aangekondigde budgettaire strategie, zou de daling van de rentelasten globaal gesproken groter moeten zijn dan de budgettaire kost van de veroudering. Qua timing valt die daling van de rentelasten echter niet helemaal samen met de ontwikkeling van de budgettaire kost van de veroudering, aangezien ze het grootst zal zijn tussen 2000 en 2010, met andere woorden vóór de verouderingsschok. De accumulatie van budgettaire surplussen, die gereduceerd kunnen worden als de veroudering het grootst is, laat in zekere mate toe het gebruik van de manoeuvreerruimten gedeeltelijk uit te stellen. Dankzij een dergelijke budgettaire strategie kan de verouderingsschok worden opgevangen.
2.2. Uiteenzetting van mevrouw Lambrecht over de demografische projecties, de verandering en de migraties met behulp van slides
« Deze tabellen op blz. 120 tot 135 zijn uitsluitend gedrukt beschikbaar »
2.3. Bespreking
Een lid stelt vast dat volgens de gegevens van het Planbureau, het kinderaantal per vrouw 1,74 zou bedragen in 2050, terwijl dit nu 1,61 bedraagt. Dan rijst de vraag waarom het Planbureau heeft gekozen voor een « baseline »-norm en niet voor een lage norm. Het lijkt immers mogelijk dat het vooropgestelde kinderaantal van 1,61 zou dalen tot het cijfer van Duitsland of italië, aldus 1,22 of 1,5.
Daarenboven moet het Planbureau eveneens een studie uitvoeren naar de invloed op de Belgische bevolking van andere impulsen zoals, bijvoorbeeld, een opvoedersloon of gezinsvriendelijke maatregelen.
Er moet niet alleen worden gegrepen naar immigratie. De cijfers van 1,74 en 1,61 zijn geen reproducties. Het bevolkingscijfer daalt en volgens de beschikbare gegevens, worden jaarlijks ongeveer 17 000 vreemdelingen ingevoerd. Ook hier wenst het lid te weten of het Planbureau op basis van deze gegevens berekeningen heeft gemaakt en of men reeds een idee heeft van de termijn binnen dewelke de bevolking vervangen is, rekening houdend met een daling van het eigen kinderaantal en een stijging van de immigranten. De spreker voegt eraan toe dat hij ook wenste te weten wat de resultaten zouden zijn indien het kinderaantal daalt en indien de lowline van Eurostat zou gevolgd worden. Als het kinderaantal per vrouw 1,4 of 1,22 zou worden, wordt het aantal immers bijna gehalveerd, in plaats van tot een reproductie te komen.
Volgens het Planbureau zouden de verouderingskosten voor de overheid in belangrijke mate dalen bij 22 500. De spreker weet echter niet of het Planbureau de effecten heft berekend van een mogelijke vestbroekzakoperatie van het ene ministerie naar het andere. De 22 500 immigranten kosten immers ook op vlak van sociale zekerheid, kinderbijslag, werkloosheid, ziekte en dergelijke. Er moet dan ook worden onderzocht of een vermindering van de verouderingskosten in die hypothese niet wordt gecompenseerd met een verhoging van de sociale lasten. Een dergelijke grafiek, met deze gegevens, is volgens de spreker essentieel om in alle objectiviteit vergelijkingen te kunnen maken.
Een lid herinnert eraan dat, toen het voorrapport van de UNO in de commissie ter sprake is gekomen, een aantal vragen werden gesteld, soms bijzonder nadrukkelijke, over het gebrek aan wetenschappelijkheid van het materiaal. In de aanbevelingen die de commissie toen heeft opgesteld, werd nodig geacht dat die discussie zou worden hernomen onder het Belgische voorzitterschap, onder meer met de sociale partners, om te beschikken over meer gedragen basismateriaal.
Het lid wenst te weten of de gebruikte methode voldoende geloofwaardig en betrouwbaar is en over een grote graad van wetenschappelijkheid beschikt, zodat de politici en de sociale partners de documenten anders dan op een observerende manier kunnen gebruiken.
Een lid stelt vast dat bij nazicht van de tabel van de immigratiesaldi blijkt dat het saldo in Duitsland hoog is. De intervenante wenst te weten of men zich kan inbeelden dat een deel van de mensen die in Duitsland binnenkomen, zich vervolgens in de Europese landen bevindt en ze vraagt of het Planbureau hierover meer details heeft. Het zou interessant zijn het percentage te kennen van de 300 000 personen die Duitsland binnenkomen en die zich later bevinden in België, Frankrijk, enz.
Volgens een lid wordt er een veroudering van onze eigen bevolking vooropgesteld en de mogelijkheid om de bevolkingsstructuur via migratie aan te passen. Werden berekeningen gemaakt over hoe de samenstelling van de migratiebevolking er moet uitzien om aan die voorwaarden te voldoen ? Zij doelt hiermee niet alleen op de voorwaarde inzake leeftijd, maar eveneens op deze met betrekking tot de opleiding om hier economisch ingeschakeld te worden. Zijn hierover berekeningen of prognoses gemaakt ?
De heer Englert verduidelijkt dat hij de immigratievarianten heeft voorgesteld omdat deze volgens hem het best pasten bij het thema waarover de Commissie toelichtingen wenste. Maar naast de simulaties met verschillende migraties bestaan er andere simulaties met een verschillend geboortecijfer en verschillende cijfers voor de levensverwachtingen.
In het kader van de internationale oefening die voor de OESO is gemaakt, heeft het Planbureau een reeks simulaties uitgewerkt betreffende andere demografische parameters, geboorte en levensverwachting en niet uitsluitend over de immigratie. Dat bestaat dus zeker, maar het is nog niet besproken en wij hebben de indruk dat de vraag die u ons heeft gesteld, meer specifiek over de immigraties handelde.
Daarentegen beschikt het Planbureau niet over een model waarmee het de impact van de politieke maatregelen over het geboortecijfer kan bestuderen. Men kan veronderstellen dat het geboortecijfer door bepaalde politieke maatregelen kan stijgen of dalen, maar het gaat hier om pure veronderstellingen. Er is geen model dat het mogelijk maakt, een verband te leggen tussen de maatregelen die bijvoorbeeld de kinderdagverblijven en het geboortecijfer aanmoedigen. Volgens M. Englert bestaat er nergens ter wereld zo'n model.
Een lid vindt dat het nochtans werkelijk gaat om een knelpunt voor de vrouwenarbeid. Op dit moment zijn de crèches onbetaalbaar en zijn de kinderdagverblijven het enige alternatief dat door de overheid kan worden aangemoedigd om de vrouwenarbeid te bevorderen. Het is geen aanmoediging van het geboortecijfer, maar wel van de vrouwenarbeid. Dit helpt in feite de vrouwen op de arbeidsmarkt te zetten.
Een lid verwijst hierbij naar de uitspraken van de Voorzitster van het Comité voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen van het Europese Parlement. Deze laatste heeft namelijk verklaard dat bij vergelijking van de percentages in Spanje, Italië en Zweden, de maatregelen voor ouderschapsverlof en de uitbreiding van de onthaalstructuren voor kinderen, wel degelijk het verschil maakten in de demografie van deze drie landen. Zij wenst hierover de mening van het Planbureau te kennen.
De heer Englert wenst vooral te antwoorden op de vraag over het rekening houden met de sociale kosten die uit de immigraties voortvloeien.
Hij heeft zich beperkt tot het voorstellen van het effect op de pensioenkosten, en dit volgens de hypothese van een grotere immigratie, hetzij de min 0,5 % die de aandacht van een lid heeft getrokken. Toch moeten we opmerken dat meer migranten ook meer pensioenuitgaven betekenen. Het gegeven cijfer is de weerslag op de verhouding tussen de pensioenuitgaven en op het BBP, de economische activiteit. Meer migranten, dat betekent tegelijk ook een versterking op lange termijn van de basis van de economische activiteit en meer sociale uitgaven. In totaal nochtans, blijkt de verhouding tussen de uitgaven en het BBP laag, zelfs als de twee termen van de breuk stijgen. Het is duidelijk dat het niveau van de economische activiteit op lange termijn rechtstreeks afhangt van de demografie, namelijk van de grootte van de beschikbare actieve bevolkingsgroep. In deze oefeningen houdt het Planbureau ook rekening met de gezondheidszorg en met de uitgaven voor de kinderbijslag.
Maar de versteviging van de economische basis van het systeem is een belangrijker element dan de toename van de sociale uitgaven. Globaal gezien blijkt de verhouding tussen de sociale uitgaven en het BBP zich in deze oefening te beperken tot 0,7 %. Deze gegevens zijn ter inzage beschikbaar. Het Planbureau heeft enkel maar het cijfer betreffende de pensioenuitgaven gegeven omdat de internationale oefening uitsluitend over deze uitgaven ging. In het kader van de Europese Unie ging het enkel over de pensioenuitgaven, terwijl men in de oefening die door het Planbureau in het nationaal kader was uitgevoerd, ook de gevolgen van de demografische evolutie op de verschillende soorten sociale uitgaven zoals werkloosheidsuitkeringen, kinderbijslag, gezondheidszorg enz. heeft voorgesteld. Het Planbureau beschikt inderdaad over een compleet model. Maar op het vlak van de internationale oefeningen waarvoor demografische varianten werden berekend, heeft het enkel de resultaten betreffende de pensioenen aan de internationale instanties meegedeeld. Toch zijn de resultaten voor de andere takken beschikbaar.
Een lid stelt zich de vraag of dit betekent dat als de arbeidsmigratie op een of andere manier zou worden verhoogd, de rest van de sociale zekerheid mee zal worden ondersteund, aldus of de rest van de sociale zekerheid mee betaald door de nieuwe migranten. Het gaat immers om een daling van 0,7 %.
De heer Englert legt uit dat meer activiteit en meer banen, zoveel willen zeggen als meer economische groei en dus betere fiscale ontvangsten en een toename van de sociale bijdragen. Maar dat betekent ook : meer sociale uitgaven. De hele kwestie steunt op de arbitrage tussen de uitgaven en de ontvangsten. Het model geeft aan dat de versteviging van de economische basis een groter effect heeft dan de toename van de sociale uitgaven die voortvloeit uit de groei van de bevolking.
Mevrouw Lambrecht voegt hieraan toe dat immigratie een mogelijkheid biedt om over meer arbeidskrachten te beschikken, maar dan moet dit wel bij de arbeidsmarkt passen. België verkeert nog niet in een situatie waarin de banen voor het rapen liggen. Men moet dus goed in de gaten houden wie de migranten zijn. Men zou een soortgelijke studie moeten uitvoeren om de structuur van de migrantenbevolking te kennen per categorie, per niveau van de gediplomeerden. In het algemeen zijn de experts het er over eens dat de huidige migratievraag afkomstig is van migranten die geschoold zijn voor bepaalde sectoren waar er tekorten zijn.
Zoals de zaken er nu voor staan, is het risico reëel dat een migratie van ongeschoolden de huidige ongeschoolde werklozen zal overlappen. Uiteraard zal het probleem binnen enkele jaren anders zijn. We zien dit nu al in Frankrijk, waar men reeds te kampen heeft met een algemeen tekort aan arbeidskrachten.
Bovendien verduidelijkt de spreekster dat het Planbureau niet de bedoeling heeft, kinderen geboren te laten worden bij mensen van zeventig jaar. Om de vruchtbaarheid te meten, beschikken we over andere parameters, zoals het aantal kinderen per vrouw, de gemiddelde leeftijd van de moeder bij de geboorte, de dispersie rond de gemiddelde leeftijd. Deze twee parameters werden niet verhoogd. In feite ontstaat de beschouwing over de toekomstige evolutie van de vruchtbaarheid uit een grondige analyse van het gedrag van generaties op het gebied van de vruchtbaarheid. We zien dat bij de vrouwen generatie na generatie uitendelijk de tendens bestaat, dat ze de kinderen krijgen die ze hebben uitgesteld; maar misschien halen ze dit niet voor de volle 100 %in.
Wat de mogelijke politieke maatregelen aangaat, bestaat de overtuiging dat de toename van de inkomsten van ouders ook leidt tot een groter aantal geboorten. Dat is niet zeker : voor sommigen heeft een toename van de inkomsten inderdaad een gezinsuitbreiding tot gevolg, maar voor anderen is het net het omgekeerde. De maatregelen om werkende vrouwen te helpen en die bedoeld zijn om de kinderen beter op te vangen, spelen daartegen wel een positieve rol. Misschien kunnen we zelfs stellen, zoals het Europees parlementslid van de Commissie voor gelijkheid tussen mannen/vrouwen suggereert, dat dit het verschil maakt, want Italië heeft zijn beleid veranderd. We spreken hier trouwens over een diepgaande sociologische verandering in dit land, waar vrouwen eindelijk en veel later dan in België experimenteren met de vrijheid om het gezin te hebben dat ze willen, te werken zoals ze willen. Dus stellen ze voorlopig de geboortes uit. Het is een diepgaand fenomeen, niet enkel maar een probleem van kinderopvang.
Voor de migraties maakt het Planbureau gelijkaardige analyses. Deze populatieperspectieven moeten met de nodige voorzichtigheid bekeken worden omdat deze demografische voorspellingen gekoppeld zijn aan analyses die men kan maken op het moment dat men er een zicht op krijgt. Voor de val van de Berlijnse muur was een toevloed uit de Oostbloklanden niet te voorzien. Zodra de muur gevallen was, voorspelde men een enorme toevloed, die in 1992 plaatsvond. Daarna is de situatie wat rustiger geworden. Ook de gebeurtenissen in Joegoslavië hebben geleid tot een toevloed van migranten uit die regio. Deze evenementen hebben ook ons in hun greep. Maar als de saldo's toch positief blijven, dan is dat omdat men rekening houdt met de huidige tendensen inzake asielzoekers, enz.
Over de wetenschappelijke waarde van het UNO-rapport heeft de spreekster niet alleen haar bedenkingen geuit, maar ook deze van veel experts omtrent de gekozen hypotheses, de gestelde vragen en het zeer mechanische karakter van de gemaakte voorspellingen. Volgens haar is het rapport van Eurostat al veel ernstiger met de definitie van de hypotheses voor de verschillende parameters, ook al is dit rapport niet altijd even fijn opgevat, zoals is aangetoond voor het profiel van de migraties. Met de OESO is de spreekster van mening dat de Eurostat gegevens voor die internationale werken zullen worden gebruikt, omdat ze betrouwbaarder zijn dan deze van de UNO.
Wat de kwestie van de immigratiesaldi betreft, weet ze niet op welke manier de migraties in elk land worden geteld. Ze vermoedt evenwel dat dit werkt zoals in België : vanaf het moment dat de migratie officieel is geworden, dat spreekt vanzelf. Het zou dus kunnen gebeuren dat mensen in Duitsland zullen doorreizen maar ze zullen enkel dan geïdentificeerd worden wanneer deze mensen officieel zouden verklaren dat ze zich bij ons willen vestigen. Jammer genoeg hebben we met het nationaal register en met het wachtregister enkel een lijst van de mensen die opduiken en zich melden.
De heer Englert wenst te antwoorden op de vraag over de mogelijkheid om het probleem van de vergrijzing op te lossen door migratie als redmiddel te gebruiken. Men heeft aangetoond dat het demografische element een element is dat een rol speelt bij het probleem van de vergrijzing en de budgettaire gevolgen ervan, maar dat was lang niet het enige. Naast het demografische element hebben ook het sociaal beleid, de ontwikkeling van de activiteitsgraad van de vrouwen, de reglementering van de berekening van de kinderbijslag, de perspectieven betreffende de economische groei, de productiviteit en de werkgelegenheid hierop een invloed. Zonder daarbij de globale structuur van de overheidsfinanciën te vergeten, en in het bijzonder het feit dat we in de 21e eeuw in een periode met een daling van de rentelasten zullen belanden en dat dit ons in staat zou moeten stellen om een groot deel van de budgettaire kosten van de vergrijzing te dekken.
Een lid merkte op dat men in deze voorspellingen goed rekening houdt met de leeftijdstructuur van de migranten, maar niet met hun scholingsgraad. Het is juist dat deze voorspellingen zonder onderscheid omtrent de scholing van deze migranten zijn gemaakt en dus zonder onderscheid omtrent hun bijdrage tot de economische groei qua productiviteit. Maar men mag niet vergeten dat deze voorspellingen over een periode van vijftig jaar worden gemaakt en dat de migranten in die periode kinderen hebben die onderwijs volgen waarvan we mogen hopen dat het verwant is aan het onderwijs van de anderen. In vijftig jaar zullen deze problemen stilaan afzwakken.
Wat de geloofwaardigheid van de voorspellingen van de UNO betreft, voegt de spreker er aan toe dat hij heeft gesignaleerd dat het Planbureau voor rekening van België geeft deelgenomen aan een internationale oefening voor de Europese Commissie en de OESO. Bij aanvang van deze oefening had de OESO voorgesteld te werken vanuit de demografische voorspellingen van de UNO, vermits de UNO voor elk land voorspellingen bood. Maar onder de deelnemende landen ontstond al gauw een consensus om deze voorspellingen als onvoldoende geloofwaardig te beschouwen. Daarom heeft het Planbureau inzake de Europese landen geopteerd voor de demografische voorspellingen van Eurostat.
De tabel over de afhankelijkheidscoëfficiënten toont aan dat de evolutie op financieel vlak minder negatief uitvalt dan men zou kunnen vrezen.
Een lid komt terug op zijn vraag betreffende het feit of bij het Planbureau ook een grafiek bestaat met betrekking tot de vervanging van de bevolking. Hij wil in concreto weten hoe lang het duurt vooraleer de bevolking volledig vervangen is, indien twee ouders zich niet reproduceren en het immigratiesaldo batig is.
In alle modellen bij het Planbureau moeten die gegevens toch bestaan. Als men weet dat die 22 500 vreemdelingen zich meer dan reproduceren, moet dit gegeven toch in een model kunnen worden ingevoerd.
Mevr. Lambrecht herinnert er aan dat twee of drie jaar geleden niet alle Belgen afkomstig waren van het huidige Belgische grondgebied; ze kwamen ook van elders. Het immigratiesaldo doet dus buitenlanders naar ons land komen. Vervolgens gebeuren er naturalisaties.
Deze mensen worden dus Belgen en men stelt na een bepaalde tijd een zekere integratie vast, meer bepaald op het vlak van het demografische gedrag. Men stelt een daling van de vruchtbaarheid vast, zelfs bij mensen uit de Magreblanden, de Marokkanen, de Turken, ook al gebeurt dit wat trager. Anderzijds is een groot aantal migranten afkomstig uit Europese landen. Deze mensen hebben dan ook meer affiniteit met onze leefgewoonten.
M. Englert deelt haar mening. Wat de demografische voorspellingen betreft, is er inderdaad geen onderscheid meer mogelijk zodra de migranten genaturaliseerd zijn. Deze bevolkingsgroepen behoren tot het geheel. De gevraagde grafiek kan dus slechts opgesteld worden op basis van demografische voorspellingen, vermits er bij zijn weten geen onderscheid per afkomst wordt gemaakt.
Volgens Mevr. Lambrecht beschouwen de demografische voorspellingen de vreemdelingen die trouwens verdeeld zijn in verschillende categorieën als Belgen, maar de resultaten worden niet gepubliceerd omdat ze politiek gevoelig liggen. Om de hypotheses te kunnen aanpassen, houdt men rekening met de verschillende profielen. Het is dus juist dat deze gegevens ook de naturalisaties bevatten.
Demograaf Michel Poulain, die zeer veel studiewerk over de migraties heeft verricht, heeft samen met het Centrum voor Gelijke Kansen, geprobeerd de vreemdelingen, en in het bijzonder de eerste generatie, op te sporen. De bedoeling was te weten te komen, hoe groot de bevolkingsgroep met de vreemdelingen zou geweest zijn als de wetten Gol en Wathelet en de recente wet die de naturalisaties bevordert, er niet waren geweest. Dankzij deze studie kon men ramingen maken van het aantal vreemdelingen of mensen van vreemde afkomst en van de tweede generatie.
1.1. Inleiding
De wet op de toegang, het verblijf en de vestiging van vreemdelingen van 15 december 1980 en de uitvoeringsbesluiten bepalen uitdrukkelijk dat de bevoegdheid terzake behoort tot de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken.
Tevens is het belangrijk de nationale wetgeving met betrekking tot visa te situeren in een groter geheel, met name de internationale context. Zo is er enerzijds de regelgeving in het kader van Schengen, maar ook andere regelgeving, zoals bijvoorbeeld opgelegd door de Verenigde Naties.
Er bestaan twee soorten visa : de visa korte duur voor maximum drie maanden (worden verstrekt in het kader van Schengen) en de visa lange duur langer dan drie maanden.
Tevens zijn er twee manieren waarop visa kunnen worden verleend : visa kunnen ambtshalve worden verleend of worden verleend na tussenkomst van een centrale autoriteit, hetzij door de Dienst Vreemdelingenzaken, hetzij door het departement Buitenlandse Zaken voor een aantal zeer specifieke gevallen (bijvoorbeeld politieke consultaties of speciale categorieën van personen, bijvoorbeeld de mensen die in België officieel op post zijn, het huispersoneel, het technisch en administratief personeel, ...).
1.2. De rol van de diplomatieke en consulaire posten in het buitenland
Enkel de beroepsposten, namelijk de diplomatieke en consulaire posten, mogen visa afgeven.
De honoraire consuls mogen geen visa afgeven.
1.3. Overzicht van de visa
1.3.1. Visa korte duur
Sedert 1990 is de toepassingsconventie voor Schengen hierop van toepassing. Deze conventie heeft een ruimer toepassingsgebied dan enkel de visa; deze conventie behelst ook samenwerking op politioneel gebied en wat de grenscontroles betreft.
De basisprincipes van de Schengen-Conventie zijn :
de afschaffing van de controle aan de binnengrenzen van de landen die partij zijn bij de Schengenconventie (dit zijn momenteel tien landen, namelijk Oostenrijk, Spanje, Griekenland, Italië, Portugal, België, Nederland, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk);
de controle aan de buitengrenzen (dit zijn de buitengrenzen van de tien Schengenlanden);
het vrije verkeer van personen;
een geleidelijke harmonisering van de visapolitiek.
Elke vreemdeling, of hij al dan niet visumplichtig is, die voor een kort verblijf in België wenst te verblijven, moet aan een aantal voorwaarden voldoen.
Die voorwaarden zijn :
beschikken over een erkend reisdocument dat als identiteitsbewijs kan dienen : bijvoorbeeld reispas, identiteitskaart, laissez-passer van de Verenigde Naties, ... : het betekent dat de houder ook terug kan naar zijn land van herkomst. Er bestaan wel reisdocumenten die door sommige Schengenlanden aanvaard worden en door anderen niet;
kunnen verantwoorden van het doel van het verblijf : bijvoorbeeld toerisme, zaken, familiebezoek, ...;
nooit « ter fine » zijn gesignaleerd, wat betekent « niet voorkomen op één van de SIS (Schengeninformatiesysteem) BCS- en Beneluxlijsten ». Dit moet echter worden genuanceerd want er zijn mensen die toegang kunnen krijgen die op de BCS-lijst staan, niet noodzakelijk omdat zij veroordeeld zijn (zij kunnen bijvoorbeeld opgeroepen zijn om te getuigen). Het belang van deze voorwaarde is dat men niet de openbare orde, niet de openbare veiligheid of de internationale betrekkingen van België in gevaar kan brengen;
bewijzen van bestaansmiddelen : bijvoorbeeld ticket om terug te gaan naar het land van herkomst, een tenlasteneming : dit betekent dat een Belg of een vreemdeling die hier voor onbeperkte tijd verblijft, borg staat voor de persoon die hier verblijft.
De tenlastenemingsproblematiek is vrij complex : zo gebeuren er ook tenlastenemingen voor mensen die op uitnodiging komen van bijvoorbeeld diplomaten en dergelijke.
Kinderen beneden de 16 jaar moeten geen persoonlijk reisdocument hebben indien ze vergezeld zijn door één van de ouders, voogd of de grootouders indien de vergezellende persoon dezelfde nationaliteit heeft als het kind dat ingeschreven is op het buitenlandse paspoort.
Voor groepsreizen bestaan er collectieve paspoorten.
Mensen die houder zijn van dienst- en diplomatieke paspoorten en mensen van sommige nationaliteiten (bijvoorbeeld EU-onderdanen, staatsburgers van Liechtenstein en Malta) hebben geen visum nodig.
Soorten visa kort verblijf :
transitvisa : dit betekent dat men maximum vijf dagen op het Schengenterritorium mag verblijven;
visum korte duur voor toerisme, zakenreizen, familiebezoeken;
visum, gelimiteerd tot het territorium : dit visum wordt slechts uitzonderlijk toegekend maar wordt gebruikt wanneer om één of andere redenen de toegang niet tot het hele Schengen-grondgebied kan worden toegekend, bijvoorbeeld. er bestaan reisdocumenten die door België worden erkend en niet door een andere Staat of wanneer België een persoon wenst uit te nodigen die niet welkom is op het territorium van de andere lidstaten;
collectief visum.
Aanvraag van de visa korte duur gebeurt bij de bevoegde diplomatieke of consulaire posten :
ofwel de post van het land 1º waar het hoofddoel van de reiziger is of 2º waar de persoon het langst verblijft of 3º waar de reiziger zijn eerste verblijf heeft of 4º waar de reiziger het eerst binnenkomt;
ofwel, indien er geen Belgische diplomatieke of consulaire post is, in de beroepspost die België vertegenwoordigt : meestal is dit een Beneluxstaat.
De controle door de diplomatieke of consulaire post behelst :
reisdocumenten, het al of niet gesignaleerd zijn op de lijsten;
bestaansmiddelen.
Wanneer aan alle criteria is voldaan en op voorwaarde dat er geen verplichting bestaat voor de post om de centrale overheid (hetzij de Dienst Vreemdelingenzaken, hetzij het ministerie van Buitenlandse Zaken), kan de post het visum korte duur ambtshalve afleveren.
Wanneer de post twijfel heeft of aan alle criteria is voldaan, richt de post zich tot de Dienst Vreemdelingenzaken die zijn fiat moet geven.
Normalerwijze gebeurt er een persoonlijk onderhoud met de kandidaat op de post maar dit is niet altijd het geval. Reden : in zeer veel landen worden bonafidemensen niet verplicht om zich naar de ambassade te begeven.
De persoon die met een visum korte duur naar België komt , moet via een erkende grenspost België binnenkomen en er moet in principe een stempel op het paspoort worden geplaatst.
Voor het overige bestaan er specifieke procedures voor specifieke categorieën, bijvoorbeeld diplomaten, ...
1.3.2. Visa lange duur > 3 maanden
Verschillende categorieën :
1.3.2.1. Machtiging voor voorlopig verblijf voor mensen die in België willen werken, zowel mensen die in loonarbeid wensen te werken als zelfstandigen of ook renteniers
Landen waarvoor geen machtiging tot voorlopig verblijf nodig is, zijn : lidstaten van de Europese Unie, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen.
De Zwitsers hebben geen machtiging tot voorlopig verblijf nodig, voorzover zij niet in België werken.
Alle andere nationaliteiten hebben een machtiging voor voorlopig verblijf nodig om in België te werken.
De Dienst Vreemdelingenzaken is het bevoegde departement die, in afwijking van bepaalde regels, bijvoorbeeld om humanitaire redenen, altijd een lang verblijf kan toekennen hoewel het volgens het boekje niet kan.
De mensen die in loonarbeid wensen te werken, hebben, naast de machtiging tot voorlopig verblijf, een arbeidskaart nodig. De werkgevers dienen deze arbeidskaart in bij de regionale diensten voor tewerkstelling. Er bestaan echter ook categorieën van personen die, ofwel geen arbeidskaart nodig hebben, ofwel nog een arbeidskaart kunnen bekomen wanneer ze reeds in België zijn. Deze mensen moeten ook een bewijs van goed gedrag en zeden voorleggen.
Een gelijkaardige procedure bestaat ook voor zelfstandigen. Zij moeten een beroepskaart aanvragen bij het ministerie van Middenstand. Ook voor deze groep bestaan er categorieën van personen die geen beroepskaart nodig hebben.
1.3.2.2. Journalisten
1.3.2.3. Studenten
Er wordt een onderscheid gemaakt al naar gelang van het type student :
een visum kan door de post ambtshalve worden gegeven indien het een student betreft voor het hoger onderwijs of een voorbereidend jaar op voorwaarde dat deze personen ingeschreven zijn in een door de overheid erkende, gesubsidieerde of georganiseerde onderwijsinstelling. Er worden tevens voorwaarden gesteld met betrekking tot de gezondheidstoestand van de betrokkene en de bestaansmiddelen;
voor het deelnemen aan een toelatingsproef wordt een attest van immatriculatie verstrekt, na het slagen voor de toelatingsproef kan dan een visum lange duur worden verstrekt;
voor studentenuitwisselingen tussen instellingen die op bepaalde lijsten voorkomen is een ambtshalve afgifte van visum mogelijk;
voor beursstudenten in het kader van Internationale Samenwerking (vroegere ABOS) is er een akkoord gesloten tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Dienst Vreemdelingenzaken van het ministerie van Binnenlandse Zaken dat, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan, deze beursstudenten hun visum ambtshalve kunnen bekomen;
voor beursstudenten van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of andere entiteiten, zijn er ook vereenvoudigde procedures voorzien die evenwel niet gelijk zijn met de ambtshalve afgifte;
wanneer aan een aantal voorwaarden niet is voldaan of wanneer personen lager onderwijs, secundair onderwijs of privé-onderwijs (= een onderwijsinstelling die niet georganiseerd, erkend of gesubsidieerd is door de overheid) zouden wensen te volgen, moet de Dienst Vreemdelingenzaken altijd tussenbeide komen;
ten slotte bestaan er voor buitenlandse studenten ook regelingen voor families die wensen over te komen.
1.3.2.4. Personen die een visum lang verblijf wensen met het oog op het sluiten van een huwelijk of een duurzame relatie
1.3.2.5. Personen die een visum lang verblijf wensen met het oog op gezinshereniging
Echtgenoten
1) de echtgenoot is een onderdaan van een land van de Europese Economische Ruimte : visum kan ambtshalve worden verleend;
2) de echtgenoot is geen onderdaan van een land van de Europese Economische Ruimte : visum kan niet ambtshalve worden verleend : procedure via Vreemdelingenzaken.
Kinderen
1º kinderen van personen die een onderdaan zijn van een land van de Europese Economische Ruimte : visum kan ambtshalve worden verleend;
2º kinderen van personen die geen onderdaan zijn van een land van de Europese Economische Ruimte : visum kan niet ambtshalve worden verleend.
Ascendenten
Deze personen kunnen zich enkel beroepen op gezinshereniging indien de descendent of diens echtgeno(o)t(e) Belg is of een onderdaan is van een land van de Europese Economische Ruimte.
1.3.2.6. Adoptie
Adoptie via een erkend organisme
Bovendien bestaat er een verschillende procedure, enerzijds voor een kind dat geadopteerd wordt door een Belg die geboren is in België en een kind dat geadopteerd wordt door een Belg die geboren is in het buitenland of een buitenlander is.
Er wordt ook een onderscheid gemaakt tussen procedures die afgelopen zijn in het land van oorsprong van het kind en procedures die moeten worden afgehandeld in België.
Adoptie via de vrije filière
Er wordt ook een onderscheid gemaakt tussen procedures die afgelopen zijn in het land van oorsprong van het kind en procedures die moeten worden afgehandeld in België.
Er wordt een specifieke procedure voorzien voor landen van oorsprong waar het begrip « adoptie » niet bestaat.
1.4. Krachtlijnen van de op til zijnde wijzigingen
De huidige situatie die door de spreekster werd geschetst zal binnen afzienbare tijd worden aangepast. Er zijn verschillende wijzigingen op til die tot doel hebben de diplomatieke en consulaire posten meer te responsabiliseren.
1º De posten zullen, met andere woorden, veel meer de mogelijkheid krijgen om ambtshalve visa te verstrekken. De regels hiervoor worden momenteel uitgewerkt door het ministerie van Binnenlandse Zaken, waarna een overleg wordt georganiseerd met het ministerie van Buitenlandse Zaken.
De rol van de Dienst Vreemdelingenzaken zal in deze procedure worden geherdefinieerd : er zal meer nadruk gelegd worden op controle en het in kaart brengen van de migratiestromen.
2º Bepaalde prioritaire posten (35) in het buitenland zullen sneller worden geïnformatiseerd : op deze wijze zouden er sneller en op een meer gecoördineerde wijze visa kunnen worden afgeleverd. Dit proces zou in de lente van 2001 moeten worden beëindigd en op deze wijze zouden 80 tot 85 % van alle visumaanvragen geïnformatiseerd behandeld worden.
Zo ontstaat er een onlinedriehoek tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken, de Dienst Vreemdelingenzaken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en de diplomatieke of consulaire post.
2.1. Hoorzitting met mevrouw Bosschaert, verantwoordelijke voor de afdeling visa van het ministerie van Buitenlandse Zaken, gehouden op 7 december 2000
Mevrouw Bosschaert verwijst naar de laatste vergadering van de commissie alwaar zij heeft gepoogd om de procedures inzake visa van de diplomatieke en consulaire posten toe te lichten. Als korte herinnering verwijst zij naar het bestaan van de visa korte duur dat ook kadert in het Schengenakkoord en de visa lange duur dat kadert in een nationaal akkoord.
Inmiddels heeft zij een aantal gegevens verzameld nopens de visa- aanvragen in landen zoals Marokko, China, Rusland, Roemenië, Thailand, Kongo, Pakistan, Hongarije, Tunesië, Turkije, Nigeria ..., alwaar er posten zijn die soms problemen kunnen kennen inzake visa.
Drie landen werden nader bekeken met statistieken over de vier à vijf laatste jaren. Het betreft Rusland, Thailand, en Nigeria.
Vooraf moet eraan herinnerd worden dat er een competentieverschil bestaat al naargelang België vertegenwoordigd wordt door een derde staat of vertegenwoordigd wordt door een beroepspost.
1) Betreffende Rusland is de post gelegen in Moskou en heeft deze jurisdictie over Armenië, Georgië, Wit-Rusland en Moldavië.
2) In andere landen van Oost-Europa (Albanië, Mongolië, Letland, Tadjikistan, Turkmenistan, ...) wordt ons land vertegenwoordigd door een andere Schengenstaat, in deze gevallen Duitsland. In geval van vertegenwoordiging is de vertegenwoordigende staat slechts bevoegd voor de visa korte duur.
De bijgebrachte statistieken betreffen de visa korte duur (aldus de visa korte duur van minder dan drie maanden en de transitvisa, geldig voor maximum vijf dagen, dat nodig is om van een derde land naar een ander derde land te gaan met transit in een Schengenland ...).
In de post in Moskou doet de situatie zich voor als volgt :
In 1996 :
23 500 visa-aanvragen
13 193 visa afgeleverd
10 307 weigeringen (via de DVZ)
In 1997 :
15 902 visa-aanvragen
12 290 visa afgeleverd
3 612 weigeringen
In 1998 :
13 083 visa-aanvragen
11 703 visa afgeleverd
+ 932 visa D categorie, aldus lange duur van méér dan drie maanden
In 1999 :
12 814 visa-aanvragen
11 169 visa afgeleverd
+ 309 visa D categorie, aldus lange duur van méér dan drie maanden
2) Betreffende Thailand is de post gelegen in Bangkok, met jurisdictie over Bangladesh, Cambodja, Laos en Miamar. Ook hier brengt zij de statistieken bij zowel voor wat de visa korte duur betreft als de visa lange duur.
Een onderzoek over de visa korte duur toont bijvoorbeeld aan dat er in 1996 :
2 265 visa werden aangevraagd
2 143 visa werden afgeleverd
122 visa werden geweigerd
2.2. Hoorzitting van M. Schewebach en van M. Barbaix, respectievelijk algemeen directeur van de Dienst Vreemdelingenzaken en verantwoordelijke voor de visa audit van de dienst, gehouden op 7 december 2001
M. Schewebach stelt vast dat het voorontwerp van wet is ingediend en dat de rol van de administratie van de immigratie zal beperkt worden tot de registratie van de uiteindelijke beslissingen. Nochtans blijkt het probleem op het vlak van de humanitaire en andere verblijven zich nog steeds te stellen. We mogen niet vergeten dat het asiel exclusief valt onder de toepassing van de Conventie van Genève, die op geen enkele manier wordt gewijzigd.
Voor de immigratie bestaat er een beleid met verschillende richtingen en redeneringen. Zo is het visum één van de immigratie-instrumenten. Maar we moeten hierbij ook benadrukken dat naast het recht op een verblijf om bepaalde redenen, zoals bijvoorbeeld gezinshereniging of studies in hoger universitair onderwijs of niet; er in de wet geen echt immigratiebeleid bestaat, vermits artikel 9 de verblijven langer dan 3 maanden regelt, maar daarbij geen onderscheid maakt tussen het humanitaire en het niet-humanitaire aspect van de zaak. Tijdens de voorgaande legislaturen hebben bepaalde ministers gebruik gemaakt van omzendbrieven om de voorwaarden van artikel 9 (bijvoorbeeld voor het ongehuwd samenwonen) te verduidelijken, maar voor alle andere onvoorziene situaties hangt dit af van de discretionaire macht van de minister of zijn gevolmachtigde.
Daarom wenst de administratie dat men een koninklijk besluit van reglementaire aard zou nemen, teneinde tegemoet te komen aan een maximum aantal situaties.
Hij herinnert eraan dat de DVZ algemeen bevoegd is inzake de visa voor korte duur, behalve voor in Brussel benoemde diplomaten en diplomaten die op officieel bezoek in België zijn evenals de internationale ambtenaren.
We moeten tevens verduidelijken dat de enige manier om inzake visa snel te werken, zou zijn, ze eenvoudig af te schaffen. De administratie kan namelijk onmogelijk alle nodige controles uitvoeren en daarbij ook nog verplicht worden om aan een zeer hoog tempo werken. In dit verband zal de politieke macht een beleidskeuze moeten maken.
Wat het inhalen van de visa betreft, levert de DVZ elke maand enorme inspanningen om de achterstand te verminderen, maar het systeem blijft log. In bepaalde sectoren is de achterstand volledig weggewerkt. Dit is mogelijk geweest dankzij de informatisering van de diplomatieke posten die voor 80 % van de visa-aanvragen instaan. De DVZ staat in rechtstreeks contact met de posten. Er zijn ook nog enkele maatregelen die een kleine achterstand aan het proces kunnen bezorgen, zoals de controles op het vlak van de Staatsveiligheid en de Schengen raadplegingen van ongeveer zeven dagen, maar in zijn geheel genomen, werkt dit veel beter.
Bovendien heeft de minister van Binnenlandse Zaken een nieuwe richtlijn voorbereid. Voor de diplomatieke posten voorziet deze namelijk een zeer ruime volmacht ter zake. De posten zullen zelf kunnen beslissen of ze een visumaanvraag weigeren, hetgeen momenteel niet het geval is.
De heer Barbaux bevestigt dit laatste punt. De richtlijn zou alle circulaires vervangen. De inhoud ervan is reeds klaar maar moet nog worden overgemaakt aan Buitenlandse Zaken in die mate dat de materies elkaar overlappen. Sommige aanpassingen moeten eventueel nog worden uitgevoerd. De bedoeling is dus wel dat alles visa zouden worden afgeleverd via de diplomatieke posten. Enkel de moeilijke gevallen zouden in België worden behandeld (gebrek aan informatie, ...). Er zijn ook uitzonderingen voorzien voor wat gevallen betreft in aanraking met de Staatsveiligheid, gevallen die vallen onder de restricties voorzien op Schengenniveau (bijvoorbeeld bepaalde lijsten waarvoor de posten geen visum kunnen afleveren of lijsten waarbij wordt opgelegd dat Vision eerst zou worden gecontacteerd alvorens een visum kan worden afgeleverd).
Het beleid in verband met de visumverstrekking is sinds lange tijd een bron van bekommernis geweest van de commissie.
Daar het visum op zichzelf een zeldzaam en zeer gegeerd document is voor vele potentiële migranten, en bij het verlenen ervan nog in grote mate een soevereine beslissing moet worden genomen op grond van een eigen appreciatie van de betrokken ambtenaar, is het niet te vermijden dat velen bereid zijn voor het bekomen ervan alles in het werk te stellen. Het is ook niet te verwonderen dat er in hoofde van de afgewezen aanvragers misnoegen ontstaat, omdat bij vergelijking in gelijkaardige gevallen een tegenovergestelde beslissing werd genomen. Er zijn « winners » en « verliezers » en de verleiding is groot om daarin de hand te zien van duistere krachten en de ambtenaar van beïnvloedbaarheid te verdenken, ja zelfs van corruptie.
Er zijn ook tal van negatieve beslissingen die als onbillijk worden aangevoeld door getuigen, vrienden of familieleden die de afgewezen aanvrager kennen en kunnen instaan voor zijn eerlijke bedoelingen.
De commissie heeft de sterke overtuiging dat in vele gevallen de beslissing correct werd genomen, maar dat bepaalde toestanden, die in de loop van de jaren door de pers werden aangeklaagd, meer impliceren dan toeval of slechte wil.
Zo zijn er consulaten die plotseling grote aantallen visa afleveren daar waar er in dat land voorheen nog niet eens aanvragen bestonden. In zulke gevallen moet de betrokken ambtenaar of de inspectie zich op zijn minst vragen stellen. Als dat niet gebeurt, is er wat aan de hand : ofwel loopt er iets mis bij de behandeling van de aanvraag, ofwel is er ronduit kwaad opzet in het spel.
De commissie heeft het nodig geacht dit aspect uit te spitten, en deze praktijken te onderwerpen aan een grondig onderzoek. Daar zulks het kader van het louter immigratiebeleid te buiten ging, heeft ze de subcommissie « Mensenhandel » opdracht gegeven om mogelijk beïnvloeding van de ambtenaren door criminele organisaties van mensenhandelaren te onderzoeken.
Dit heeft geleid tot een reeks hoorzittingen waarin deze problematiek ter sprake kwam, namelijk :
op 5 maart 2001, met de heer J. Leman, directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
op 28 mei 2001, met de heer L. Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken;
op 11 juni 2001, met de heer De Bock, secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
De subcommissie zal niet nalaten daarover te gepasten tijde verslag uit te brengen bij de commissie.
Het visumbeleid blijft aldus in de kijker, en desgevallend zullen uit de doorlichting van de praktijk lessen moeten worden getrokken qua reglementering en organisatie van de sector.
Sinds de enorme toename van immigranten in ons land, is de centrale dienst die al deze dossiers beheert, namelijk de Dienst Vreemdelingenzaken, volledig overstelpt. Het wezen dossiers over legale immigratie, regularisatiedossiers of asieldossiers, telkens weer stoten de practici op de enorme achterstand en de daaruit voortvloeiende lange wachttijden.
Het besef bestaat sinds lang dat deze situatie niet langer kan, en dat er een grondige aanpak nodig is.
De toestand is zo misgegroeid dat de normale aanvragen van mensen die naar België willen komen op legale manier, niet meer kunnen behandeld worden omdat de dossiers van de illegalen in België en de asieldossiers hen hebben verdrongen. Daardoor bestaat een situatie van rechteloosheid, waarbij de uitzondering de regel wordt.
Overmand door deze situatie, heeft de regering gekozen voor een oplossing op korte termijn die er vooral op gericht is het asielprobleem aan te pakken.
Er is immers gebleken dat vele economische migranten in de brede zin van het woord de asielprocedure misbruiken om zich gedurende de tijd van de behandeling van hun zaak in België te vestigen.
Er is ook gebleken dat de grote achterstand bij de behandeling van de asieldossiers in België een doorslaggevende factor was bij de beslissing van zulke oneigenlijke vluchtelingen om meer specifiek België te kiezen als asielland. Dit multiplicatoreffect moest dan ook prioritair behandeld worden.
Er werd in de eerste plaats geopteerd voor een nieuwe aanpak van de opvang, waarbij financiële hulp werd uitgesloten tijdens de ontvankelijkheidsprocedure. Daardoor bekwam men een drooglegging van de filières die hier « oneigenlijke » asielzoekers plaatsten en de bestaansmiddelen binnenruifden.
Na de crisisperiode van eind 2000, waarbij een piek werd genoteerd van 5 279 asielaanvragen voor de maand oktober, viel dat cijfer na de beleidswijziging terug tot 1 734 in februari 2001.
Een tweede opdracht op middellange termijn was de achterstand inlopen.
De derde opdracht was op lange termijn een structurele oplossing bieden.
Eens deze hervorming vastgelegd, diende men tegelijkertijd de restbevoegdheden te regelen van de Dienst Vreemdelingenzaken.
De regering heeft op 1 oktober 1999 reeds het besluit genomen om de Dienst Vreemdelingenzaken te splitsen in twee zelfstandige administraties, met name de FAI (Federale Administratie voor Immigratie) en de FAA (Federale Administratie voor Asiel) (zie bijlage nr. 1 in stuk 2-112/2).
De uitvoering van dit eenvoudige principe is echter heel wat ingewikkelder dan men zou kunnen denken, omdat de telkens weer binnenkomende nieuwe dossiers verder moeten worden behandeld.
De regering heeft zich tot doel gesteld de hervorming van het luik FAA tegen begin 2002 klaar te hebben.
Wat de restbevoegdheden betreft, zullen de diensten van de Dienst Vreemdelingenzaken doorgelicht worden. Een audit is op dit ogenblik bezig om de methoden tot verbetering van de dienstverlening uit te dokteren. De pijnpunten waren merendeels gekend, en staan reeds vermeld in het bestek van de aanbestedingsdossiers.
De commissie heeft tijdens haar bezoek aan de Dienst Vreemdelingenzaken d.d. 18 januari 2001 met eigen ogen bepaalde leemten kunnen vaststellen (cfr. infra punt 4. Bezoek aan de Dienst Vreemdelingenzaken).
2. Hoorzittingen
2.1. Hoorzitting met de heer Pascal Smet, toenmalig adjunct-kabinetschef van de minister van Binnenlandse Zaken over de hervorming van de Dienst Vreemdelingenzaken, gehouden op 17 november 2000
De heer Smet zet uiteen dat zijn tussenkomst enkel gaat over de hervorming van de Dienst Vreemdelingenzaken, en dus in genen dele over de toepassing van de vreemdelingenwet; in geen geval kan hij het hebben over asielpolitiek, vermits de regering dit nog in beraad houdt.
De hervorming van de Dienst Vreemdelingenzaken, één van de drie pijlers van dit regeringsbeleid inzake immigratie , is zo een gewichtig dossier, dat de minister dit heeft willen behandelen na het op het getouw zetten van de regularisatieprocedure.
Het hervormen van zulk een belangrijke dienst kan ook niet los gezien worden van de ruimere hervorming van het openbare ambt waarvoor minister Van den Bossche bevoegd is. En niet alleen dit aspect is van belang. Daar het bovendien gaat om een overheidsinstelling moet alleszins een hele reeks bestaande regels over het openbare ambt worden in acht genomen, waarvan de toepassing eveneens onder dezelfde minister valt.
Er is dus nauw samengewerkt tussen de ministers Duquesne en Van den Bossche.
In samenspraak werd een offerteaanvraag opgezet voor de toewijzing van een « re-engineering »-opdracht.
Daarbij wordt uitgegaan van een bestaande situatie met een directeur-generaal, een logistieke omkadering en de uitvoeringsdiensten, onderverdeeld in verschillende gespecialiseerde directies.
In de eerste plaats moeten de werkprocessen worden hervormd alvorens men naar de organograms kijkt. Daarbij gaat men bottom-up te werk.
De volgende stap is de « to be-situatie », dat wil zeggen de ideale oplossing tegen de minste kostprijs.
Pas dan kan men beginnen aan een implementatieplan.
De offerteaanvraag voor de selectie van het studiebureau is beperkt tot drie studiebureaus. Ze werd uitgeschreven eind juni, en de selectie zal nu gebeuren op basis van de analyse van de offertes.
De adjudicataris heeft vier maanden voor de twee eerste fasen.
Daarna zal een richtlijn worden gevraagd voor de hervorming, met een klemtoon op de delegatie van beslissingsrecht en de informatisering.
In het bestek werden elf pijnpunten verwerkt, waaronder :
1) de telefoonbehandeling;
2) de te lange antwoordtermijnen;
3) de voortdurende achterstand in alle diensten;
4) de afwezigheid van een prioriteitenlijst bij het bepalen van de indeling van de diensten;
5) een gebrekkige communicatie tussen de diensten;
6) een onbevredigend personeelsbeheer, te wijten aan een gebrek aan vaste medewerkers, aan doelgerichte controles en aan een performante productiviteitsmeting;
7) een gebrekkige informatisering;
8) een te centralistische aanpak, met een te kleine inbreng van gemeenten en diplomatieke posten bij de afhandeling van de dossiers.
Het is de bedoeling om met de basis de werkprocessen te bestuderen en te evalueren.
Zo is het hun persoonlijk al opgevallen dat in de pendel gemeente/Dienst Vreemdelingenzaken tal van overbodige stappen kunnen worden weggelaten.
Eens de implementatieplannen gereed zijn, zullen ze aan het personeel worden uitgelegd. Indien bepaalde personen de hervorming proberen te verhinderen, zullen er maatregelen worden genomen.
De heer Smet wijst erop dat de minister heeft beslist om, zonder de uitslag van de studie af te wachten, het visumbureau onmiddellijk te hervormen.
Deze dienst behandelt een materie die veelal buiten de Dienst Vreemdelingenzaken wordt voorbereid en beheerd. Bovendien bevindt hij zich in een context waarin hij moet mee evolueren : vermits er beslist werd de diplomatieke posten te informatiseren, moet hij deze evolutie volgen.
Zo zullen zesendertig posten die 80 % van de visa-aanvragen beheren onmiddellijk worden geïnformatiseerd, wat zal toelaten de statistieken vanuit de Dienst Vreemdelingenzaken gemakkelijker aan te maken.
Er zal, qua beheer, een uitgebreide delegatie worden gegeven aan de consulaten voor zowel kort als lang verblijf.
De Dienst Vreemdelingenzaken zal naast een inspectieopdracht vooral nog een helpdeskfunctie overhouden.
Voor de financiering van dit project zal een afname gebeuren van het miljard dat was bestemd voor het nieuwe asielbeleid. Een groot deel van dit project zal begin volgend jaar operationeel worden.
Een lid vreest dat deze zoveelste studie de hervorming niet zal vooruithelpen op korte termijn.
De meeste pijnpunten zijn sinds jaren bekend, en de Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden heeft ze reeds twee jaren geleden onderkend.
Een aantal jaren geleden werd reeds een goede audit gemaakt. Waarom nog eens vanaf nul herbeginnen ? Hoe gaat men deze zaak afronden op vier maanden tijd ?
Ze heeft, net als haar collega's, in de pers moeten vernemen dat er een structuur is beslist, namelijk de FAI en de FAA. Wordt deze beslissing nu op de helling gezet ?
Ze verneemt nu dat de visadienst apart zal worden hervormd. Past deze minihervorming wel in het geheel, en brengt ze de grote hervorming niet in het gedrang ?
Staat voor de begeleiding enkel Buitenlandse Zaken in ?
Een lid stelt vast dat de diagnose van Binnenlandse Zaken dezelfde is als die van de federale ombudslui. Zo is bijvoorbeeld vastgesteld dat de informaticasystemen verbeterd zijn, maar dat de opleiding van de mensen die ze moeten toepassen, nog heel wat te wensen overlaat.
Hoe zal de splitsing FAI/FAA verwerkt worden ? Zal het nodig zijn de kaders uit te breiden en de opvang te decentraliseren ?
Met betrekking tot de visaproblematiek dient zich met Kazachstan opnieuw een netelig dossier aan. Er zouden tenlastenemingen en uitnodigingen zijn, die niet volgens de regels verlopen.
Een ander lid vraagt zich af volgens welke methode de zwakke plekken van de Dienst Vreemdelingenzaken blootgelegd zijn.
Hij vraagt zich ook af hoe noodzakelijk de hervorming van deze dienst eigenlijk is, als men bedenkt dat de minister tegelijk verklaarde dat de dienst dood was en toch goed functioneerde.
Hij vindt het ook vreemd dat de hervorming van de visadienst gefinancierd zal worden door een inhouding op het miljard dat uitgetrokken is voor de regularisatie van de illegalen.
Een ander lid klaagt over de ontoegankelijkheid van de Dienst Vreemdelingenzaken. Zelfs voor een EU-burger kan het dossier pas na zes à zeven maanden worden afgesloten.
De verstrekte informatie wordt amper doorgegeven en er is een schrijnend gebrek aan coördinatie tussen de diensten. Een veelvoorkomend voorbeeld is het feit dat bij een visumaanvraag de diplomatieke vertegenwoordiging meldt geen inlichtingen te hebben gekregen van de Dienst Vreemdelingenzaken, die op zijn beurt beweert alles te hebben overgemaakt.
De afspraken om een dossier samen te stellen, liggen te ver uit elkaar en ook de toevoeging van nieuwe dossierstukken vergt te veel tijd.
De aangekondigde overdracht van de beslissingsbevoegdheid naar de consulaten kan gevaarlijk blijken, tenminste als er tegen deze gedecentraliseerde beslissingen geen enkele beroepsmogelijkheid wordt ingebouwd.
Een lid vindt het opvallend dat de einddatum voor de aanbesteding van de audits samenvalt met de dag waarop de heer Smet inlichtingen dient te komen verschaffen over de hervorming van de Dienst Vreemdelingenzaken.
Zij wenst meer details te krijgen over de verderzetting en vooral over de resultaten van deze studie. Welke zijn de termijnen, welk budget wordt ervoor uitgetrokken en is men van plan het onderzoek te versnellen ?
Een lid is wat ontgoocheld te vernemen dat men nu nog maar de pijnpunten wil aanpakken, daar waar de minister ze een half jaar geleden reeds voor het Parlement aanhaalde. Waarom heeft hij zolang gewacht ?
Deze houding is geen toeval : het is een grondhouding die steeds weer terugkomt. Voor elk probleem zijn er plannen en beloften, maar nooit slagvaardigheid.
Het feit dat men de informatisering van de visaverrichtingen bekostigt met geld dat bestemd was voor de regularisaties, stemt haar ook tot nadenken.
De regularisaties zélf lijken dus geen hoofdprioriteit meer te zijn, evenmin als de oprichting van de FAI en de FAA, die al sinds 7 oktober 1999 zijn aangekondigd.
Het enige nieuwe aspect is het vooruitzicht van een implementeringsplan, wat eindelijk een resultaat zou moeten opleveren na een reeks audits die op niets uitdraaiden.
Een lid vraagt zich af of het ontslag van de voorzitter van de regularisatiecommissie geen weerslag zal hebben op de regularisatieprocedures.
Een ander lid wijst erop dat, wat de asielproblematiek betreft, de Conventie van Dublin voor de asielzoekers een meldingsplicht instelt in het eerste Schengenland van aankomst. Qua administratie voor deze problematiek kan er dus geen probleem meer zijn : in België zouden enkel dezen die aankomen op de luchthaven of in een zeehaven kunnen aanspraak maken op asiel, vermits België volledig omringd wordt door Schengenlanden. Al de overigen komen noodgedwongen uit een ander Schengenland.
De heer Smet wijst erop dat men, voor de goede verstaanbaarheid, de problematiek van de hervorming van het asielrecht en deze van de hervorming van de diensten die daarover uitspraak doen, goed moet uit mekaar houden.
Bij de hervorming van de Dienst Vreemdelingenzaken wordt vooreerst de nieuwe administratie voor immigratie voorbereid. Deze doet gewoon haar werk verder, zij het via een vernieuwde structuur.
Het huidige Bureau « R » wordt afgesplitst van de Dienst Vreemdelingenzaken en wordt de nieuwe federale asieladministratie.
Het consultancybureau zal, net zoals voor de sector immigratie, enkel de werkprocessen analyseren in verband met asielaanvragen. Dit zijn de werkprocessen die nu door de Dienst Vreemdelingenzaken worden uitgevoerd in dit verband, namelijk de registratie van de aanvragen, het afnemen van de interviews en de beslissing over de ontvankelijkheid.
Het is dus zo dat men de asieladministratie zal hervormen nog vóór de asielprocedure zal zijn hervormd, volgens de principes waarover de regering nu aan het beslissen is.
Een lid zou gaarne een organogram bekomen van de huidige situatie, om een juiste indruk te hebben over wat het gaat.
De heer Smet geeft aan dat, los van de interne werkverdeling, men mag stellen dat de asieladministratie nu reeds fysisch afgesplitst is van de rest van de Dienst Vreemdelingenzaken. Ze is immers ondergebracht in Northgate II.
Hij legt er de nadruk op dat het feit dat er een audit komt, niet betekent dat er helemaal niets gebeurt. In vele opzichten werken sommige andere federale administraties nog veel slechter.
De leden die zich zorgen maken over het lot van de vroegere audits doen dat ten onrechte. Deze audits werden wel degelijk als uitgangspunt gebruikt voor de nieuwe audit. In feite zal deze laatste enkel de vorige audits moeten actualiseren.
Wat de visa betreft, is iedereen het erover eens dat de huidige methode niet werkt. Daarom is een dringende hervorming van deze sector onmiddellijk nodig. Er zal moeten worden gedelegeerd waar het kan.
Nochtans heeft het huidige systeem ook zijn voordelen : door het samenwonen van de immigratiediensten en de visadienst, heeft men een beter zicht op de immigratiestromen, en kan men waar nodig ingrijpen op de visapolitiek. Bij afsplitsing zou, wat dat betreft, een negatief effect te vrezen vallen.
Zoals gezegd, zal een grotere delegatie worden gegeven aan bepaalde diplomatieke posten. Voor de overige posten zal verder worden gewerkt zoals nu.
Wat meer bepaald Kazakhstan betreft, brengt hij in herinnering dat Duitsland er de visa aflevert voor België. Dat hier iets misloopt is algemeen geweten. Landen zoals Frankrijk en Duitsland zijn in het algemeen veel te gul in het afleveren van visa. Zij vinden dat dit hun plicht is als grote landen. Wat ze daarbij uit het oog verliezen is dat degenen die een visa bekwamen veelal binnen de Schengenzone wegglippen, zonder een spoor na te laten. Velen daarvan komen in België terecht. De grote landen zouden dus wat kieskeuriger moeten zijn wat dat betreft.
Een lid is verwonderd dit te vernemen. Zij heeft immers steeds gehoord dat de Duitsers erg restrictief optreden en voortdurend weigeren visa af te leveren.
De heer Smet komt vervolgens terug op het informaticaprobleem bij de Dienst Vreemdelingenzaken. De Staat heeft hierin al aanzienlijk geïnvesteerd. Een extern bureau zal helpen de processen te objectiveren, wat veeleer aanleunt bij management dan bij investering in nieuw materiaal.
Met betrekking tot de hervorming zullen de aanvankelijk vastgestelde principes worden gevolgd voor de inhouding van het geld op het budget van 1 miljard, dat eigenlijk 1,8 miljard bedraagt. In het budget van minister Vande Lanotte is immers 800 miljoen uitgetrokken voor de integratie van de geregulariseerden. In het miljard voor Binnenlandse Zaken zit ook het geld dat bestemd is voor de hervorming van de Dienst Vreemdelingenzaken. Al de rest is bestemd voor de andere delen van het beleid. De lonen voor de 500 medewerkers die voor de regularisatie zijn aangeworven, slorpen hiervan het grootste gedeelte op.
Voor de beslissingen inzake visumaanvragen die door de consulaten worden genomen, is er voorzien in een ad-hocberoep bij de minister en een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State.
De Conventie van Dublin is ontoereikend. Gemiddeld komen er in Zaventem immers slechts 120 asielaanvragen binnen. Mevrouw Leduc geeft aan dat alle overige afkomstig zijn van andere landen van de Schengenzone.
Als voorzitter van de EU zal ons land voorstellen formuleren. Het grote struikelblok blijft evenwel het bewijs van herkomst. Om hieraan het hoofd te bieden zal Eurodac veralgemeend en geüniformiseerd worden.
Vingerafdrukken zijn het enige efficiënte controlemiddel.
De implementatieduur van het hervormingsplan voor de Dienst Vreemdelingenzaken zal onder meer afhangen van de analyse van de beschikbare middelen voor informatica en opleiding.
Volgens de planning zal het studiebureau zijn werkzaamheden begin december aanvatten.
Een verandering van procedures betekent niet dat de nieuwe werkwijze van de FAI niet mag opgestart worden. Het doel blijft hetzelfde : zorgen voor de opvang van de asielzoekers en de uitwijzing van de uitgeprocedeerden.
2.2. Hoorzitting met de heer Jean Cornil, toenmalig adjunct-directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
2.2.1. Uiteenzetting
De heer Cornil verwijst naar de drie pijlers van het regeringsbeleid inzake immigratie, die vervat staan in de beleidsnota van de regering van 1 oktober 1999 : de regularisatie, een nieuwe administratie en procedure en een snellere uitwijzing van illegalen.
Toch ontbreekt er volgens hem een essentieel element in dit beleid, namelijk de vraag welk immigratiebeleid België moet voeren.
Dit stemt tot nadenken over de immigratie van personen van buiten de EU, over minimumnormen voor toelating op het grondgebied, de bescherming van ontheemden enz.
Intussen zijn al 7 500 werkvergunningen uitgereikt aan personen die nog steeds wachten op hun regularisatie, zonder dat hierbij is gedacht aan de noden van de ondernemingen (profit en non-profit). Het is belangrijk de NGO's, de universiteiten en de sociale partners in dit beleid te betrekken.
Eigenlijk zou vóór aanvang van het Belgische voorzitterschap van de EU een kwantitatieve en kwalitatieve studie gemaakt moeten worden.
Dit alles dient uiteraard te gebeuren met respect voor de sociale rechten.
Wat de hervorming van de asielprocedure betreft, laat hij opmerken dat eenderde van de klachten die het centrum ontvangt, te maken hebben met de slechte behandeling van de asielaanvragers. Een groot aantal klachten slaat op het totale ontbreken van sanitaire voorzieningen bij de opvang op de Antwerpsesteenweg in Brussel.
Het is absoluut noodzakelijk dat de Dienst Vreemdelingenzaken zich bezighoudt met zijn relatie met het publiek, door bijvoorbeeld een cel public relations op te richten of een brochure uit te geven met correcte en up-to-date informatie (en dus niet zoals de verkeerde brochure over de visa).
Ten slotte dient er ook een onderscheid te worden gemaakt tussen asiel en immigratie in de administratieve werkwijze en het taalgebruik.
Wat de nieuwe modaliteiten betreft voor de opvang van de asielaanvragers, kan hij enkel afgaan op de huidige toestand.
Hij stelt vast dat de opvang momenteel vrij goed functioneert en in elk geval beter verloopt dat in de jaren '80. De opvang steunt volledig op de drie-eenheid Staat-NGO's-OCMW. Het systeem kan ook worden uitgebreid.
Daarom begrijpt hij niet waarom deze taak aan de privé-sector zou moeten worden toevertrouwd. Hij is er echter niet principieel tegen. Zijn enige voorbehoud is dat de psychologische begeleiding en hulp het alleenrecht zijn van de openbare sector.
Overigens is het tijd dat de Dienst Vreemdelingenzaken wordt gedecentraliseerd. De opvang in de open centra moet volledig zijn en de nieuwe instanties dienen ter plaatse te gaan om te vermijden dat er bij de hoofdzetel van de Dienst Vreemdelingenzaken eindeloze rijen kandidaat-vluchtelingen verschijnen.
De minister heeft onlangs aan het Centrum voor gelijkheid van kansen gevraagd met de gemeenten overleg te plegen over loketten.
Met betrekking tot de procedure zijn er zowel positieve als negatieve elementen te bespeuren.
Het interessantste element is dat elke persoon asiel kan aanvragen en voor zijn dossier beschikt over twee procedureniveaus (eerste aanleg en beroep).
Hij dringt erop aan het gevaar voor de fysieke integriteit in geval van terugkeer naar het land van oorsprong te laten opnemen als extra grond om asielrecht te verkrijgen. Aan deze categorie « gelijkgestelde » vluchtelingen zou een tijdelijk statuut moeten worden toegekend, dat vervolgens definitief kan worden.
Hij heeft ook een aantal bedenkingen bij het nieuwe systeem :
hoe bepaalt men of een aanvraag duidelijk ongegrond is ?
welk verblijfsdocument moet men toekennen aan de tijdelijke vluchtelingen volgens artikel 3 van het EVRM en aan de erkende vluchtelingen ? Hij heeft zich verzet tegen het uitreiken van tijdelijke verblijfsdocumenten voor de erkende vluchtelingen;
artikel 9, § 3, van de vreemdelingenwet dient te worden herzien, omdat er een te grote beoordelingsmarge aan de minister wordt gelaten. Er zou voor bepaalde categorieën uitgeprocedeerde asielaanvragers een recht moeten bestaan om een beroep te doen op deze vorm van regularisatie om humanitaire redenen.
2.2.2. Bespreking
Een lid vraagt spreker te schetsen welke de voor- en nadelen zijn als de opvang van de vluchtelingen aan de privé-sector wordt toevertrouwd.
Een lid beklaagt zich over het gebrek aan concrete info vanwege de regering over zo'n prangende vragen als daar is de economische immigratie.
Wij hebben in dit land specifieke noden zoals de permanente vorming van eigen mensen.
De aanwerving van jonge mannelijke migranten staat de tewerkstelling in de weg van jonge Belgen die nu stempelen.
Een lid vraagt of men heeft gedacht aan een methode om de benodigde hoeveelheid werkkrachten in cijfers te gieten.
Met betrekking tot de hulp die de NGO's bieden in de opvang van de vreemdelingen vraagt hij zich af of men een idee heeft van het aantal bedden waarin voorzien moet worden.
Heeft men de kosten van een dergelijke onderneming vergeleken met wat een soortgelijke onderneming zou kosten voor de OCMW's ?
Is men, rekening houdend met de wantoestand door de slechte werking van de regularisatiecommissie, zeker dat men niet hetzelfde risico loopt met de oprichting van de FAA ?
Dient men niet eerst het eerste niveau het CGVS te versterken ?
Een lid wijst erop dat een discussie met de sociale partners over de economische immigratie noodzakelijk is.
Een ander lid is van mening dat de psychologische en sociale opvolging van de kandidaat-vluchtelingen in elk geval een taak is voor de openbare diensten. Voor alle andere aspecten, die veeleer met materiële organisatie te maken hebben, ziet hij geen enkel probleem.
Met betrekking tot het aantal te creëren plaatsen, denkt men aan ongeveer 1000 plaatsen voor de NGO's en 500 plaatsen voor de regering.
De studie over de vereiste arbeidskrachten zou moeten worden toevertrouwd aan een immigratiecentrale bestaande uit werkgevers, vakbonden, OCMW-voorzitters, NGO's en gespecialiseerde centra.
Wat de hulp in natura betreft, verwijst hij vooral naar de verplichte huisvesting in de opvangcentra in de eerste fase na aankomst in België.
Na deze periode kan de integratie beginnen en wordt financiële steun toegekend door het OCMW.
Een lid vindt dat men niet mag afwijken van het principe dat woonst, voeding en medische zorg worden verstrekt onder de vorm van hulp in natura.
Uit haar ervaring weet ze hoezeer de andere vormen van hulp worden misbruikt en aanleiding geven tot exploitatie door netwerken, die niet aarzelen krotten te verhuren voor schandalige prijzen, zwartwerk te laten verrichten, ...
Een lid gaat akkoord dat een van de efficiënte middelen om deze vormen van fraude te vermijden erin bestaat de smokkelaars en de handelaars alle middelen te ontzeggen, door hun geen geldsommen meer te geven.
2.3. Hoorzitting met de heer Pascal Smet, commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen
2.3.1. Uiteenzetting
De heer Smet wenst eerst en vooral op te merken dat asielbeleid en immigratiebeleid twee verschillende begrippen zijn, zelfs al bestaat er een band tussen beide, aangezien de asielprocedure vandaag de dag wordt gebruikt als immigratiekanaal.
Er zijn drie manieren om wettelijk toegang te krijgen tot België of tot de Europese Unie in het algemeen. De Europese Commissie heeft ze in haar mededeling van december duidelijk omschreven.
Er is eerst en vooral de toegang om humanitaire redenen het zogenaamde asielrecht , eventueel de tijdelijke bescherming of de « andere » bescherming overeenkomstig artikel 3 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens (3).
Een tweede manier om legaal binnen te komen, is via de gezinshereniging.
De derde weg is deze van de economische migratie.
Het debat dat over nieuwe migratie wordt gevoerd, gaat erover tot waar we moeten gaan om mogelijkerwijs verder economische migratie toe te laten.
Via een oneigenlijk gebruik van de asielprocedure proberen heel wat mensen een tijdelijk of definitief verblijf te krijgen in ons land of in Europa. De regering heeft er echter voor gekozen om een duidelijk onderscheid tussen asiel en migratie te handhaven. Om de indirecte band tussen asiel en migratie kan men echter niet omheen. Daarom is het zo belangrijk dat de asielinstanties erin slagen het gebruik van de asielprocedure als oneigenlijk migratiekanaal te verminderen. Dit kan door snelle en kwaliteitsvolle beslissingen te nemen.
Voor de commissaris-generaal bestaat er geen antinomie tussen het nemen van snelle beslissingen en het nemen van kwaliteitsvolle beslissingen. De kwaliteit van een administratie hangt niet alleen af van de inhoud van haar beslissingen maar eveneens van de snelheid waarmee ze deze beslissingen neemt. Met deze twee toetsstenen kan men nagaan of men te maken heeft met een degelijke organisatie.
Dit zullen we de volgende weken proberen te doen : de Dienst Vreemdelingenzaken neemt in principe een beslissing binnen de drie dagen na het indienen van de asielaanvraag, het commissariaat-generaal binnen de vijf weken na het indienen van de asielaanvraag. Binnen die heel korte termijnen moet een kwaliteitsvolle beslissing worden genomen. Als dit kan verwezenlijkt worden, zal aan mensen die om oneigenlijke reden asiel aanvragen het signaal worden gegeven dat dit eigenlijk niet loont.
De mensen die via de asielprocedure naar ons land komen, vallen echt niet uit de lucht.
Er bestaat een markt voor deze mensen en als zij op het einde van hun asielprocedure uitgeprocedeerd zijn, verdwijnen zij vaak in de illegaliteit en gaan zij zwartwerken. De heer Smet is ervan overtuigd dat de strijd tegen zwartwerk dan ook een belangrijke factor is om de illegale immigratie af te remmen.
Het is moeilijker uitspraken te doen over de economische immigratie. Sommigen beweren dat men het gebruik van de asielprocedure kan verminderen en zo ook illegale immigratie vermijden door meer legale immigratie te organiseren. Deze theorie willen wij nu van dichterbij bekijken. De heer Smet is ervan overtuigd dat er tussen beide vormen een band bestaat, maar de vraag is in hoeverre.
Als men de toestand bekijkt in Canada, Australië of de Verenigde Staten landen met middelen om een actiever beleid te voeren inzake economische immigratie , stelt men toch vast dat ook hier een aanzienlijke illegale immigratie is en dat de asielprocedure ook in deze landen wordt misbruikt. In een dergelijk debat, dat voor de bevolking erg gevoelig ligt, is het gevaarlijk te verklaren dat de stijging van de legale immigratie automatisch invloed zal hebben op de illegale immigratie en het gebruik van de asielprocedure. Dergelijke uitspraken zijn gevaarlijk voor de communicatie met de bevolking, die zich verraden zal voelen als blijkt dat de toestand in werkelijkheid anders loopt. Zoals de commissie voordien al heeft vastgesteld, is het absoluut noodzakelijk dat wij beschikken over betrouwbaar statistisch materiaal om na te gaan wat er zich in België en de rest van Europa op het terrein afspeelt, en dat wij informatie gaan uitwisselen om een dergelijk beleid te ontwikkelen.
Men moet onderzoeken hoe die band kan worden nagegaan en wat de invloed is van de uitbreiding van de Europese Unie en van de economische migratie op onze sociale politiek, op onze loonpolitiek, op onze actieve welvaart, enz. Pas daarna kan een weloverwogen beslissing worden genomen.
Als men beslist om opnieuw migratie toe te laten, en dit geldt evenzeer voor asielzoekers die thans erkend worden als vluchteling, dan moet dit gekoppeld worden aan een echte integratiepolitiek. We mogen de grote fout uit het verleden immers niet vergeten. Als men mensen toelaat naar hier te komen moet men ze meteen een integratiepakket aanbieden, niet alleen als ze hier definitief, maar ook als ze hier tijdelijk verblijven. Anders werkt het niet. Immigratie en integratie zijn met elkaar verbonden.
Bovendien zullen we partnerschapsovereenkomsten moeten sluiten met de landen van oorsprong. Gecontroleerde migratie is immers niet alleen goed voor ons maar eveneens voor de landen van oorsprong.
Samengevat meent de heer Smet dat asiel en immigratie twee verschillende aspecten zijn maar dat er een duidelijke, zij het een onrechtstreekse band bestaat tussen beide. In de tweede plaats is het duidelijk dat de asielprocedure wordt gebruikt voor immigratiedoeleinden, wat op de meest efficiënte manier kan worden bestreden door snelle en kwaliteitsvolle beslissingen, uiteraard naast het vervangen van financiële hulp door het verlenen van hulp in natura en het overgaan tot een gedwongen verwijdering indien bepaalde mensen niet vrijwillig willen vertrekken. Belangrijk is alleszins het nemen van kwaliteitsvolle beslissingen. Hij is ervan overtuigd dat we hierin met de reorganisatie die we thans uitvoeren en samen de medewerkers van het commissariaat kunnen slagen.
2.3.2. Gedachtewisseling
Een lid vraagt of de nieuwe duurtijd van de procedure van vijf weken enkel geldt voor de nieuwe asielaanvragers of dat de heer Smet ook de nog lopende dossiers binnen de maand wil behandelen, om daarna over te stappen naar de nieuwe procedure.
Tevens is zij het er volkomen mee eens dat een beslissing over het eventueel toelaten van economische migratie moet worden voorafgegaan door een degelijk onderzoek. Elementaire vragen daarbij zijn : kunnen we dit als land wel aan ? Is dit gewenst ? Hoe staat de bevolking er tegenover ? Hebben we de mensen echt wel nodig ?
De commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden van de Senaat zou misschien een begeleidend onderzoek kunnen doen.
Ook is het belangrijk dat de bevolking bij deze beslissing betrokken wordt.
Het systeem dat in Canada gebruikt wordt lijkt haar niet slecht. Wat opviel is dat immigratie gecombineerd werd met een grondige voorlichting van de bevolking, vanaf de kleuterklas tot verenigingen en het hele middenveld. Daarvoor was trouwens een speciaal instituut opgericht.
Het idee van burgerschap zou terug moeten worden benadrukt, wat alleen mogelijk is als dit op een goede manier wordt begeleid door de overheid of door een of andere instelling. Alleen op die manier kan men mensen overtuigen.
Men zou kunnen zeggen dat de immigratie zal ophouden met de nieuwe werking van de asielprocedure, maar dat kan en wil zij niet geloven. Migratie is immers iets waarmee we in de toekomst in toenemende mate zullen worden geconfronteerd en zullen mee moeten leren omgaan.
De heer Smet heeft het over snelle en kwaliteitsvolle beslissingen. Die vormen inderdaad een belangrijk element, omdat migratie nog in volle expansie is en nog vele jaren zal blijven bestaan. Vooral aan dit laatste punt moet veel aandacht worden geschonken.
Een ander lid meent dat de regering de juiste beslissing genomen heeft om de asielprocedure te verkorten en om de problematiek anders aan te pakken. Het is de taak van de heer Smet om die beslissingen uit te voeren. Deze taak is niet gemakkelijk en de verwachtingen zijn hoog gespannen.
De heer Smet heeft zichzelf een timing opgelegd. Mevrouw Van Riet vraagt of hij ook andere criteria heeft vooropgesteld om de uitvoering van de beslissingen te garanderen. De bevolking verwacht dat de asielprocedure inderdaad verkort wordt en dat het probleem eindelijk grondig wordt aangepakt.
Welke zijn de kritische succesfactoren of de criteria om de uitvoering van de beslissingen te kunnen toetsen ?
Een lid vraagt hoe de heer Smet als commissaris-generaal staat tegenover de chaotische toestand die wij de afgelopen dagen hebben gekend als gevolg van de ongeziene toevloed van vluchtelingen. In tegenstelling tot wat de minister voor Sociale Integratie verklaarde bij de bespreking van de programmawet, is het aantal opvangplaatsen voor deze vluchtelingen onvoldoende gebleken. Was dit te verwachten ? Hoe heeft hij geprobeerd de toestand op te helderen ? Waarom was er in andere Europese landen, zoals Frankrijk of Nederland, niet dezelfde toevloed van vluchtelingen, hoofdzakelijk afkomstig uit Kazachstan ? Waarom wil de heer Smet ook de Oeigoeren uit Kazachstan laten terugkeren, zelfs al beschikt hij over een rapport waaruit blijkt dat zij in eigen land worden vervolgd en vrezen voor hun leven ?
De heer Smet heeft het over vijf weken om de dossiers te onderzoeken. Hoe kan men zich op dergelijke korte tijd een beeld vormen van de toestand in deze landen ? Hoe wil hij dit type immigratie een halt toeroepen en de betrokken landen toch de kans laten zich verder te ontwikkelen ?
Een lid merkt op dat door de toestroom van asielzoekers de door de programmawet ingevoerde omschakeling van financiële hulp naar materiële hulp vervroegd werd, met name vanaf 3 januari 2001 in plaats van 10 januari. Hoe is dit juridisch mogelijk, gezien de programmawet slechts op 3 januari 2001 in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd en er geen bijzondere bepaling is omtrent de inwerkingtreding ? De wet zou eigenlijk pas op 13 januari 2001 in voege kunnen treden.
Tevens stelt zij vast dat de heer Smet aankondigt dat de aanvragen plots wel snel zullen worden behandeld. Waarom was het eerder niet mogelijk ?
Een ander lid vraagt hoe de heer Smet de onafhankelijkheid en de efficiëntie van het CGVS gaat herstellen. De pers meldt immers dat de minister van Binnenlandse Zaken steeds vaker tussenbeide komt in een aantal dossiers, waaronder die van de Kazachen. De omstandigheden van hun uitwijzing waren bijzonder lastig en zelfs mensonwaardig : gedurende de volle 17 uren van hun terugreis hadden zij immers handboeien om. Bij hun terugkeer worden zij bovendien vrijwel beschouwd als misdadigers, als een smet op het blazoen van hun land. Welke maatregelen worden getroffen bij aankomst van deze mensen in hun eigen land ? Vergewist men er zich van dat hun leven niet in gevaar wordt gebracht ? Het onderzoek van de dossiers wordt bijzonder snel afgehandeld en verloopt collectief. Hoe kan men zeker zijn dat dit onderzoek individueel wordt gevoerd, op een serene en gedegen manier ?
Hoe staat de heer Smet tegenover het feit dat de personen die ons land via een netwerk binnenkomen, systematisch als fraudeurs worden beschouwd ? Men kan er immers van uitgaan dat hoe meer men betaalt om België binnen te komen, hoe ernstiger de reden moet zijn om zijn eigen land te verlaten.
Hoe staat de heer Smet tegenover de herinvoering van de grenscontroles ? Is deze operatie efficiënt geweest ?
Een lid verbaast zich over de door haar collega's gestelde vragen. Zij dacht dat de commissie vandaag, zo staat het toch in de agenda, zou spreken over het regeringsbeleid met betrekking tot de immigratie.
De heer Smet heeft gesproken over de toestand van de grote groep asielzoekers, waarvan er slechts 10 % asielzoekers zijn en 90 % economische vluchtelingen. Alhoewel zij alle begrip opbrengt voor de economische vluchtelingen, is België is toch niet de behoeder van de hele wereldbevolking.
Er is kritiek op het regeringsbeleid, nochtans heeft de regering gepoogd asielzoekers in gesloten en open centra te plaatsen.
Tijdens de vorige regeringen liep het asielbeleid reeds spaak. Intussen is de toestand in Oost-Europa totaal gewijzigd. Men moet dus niet alles ten laste leggen van de huidige regering maar ze integendeel feliciteren voor de stappen die ze reeds heeft genomen. Echte asielzoekers moeten in de best mogelijke omstandigheden asiel krijgen en ook de economische vluchtelingen die misleid zijn moeten we proberen zo goed mogelijk op te vangen. De essentiële vraag die moet worden beantwoord is : wat gaan we doen met het immigratieprobleem ? Immigratie is er altijd geweest en in een Europa zonder grenzen zullen er altijd bewegingen van volkeren zijn.
De liberalen menen dat er in de landen van herkomst pogingen moeten worden gedaan om de corruptie tegen te gaan en de zaken beter te organiseren. Zij is ervan overtuigd dat er nu vooruitgang zal worden geboekt. Graag had zij van de heer Smet vernomen op welke wijze we immigratie zullen organiseren. Zij stelt alleen vast dat de filières zich hebben geïnstalleerd tijdens de voorbije tientallen jaren. De vorige regeringen hebben er toen niets aan gedaan.
Nog een lid merkt op dat hij al lang aandringt op een duidelijk regeringsstandpunt over immigratie. Ook de heer Smet drukt zich voorzichtig uit over een mogelijke band tussen het asielbeleid en de migratie.
De commissie heeft een aantal vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemerszijde gehoord. In het eerste rapport van maart 2000 werd de migratie behandeld. Er werd niets bepaald met betrekking tot de quota of de criteria. Wat is nu precies het standpunt van de regering inzake migratie ?
In een vorig leven liet de heer Smet zich in een artikel in De Standaard nogal laatdunkend uit over het rapport van de Verenigde Naties met betrekking tot het bevolkingstekort in Europa. Hij vroeg zich af of die fameuze migratie wel een oplossing kon bieden voor de nataliteit en de tewerkstelling. Gisteren hoorde hij minister Michel zeggen dat er wel eens een einde moest worden gemaakt aan de migratiestop. Intussen verkondigt de heer De Gucht dat er plaats moet worden gemaakt voor een vijfentwintigduizend mensen. Tussen al die standpunten bestaat er geen enkele coherentie. Op 13 mei 2001 stelde ik een vraag om uitleg aan de minster van Binnenlandse Zaken over de migratie. Toen bleek het geen probleem te zijn. In tegenstelling tot Duitsland, Engeland en de ons omringende landen kan onze regering blijkbaar geen duidelijk antwoord geven op het migratieprobleem. Spreker stelt overigens serieuze barsten vast in de regering. Zo is er de gespierde taal van de heer Coveliers met betrekking tot het creëren van gesloten centra voor de opvang van asielzoekers die nog in de procedure zitten om erkend te worden.
Hij vraagt of de heer Smet voor of tegen de gesloten centra is ? Tevens wenst hij concrete cijfers over het huidig aantal opvangplaatsen. Ook inzake de regularisatieprocedure uitte de heer Coveliers zijn angst voor een eventuele collectieve regularisatie. Meer zelfs, hij verzette zich daar met klem tegen. Wat is het standpunt van de regering aangaande een collectieve regularisatie ?
De heer Smet merkt op dat hij niet namens de regering spreekt en dat hij noch kan noch wil spreken over de grenscontroles. Het is niet aan de commissaris-generaal maar aan de minister en de Dienst Vreemdelingenzaken om dat te evalueren.
Over het praktische verloop van de verwijdering van vreemdelingen kan hij een aantal algemene dingen zeggen, maar niets specifiek over de laatste verwijderingsactie naar Kazakhstan omdat hij er niet bij betrokken was.
Evenmin beschikt hij over de juiste en geactualiseerde cijfers inzake de opvang. Ook over de regularisatie kan hij niets zeggen. Dat behoort tot zijn vorige en niet tot zijn huidige functie.
In de vragen onderscheidt hij vier grote thema's die hij per onderwerp zal beantwoorden.
Hij licht eerst en vooral toe wat het onderscheid is tussen de nieuwe en de huidige asielprocedure. Dat is belangrijk omdat de nieuwe procedure momenteel voorligt bij de Raad van State. De regering zal ze vervolgens indienen in Kamer en Senaat, waar zij zal worden besproken.
Bepaalde elementen van het wetsontwerp bevinden zich al in de huidige wet en andere elementen zullen hieraan nog worden toegevoegd. In overleg met het kabinet van de minister bestudeert de commissaris-generaal hoe het personeel kan worden gerustgesteld door de omvorming voor te bereiden van de huidige structuur in een federale administratie voor asiel. Naast een decentralisatie naar de regionale asielbureaus dringen er zich ook wijzigingen op in het personeelskader en het taalkader. Dit alles vereist een grondige voorbereiding en een verdeling van de taken. De kalender hiervoor hangt af van het Parlement en ligt bijgevolg nog niet vast.
Op dit ogenblik wordt nog gewerkt volgens de oude procedure. Ook daarin kunnen we nog heel wat doen. De termijn van vijf weken geldt voor degenen die een asielaanvraag hebben ingediend vanaf 3 januari 2001. Al degenen die vóór die datum een asielaanvraag indienden, zijn volledig legaal in ons land zolang zij in de procedure zitten.
In pure beheerstermen kan men er niet om heen dat we op dit ogenblik een probleem inzake instroom hebben. We hebben per duizend inwoners bijna 4,3 asielzoekers. Dat is binnen de EU vermoedelijk het hoogste cijfer. We moeten die instroom dus onder controle krijgen. Dat kan door een combinatie van twee à drie maatregelen. De eerste is de verandering van de sociale hulp. De maatschappelijke dienstverlening zal niet meer in geld maar in natura gebeuren. Ten tweede moet snel en kwaliteitsvol worden beslist. Ten derde moeten de uitgeprocedeerden worden verwijderd. Het commissariaat-generaal kan enkel een rol spelen in de tweede maatregel. We zijn nu bezig heel het commissariaat te reorganiseren. Hij heeft met zijn medewerkers afgesproken om te proberen de mensen die van de Dienst Vreemdelingenzaken een negatieve beslissing kregen, na een tiental werkdagen op te roepen voor verhoor in beroep.
Binnen de vijf weken moet dan een beslissing worden genomen. Zijn medewerkers bestuderen het dossier en moeten de mensen horen. Dan zijn er drie dingen mogelijk. Ofwel wordt vastgesteld dat het duidelijk niet om een vluchteling gaat en de aanvraag kennelijk ongegrond is.
Ofwel wordt vastgesteld dat het om een echte vluchteling gaat en dan wordt de aanvraag ontvankelijk verklaard. Als de vraag duidelijk gegrond is, zullen wij hem ook onmiddellijk erkennen.
Deze maatregel heeft dus niet enkel negatieve gevolgen. Hij is ook geldig in de positieve gevallen : voor een vluchteling of wanneer een hoorzitting nodig is om een aanvraag te verduidelijken.
Als blijkt dat er geen twijfel bestaat en dat iemand een echte vluchteling is met nood aan internationale bescherming, kunnen wij hem op zeer korte termijn erkennen. Deze maatregelen hebben bijgevolg een positief effect voor de echte vluchtelingen.
Indien er twijfels bestaan en het dossier niet duidelijk is de derde mogelijkheid , is een bijkomend onderzoek vereist. Op dit punt is er heel wat veranderd. Voordien werd het dossier geklasseerd door de commissariaatsmedewerker, die besliste of een bijkomend onderzoek vereist was. Vervolgens kon het dossier nadien nog worden heropend. Nu is diegene die deze beslissing neemt, verantwoordelijk voor de behandeling ten gronde van het dossier. Hij moet het vereiste onderzoek uitvoeren en vervolgens beslissen tot een erkenning of een weigering. In geval van weigering een beslissing die sneller kan genomen worden , kunnen de personen beroep aantekenen bij de Vaste Beroepscommissie, die de aanvraag sneller zal behandelen omdat er bij deze commissie geen achterstand bestaat. De behandeling van de aanvragen zal dus een stuk sneller verlopen.
Natuurlijk moet men steeds voor ogen houden dat de productiecapaciteit van het commissariaat-generaal beperkt is door het aantal beschikbare medewerkers. In de komende dagen zal bepaald worden wat de theoretische maximale capaciteit is met het huidige personeel. Eventueel moet bijkomend personeel aangeworven worden. We mogen echter niet vergeten dat er de afgelopen maanden ongeveer een 120 nieuwe medewerkers werden aangeworven. Die moeten zich nog inwerken. Ook zal de vorming van de nieuwe medewerkers volledig herzien. In januari en februari 2002 zullen waarschijnlijk nieuwe mensen worden aangeworven, maar dat kan alleen nadat we goed georganiseerd zijn en een nieuwe vorming is uitgewerkt en een goede integratie binnen de dienst mogelijk is.
Bij de behandeling van de dossiers die vanaf 3 januari 2002 worden ingediend zal het LIFO-principe, last in, first out, veralgemeend worden toegepast. We zullen ons dus niet langer oriënteren op bepaalde nationaliteiten. Alle aanvragen die door de Dienst Vreemdelingenzaken worden geregistreerd, zullen, ongeacht de nationaliteit, worden behandeld volgens het LIFO-principe. Dat betekent dat het commissariaat-generaal tijdens de komende weken geen dossiers ten gronde meer zal behandelen, tenzij in gemotiveerde humanitaire gevallen, maar zich volledig op de nieuwe dossiers zal toeleggen.
Het CGVS zal ook beleidsrichtlijnen opstellen om duidelijkheid te scheppen over wat men in bepaalde gevallen doet. Het gaat hier over een richtlijn, niet over een wet. Men kan er van afwijken, maar zal dat moeten motiveren. Die richtlijnen zullen worden opgesteld samen met de mensen die de dossiers behandelen en op basis van objectieve informatie, geleverd door het voor de drie asielinstanties eengemaakt documentatiecentrum CEDOCA.
Dat baseert zich niet alleen op de rapporten die de Belgische immigratieambtenaren maken, maar ook op rapporten van immigratieambtenaren van andere landen, op de landenrapporten van het Amerikaanse State Department, op niet-gouvernementele bronnen, zoals Amnesty International, Artsen zonder grenzen, Human Rights Watch, op internationale en lokale kranten, en op informatie van internationale organisaties. Er bestaat dus een veelvoud aan bronnen dienaast mekaar gelegd worden en waaruit dan een ontwerprichtlijn gedistilleerd wordt.
We zullen ook vergelijken met wat onze buurlanden doen. We zullen tevens inhoudelijk werken, wat de interpretatie van de Conventie van Genève betreft. Dat geldt bijvoorbeeld voor juridische concepten zoals desertie en vervolging, artikel 3 EVRM en vervolging, discriminatie en vervolging, uitsluitingsgronden. Daar bestaan nu geen eengemaakte richtlijnen over maar de heer Smet vindt het belangrijk dat iedereen, ongeacht de geografische afkomst, dezelfde behandeling krijgt.
De heer Smet heeft niet de bedoeling van het commissariaat-generaal een klassieke administratie met piramidestructuur te maken, met bovenaan een commissaris-generaal en een adjunct. Voor hem is het belangrijk te komen tot een samenwerking in een horizontale structuur, waarin elkeen taken toebedeeld krijgt en zijn verantwoordelijkheid dient op te nemen. Het kader van het CGVS is erg jong en dynamisch, maar er bestaat ook een risico op gebrek aan ervaring.
In verband met de onafhankelijkheid van het commissariaat is de heer Smet van mening dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Het is perfect mogelijk onafhankelijk en tegelijk heel partijdig te zijn. Het doel is echter de onpartijdigheid. Het is belangrijk onpartijdige instellingen te hebben. Afhankelijkheid of onafhankelijkheid zijn daarin volgens de heer Smet van ondergeschikt belang.
Het commissariaat-generaal is onafhankelijk, want er kan beroep worden aangetekend in verband met de ontvankelijkheid; een dergelijke instantie moet onafhankelijk zijn om uitvoerbare beslissingen te kunnen nemen. In de nieuwe wetsstructuur die aan het Parlement zal worden voorgelegd, voorziet men in een administratie en een onafhankelijk beroepscollege. Het is waar dat het commissariaat zijn onafhankelijkheid verliest als het Parlement de regering bijtreedt, maar het wetsontwerp bepaalt ook dat de administratie onpartijdig blijft wanneer zij een beslissing moet nemen. Het zou overigens vanwege een minister erg ongepast zijn tussenbeide te willen komen in een individueel dossier.
Een lid vraagt of er geen enkele instructie vanwege de minister van Binnenlandse Zaken is geweest in de collectieve uitwijzing van de Kazachen.
De heer Smet herhaalt dat er geen instructie is geweest. Volgens hem is er geen enkel probleem met deze « last in first out »-werkwijze, die tot doel heeft het asielrecht te garanderen. Het ware probleem is dat de echte vluchtelingen ter plaatse afwachten en moeilijkheden hebben om België binnen te komen en om bescherming te krijgen. Zij zijn dus de belangrijkste slachtoffers van deze misbruiken van de asielprocedure. Als men deze procedure niet heel snel controleert, zal ons land een reëel probleem hebben om ze in stand te houden. Het is dus erg belangrijk dat België de toestand beter kan inschatten en de situatie rechttrekt. De grootste uitdaging die het commissariaat nu heeft, is de uitbouw van een administratie die snel én kwaliteitsvol kan beslissen.
Bovendien bestaat het doel er ook in beslissingen te nemen die door hun niveau en hun kwaliteit makkelijker worden aanvaard door de betrokken personen. Het aantal beroepszaken moet worden teruggeschroefd. Bovendien moet het basisdossier voor de administratie ook het basisdossier van de jurisdictie zijn.
De heer Smet heeft steeds het onderscheid gemaakt tussen asiel en immigratie. Het Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen is een instantie voor asiel, die zich bezighoudt met internationale bescherming volgens het Verdrag van Genève of eventueel volgens artikel 3 van het Europees Verdrag. De asielprocedure wordt dus geenszins toegepast voor de regularisatie van bijvoorbeeld een mindervalide die in eigen land moeilijkheden ondervindt, maar geen problemen heeft zoals beschreven in het Verdrag van Genève. Bij een dergelijke regularisatie zou worden afgeweken van de wet, wat voor een ambtenaar ongeoorloofd is. Hij heeft steeds geweigerd op die manier te handelen, waardoor hij zich een « harde » reputatie heeft opgebouwd. Hij past naar eigen zeggen enkel de wet toe, waardoor het commissariaat-generaal zich bezighoudt met asiel en immigratie, terwijl regularisatie en verblijf om andere redenen onder de bevoegdheid van de Dienst Vreemdelingenzaken vallen.
In verband met de enorme stijging van het aantal asielaanvragen in ons land in de afgelopen twee jaar, stelt de heer Smet vast dat zowat overal in Europa het aantal aanvragen sterk is toegenomen in het begin van de jaren 90. In het midden van de jaren 90 is dit cijfer gestabiliseerd, maar de afgelopen jaren is het opnieuw de hoogte ingegaan. In Duitsland is er een sterke daling, terwijl de cijfers in Zwitserland, België, Nederland en het Verenigd Koninkrijk omhoog gaan. Vanwaar de huidige stijging in België ? Dit is te wijten aan de samenloop van verscheidene factoren en is eigenlijk een toepassing van het principe van de communicerende vaten. Wij worden immers geconfronteerd met steeds beter georganiseerde netwerken, die de zwakste Europese landen uitkiezen.
Ook andere factoren spelen mee : de achterstand bij de asielinstanties, de tragische dood van Semira Adamu en de opschorting van de verwijderingen in de daaropvolgende maanden, de duur van de regularisaties, de nieuwe nationaliteitswet ... Hierdoor wordt België nu afgeschilderd als een land waar het makkelijk immigreren is. Deze trend is al onder de vorige regering begonnen. Vandaag is niet langer Nederland het immigratieland bij uitstek, maar wel België dat zwak wordt geacht en het is bijgevolg tijd om een duidelijk signaal te geven.
De commissaris-generaal is ervan overtuigd dat de nieuwe procedure, waarbij geen financiële hulp meer wordt toegekend, zal leiden tot een daling van het aantal asielaanvragen. Bovendien zullen er sneller beslissingen worden genomen, waardoor wij de huidige situatie beter in de hand kunnen houden.
Met betrekking tot de immigratie, ons thema van vandaag, kan hij enkel zijn persoonlijk standpunt geven, en dus niet dat van de regering.
Hij wil en kan zich niet uitspreken over de uitwijzing van de Kazachen en de Oeigoeren. Hij weet dat elke asielaanvraag individueel en ernstig wordt behandeld. Het CGVS en de Dienst Vreemdelingenzaken beschikken over een grote hoeveelheid informatie over de Oeigoeren en de Kazachen. De ambtenaar die ter plaatse is gegaan, heeft er de Oeigoeren ontmoet. Nergens in de rapporten van bijvoorbeeld Amnesty International of Human Rights Watch wordt gemeld dat deze bevolkingsgroep wordt vervolgd. De heer Smet beweert niet dat alle Oeigoeren een veilig leven leiden, maar algemeen gesproken is de situatie van de Oeigoeren in Kazachstan niet problematisch vanuit het oogpunt van de internationale bescherming. Wellicht bestaat er verwarring met de situatie van de Oeigoeren in China. Velen onder hen zoeken hun toevlucht in Kazachstan, waar zij worden getolereerd. China oefent druk uit op Kazachstan en zelfs op de buurlanden, om te vermijden dat de Oeigoeren terroristische groeperingen of bevrijdingsbewegingen zouden oprichten. Zo was er het geval met de drie Oeigoerse vluchtelingen van Chinese oorsprong, die schijnbaar verwikkeld waren in een terroristische beweging en naar Kazachstan zijn gevlucht. Na hun uitwijzing naar China zijn zij daar geëxecuteerd. De Oeigoeren die in ons land aankomen, komen echter niet uit China maar uit Kazachstan.
De heer Smet betreurt dat een advocaat die de toestand weliswaar heel goed kent munt tracht te slaan uit de terugkeer, zelfs al weet hij perfect dat onze informatie correct is. Bovendien is België het enige land waar Oeigoeren aankomen. Naast de inlichtingen die wij hebben gekregen van de immigratieambtenaar, weten wij ook dat bepaalde reisbureaus aan de Kazakken hebben gesuggereerd zich als Oeigoeren voor te doen om zo te profiteren van het feit dat wij onvoldoende op de hoogte waren van de situatie. Zodra wij op de hoogte waren, heeft het Commissariaat een principieel standpunt ingenomen. U hebt op televisie kunnen zien hoe deze mensen worden ontvangen. In principe stappen uitgewezen asielzoekers bij een collectieve of individuele uitwijzing niet van het vliegtuig met handboeien om zoals sommigen beweren. Volgens de instructies moeten de handboeien slechts worden gebruikt indien nodig.
In verband met het immigratiethema, deel ik volledig de mening van mevrouw Thijs, die wijst op de noodzaak van een debat en een goede communicatie met de bevolking.
Het is juist dat er migratiedruk bestaat. In de Maghreblanden is 60 % van de bevolking jonger dan 26 jaar. Deze jongeren hebben geen hoop op een beter leven. Hun grote droom is op een dag de sprong naar Europa te maken. Het waterprobleem in Afrika, in het Midden-Oosten en in andere werelddelen zal in de komende jaren ook migratiedruk veroorzaken. Een derde probleem, dat zich vooral in de voormalige Sovjetrepublieken voordoet, is het bestaan van zones waar anarchie en rechteloosheid heerst. Al deze problemen veroorzaken migratiedruk. Daar moet men in Europa, en niet alleen in België, het hoofd aan bieden.
De immigratie moet worden gecontroleerd omdat ongecontroleerde migratie nefast is voor een maatschappij en de wil tot solidariteit uitschakelt. De cruciale vraag is : welk soort maatschappij willen we ? Migratie zal in de maatschappij een plaats in moeten hebben. De migratie-instroom moet dus worden georganiseerd met kennis van zaken.
Bij wijze van voorbeeld verwijst de commissaris-generaal naar Spanje, een land dat ondanks een werkloosheidsgraad van ongeveer 16 % toch Marokkanen « importeert » om tomaten te laten plukken omdat er geen Spanjaarden worden gevonden voor dit werk. De Spaanse boeren betalen immers slechts een hongerloon om tomaten te laten plukken. Indien de lonen hoger lagen zouden ze dus wel Spanjaarden vinden. Het hongerloon dat ze aan de Marokkanen betalen is echter nog altijd vijftien keer meer dan wat de Marokkanen in Marokko verdienen. In feite komt het erop neer dat door deze immigratie een ernstige verloning in de landbouw verijdeld wordt.
Als migratie wordt georganiseerd in een Europese context van de actieve welvaartstaat, moet men er dus voor waken dat de migratie niet wordt gebruikt als middel om de loonpolitiek onderuit te halen, als middel om de sociale bescherming in de maatschappij onderuit te halen. Er zijn nog veel werklozen in Europa, weliswaar met sterke verschillen per regio. Vaak zijn het de ongeschoolden die geen werk vinden. Zij zullen concurrentie ondervinden van de migranten, die ook ongeschoold zijn. Om de ongeschoolde migranten « bruikbaar » om het in liberale termen uit te drukken te maken voor onze markt, moeten ze ook worden geschoold. De concurrentie bestaat dus ook tussen migranten onderling. Veel migranten van de eerste of tweede generatie zijn goed geïntegreerd. Een grote groep vindt echter geen werk. Moet daar niet prioritaire aandacht aan worden besteed in plaats van allerlei immigratiescenario's uit te werken ?
Over het demografisch rapport van de Verenigde Naties waarover de heer Van Quickenborne sprak, is de heer Smet zeer laatdunkend. De manier waarop het rapport tot stand is gekomen doet vragen rijzen : het is verschenen als een perscommuniqué. Het rapport zelf blijkt nog niet te bestaan en zou pas binnen twee maanden verschijnen. Daarenboven mag men niet vergeten dat, als we migratie willen gebruiken om impact te hebben op de demografie, we massaal kinderen moeten laten immigreren. Migranten worden immers ook oud. Als we vandaag immigratie toelaten, gaat het om 25-30-jarigen. Op het moment dat we jongeren nodig hebben, zijn deze immigranten ook oud.
Men mag bovendien niet vergeten dat nu reeds in de Europese Unie jaarlijks één miljoen nieuwkomers binnenkomen. Op vijftig jaar gaat het dus om 50 miljoen, het cijfer dat in het rapport van het bevolkingsdepartement van de Verenigde Naties voor 2050 werd vooropgesteld. We halen dit streefdoel dus reeds door de bestaande migratiestroom.
Ook informatie van de bevolking is zeer belangrijk. Soms wordt er gedaan alsof er in België geen economische migratie mogelijk is. In België bestaat er al wel een dergelijke wetgeving. De wet laat nu reeds toe om bij gebrek aan gekwalificeerde mensen op de Europese markt, mensen uit een ander land te laten komen.
De immigratie van gekwalificeerd personeel is weliswaar goed voor ons land maar niet voor het land van herkomst. De immigratie van gekwalificeerd personeel moet daarom in samenspraak gebeuren met de landen van herkomst zodat ze ook voor deze landen positief is.
De Verenigde Staten en Canada laten gekwalificeerde migratie toe.
Binnenkort zal de Europese Unie dit ook wel toelaten zodat iedereen dus in dezelfde vijver vist. Toen hij in Canada was, was de Nederlandse minister zeer boos omdat de Canadezen migranten die in Nederland zijn opgeleid hadden weggelokt. Er zal een competitie ontstaan tussen de westerse landen voor de beste mensen. Daar worden de mensen die aan de deur kloppen via de asielprocedure niet beter van.
In Canada zijn er minder asielzoekers, maar dit wordt gecompenseerd door een zogenaamd resettlementprogramma, wat betekent dat men erkende vluchtelingen in ontwikkelingslanden vraagt om naar Canada te komen. Deze techniek zou door België ook kunnen worden toegepast als het misbruik van onze asielprocedure onder controle kan worden gehouden. Mensen die talenten hebben, maar die om een of andere reden hun land hebben moeten ontvluchten naar een land waar ze geen ontwikkelingskansen krijgen, zouden naar België kunnen komen.
Op de vraag of hij voor- of tegenstander is van gesloten centra tijdens de asielprocedure antwoordt hij dat hij voorstander is.
Een lid adviseert de heer Smet de schijn van partijdigheid vóór zijn benoeming tot commissaris-generaal was hij immers hoofdverantwoordelijke in een ministerieel kabinet zo snel mogelijk weg te werken.
Zijn tweede vraag betreft de houding van sommige politiemensen. Op 3 januari 2001 werd een aantal asielzoekers 's avonds om 6 uur naar het OCMW van Jette verwezen. De kantoren waren op dat uur gesloten. De politie weigerde die mensen in nood te helpen en heeft zich bijzonder cynisch gedragen. Is dit een eenmalig feit of heeft de heer Smet kennis van andere dergelijke gevallen ?
Ten slotte vraagt hij of de heer Smet ook de mening toegedaan is dat de solidariteit tussen Europese landen inzake opvang van vluchtelingen, ingevoerd door de akkoorden van Dublin, helemaal niet werkt.
Een lid heeft de indruk dat men vaak negatief en repressief spreekt over de vluchtelingen. Hij vraagt zich af welke rol is weggelegd voor de heer Smet om het verwrongen beeld recht te trekken en opnieuw de nadruk te leggen op het humanitaire karakter van de vluchtelingenopvang in het licht van de groeiende vrees of zelfs de haat tegenover vluchtelingen in bepaalde delen van ons land, waarbij de vluchtelingen bijna meteen als dieven worden gebrandmerkt, zelfs al is het overgrote gedeelte vluchtelingen of kandidaten voor economische immigratie dat niét, en rekening houdend met het verkeerde beeld dat wordt opgehangen van de kandidaat-vluchteling als misdadiger, wat overigens nog in de hand wordt gewerkt als een hele reeks mensen onterecht geboeid worden uitgewezen.
Een lid stelt vast dat deze regering, die een « nieuwe politieke cultuur » wou invoeren, nogmaals aan politieke benoemingen doet. Is het wel wijs een persoon, die de minister moest bijstaan om een nieuw asielbeleid in te voeren, op een dergelijk kritisch moment te verplaatsen ? Vindt de heer Smet niet dat hij ervoor moet zorgen dat zijn personeel, dat bekwaam en gemotiveerd is, wordt gerustgesteld over zijn toekomst ? Wat gaat de heer Smet doen om zijn onpartijdigheid en zijn leadership te bevestigen ?
Ten tweede vraagt zij of de heer Smet kan bevestigen dat hij ook in richtlijnen voor de minderjarige asielzoekers zal voorzien ? Zal hij bij deze materie rekening houden met de genderproblematiek ?
Ten derde vraagt zij hoe de heer Smet de informatie naar de kandidaat-vluchtelingen en naar het publiek zal aanpakken ?
Ten vierde vraagt zij of de heer Smet binnen een paar weken niet met dezelfde chaos zal worden geconfronteerd als bij de Dienst Vreemdelingenzaken ?
Ten slotte wenst zij te vernemen wat de prioriteiten zijn inzake asiel- en vreemdelingenbeleid die de heer Smet, in het kader van het Europese voorzitterschap van België, wenst te zien overnemen door de regering.
Een ander lid vraagt wat de communicatiestrategie van de heer Smet zal zijn. Zal hij, conform de aanbevelingen van de commissaris, de Senaat regelmatig cijfers en gegevens meedelen ? Hij vindt dat de tijd rijp is om de problematiek van het migrantenbeleid opnieuw in al zijn aspecten te bespreken.
Nog een ander lid stelt vast dat de heer Smet heeft gezegd dat zijn opdracht er vooral in bestaat crisismaatregelen te nemen om het probleem rond de toepassing van de asielprocedure op te lossen, onder meer door de procedure te versnellen. Wat gaat hij echter ondernemen om de enorme achterstand van meerdere jaren weg te werken ? Hoe groot is die achterstand ? Dreigt die nu niet definitief te worden, wat aanleiding zou kunnen geven tot een nieuwe regularisatiecampagne ? Zou de wegwerking van deze achterstand niet prioritair moeten zijn ?
Een lid vraagt of bij gebrek aan onafhankelijkheid het toekomstige Federaal Agentschap voor Asiel, zelfs al is het onpartijdig, zich niet zal moeten schikken naar de politieke keuzes van een minister. Welke zijn de stappen die de heer Smet zal ondernemen opdat België wel degelijk een land zou blijven waar mensen die werkelijk worden vervolgd, blijven terechtkunnen ?
Hij vraagt ook of de richtlijnen, hoe nuttig zij ook mogen zijn, niet met omzichtigheid moeten worden gebruikt. Bestaat er geen gevaar tot misbruiken ? In welke mate zijn deze richtlijnen veeleer methodologisch van aard, om te vermijden dat het individuele karakter van het onderzoek van de asielaanvraag wordt geschaad ?
Een lid heeft nog een vraag in verband met de gesloten centra. De heer Smet heeft bevestigd dat hij er voorstander van is. Hij weet niet of hij de vraag goed heeft begrepen. De heer Coveliers zegt dat asielzoekers die, in het kader van de nieuwe procedure, in ons land toekomen, in de loop van de procedure zouden moeten worden opgevangen in gesloten centra. Gaat hij daarmee akkoord ?
Een lid laat opmerken dat zij zodanig wantrouwig staat tegenover de administratie van de Dienst Vreemdelingenzaken, dat zij haar twijfels heeft bij de voorgelegde cijfers, die vaak de indruk geven overtrokken te zijn. Hoe kan men er bijvoorbeeld zeker van zijn dat dezelfde personen in verschillende stadia van de procedure slechts één keer worden geteld ? Om rijen te maken, moeten de mensen eerst worden opgeroepen. Zij vraagt aan de heer Smet of asielaanvragers van eenzelfde land systematisch tegelijkertijd worden opgeroepen. Zij heeft ontdekt dat een jonge Afghaan, die medio december in ons land was aangekomen, op 20 mei 2001 opnieuw was opgeroepen voor zijn eerste gesprek. Welke administratieve reden ligt aan de basis van dergelijke grove fouten ?
Met betrekking tot de fraude in de toekomstige wet en zelfs in de huidige toestand al, dient er gewezen te worden op de tijdsspanne die bestaat tussen het ogenblik waarop een persoon zijn land verlaat en het ogenblik waarop hij zonder papieren in ons land aankomt. Hoe kan worden aangetoond dat er geen wil tot fraude is geweest ? Wij dienen deze zaak van nabij te onderzoeken voor de geloofwaardigheid van de asielprocedure. Zal de analyse van Afghanistan verschillend zijn van die van Kazachstan ?
De jonge Afghaan waarvan sprake heeft omwille van zijn afkomst geen kans om in eigen land te studeren en wenst daarom in België te komen studeren. Leidt dergelijke situatie tot asielrecht, aangezien het gaat om een grondrecht ?
Zij stelt voor dat de commissie bij het ministerie van Binnenlandse Zaken cijfers opvraagt over het aantal toegelaten en geweigerde asielzoekers, de gezinsherenigingen en de toepassing van de arbeidswet van 1973. Aan de hand daarvan moet het ons mogelijk zijn de situatie exact in te schatten. Wij zullen vanzelfsprekend de minister van Binnenlandse Zaken uitnodigen hierover meer uitleg te verschaffen.
De heer Smet preciseert dat hij over zijn benoeming drie zaken wenst op te merken. Ten eerste heeft hij er niet zelf voor gekozen naar het kabinet over te stappen. Ten tweede heeft hij twee jaar geleden een examen afgelegd om tot adjunct-commissaris te worden benoemd. De selectiecommissie heeft toen gekeken naar de inhoudelijke kant van de zaak maar ook naar zijn leidinggevende capaciteiten. Hij is de enige van de drie commissarissen die een objectief examen heeft afgelegd voor een onafhankelijke selectiecommissie en is daarbij samen met nog iemand als eerste geëindigd. Ten derde zou hij, indien hij ook maar de minste indruk had gehad dat zijn benoeming politiek was, ze geweigerd hebben omdat dit niet goed zou zijn noch voor hemzelf noch voor de procedure. Hij heeft dit trouwens al eens meegemaakt toen hij adjunct-commissaris werd. Ook toen hebben sommigen hetzelfde gesuggereerd, maar heel snel hebben ook de medewerkers van het commissariaat-generaal vastgesteld dat er op geen enkel ogenblik sprake was van enige politieke beïnvloeding. Ook deze keer zal dit kunnen worden vastgesteld. Hij dankt de heer Lozie voor zijn aanbevelingen maar zal aantonen dat de vrees die bij sommigen leeft, ongegrond is.
Hij beseft dat hem een zeer moeilijke taak wacht die hij niet alleen kan uitvoeren maar waarvoor hij zal moeten rekenen op zijn medewerkers.
Zullen er richtlijnen voor vrouwen komen ? Er is een werkgroep opgericht die voorstellen heeft gedaan. Hij zal deze binnenkort bestuderen en nagaan in welke vorm ze worden omgezet in interne richtlijnen. Er bestaan al richtlijnen voor minderjarigen die verder blijven gelden.
Met een aantal richtlijnen moet het mogelijk zijn de willekeur uit de beslissingen te halen. In het commissariaat gaat vaak heel wat tijd verloren met de bespreking van soortgelijke situaties, waarvoor wij niet steeds dezelfde beslissingen nemen. Hij wenst dit alles dus te harmoniseren. Een richtlijn zou voor een welbepaald geval de te volgen werkwijze uitstippelen en de bedoeling is contradicties in individuele gevallen te vermijden. Bovendien wil hij dat men verdergaat met het onderzoek van elke individuele asielaanvraag.
Een ander lid vraagt of het Parlement inzage zou krijgen in deze richtlijnen, gelet op het feit dat het gaat om bijzonder delicate instrumenten die een interpretatie van de wet en de internationale verdragen vereisen.
De heer Smet is bereid de nodige verduidelijkingen te komen geven over de interpretatie van het verdrag en een aantal juridische begrippen als vervolging of de uitsluitingsclausule.
Hij is het er eigenlijk niet mee eens dat het om een snelprocedure gaat. Het CGVS past alleen de huidige wettelijke termijnen toe. Het is niet omdat men vijf maanden of een jaar nodig heeft om een beslissing te nemen dat men vijf maanden of een jaar met het dossier bezig is. Voor het overgrote deel van de tijd ligt het in de kast. De werkelijke tijd dat het dossier wordt behandeld, bedraagt misschien twee dagen. Ofwel is er voldoende informatie en dan kan de beslissing onmiddellijk worden genomen. Ofwel zijn er problemen met de middelen of de informatie en dan neemt het meer tijd in beslag. De termijnen die het CGVS zich nu heeft opgelegd zijn inderdaad ambitieus maar zijn haalbaar door heel wat dode momenten in de behandeling van een dossier weg te knippen.
Het informatiebeleid is inderdaad belangrijk. Hij heeft nooit over asielzoekers gesproken als criminelen. Hij heeft altijd geprobeerd een genuanceerd beeld te schetsen.
In verband met de illegale immigratie is de heer Smet ervan overtuigd dat een groot deel van deze mensen niet via illegale immigratie, via criminele netwerken, ons land binnenkomt. Misschien wel via netwerken, maar dat zijn dan vaak dorpsnetwerken, netwerken van vrienden en bijna normale reisagentschappen die gewoon een ander type pakket aanbieden. Hij stelt bijvoorbeeld vast dat de asielzoekers die uit Bulgarije en Kazakhstan naar België komen, bijna allemaal met een Duits of Frans visum de Schengenruimte zijn binnengekomen.
Daarmee zijn we beland bij het volgende punt : het probleem van de Europese solidariteit en de visumpolitiek in de Europese Unie. Duitsland en Frankrijk reiken honderdduizenden visa uit en wij kunnen niet controleren of deze mensen achteraf geen asiel aanvragen in België. Een instrument daartoe ontbreekt op het ogenblik. De Conventie van Dublin wordt inderdaad niet goed toegepast en daarom zal de Europese Commissie ter vervanging daarvan eerstdaags een nieuwe richtlijn voorstellen, op basis van de analyse van de toepassing van de Conventie door de vijftien lidstaten. Aangezien dit onder het Belgische voorzitterschap ter tafel zal liggen kunnen wij daarin een zeer belangrijke rol spelen. De hele pseudo-illegale immigratie is zeer belangrijk maar tot een Europese solidariteit en een echte Europese politiek kunnen we zijns inziens pas komen als we het probleem van de « burden sharing », van de verdeling van de opvangkosten, kunnen oplossen.
In het debat over het Europees Vluchtelingenfonds en over de ontwerprichtlijn rond de tijdelijke bescherming hebben we gezien dat dát het eigenlijke probleem is. Duitsland, België, het Verenigd Koninkrijk en Nederland vangen het overgrote deel van de asielzoekers op. Zelfs de Scandinavische landen, met hun grote humanistische traditie, nemen eigenlijk niet zoveel vluchtelingen op. Dit probleem moet op Europees vlak worden geregeld.
De achterstand van het commissariaat-generaal bedraagt nu 33 000 dossiers, ongeveer 21 000 in de ontvankelijkheidsfase (beroep) en 12 500 in de fase aan het onderzoek van de gegrondheid van de aanvraag. Bij de Dienst Vreemdelingenzaken moet de achterstand rond 12 000 liggen. De Vaste Beroepscommissie heeft 1 316 onafgewerkte dossiers maar eigenlijk is dat een normale werkvoorraad. Dat betekent een totale achterstand van ongeveer 47 500 dossiers. Het klopt dat we die achterstand op het ogenblik niet wegwerken. Vanuit managementoogpunt is het belangrijk dat we nu eerst de instroom beheren en daarna een planning maken voor het wegwerken van de achterstand, ook in het kader van de hervormingen.
Op vraag van een lid of deze cijfers rekening houden met de regularisatie, antwoordt de heer Smet dat dit de totale achterstand is. Daarin zitten ook de mensen die wellicht geregulariseerd zullen worden. Wanneer iemand geregulariseerd wordt, betekent dat nog niet dat hij ook afstand doet van zijn asielaanvraag. Duidelijk is wel dat het dossier in dat geval natuurlijk absoluut niet prioritair is alhoewel het wel in de statistieken blijft. In de toekomst zal hij de statistieken dan ook verfijnen, zodat deze mensen niet meer dubbel worden geteld.
Zonder in te gaan op het beheer van zijn voorganger stelt de heer Smet vast dat een medewerker van het commissariaat-generaal op dit ogenblik tussen zeven en tien beslissingen per maand neemt en dat vindt hij te weinig.
Een lid vraagt of het een utopie is te kunnen beschikken over een cel voor statistiek om de cijfers goed te begrijpen en zeker te zijn dat dezelfde gegevens geen twee keer worden geteld. Dit aspect is heel belangrijk voor de algemene benadering van het probleem.
De heer Smet antwoordt dat de betrokken diensten hiermee rekening zullen houden en maatregelen zullen treffen. Een vergadering met de Dienst Vreemdelingenzaken om een kalender te bepalen, ligt al vast. De verschillende berekeningen dienen overeen te stemmen. De toestand zal worden opgehelderd, niet alleen voor België, maar ook voor de rest van Europa.
In verband hiermee is er vooraf overleg gepleegd tussen het Zweedse en het toekomstige Belgische voorzitterschap met de bedoeling prioriteiten vast te leggen. Er is beslist tot een erg nauwe samenwerking tussen beide voorzitterschappen gedurende één jaar. Zweden behandelt nu reeds de thema's die wij onder het Belgische voorzitterschap zullen trachten tot een goed einde te brengen en omgekeerd bereidt Zweden ook de thema's voor die België belangrijk acht. Er is een heel nauwe samenwerking tussen beide landen. Samen met de Belgische instanties die het voorzitterschap op zich zullen nemen, zullen wij heel binnenkort overigens naar Zweden gaan om er te spreken over asiel en immigratie.
Op de vraag van de heer Dallemagne antwoordt de heer Smet dat het CGVS over 184 medewerkers beschikt om de dossiers te behandelen. Het maximumaantal beslissingen per maand ligt op 2150.Uiteraard wenst hij deze cijfers op te drijven. Het Commissariaat heeft ongeveer 1300 beslissingen genomen (cijfers van afgelopen maand).
Dankzij een verbetering van de organisatie moet het CGVS een betere productiviteit bereiken.
Ten slotte benadrukt de heer Smet dat hij er geen voorstander van is alle asielzoekers in een gesloten centrum onder te brengen.
Hij sluit niet uit dat bepaalde personen die een negatieve beslissing gekregen hebben, gedurende hun beroepsprocedure worden opgesloten.
Wat de Afghanen betreft, verduidelijkt de heer Smet dat België ze in principe niet uit het land zet, zelfs al is hun asielaanvraag afgewezen.
De heer Dallemagne vroeg wat men deed met de echte vluchtelingen. Vóór alles is het belangrijk dat de huidige situatie opgehelderd wordt. Het is vanzelfsprekend dat wij steeds asiel moeten verlenen aan diegenen die zich aandienen en aan de voorwaarden voldoen. Daarnaast kunnen wij nog twee andere dingen doen :
De heer Smet verwijst naar de zogenaamd « resettlement », een werkwijze die in Canada wordt toegepast. Ook wij zouden een dergelijk beleid kunnen voeren, op voorwaarde dat de huidige situatie onder controle komt en de normen een stuk realistischer worden.
Een andere maatregel lijkt hem zelfs nog aantrekkelijker. Ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van het Verdrag van Genève heeft het HCR regeringsoverleg georganiseerd, niet alleen over de interpretatie van het Verdrag van Genève, maar ook over de manier waarop de bescherming kan worden uitgebreid. Als er ergens ter wereld een conflict uitbreekt, moeten de rijke landen volgens het HCR hun verantwoordelijkheid opnemen en hulp bieden aan de buurlanden die de vluchtelingen opvangen. Daar immers bevinden zich de meeste mensen die daadwerkelijk bescherming nodig hebben. Het is noodzakelijk te voorzien in een eerstelijnsopvang van de vluchtelingen. Tegelijkertijd kunnen wij ook de publieke opinie warm maken voor een interventie ter plaatse. Zo zouden wij onze publieke opinie ervan kunnen overtuigen dat er ergens een probleem ontstaan is en dat het verkieslijk is het probleem aan te pakken dat aan de bron ligt van de toevloed aan vluchtelingen. Wij zouden zorgen voor de eerstelijnsopvang ter plaatse en voorts de zwakke, zieke en getraumatiseerde personen bij ons opvangen, evenals de personen die al familie in België hebben, zodat zij een tijdelijke bescherming hebben gedurende de periode die zij nodig hebben om hun problemen op te lossen. Het betreft een totaal andere aanpak, die verdere bespreking vereist en die moet worden uitgediept. Toch sluit de heer Smet niet uit dat wij bescherming moeten blijven bieden aan de personen die zich individueel in ons land aandienen. Niettemin ben ik van mening dat wij moeten zoeken naar een andere benadering inzake internationale bescherming.
2.4. Hoorzitting met de heren Joolen en Bicquet, afgevaardigden van Artsen zonder Grenzen, gehouden op 9 januari 2001
2.4.1. Uiteenzetting van de heren Joolen en Bicquet
Artsen zonder Grenzen werd uitgenodigd om een evaluatie te geven van de chaotische situatie rond de Dienst Vreemdelingen ingevolge de enorme toevloed van asielzoekers in de eindejaarsperiode.
De heer Joolen zegt dat AZG aanvankelijk alleen maar is begonnen wat warme dranken uit te delen aan de lange rijen mensen voor de deuren van de Dienst Vreemdelingenzaken. Ondertussen observeerde AZG wel wat er precies gebeurde, hoe de mensen eraan toe waren ... Op een bepaald ogenblik hebben we ook mensen overgebracht naar de kliniek die we in Brussel hebben.
De heer Bicquet zegt dat hij zich zorgen maakte over de lot van de vele mensen die voor de Dienst Vreemdelingenzaken in de rij stonden, kennelijk niet werden opgevangen door de autoriteiten en de hele dag en nacht daar bleven om de volgende ochtend in de rij te staan. Het baarde ons zorgen dergelijke totaal onmenselijke omstandigheden te zien, in een rijk land dat logischerwijze in staat moet zijn deze mensen op te vangen. Deze situatie was zo schandalig, dat wij zijn langsgegaan bij de gebruikelijke opvangcentra voor kandidaat-vluchtelingen, waar wij hebben vastgesteld dat er in feite nog plaatsen vrij waren. Het betrof echter bedden die voorbehouden waren aan de mensen die al een eerste onderzoek hebben doorlopen bij de Dienst Vreemdelingenzaken. De autoriteiten hebben er met andere woorden onaanvaardbaar lang over gedaan om deze mensen een degelijk nachtverblijf te verschaffen. Met onze tussenkomst willen wij een antwoord bieden op een gebrek, veroorzaakt door een Staat waarvan wat meer rijpheid werd verwacht om dergelijke problemen aan te pakken.
2.4.2. Bespreking
Een lid stelt vast dat de minister van Sociale Integratie terzake tekort is geschoten. Dit is ons duidelijk geworden nadat de OCMW's ons hebben verteld dat men hun had gevraagd de plaatsen vrij te maken voor de personen die waren toegewezen aan andere OCMW's. De OCMW's van Gembloux en enkele Vlaamse gemeenten zijn op die manier geconfronteerd met een toevloed van personen die hun zijn doorverwezen om de centra vrij te maken. Er waren dus plaatsen vrij. Zij is objectief van mening dat hierover verduidelijking moet worden gevraagd aan de heer Vande Lanotte. Deze situatie is immers niet normaal.
Een ander lid stelt vast dat wij geconfronteerd worden met een betrekkelijk kleine crisis, die op menselijk vlak daarentegen schokkend is, en dat wij niet beschikken over de middelen om gepast te reageren op ons eigen terrein, terwijl de regering net heeft beslist tot de oprichting van internationale hulpdiensten die buiten onze grenzen worden ingezet in geval van humanitaire rampen. Wij hebben net de « Europese withelmen » in het leven geroepen en zijn trots om ons leger en onze civiele bescherming ten dienste te stellen van een goed doel. Als de feiten zich echter op ons eigen grondgebied afspelen, voelt plots niemand zich bevoegd en wordt de bal steeds doorgespeeld.
Een lid verklaart dat ook haar fractie gechoqueerd was door de beelden van de mensen voor de deuren van de Dienst Vreemdelingenzaken. Er zijn elke dag wel nieuwe initiatieven genomen : de mensen kregen uiteindelijk wel wat informatie, er werden tenten opgezet en dies meer.
Hebben de getuigen de indruk dat er bewust een politiek werd gevolgd om eerst die vreselijke beelden te tonen ? De regering wil immers duidelijke signalen uitsturen om zo het beeld van een al te toegankelijk België in de wereld recht te trekken. Hebben ze de indruk dat de regering bewust getreuzeld heeft, dat ze de toestand bewust heeft laten aanslepen ?
Een ander lid heeft enige moeite met de vraagstelling van collega De Schamphelaere. Het is natuurlijk altijd interessant om weten wat Artsen zonder Grenzen denkt over de moeilijke omstandigheden rond de Dienst Vreemdelingenzaken. Toch vindt hij het hoogst ongepast dat een lid van de Senaat aan deze personen vraagt of die de indruk hebben dat de regering bewust die toestand heeft gecreëerd om een omgekeerde reactie los te werken.
Een lid antwoordt dat niet zij maar de regering zelf voortdurend zegt dat ze signalen wil uitsturen, afschrikkingeffecten creëren om de aanzuigkracht teniet te doen die we in het verleden zelf hebben totstandgebracht teneinde de instroom opnieuw onder controle te krijgen. Dat zijn woorden die ook minister Vande Lanotte heel frequent gebruikt ...
Nog een lid hoopt dat er genoeg mensen zijn, niet alleen onder de bevolking, maar ook bij de politiek verantwoordelijken van alle partijen die dat soort intentieprocessen niet willen maken of aanzwengelen.
Een lid zag op TV dat mensen van Artsen zonder Grenzen hun beklag maakten over het gebrek aan mensen van de Dienst Vreemdelingenzaken die aan de mensen konden uitleggen wat er gaande was. Kunnen ze dat hier bevestigen ? Zonder daar intentieprocessen aan te koppelen kan dit soort concrete informatie uitmaken of de overheid hier gefaald heeft in het verstrekken van elementaire informatie aan de mensen inzake hun situatie en wat er verder met hen zou gebeuren.
Een lid vraagt welke contacten Artsen zonder Grenzen heeft gehad met departementen en instellingen zoals het ministerie voor Sociale Integratie, de Dienst Vreemdelingenzaken en de Stad Brussel.
Is er bij het leger een Task Force opgericht ? In crisissituaties zoals deze tracht men doorgaans de verschillende interveniënten rond de tafel te brengen. Is er een coördinatie georganiseerd om van iedereen de mogelijkheden te onderzoeken en na te gaan welke initiatieven zich opdringen ?
Een lid vraagt of er in de rij wachtenden personen waren die voor de tweede, derde of vierde keer waren opgeroepen. Of waren het veeleer mensen die waren opgedaagd omdat zij hadden vernomen dat de financiële hulp opgeschort was ?
De heer Joolen antwoordt dat, voorzover AZG het heeft kunnen overzien, het de voorbije tweeëneenhalve week steeds dezelfde mensen waren, die of uitgenodigd waren of die een of ander papiertje zonder enige waarde bij zich hadden. Langzamerhand zijn die mensen in de centra terechtgekomen en is het aantal mensen voor de Dienst Vreemdelingenzaken sterk teruggelopen. Het gaat daar al lang niet meer over 1 200 mensen.
In antwoord op de tweede vraag, herhaalt hij wat hij op diverse plaatsen reeds heeft gezegd : er waren inderdaad wel enkele mensen die vroegen of de OCMW-regeling ondertussen was afgeschaft maar het overgrote heel was van het bestaan daarvan niet eens op de hoogte. Hij heeft het hier over de mensen zelf, niet over de filières. De mensen zelf zijn niet op de hoogte van de Belgische wetten; zij wensen enkel « papieren ».
De heer Bicquet is van mening dat de gebeurtenissen van de afgelopen weken te voorspellen waren. Bij onderzoek van de cijfers van de afgelopen jaren valt op dat er in de laatste maanden van het jaar systematisch een grotere toevloed van vluchtelingen is. Dit is de laatste drie jaren het geval geweest. De politieke autoriteiten kondigen trouwens al geruime tijd een toevloed aan. Het is dan ook onaanvaardbaar dat de autoriteiten niets hadden gedaan om deze situatie in goede banen te leiden, zelfs al wisten zij dat heel wat mensen zich voor de deuren van de Dienst Vreemdelingenzaken zouden verdringen. Het is duidelijk dat er bij de mensen op het terrein een duidelijk gebrek aan kennis bestaat over de geldende procedures. Begin november heeft de regering een beslissing genomen over een nieuwe opvangprocedure die in 2002 moet ingaan. Men stelt echter vast dat deze procedure stap voor stap ingang lijkt te vinden. Bepaalde maatregelen, zoals de versnelling van de procedure of de opvang van personen in open centra alvorens zij zich bij de Dienst Vreemdelingenzaken melden, worden nu reeds toegepast. Gevolg is dus, dat men niet meer weet waar men aan toe is. Het ergste is dat de personen die in de rij staan om ontvangen te worden op de Dienst Vreemdelingenzaken, zelf niet weten wat zij de dag daarna mogen verwachten. Er is een duidelijk gebrek aan informatie. Vooral voor de asielzoekers heeft dit verregaande gevolgen.
In de loop van deze week heeft AZG contact opgenomen met de politieke autoriteiten om te weten wat men mocht verwachten. Wij hebben niet de gewoonte de tekortkomingen van de Belgische Staat te verdoezelen en waren er niet op voorbereid voor een aantal mensen zowel 's nachts als overdag asiel te organiseren. Wij hebben geprobeerd contact op te nemen met de verschillende kabinetten om te weten wat er te verwachten viel. Er volgden vrij hevige discussies, omdat wij wisten dat er plaatsen vrij waren, maar dat men ze niet ter beschikking wilde stellen aan de personen die in de rij moesten staan. Doordat op verscheidene fronten druk is uitgeoefend, is de situatie beetje bij beetje uit het slop geraakt. Men kan zich afvragen of de werkelijke tenlasteneming er niet vooral is gekomen dankzij de druk van de media, waardoor Artsen zonder Grenzen de afgelopen dagen niet heeft moeten zorgen voor nachtopvang. Een halfuur geleden stonden er nog 400 mensen voor de Dienst Vreemdelingenzaken, zonder dat men wist of zij deze avond nog op opvang mogen rekenen.
Deze mensen hebben zich meermaals aangediend bij de Dienst Vreemdelingenzaken en zijn dus ook meerdere keren geteld. Men kan niet zeggen dat de autoriteiten bewust een beeld cultiveren als zouden wij een land zijn, dat door duizenden asielzoekers wordt bestormd. Toch geven de boodschappen in de media ons dit gevoel. Er wordt ons gezegd dat de asielzoekers worden aangetrokken door het feit dat zij bij het OCMW geld krijgen. Navraag bij de in ons land ondergebrachte asielzoekers leert ons dat zij de manier niet kennen waarop België de opvang zal organiseren. Het is dus niet de toelage vanwege het OCMW die hen ertoe brengt hun land te verlaten. Sommige mensen die via een netwerk ons land hebben bereikt, wisten overigens niet eens dat zij in België zouden belanden.
De verandering van het systeem, waardoor zij nu onderdak en voedsel krijgen in de plaats van geld, zal niet voldoende zijn om de toevloed te stoppen. Het is bedroevend dat de autoriteiten op de toevloed van personen die in België een beter leven zoeken, slechts reageren met een verandering van de procedure voor politiek asiel. Het probleem gaat heel wat verder en is deze namiddag door de commissie besproken. Er zijn mensen die komen als gevolg van vervolging in eigen land en mensen die een economisch betere plek zoeken, omdat de levensomstandigheden in hun land moeilijk zijn.
Ondanks het feit dat de regering zich er in december 1999 tijdens de top van de Europese Unie in Tampere toe heeft verbonden de toevloed van personen naar ons land in zijn totaliteit aan te pakken, blijven de resultaten voorlopig beperkt tot een verandering van de asielprocedure, die voor deze mensen de enige toegangspoort naar ons land is. Er is echter geen totaalaanpak. Mocht men het debat willen opentrekken, moet men nagaan welke redenen deze mensen drijven om hier een beter bestaan te zoeken. Is het voor een land als België of voor de Europese Unie in haar geheel niet normaal dat er een totaalaanpak bestaat en dat er wordt gewerkt aan de oorzaken die de mensen ertoe aanzetten hier hun toevlucht te zoeken ?
Een lid stelt vast dat de zaken sinds de top van Tampere inderdaad niet bijzonder opschieten. Toch kunnen wij niet alle wereldproblemen vanuit België oplossen. Zij denkt aan de vlucht van de Oeigoeren in China. Het valt op dat de hulp bij natuurrampen erg snel op gang komt, terwijl het met betrekking tot de toevloed van asielzoekers verwarring troef is. Administratief gezien is dit probleem echter niet onoverkomelijk. Dat is voor haar in dit geval het opvallendst. Is Artsen zonder Grenzen van plan een rapport op te stellen ? Het zou erg nuttig zijn te kunnen beschikken over een document waarin het verloop van deze dagen staat beschreven. Op die manier kan onze vraag aan de minister met feiten worden onderbouwd. Dit slaat misschien niet op het immigratiebeleid op zich, maar op de grijze zone van selectie naar gelang van de motivatie.
De heer Bicquet is van mening dat het mogelijk moet zijn wat men tot nog toe heeft vastgesteld en meegemaakt, op papier te zetten en te vergelijken met de waarden die AZG voorstaat. Wij zijn hiermee reeds begonnen en er zal een document beschikbaar zijn voor iedereen die wil optreden, opdat dit soort situatie zich niet meer zou kunnen voordoen.
Een lid merkt op dat deze toestand, inclusief de weersomstandigheden, in feite heel goed te voorzien was. Voor het uit de hand lopen daarvan kunnen we twee verantwoordelijkheden aanwijzen : de dienst Vreemdelingenzaken is als openbare dienst verantwoordelijk voor al wat er gebeurt in de eerste fase van de asielprocedure : de opvang onmiddellijk na de aankomst en de eerste dubbele controle van de ontvankelijkheid. Het is deze dienst die dat moet organiseren. Als ze vanuit haar ervaring en op basis van de recente evoluties kan weten dat er aan het einde van het jaar een grote toestroom te verwachten was, dan kan zij als verantwoordelijke administratie op voorhand al op zoek gaan naar opvang.
Hij wil alleszins niet opnieuw in discussie te gaan met de verantwoordelijken van de dienst. De commissie heeft immers al veel te vaak vastgesteld dat het management van deze dienst niet in staat is om deze problemen aan te pakken. De vraag is dus hoelang deze taak nog in handen blijft van dit management.
Een tweede aspect is de ordehandhaving. Dat is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de gemeente. Daarvoor hebben alle burgemeesters in de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden altijd met veel vuur voor gepleit. Zo is de ordehandhaving in ons land dan ook georganiseerd. Daarom speelt hier ook een belangrijke verantwoordelijkheid van het plaatselijk bestuur, dat effectief en efficiënt had moeten ingrijpen.
De heer Joolen merkt op dat er wel diverse instanties dagelijks met het probleem bezig waren maar die hadden heel duidelijk een probleem van communicatie met elkaar. Door de slechte informatie door de Dienst Vreemdelingenzaken van de Brusselse politie bijvoorbeeld, wist die niet precies wat daar aan het gebeuren was. Toch werd hen gevraagd om mensen te « doen bewegen », zonder dat ze wisten waarom en amper waarheen.
Het gevolg van deze non-communicatie is dat je de 1 000 à 1 200 mensen de angst op het lijf jaagt. Het gekke zag hij binnen de tenten, waar de camera's niet bij mochten komen : de angst van de mensen sloeg dan weer terug op de medewerkers van de Dienst Vreemdelingenzaken. Daarmee was de cirkel rond en de paniek totaal. Hij herinnert zich dat een van de ambtenaren hem zei : « Dit doe ik nooit meer. »
Dat brengt hem bij het « naïeve cynisme » waarover de heer Smet het ook al had. Hij is in de voorbije weken met heel wat cynisme geconfronteerd geweest. Die is volgens hem echter alleen maar een gevolg van een niet-weten wat er gebeurt. Uiteindelijk uit zich dat in een reactie tegen degenen die het minst verantwoordelijk zijn voor de hele toestand, die daar het meest zwak in staan. Die krijgen in het gezicht gebruld : « Zijn jullie misschien doof? » Hij heeft dat soort cynisme tijdens eerdere missies ook al meegemaakt. Ook nu kon hij zijn ogen en oren soms niet geloven.
Op de vraag of er coördinatie was en met wie AZG contacten heeft gehad, antwoordt hij dat het voor hem ontzettend moeilijk is om te weten tot wie hij zich moet richten om iets gedaan te krijgen. Zelfs vandaag kreeg hij nog te horen of hij zo vriendelijk wilde zijn de Dienst Vreemdelingenzaken te verlaten, waarbij de politie gereed stond om hem buiten te werken. Hij weet niet hoe de verantwoordelijkheden in mekaar steken, maar als je die toestand laat voortduren, kweek je bij de mensen van de dienst en bij de politie al de eerste haat aan, om een zwaar woord te gebruiken. Dat is voor hen een lastige situatie, die moet ophouden. De verantwoordelijken moeten hun medewerkers op het hart drukken dat ze met mensen omgaan. De vluchtelingen zijn allemaal stuk voor stuk mensen, dat is geen kudde, geen vee, zoals hij ze heeft zien behandeld worden. Er zijn beelden door hem heen gegaan die hem deden denken aan toestanden van vijftig jaar geleden.
2.5. Hoorzitting met mevrouw Mary Collins, afgevaardigde voor de « Lobby européen des femmes », gehouden op 6 december 2000
Deze hoorzitting had tot doel de vereniging « Lobby européen des femmes » voor te stellen die zich inzet om de gender-dimensie te doen erkennen in het Europese asielbeleid.
Op 6 december 2000 startte deze vereniging een campagne in Europa om een bewustwordingsproces op gang te brengen.
De gender-problematiek werd door deze commissie van in den beginne als probleem onderkend, en de aanbevelingen gingen in die zin, met onder andere de erkenning van de verkrachting of seksuele verminking van vrouwen als motief voor politiek asiel, de ondervraging van vrouwen door vrouwelijke ambtenaren bij de dienst Vreemdelingenzaken, enz.
Deze hoorzitting heeft als meerwaarde de Europese dimensie van deze problematiek te onderstrepen, en vooral de achterstand van sommige EU-lidstaten terzake.
2.6. Hoorzitting met de heer Schewebach, directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken, gehouden op 7 december 2000
Men dient twee soorten asielzoekers te onderscheiden. Enerzijds zijn er de personen die over een visum beschikken en asiel aanvragen. Zij zijn geïntegreerd in het Belgisch maatschappelijk systeem. Anderzijds zijn er de personen die geen visum hebben en zich als het ware een weg naar binnen banen of de personen die hun visum om bepaalde redenen achterhouden en hopen dat zij zonder visum een beter lot tegemoet gaan. Deze laatste groep is de grootste, vooral als het gaat om mensen uit Oost-Europa.
Met betrekking tot de regularisatie van 22 november 2000, die op dit ogenblik van nabij wordt onderzocht, zijn er een aantal wetenschappelijke lessen te leren. Het dient vermeld te worden dat er zich onder de 32 000 aanvragen een groot aantal uitgeprocedeerde asielaanvragers bevinden, die toch gebleven zijn. Er zijn ook mensen die een toeristenvisum hebben, maar nooit weergekeerd zijn. Had de administratie degelijk gefunctioneerd, was zij niet met dergelijke problemen geconfronteerd geweest.
De regularisatie van 1974 is makkelijker en positiever verlopen. Een van de regularisatievoorwaarden was immers dat men hier een job moest hebben, wat een objectief criterium was. Vaak heeft men zelfs vastgesteld dat de geregulariseerden vijf jaar nadien het vreemdelingendocument aanvroegen, zich lieten inschrijven in de bevolkingsregisters en met andere woorden hun werkgever trouw bleven.
Bij de nieuwe regularisatie heeft men onmiddellijk vastgesteld dat er een toevloed van oneigenlijke asielaanvragen was. Er zijn bijzonder veel misbruiken geweest. Zo hadden bepaalde personen een visum om naar Duitsland of Frankrijk te reizen. Anderen leefden niet in België, maar zijn enkel hierheen gekomen om geregulariseerd te worden, zelfs al was er geen duurzame band met ons land. Elke maand worden dergelijke misbruiken gemeld aan de administrateur van de regularisatiecommissie. De administratie voor immigratie vraagt bijgevolg een gedegen immigratiebeleid om alle willekeur te vermijden. Er bestaan binnen de Dienst Vreemdelingenzaken bepaalde criteria, die volgens sommige ministers niet onthuld mogen worden om eventuele misbruiken te vermijden. Spreker is dus vrager van een permanente commissie zoals de CVC, samengesteld uit asielkamers en vreemdelingenkamers en belast met beslissingen over de weigering van de Dienst Vreemdelingenzaken. Hij is van mening dat er een beroepsstructuur moet gecreëerd worden. Bij de FAI bestaat een dergelijke structuur niet.
Deze voorstellen bevinden zich niet in het voorontwerp van de FAI.
In het vroegere systeem registreerde de Dienst Vreemdelingenzaken de aanvragen, die vervolgens werden overgemaakt aan de afgevaardigde van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties te Brussel (nu de commissaris). Bij weigering kwam het dossier op het einde van de procedure terug naar de Dienst Vreemdelingenzaken, waar het humanitaire aspect werd onderzocht of uitspraak werd gedaan over verwijderingsmaatregelen. In verband met het asiel wordt hiervan door de Dienst Vreemdelingenzaken in de huidige toestand niets meer gedaan.
Spreker meent ook dat het wellicht interessant zou zijn een B-statuut in het leven te roepen (het statuut van ontheemde personen, dat in sommige landen bestaat). Dit kan aan bod komen in de immigratiewet, die herzien moet worden.
2.7. Gedachtewisseling met de heer J. Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister vanBegroting, Sociale Integratie en Sociale Economie, gehouden op 14 november 2000
2.7.1. Uiteenzetting
De minister benadrukt dat zijn beslissingen ondergeschikt zijn aan deze van de minister van Binnenlandse Zaken.
Zijn beleid is pragmatisch en niet ideologisch.
Het ligt niet in zijn bedoeling om een specifieke politiek te voeren. Het enige wat hij voor ogen heeft is de opvang te waarborgen van de personen die hem door de collega van Binnenlandse Zaken worden toegestuurd.
Volgens het aantal gegadigden zijn de gevolgen van de verschillende stelsels anders.
Ongeveer 70 % van de opvang verloopt via doorverwijzing naar de OCMW's met als steun het equivalent van het bestaansminimum.
Wanneer zulke steun echter onmiddellijk gegeven wordt aan mensen die in België pas aankomen en het land niet kennen, en zeker niet de arbeidsmarkt, kan men niet beweren dat hun autonomie wordt verzekerd. Bij grote toevloed zoals nu, zijn ze qua huisvesting volledig afhankelijk van het aanbod. Zo worden ze soms gedwongen om tegen hoge huren zelfs in shiften een bed te huren.
Anderzijds is het geven van geld een argument voor het thuisland om van deze geldelijke hulp een terugbetalingsmechanisme te maken. De autonomie is dus ook beperkt door schulddelging via filières.
Bovendien is zelfs de klassieke funanciële hulp niet voldoende. Er is bovenop deze hulp steeds nog een andere omkadering nodig.
Bij een klein aantal asielzoekers kan men gerust deze financiële en sociale hulp combineren. Bij een groot aantal is het principe van het toekennen van het bestaansminimum niet meer haalbaar voor asielaanvragers.
Het principe blijft evenwel dat het bestaansminimum als maatstaf dient.
Eens de aanvraag van de asielzoekers ontvankelijk is verklaard, is de opdracht de integratie te bevorderen. Degenen die in het land zijn, blijven dus waar ze zijn.
De nieuwe regeling zal gelden voor de nieuwe instroom van asielzoekers wier aanvraag nog niet beoordeeld werd op ontvankelijkheid, en voor degenen die na een verzoek tot vernietiging zijn uitgeprocedeerd bij de Raad van State.
Volgens de huidige prognoses zal daartoe een grote opvangcapaciteit nodig zijn. Dat wordt verwezenlijkt via onder andere het Rode Kruis dat zijn capaciteit opdrijft met 1 000 plaatsen.
De Staat zelf zal op korte tijd 580 extra plaatsen creëren.
De rest zal via de OCMW's worden bediend, waarbij de Staat logistieke hulp zal bieden voor bouwvergunning en de bouw van nieuwe plaatsen.
In het verleden zijn er 35 van de 100 asielzoekers toegewezen aan een centrum. Ze blijven er.
De nieuwe instroom van 5 000 asielzoekers betekent niet dat er ook 5 000 blijven. Een deel daarvan zal teruggaan omdat ze geen geldmiddelen krijgen.
Via zijn wetsontwerp zijn de huisjesmelkers voortaan correctioneel strafbaar. Het bezitten van bedden in 8-uren-shiften is een typevoorbeeld van huisjesmelkerij.
Bovendien werden ook voor 63 miljoen frank middelen vrijgemaakt voor de strijd tegen mensenhandel.
Op dit ogenblik kiest de minister de gemeenten waar centra komen. Voortaan aanvaarden ze het centrum, zoniet zal hij rechtstreeks met de bevolking praten.
Sommige OCMW's hebben nog altijd de onhebbelijkheid om asielzoekers door te sturen naar grote steden. Het gaat om ongeveer 25 % van de asielzoekers die niet in hun OCMW-gemeente verblijven. Dit systeem wil hij verijdelen. De overige 75 % gaan zélf elders zoeken bij vrienden en kennissen. Hij zal trachten dit fenomeen te doorbreken.
Nu komt er een systeem van gemakkelijk te bekomen voorschotten voor 2 à 3 miljard.
2.7.2. Bespreking
Een lid klaagt over advocaten die de vreemdelingen in procedures in procedures jagen die toch uitzichtloos zijn.
De minister antwoordt daarop dat hij dat fenomeen kent, maar dat de bestrijding daarvan onder de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken valt.
De commissie heeft gemeend zich de visu te moeten vergewissen van de toestand in de vluchtelingencentra, en meer bepaald de open centra, omdat aldaar enige deining was ontstaan rond de « weghaling » van gasten van de centra die moesten worden uitgewezen krachtens een bevel het land te verlaten.
In de gesloten centra is de situatie klaar : de personen die aldaar verblijven zijn opgesloten, en het personeel moet ze daar houden.
In open centra is de situatie gans anders omdat de personen die daar verblijven vrij zijn zich te bewegen waar ze willen.
De personeelsleden, directies incluis, gaan ervan uit dat zij de sociale integratie moeten bevorderen van hun gasten. Ze spelen dan ook voornamelijk een sociale rol, en zijn vaak als sociaal assistent aangeworven.
Ze nemen het niet dat ze zouden moeten meehelpen aan het vasthouden van bepaalde personen, omdat dit indruist tegen hun wezenlijke opdracht.
Een tweede probleem is de afschaffing van de schorsende kracht van het beroep bij de Raad van State ten aanzien van de uitvoering van het bevel om het land te verlaten. Het is vanzelfsprekend dat degenen onder de gasten die onder de dreiging van dergelijk bevel vallen, zich geviseerd voelen en liever onderduiken, zeker zolang de Raad van State zich nog niet heeft uitgesproken.
Een derde probleem is dat de Dienst Vreemdelingenzaken de gewoonte heeft om enkel het gezinshoofd mee te nemen, zodat families worden gesplitst.
Een vierde probleem is de opvang van niet-begeleide minderjarigen, waarvoor een structurele oplossing ontbreekt, en waarvoor de directie de facto als voogd optreedt.
De commissie bezocht een reeks centra van verschillende grootte en beheersvorm, en telkens werden dezelfde problemen aangevoeld.
Het ging om de centra van Erezée (uitgebaat door de Socialistische Mutualiteiten en klein van omvang : ongeveer 20 gezinnen), dat van Jumet, een staatscentrum met ongeveer 180 gasten, het centrum van het Klein Kasteeltje en dat van Kapellen.
3.1. Bezoek aan het centrum van Erezée, op 27 maart 2001
Het centrum wordt uitgebaat door de Socialistische mutualiteiten. Het wordt gesubsidieerd door de Staat volgens het vastgelegde bedrag per gast.
Het centrum kan daarmee leven.
Ze krijgen voorschotten a rato van 1/4 van de totale jaarlijkse begroting.
Ex-gasten en geregulariseerden spelen tolk op vrijwillige basis.
Indien nodig springen de Dienst Vreemdelingenzaken en niet-gouvernementele organisaties in.
De kinderen lopen school in de scholen van het dorp en het atheneum van Manhaye.
De lokale politie is zeer correct, en controleert voorlopig alleen de domiciliëring of komt tussen bij uitzonderlijke vechtpartijen.
De gasten worden nuttig beziggehouden met Franse lessen, sport, schaken, koken voor mekaar en onderhoud van de lokalen.
Ze krijgen zakgeld van 150 frank/week.
Via Piazza del Arte werd een buurtintegratieproject opgezet in het dorp, met subsidies van minister Vande Lanotte. Dit was een groot succes.
3.2. Bezoek aan het centrum van Jumet, op 27 maart 2001
In het algemeen is het centrum bevolkt met gasten die in afwachting zijn van een ontvankelijkheidsbeslissing, of die onontvankelijk zijn, doch met een beroep bij de Raad van State bezig zijn.
Sinds de versnelde procedure is dit laatste beroep niet meer schorsend.
Dit werkt spanningen in de hand, vermits ze elk moment uitgewezen kunnen worden.
Uit de verhalen met de gasten werd afgeleid dat er bij de CVGS nog te veel beroepen inzake ontvankelijkheid afgewezen worden, te wijten aan :
te korte duur van het interview (minder dan 30 minuten);
vertaling door een andere kandidaat-vluchteling;
behandeling bij verstek;
slechte vertaling door aangestelde tolk.
Wat de uitwijzingen betreft weigert het centrum fysieke medewerking met de politie. De personen in het centrum zijn in principe vrij.
De gasten hebben het gevoel dat de uitwijzingen op willekeurige basis gebeuren. Dit is onder meer te wijten aan het feit dat soms één persoon van een groep van vijftien van dezelfde nationaliteit wordt opgepakt.
De regelmatige optredens van de lokale politie voor uitwijzing, hebben een permanente sfeer van spanning doen ontstaan.
Er werd een procedure afgesproken, waarbij de directeur de vooravond wordt verwittigd van een uitwijzing.
Aan de ingang staat een lokaaltje waar de betrokkenen zich kunnen overleveren aan de politie. De meesten kiezen echter het hazenpad.
Van de 180 bedden zijn er slechts 120 bezet, waarvan 6 % gunstige beslissingen en 94 % afgewezenen qua ontvankelijkheid.
De onderhoudskosten belopen ongeveer 13 500 frank/maand, te vermeerderen met de personeelskosten.
Iedereen wordt via het IOM op de hoogte gebracht van de regels voor vrijwillige terugkeer.
Met de balie van Charleroi is er een modus vivendi om tergende en roekeloze beroepen bij de Raad van State te beperken.
Twijfelachtige gevallen worden voor advies naar het HCV doorgestuurd.
3.3. Bezoek aan het « Klein Kasteeltje » op 9 mei 2001
Wat het Klein Kasteeltje betreft, kan het volgende worden verduidelijkt.
De directie stond de commissie te woord in verband met de recente problematiek. Hier volgt het relaas van dit onderhoud.
Een lid wenst meer informatie te krijgen over de banden die bestaan met de buitenwereld.
Een ander lid zou graag informatie krijgen over de jongerenopvang, die door de gemeenschappen wordt verzorgd voor kandidaat-vluchtelingen naast het verblijf in een open centrum.
De directie verklaarde in verband met de laatste vraag, dat de gemeenschappen verschillend reageren. De Vlaamse Gemeenschap is bereid te investeren, maar wenst dat vooraf een samenwerkingsakkoord wordt afgesloten.
Het gebeurt dat de opvang plaatsvindt bij gastgezinnen, maar dit is vrij zeldzaam en enkel door de gemeenschappen erkende gezinnen komen hiervoor in aanmerking.
De Franse Gemeenschap weigert dergelijke aanvragen onvoorwaardelijk, vermoedelijk bij gebrek aan financiële middelen.
De directie heeft een geval gekend van een 16-jarige die zij nergens kon onderbrengen.
Vaak schuiven de beide gemeenschappen ook het argument naar voren, dat zij niet eens genoeg plaats hebben voor de wettelijk ingeschreven burgers.
Her en der bestaan er enkele initiatieven, zoals bijvoorbeeld in Antwerpen, waar de Vlaamse Gemeenschap een privé-project steunt.
De Federale Staat van zijn kant financiert de VZW Mentor Escale, die instaat voor het peterschap van minderjarigen zonder familie, die in een opvangcentrum voor kandidaat-vluchtelingen zijn geweest.
Op het ogenblik dat zij bijna meerderjarig worden, zijn de jongeren eigenlijk het kwetsbaarst, want zij lopen het gevaar elke vorm van bescherming die zij tot dan toe hebben gehad, te verliezen.
De meesten onder hen beschikken over een document « bijlage 26bis » zonder bevel tot het verlaten van het grondgebied, wat voor hen een kostbare rechtvaardiging is om in België te blijven. Zodra dit document verlopen is, worden zij beschouwd als zijnde « zonder papieren ».
Het document « 26bis » wordt afgeleverd zolang hun beroep aanhangig is bij de Raad van State of gedurende de regularisatieprocedure, overeenkomstig artikel 9, § 3 van de Vreemdelingenwet.
Zodra zij meerderjarig zijn, worden zij niet meer opgevolgd en verliezen zij alle voogdij.
Sommigen onder hen hebben verwanten in ons land of in de buurlanden. De meesten hebben echter minder geluk.
Een ander lid maakt zich zorgen over het lot van de jonge asielzoekers bij de grens. Worden zij aanvaard of geweerd ? Hij drukt ook zijn bezorgdheid uit over hun integratie zodra zij terug in België zijn, bijvoorbeeld om taallessen te volgen.
De directie heeft geen informatie over hetgeen zich afspeelt aan de grens, maar werkt actief mee aan de opvoeding van de jongeren die taallessen willen volgen. Zo bijvoorbeeld is er een akkoord met de BGDA om Franse les te geven aan Russen in het centrum.
Op de vraag van een lid naar de prioritaire doelstellingen voor de open asielcentra, antwoordt de directie dat de volgende prioriteiten gelden :
uitwerking van een specifieke asielprocedure voor minderjarigen, waarbij zij kunnen genieten van een gewenningsperiode, die kan worden gebruikt om eventuele gevallen te onthullen waarbij de minderjarige in kwestie wel asiel aanvraagt, maar eigenlijk van huis is weggelopen;
aangepast logies voor minderjarigen;
ontwikkeling van een systeem voor de aanstelling van voogden voor deze minderjarigen en inschakeling in een gezinssituatie na de gewenningsperiode.
Ook de huidige onderwijssituatie is niet ideaal. Het is roeien met de riemen die men heeft, met als bijkomend probleem in Brussel dat er twee onderwijsnetten bestaan met verschillende talen.
Verenigingen zoals « Patchwork A place to live » en voormalige centrumbewoners houden zich bezig met de opvoeding van de jongeren en corrigeren bijvoorbeeld hun huiswerken.
Voor meubels kan een beroep worden gedaan op de vzw Convivial.
Op de vraag van een lid of de centrumbewoners niet te vaak met geweld worden geconfronteerd, antwoordt de directie dat het enige geweld dat voorkomt, zich vrijwel altijd buiten de muren van het centrum afspeelt. Speelt het geweld zich binnen het centrum af, zal de schuldige door de directeur gehoord worden en kan hij of zij een interne sanctie krijgen.
Als het geweld aanhoudt, kan er een overplaatsing naar een andere centrum volgen. Er wordt ook samengewerkt met de Huis van Justitie, wat nuttig is om de jongeren via de jeugdmagistraat (mevrouw De Vroede) terecht te wijzen.
Een lid maakt zich zorgen over het feit dat twee Mongoolse meisjes voor de deur zijn meegenomen door twee Mongoolse mannen en vervolgens in een appartement in het centrum verkracht zijn door twee anderen.
De directie verklaart dat dit incident volkomen onverwacht was en dat de twee Mongolen vrij goed aangeschreven stonden.
De rest zal het gerechtelijk onderzoek moeten uitwijzen.
Naast het geweld is er nog een neveneffect : het druggebruik. De directie klaagt over het feit dat de federale politie geen gevolg geeft aan een aantal klachten in verband met een welbepaald geval van vermoedelijke drughandel.
Het geweld leidt soms tot vandalisme. Toch blijft dit beperkt. Uiteraard is het niet makkelijk de inwoners van de centra op hun verantwoordelijkheden te wijzen. Toch is de onachtzaamheid kleiner sinds het systeem van de gemeenschappelijke leefruimten is ingevoerd.
Mensen worden ondergebracht in kleine groepen van bijvoorbeeld twee gezinnen in een appartement of acht jongeren in één kamer.
Zij krijgen maaltijdcheques voor een bedrag van 1 300 frank/persoon/week en hangen voorts van elkaar af. Het resultaat is dan ook positief : de lokalen blijven schoner en het systeem is minder duur (minder werkkrachten nodig voor de keuken en de schoonmaak).
Op de vraag van het lid over de aanwezigheid van verdachte personen voor de deur, antwoordt de directie dat 90 % van hen geen inwoners van het centrum zijn. Vaak gaat het om tussenpersonen voor zwartwerk of illegale handel.
De directie heeft de politie al meermaals gevraagd de voetpaden « schoon te maken », maar dit leverde niets op.
Voor de strijd tegen de zware criminaliteit, zoals de mensenhandel, staat de directie in contact met drie cellen, waarvan een bij de lokale politie, een andere bij de politie van « Brussel-Nationaal » en een derde bij de « Nationale nationale » politie.
Telkens wanneer feiten worden vastgesteld, wordt dit gemeld.
Het aantal verdwijningen is zorgwekkend : 18 %. Het betreft centrumbewoners die niet meer terugkomen. Doordat ze half-illegaal zijn, kijkt er echter niemand naar om.
Een lid vraagt vervolgens hoe de directie te werk gaat bij uitwijzingen.
De directie antwoordt dat zij een modus vivendi heeft gevonden met de lokale politie, waarmee zij een goede verstandhouding heeft en die gewend is met allochtonen om te gaan.
De directie voelt geen overdreven druk om de personen die uitgewezen kunnen worden, te « verjagen ».
Wanneer zij van plan zijn te komen, telefoneren de politieagenten een week op voorhand. Vervolgens bellen zij drie dagen op voorhand een tweede keer.
Wanneer zij naar de afspraak willen komen, bellen zij ten slotte een laatste keer om de personen te lokaliseren.
De meeste personen die uitgezet kunnen worden, verschijnen niet op de afspraak en verdwijnen in de illegaliteit.
De 72 à 73 asielaanvragers bij de Raad van State vormen vanzelfsprekend de beoogde groep. Voegt men daarbij de personen voor wie een beroep aanhangig is, gaat het om 80 personen, van wie zo'n 10 % wordt geïnterpelleerd.
Tot op heden is er nog geen enkele daadwerkelijke aanhouding gebeurd.
Wel stelt men vast dat de keuze van de opgeroepen personen volledig willekeurig gebeurt, wat vaak als onrechtvaardig wordt aangevoeld.
3.4. Bezoek aan het Centrum van Kapellen
Wat het Centrum van Kapellen betreft, dient het volgende aangestipt.
Er was eveneens een bezoek en aansluitend een discussie met de directie.
Op vraag naar de verhouding en samenwerking met de politie antwoordde de directie dat deze verhouding redelijk goed is. Bij de federale politie (vroeger : de rijkswacht) zijn er twee vaste contactpersonen die op de hoogte zijn van al wat gebeurt binnen het centrum en de follow-up doen van wat buiten het centrum gebeurt en waarbij de bewoners van het centrum betrokken zijn. Twee vaste contactpersonen zijn een voordeel omdat niet alle politiemensen de rijpheid hebben om op een serene manier om te gaan met de problemen die soms rijzen met een zeer gevarieerde groep buitenlanders en ook omdat nietalle politiemensen in dezelfde mate bereid zijn om gegevens uit te wisselen. Dit laatse is essentieel omdat het centrum ook op de hoogte moet zijn van wat gebeurt buiten het centrum.
In sommige gevallen is het immers ook nodig dat bepaalde feiten ook aan de Dienst Vreemdelingenzaken gemeld worden. Van iemand die voor de vierde keer op een diefstal wordt betrapt kan men vermoeden dat de problemen die hij in eigen land met de politiediensten had vooral het gevolg was van zijn criminele activiteiten. In dat geval kan het interview dat van de asielzoeker wordt afgenomen met deze feiten rekening houden.
In de tweede plaats is een dergelijke infomatie ook nodig om betrouwbare statistieken aan te leggen over de eventuele criminaliteit die wordt veroorzaakt door bewoners van het centrum. Het is immers belangrijk om hierover met correcte cijfers naar buiten te kunnen komen. Zo zijn er op een totaal van 1 800 personen in 2000 23 diefstallen gepleegd.
Wat de gedwongen uitwijzingen betreft, verklaarde de directie dat het vroeger uitzonderlijk was dat de mensen meer dan vijf dagen in het centrum verbleven, omdat de mensen enkel tijdens het onderzoek van de ontvankelijkheid in een opvangcentrum verbleven.
Door de wijziging van het beleid terzake is deze situatie helemaal veranderd.
Het centrum onderneemt de nodige administratieve maatregelen en de directeur zelf brengt de mensen op de hoogte van de gedwongen verwijdering.
Voor onbegeleide minderjarigen wordt de uitwijzing evenwel opgeschort tot de meerderjarigheid en voor de landen waarvoor een niet-terugleidingsclausule bestaat, moeten de betrokkenen een verklaring ondertekenen waarin zij er zich toe verplichten naar hun land terug te keren als de situatie het mogelijk maakt.
Door de aanzienlijke verkorting van de behandeling van de aanvraag op het commissariaat-generaal (op dit ogenblik 1,5 maand), krijgen de mensen veel sneller een bevel om het grondgebied te verlaten. Vele asielzoekers hebben daardoor het gevoel dat hun dossier niet ernstig is onderzocht en gaan daardoor bijna automatisch in beroep.
In dit verband moet erop gewezen worden dat er een contradictie is tussen de termijn om het grondgebied te vermijden (vijf dagen) en de termijn om tegen dit bevel beroep aan te tekenen bij de Raad van State (dertig dagen). Als de uitgeprocedeerde asielzoekers echter niet binnen de vijf dagen beroep aantekenen, is het centrum verplicht hun buiten te zetten omdat ze het land moeten verlaten en niet langer recht hebben op opvang.
Wat de personeelsbezetting betreft, hebben de opvangcentra van Kapellen en Ekeren hebben een opvangcapaciteit van respectievelijk 500 en 100 mensen. De reële bezetting bedraagt op dit ogenblik 210 en 60 asielzoekers.
Deze bevolking wordt omkaderd met 81 personeelsleden (contracten van onbepaalde duur). Daarnaast kan het centrum een beroep doen op 45 vrijwilligers uit de buurt.
Wat de filières betreft, is het overduidelijk dat deze bestaan. Daarom wordt van iedereen die op bezoek komt de identiteit geregistreerd. Deze wordt doorgegeven aan de federale politie waar ze wordt opgenomen in de « zachte informatie ». Deze aanpak heeft reeds tot een aantal concrete zaken geleid. Vooral vanwege Kosovaren en Afghanen is er een echte trafiek. De volwassenen krijgen een bevel om het grondgebied te verlaten. Niet-begeleide kinderen worden soms hier opgevangen. Beide groepen verdwijnen echter spoorloos.
Relevant voor de vrouwenhandel zijn de frappante verschillen tussen de lijst van de mensen die aan het centrum worden toegewezen en zij die effectief aankomen.
Zeven op tien alleenstaande vrouwen komen nooit aan. Dit verschijnsel is vooral uitgesproken voor vrouwen uit Soedan, Sierra Leone en Nigeria.
De verdeling van de asielzoekers over de centra is erg ongelijk. Het centrum van Kapellen is op dit ogenblik onderbezet.
Dit heeft een dubbele oorzaak :
a) op de Dienst Vreemdelingenzaken wordt de asielzoeker een taalrol toegewezen; deze verdeling gebeurt om een overbelasting van de diensten te vermijden enerzijds en anderzijds, in functie van de taal die aan de tolken wordt toegekend (alle Iraanse tolken worden verondersteld naar het Nederlands te vertalen, bijvoorbeeld);
b) er zijn ook drie verschillende soorten centra :
federale;
Rode Kruis-centra;
en lokale opvanginitiatieven
die dan nog worden ingedeeld in Vlaamse en Waalse centra.
Over alle centra worden de asielzoekers evenredig verdeeld. Aangezien de federale centra veruit de grootste opvangcapaciteit hebben, krijgt men echter grote verschillen in bezettingsgraad.
Federale :
Rode Kruis :
Het gevolg is dat op termijn bepaalde centra volledig bezet zullen zijn en andere nog relatief veel plaats hebben.
Qua begeleiding van de asielzoekers, is er op dit ogenblik geen georganiseerde psychologische opvang van de asielzoekers. Mensen met symptomen van post-traumatische stress worden dan ook niet begeleid.
Dit is te wijten aan de bevoegdheidsverdeling tussen het federale niveau en dat van de gemeenschappen.
Voor de geestelijke gezondheidszorg bestaat er op dit ogenblik geen netwerkvorming tussen beide niveaus waardoor er op dit vlak niets gebeurt.
Dit is, tenminste in Vlaanderen, wel het geval voor de bijzondere jeugdzorg. Daar is wel een netwerk gevormd en de sociaal assistenten van de bijzondere jeugdzorg komen regelmatig naar het centrum.
De commissie wordt opgewacht door de heer Schewebach, directeur-generaal, en de heer Vercruysse, zijn tweetalig adjunct.
Het bezoek begint bij de permanentie.
Deze dienst werkt 24/24 uur. Hij omvat een wachtzaal en een « operatiecentrum », met de telefooncentrale en een tiental beambten die de bezoekers ontvangen.
De heer Schewebach maakt zijn beklag over het feit dat de beambten geen specifiek statuut hebben en bijgevolg gebonden zijn aan het statuut van ministerbeambte. In principe mogen ze niet weerhouden worden na 17 uur en hebben ze recht op een sluiting tijdens het kerstverlof. Voor de organisatie van een permanentie kan men dus slechts rekenen op de welwillendheid van de beambten.
In de wachtzaal worden per jaar ongeveer 11 000 personen ontvangen. Er wordt een eerste selectie tussen gemakkelijke en moeilijke dossiers verricht. De gemakkelijke dossiers worden zoveel mogelijk onmiddellijk behandeld.
90 % van de voorgelegde problemen heeft betrekking op de toekenning van visa.
Het aantal lijnen van de telefooncentrale is totaal ontoereikend. De Dienst Vreemdelingenzaken vermag daar niets aan, aangezien hij afhankelijk is van de centrale diensten van het ministerie voor de installatie van dergelijke apparatuur.
Een lid merkt op dat de federale overheid moet instaan voor de kosten die voortvloeien uit de werking van de federale diensten. Als dat niet gebeurt, krijgen de gemeentediensten te maken met vragen van burgers met betrekking tot federale aangelegenheden. De activiteiten van de Dienst Vreemdelingenzaken mogen niet worden doorgeschoven naar de gemeenten. De Dienst Vreemdelingenzaken is niet bereikbaar per telefoon en dat heeft een weerslag op de doeltreffendheid van de gemeenten.
De heer Schewebach merkt op dat advocaten vrije toegang hebben tot de diensten. Overigens werd al gepoogd de lijnen af te leiden naar één enkel toestel, maar dit experiment werd stopgezet omdat het de wachttijden nog langer maakte.
Sommige leden klagen over het feit dat er zelfs geen steeds herhaalde boodschap of geen geluidssignaal is om de persoon die wacht gerust te stellen.
De heer Schewebach houdt vol dat hij alles heeft uitgeprobeerd. De computerisering geeft evenwel aanleiding tot lekken, aangezien ze een rechstreekse toegang tot het dossier en sedert kort zelfs tot de diensten van Buitenlandse Zaken mogelijk maakt.
Wat de visa betreft zullen we begin maart up-to-date zijn.
Bureau D neemt ook een deel van de oproepen voor zijn rekening.
Een andere verbetering zou erin bestaan de Dienst Vreemdelingenzaken te decentraliseren door middel van de installatie van nevenkantoren in verschillende grote provinciesteden. Dit zal de toegankelijkheid voor de vreemdelingen en voor de gemeenten verhogen.
Een andere verbetering in zicht is dat de burgemeesters volmacht krijgen voor de behandeling van gemakkelijke dossiers, zoals bijvoorbeeld een visum van een maand een paar dagen verlengen als iemand zijn vliegtuig heeft gemist.
Alles samen telt de Dienst Vreemdelingenzaken ongeveer 1 500 ambtenaren, waarvan er 350 dossiers behandelen op niveau 3 en 2, en een honderdtal op niveau 1.
Nog anderen werken in de gesloten centra.
Er zijn ongeveer 1 000 000 dossiers in actieve staat; daarvan zijn er 80 000 in omloop, en nog 80 000 worden gevolgd.
Een klassiek voorbeeld van een op te volgen dossier is dat van een student die voorlopig werd ingeschreven, in afwachting van een definitieve inschrijving.
Voor de gezinshereniging zijn er drie Franstalige en drie Nederlandstalige beambten.
Voor de dossiers van EG-burgers zijn er twee beambten van elke taalrol.
Er zijn ook beambten die tegelijkertijd verschillende aangelegenheden behandelen.
De contractuele agenten krijgen een opleiding van zes maanden en nemen de gemakkelijkste taken op zich.
Een ander lid stelt vast dat de Dienst Vreemdelingenzaken vaak een advies moet geven, bijvoorbeeld aan het parket in de naturalisatieprocedures. Als dit de medewerking van een andere instelling vereist, zoals de Staatsveiligheid, is er dan een tussenpersoon om de communicatie te vergemakkelijken ?
Anderzijds vindt hij dat er maar eens een einde moet komen aan het klimaat van wantrouwen binnen de Dienst Vreemdelingenzaken. Dit zou de maatschappij geenzins in gevaar brengen.
Hij haalt het geval aan van een familie met zes leden, waavan er vijf werden geregulariseerd. Voor de zesde persoon was dat niet het geval omdat hij niet geïntegreerd is. Dat zijn dingen die gebeuren en echt ondraaglijk zijn.
De heer Schewebach merkt op dat de adviezen van de veiligheidsdienst rechtstreeks naar de Kamer gaan.
Als hij andere inlichtingen bezit of als hij er andere ontvangt via zijn eigen dossiers, dan is hij niet in staat ze mee te delen ingevolge de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of omdat ze geclassificeerd zijn.
Soms ziet hij dit over het hoofd en geeft hij de inlichtingen toch door om de instanties geen essentiële gegevens te onthouden.
Om de communicatie te vergemakkelijken, heeft hij bovendien vier beambten uitgeleend aan de Naturalisatiecommissie.
De vorige spreekster vraagt wat er gebeurt met mensen die valse namen hebben gebruikt om het land binnen te geraken en vervolgens een aanvraag tot naturalisatie hebben ingediend.
De heer Schewebach merkt op dat dit een fraude vormt. Hij geeft hun dan ook een weigering.
Nog een ander lid herinnert zich talloze beloftes om de dienst beter te verzekeren. Er zou een audit bezig zijn. Zijn er al vernieuwingstrajecten ? Wat verwacht men ervan ?
De heer Vercruysse antwoordt dat de audit aangevoeld wordt als een go-between en dat de ingesteldheid van het personeel positief is.
De eerste spreekster komt terug op de kwestie van het classificeren. Hoe moet men te werk gaan als het systeem niet voldoet ?
De heer Schewebach zegt dat de Dienst Vreemdelingenzaken op dit vlak met één enkele delegatie werkt. Twee tot drie andere delegaties zijn in zicht.
Anderzijds heeft hij bekomen dat de Staatsveiligheid de doorgegeven dossiers zou declassificeren, wat een praktische oplossing biedt.
Op het vlak van de reorganisatie, zijn er algemeen gesteld drie grote problemen :
het personeel;
de infrastructuur;
de laattijdige inwerkintreding van het systeem van de elektronische dossiers, vooral wat de visumdossiers betreft.
Hij rekent vooral op de decentralisering van zijn dienst om tot een definitieve oplossing te komen.
De briefwisseling zal worden geïnformatiseerd. De firewall zal over zes weken operationeel zijn. Op die manier zullen elektronische dossiers samengesteld kunnen worden, en de Dienst Vreemdelingenzaken zal een communicatienetwerk hebben met de gemeenten. Het is wel zo dat de programmering heel zwaar is, aangezien er ook een link is met het rijksregister. Hij vraagt al lang om programmeurs die het systeem moeten versoepelen. Hij heeft er maar één gekregen. Voor deze opdrachten kan hij ook een beroep doen op privé-firma's, maar dat is een dure oplossing.
Een lid merkt op dat er een bevredigende oplossing werd gevonden om te vermijden dat rijen mensen wachten op de Albert II-laan, en maakt hem er een compliment over.
De heer Schewebach legt uit dat er, enerzijds, in grotere ruimtes werden voorzien voor het onthaal. Anderzijds, worden er thans teams van de Dienst Vreemdelingenzaken naar de centra van het Rode Kruis gestuurd om de asielaanvragen in te zamelen. Dit voorkomt dat de vreemdelingen heen en weer moeten reizen.
De vroegere convocaties blijven evenwel geldig, hoewel het duidelijk is dat de pas aangekomen mensen de voorrang krijgen.
Vervolgens brengt de commissie een bezoek aan de archieven in de kelders. Uit dit bezoek blijkt dat de toegang enorm wordt bemoeilijkt door het feit dat de lift wordt beveiligd door een schutsluis en sleutels om de eenvoudige reden dat ze wordt gedeeld met De Post, die ze gebruikt voor geldtransport.
Dit brengt met zich mee dat het werken met de dossiers van de Dienst Vreemdelingenzaken enorm traag verloopt. De beambten moeten telkens gaan zoeken naar de dossiers van de personen die zich bij de permanentie aanbieden. Denk maar eens hoeveel tijd verloren gaat voor de beambte die op zijn dossier wacht.
De commissie brengt vervolgens een bezoek aan de hall waar de asielaanvragers onthaald worden.
In deze hall komt iedereen samen. Er komen een tiental bureaus op uit, waarin ieder persoon afzonderlijk wordt opgeroepen voor de verschillende fases van de procedure :
onthaal met tolk;
opsporing van tuberculose;
vingerafdrukken, enz.
De commissie brengt vervolgens een bezoek aan enkele van deze bureaus.
Vooral Printrack, de dienst met de vingerafdrukken, verdient bijzondere aandacht : er bestaat geen enkele connectie tussen de Europese landen, want dat zou indruisen tegen de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dezelfde reglementering eist dat deze vingerafdrukken worden uitgewist zodra de persoon waarvan ze afkomstig zijn als politiek vluchteling wordt aanvaard.
1.1. Uiteenzetting
De minister wijst op de grote problemen waaraan de overheid het hoofd moest bieden :
de voorwaarden voor de toegang tot asiel die te complex zijn geworden;
het verblijf van de asielaanvragers op het grondgebied;
het repressieve luik, dat zelf ook twee luiken omvat : de hechtenis in een gesloten centrum en de verwijdering;
de aanslepende regularisatie, waarin de Staat verantwoordelijkheid draagt.
Wat het immigratiebeleid in zijn totaliteit betreft, vraagt hij zich af of er geen deuren moeten worden geopend; wat hem betreft is het debat in elk geval geopend.
Hij herinnert aan de beslissing van 1974, toen geopteerd werd voor de nulimmigratie. Deze doelstelling is achterhaald, omdat ze onrealistisch is. De Staat heeft immers een gebrek aan doeltreffende controlemiddelen. Men zou natuurlijk de maatregelen nog kunnen versterken, maar dat zou leiden tot een onhoudbare situatie. Bovendien is de nulimmigratie onredelijk.
Men kan er gewoon niet meer om heen dat men vandaag leeft in een open wereld.
In Europa stelt men zich ook de vragen omtrent het bevolkingstekort.
Deze thema's zijn aangesneden tijdens de vergadering van de ministers van Binnenlandse Zaken van de EU die in juli 2001 plaatsvond in Marseille. Er is in de bevolkingspiramide geen evenwicht tussen de jongeren en de gepensioneerden. Als men dit verstoord evenwicht niet wil versterken, zullen er meer jongeren moeten zijn. Maar als men instemt met de immigratie van geschoolde arbeiders, dan heeft dit het negatieve gevolg dat men zo de arme landen berooft van hun potentieel aan intellectuelen. In Canada, waar het systeem bestaat, wordt er al kritiek geuit in die zin. Er is ook het voorbeeld van de 20 000 Indische informatici die Duitsland wil aantrekken.
In het kader van een open benadering van dit probleem dient men zich te buigen over de onrechtstreekse gevolgen. Er is een probleem op het vlak van de ontwikkeling van de tewerkstelling. Hoe moet men daarop reageren ?
Als België in het tweede semester van 2001 het voorzitterschap van de EU overneemt, zal ze de onthaalomstandigheden en de procedure voor de toekenning van het asielrecht aankaarten. De Europese landen stellen zich hierover veel vragen, en men moet proberen om een gemeenschappelijke benadering te ontwikkelen.
Europees commissaris Vitorino deelt deze bekommernissen.
De minister is van zijn kant van plan om dieper in te gaan op dit probleem, door een aantal experts van de regeringen maar ook van universiteiten en NGO's samen te brengen.
Het moment is gekomen om alles op tafel te leggen. Natuurlijk beschikt men momenteel nog over te weinig elementen om een gevolgtrekking te maken. Maar een internationaal forum moet uitmonden in een verklaring van de politieke elementen die aangewend moeten worden om het debat toe te lichten. Er moeten serieuze (en geen academische) antwoorden aangereikt worden. Vanaf december 2000 zal de Europese Commissie van haar kant het debat starten.
Welke beslissingen heeft de Belgische regering hieromtrent genomen ?
Hij verwijst naar analyses van migratiestromen die opgesteld zullen worden vanaf januari 2001, door de oprichting van een Europees observatorium. Er zullen een aantal taken toevertrouwd worden aan het Centrum voor gelijke kansen, dat deze opdracht op zich moet nemen.
Dit is noodzakelijk om inzicht te krijgen in de mechanismen van de mensenhandel. De immigratieambtenaren wijzen op het bestaan van een rendabele handel, die zich uitstrekt tot in België. Het gaat om professionelen, waaronder een groot aantal advocaten. Men heeft dit vastgesteld door de massale en plotselinge toestroom te analyseren van asielaanvragers uit Kazakstan en Rusland. Daar wordt reclame gemaakt voor de financiële steun die door België toegekend wordt aan de asielaanvragers. Er wordt gewezen op het bestaan van juridische adviseurs die de procedures kunnen voeren, men staat toe dat er valse documenten uitgereikt worden en men wijst op het bestaan van schuilplaatsen voor de echte documenten. Er wordt daar ook gewezen op de moeilijkheden van de Belgische autoriteiten om de asielaanvragers uit het land te zetten.
De minister van Justitie heeft het Bureau voor strafrechtelijk beleid de opdracht gegeven om hieromtrent een werkgroep op te richten.
De minister van Binnenlandse Zaken zal van zijn kant een bedrag van ± 50 miljoen vrijmaken om de gespecialiseerde diensten van de rijkswacht te versterken.
De overheid gaat de strijd tegen de mensenhandel dus actief versterken.
Ze heeft overeenkomsten afgesloten met Frankrijk, Duitsland, Slowakije, Polen, Bulgarije en Roemenië om de nieuwe buitengrenzen van de EU te versterken.
Het is onder andere de bedoeling de opleiding te verbeteren van de politieagenten die ingezet worden aan onze nieuwe grenzen.
Een van de instrumenten om dit te doen is ongetwijfeld Europol, en de analysecapaciteiten van deze organisatie moeten versterkt worden.
De regularisaties zijn een grote zorg, maar de minister denkt dat hij de situatie gedeblokkeerd heeft de traagheid houdt immers vooral verband met psychologische moeilijkheden. De minister beweert dat hij op geen enkel ogenblik de intentie had om het proces te saboteren, zoals sommigen laten uitschijnen. Hij vraagt zich daarentegen af of er geen heimelijke ruzies zouden zijn onder de leden van de commissie, tussen de aanhangers en de tegenstanders van de regularisatie.
De regularisatie mag niet mislukken : ze heeft enorm veel krediet gekregen van de bevolking. Dit mag niet tenietgaan.
De minister garandeert dat een groot deel van de beslissingen positief zal zijn.
Wat de werkzaamheden van de commissie betreft, hebben de voorzitter, de vice-voorzitter en de nieuwe administrateur een nieuw beheersplan aanvaard. Het beoogde resultaat is dat 70 % van de dossiers snel bij de minister geraakt, omdat ze duidelijk positief of negatief zijn of overeenstemmen met een positieve jurisprudentie van de algemene vergadering van de kamers van de commissie.
De minister schat het aantal negatieve dossiers op 10 %. Dat is in elk geval de huidige verhouding. Hij heeft al 1 000 dossiers ontvangen waarbij de openbare orde in het gedrang kwam.
Men heeft bij de rijkswacht en bij de Veiligheid beloofd om de screening uit te voeren binnen een termijn van 48 uur.
Om het proces te versnellen, zullen de commissies hun aantal zittingen vermeerderen. Er zullen acht extra magistraten aangeworven worden.
Wat de gesloten opvangcentra betreft, kan men stellen dat men daar de mensen zal vinden die aankomen in Zaventem zonder geldige verblijfsvergunning en diegenen die uitgeprocedeerd zijn.
Wat de opvang in de gesloten centra betreft, dient men in de eerste plaats te verduidelijken dat deze regeling enkel geldt voor diegenen die aankomen in Zaventem zonder geldige verblijfsvergunning en diegenen voor wie het einde van de asielprocedure bereikt is en die dan ook uit het land kunnen worden gezet ten gevolge van een negatieve beslissing.
Deze voorwaarden zijn gedetailleerd bepaald bij koninklijk besluit. De Ministerraad heeft ze verbeterd op 22 november 2000, zowel wat de terminologie (« discipline » wordt « orde ») als wat de voorwaarden zelf betreft (zo zullen sigaretten toegestaan worden).
Wat de niet-vergezelde minderjarigen betreft, zijn er slechts twee per maand. De federale Staat heeft een formule uitgeprobeerd via de gemeenschappen. Wat de CCF betreft, was dit een ongelukkige ervaring, terwijl de Vlaamse Gemeenschap over een gespecialiseerd opvangtehuis beschikt.
Deze bescherming heeft voornamelijk tot doel de minderjarigen te vrijwaren voor de netwerken van mensenhandel. Zo heeft men moeten vaststellen dat bepaalde minderjarigen verdwenen binnen de 24 uur nadat ze door de minister van Binnenlandse Zaken opnieuw naar de centra werden gestuurd. Deze centra moesten dus absoluut veiligheidsmaatregelen treffen voor deze zeer specifieke categorie van jongeren.
De minister van Justitie heeft een ontwerp uitgewerkt rond een bijzonder statuut voor niet-begeleide minderjarigen, waarbij voorzien wordt dat er een voogd wordt aangesteld. Bij de uitwerking van de nieuwe asielprocedure moeten alle voorzorgen getroffen worden om de internationale conventies en de Europese richtlijnen niet te overtreden.
Er is overleg gepleegd met de universiteiten, de Europese instanties en de HCR.
Het Belgische project past perfect in het kader van de Europese richtlijnen.
Naast de uitwerking van de procedure moest voldaan worden aan een haalbaarheidsvoorwaarde. Het zal immers gaan om beroep in volle omvang, wat zal neerkomen op een stijging van de financiële middelen voor de salarissen van de rechters en op bijkomende personeelsleden.
De minister heeft met het oog hierop een provisie van 150 miljoen voorzien in de begroting.
De nieuwe procedure zal zich afspelen op drie niveaus :
de federale administratie asiel, met aan het hoofd een bestuurder met een mandaat van zes jaar die een beheersplan moet opstellen;
· een administratieve asieljurisdictie met rechters die zullen beschikken over assessors (vier per rechter);
· de Raad van State als cassatierechter die niet-opschortend werkt.
Er zal een nieuw concept geïntroduceerd worden, naar het voorbeeld van hetgeen gebeurt in Frankrijk. Dit wil zeggen dat de toelaatbaarheid gecontroleerd zal worden.
Het komt erop aan te controleren of eenzelfde probleem op het vlak van de grondbeginselen nog niet opgelost is door de jurisprudentie. In dat geval zal de aanvraag ontoelaatbaar worden verklaard.
Daarboven bevindt zich een systeem dat bestaat uit twee verticale pijlers :
de versnelde procedure (maar geen snelprocedure) die tot doel heeft om snel de duidelijk niet-gegronde en onontvankelijke of zelfs frauduleuze aanvragen op te sporen.
Er zal een beroep worden gedaan op een lijst van veilige landen, er zal geen enkel misbruik mogelijk zijn uit hoofde van de overheidsinstantie : diegene die het bewijs kan leveren van een geval van vervolging wegens een delict van meningsuiting, zal genieten van de normale procedure.
De versnelde procedure zal als volgt verlopen :
* 5 dagen om het dossier samen te stellen met PV;
* 5 dagen om de procedure in te dienen;
* 10 dagen voor de hoorzitting;
* 10 dagen voor de uitspraak;
de normale procedure zal gebaseerd zijn op beroep dat binnen de vijftien dagen aangetekend wordt tegen de beslissing van de Federale Administratie Asiel.
Een ander aspect van het asielprobleem zal versterkt worden, in die zin dat België er zal op toezien dat de verdragen van Schengen en van Dublin gerespecteerd worden, wat momenteel niet altijd het geval is.
Men dient te weten dat deze verdragen de andere Staten die de conventie ondertekend hebben ertoe verplichten om de asielaanvragers op te nemen als ze de Schengen-zone binnengetreden zijn via hun grondgebied.
Er is natuurlijk het probleem van het bewijs, maar er is een procedure voor de herbespreking van de verdragen aan de gang, om dit probleem beter te regelen tussen de Staten.
Om het probleem van de binnenkomst via onze grenzen beter af te bakenen, zullen tien opvang- en registratiekantoren geopend worden in grensgemeenten, die 24 uur op 24 open zullen zijn. Er zullen andere gewestelijke kantoren geopend worden in de grote steden. Men denkt aan Antwerpen, Luik en Brussel. De asielambtenaar in het grenspunt, die een eerste schifting zal uitvoeren, zal die gewestelijke kantoren in zekere zin « bevoorraden ».
Diegenen die om specifieke redenen niet langs het grenskantoor gaan om een aanvraag in te dienen, kunnen dit doen in een gewestelijk kantoor. Ze moeten evenwel meedelen langs welke weg ze naar België zijn gekomen, op het risico af dat hun aanvraag onontvankelijk wordt verklaard.
Een koninklijk besluit zal de toepassingsgevallen van de Conventie van Dublin bepalen.
In geval van een onbegrijpelijke en verdachte toestroom vanuit bepaalde landen, zoals momenteel het geval is voor Kazakstan, is het mogelijk dat de asielaanvragers doorgestuurd worden naar de gewestelijke centra.
1.2. Bespreking
Een lid zit nog met verscheidene vragen :
Hoe staat het met de correlatie asielbeleid/immigratiebeleid ? De regering kan verschillende opties nemen.
In het licht van het voorzitterschap van de EU dient een tweesporenbeleid gevolgd te worden door de Belgische regering; enerzijds moet het Belgische voorzitterschap ertoe leiden dat Europa de nodige initiatieven neemt ter uniformisering, maar, anderzijds, mag dit er de regering niet van weerhouden om te handelen binnen de Europese contraintes.
Er is opdracht gegeven aan het Centrum voor de gelijke kansen om de rol van observatorium op te nemen van de migratiegolven. Dit kan men bezwaarlijk zien als een taak waarvoor het Centrum bijzonder geschikt is. Er zijn andere instanties, zoals IOM, die daarmee dagelijks zijn begaan.
Er is ook een strafrechtelijk aspect : zijn er initiatieven genomen om qua mensenhandel even stringent op te kunnen treden als ten overstaan van drugshandel ? Hij doelt onder meer op de mogelijkheid van inbeslagname van de patrimonia verworven door deze handel.
Een ander lid maakt zich zorgen over het gebrek aan extra opvang gezien de grote toevloed van asielzoekers.
Verder is er ook de nood aan specifieke opvang, bijvoorbeeld voor Albanese onderdanen op weg naar Groot-Brittannië, die dikwijls met kleine kinderen worden onderschept, zoals op de parking van Jabbeke.
De rijkswacht vraagt duidelijk om specifieke opvangmogelijkheden, en voorzover hij weet, werd daar tot nog toe door Binnenlandse Zaken geen enkel gevolg aan gegeven.
Qua mensenhandel stelt hij een schrijnend gebrek vast aan afdoende aanpak vanwege Justitie. Sedert 1995 wordt dit probleem duidelijk, maar er is nergens een doorbraak. Men heeft de indruk dat de parketten en parketten-generaal hun verantwoordelijkheid niet opnemen.
De asielwet staat op stapel, maar er is nog geen enkele tekst beschikbaar. Hij wenst dat er een serieus debat aan voorafgaat.
Een lid vraagt wat de minister vindt van de gecontroleerde immigratie, zoals bijvoorbeeld in Duitsland, waar men overweegt visums te geven aan geschoolde buitenlanders.
Bovendien hoort men dat er een massa kandidaat-vluchtelingen klaarstaan om te vertrekken vanuit Kazakstan. We hebben nochtans een immigratieambtenaar te plaatse. Bestaat hierover een rapport ?
Men vraagt zich af waarom de Conventie van Dublin niet nageleefd wordt. In 80 % van de gevallen is er sprake van een overtreding.
Hoe zit het met de behandeling van niet-begeleide minderjarigen ?
Is het mogelijk dat de asielaanvragers die toekomen in Zaventem in de gesloten centra belanden ?
In andere gevallen stelt men vast dat de mensen op louter willekeurige basis naar gesloten centra worden gestuurd. Ze vindt dat er een rechterlijke controle vereist is, gezien de misbruiken.
Een ander lid betreurt de sabotage van de regularisatieoperatie zoals die becommentarieerd werd in de pers.
Bovendien stelt de behandeling van kandidaat-lidstaten voor de Europese Unie problemen. Moet het visumbeleid niet herzien worden ? Dit heeft zijn weerslag op het asielbeleid in het algemeen en op de houding van de kandidaten.
Hij maakt zich zorgen om de filières inzake mensenhandel : welke voorzieningen worden getroffen en welke successen heeft men al geboekt in de strijd tegen deze bendes ?
Hij denkt dat er objectieve criteria moeten worden opgesteld om illegalen vast te houden. Sommigen worden naar gesloten centra gestuurd, anderen niet. De criteria moeten geobjectiveerd worden.
En hoe zit het met de niet-begeleide minderjarigen ? Zijn er niet meer specifieke centra vereist ?
De minister antwoordt aan de eerste interveniënt dat er een duidelijke correlatie is tussen asiel en immigratie. Aangezien het asiel nagenoeg altijd de eerste stap is, moeten de fraudeurs meer ontmaskerd worden.
De Europese Commissie draagt een verantwoordelijkheid voor de uitwerking van een uniforme methodologie.
Wat het strafrecht betreft, zegt hij dat dit tot de bevoegdheid van zijn collega van Justitie behoort.
Aan de tweede interveniënt antwoordt hij dat de ingevoerde voorziening de mogelijkheid biedt om tegemoet te komen aan de behoeften : de kandidaat-vluchtelingen logeren vijf dagen in de opvangcentra om verhoord te worden.
Wat de mensenhandel betreft, is het vooral aan zijn collega, de minister van Justitie, om stappen te ondernemen.
Het Bureau voor strafrechtelijk beleid zal voorstellen doen om de magistraten van het openbaar ministerie te sensibiliseren.
In het binnenland valt de strijd vooral onder de bevoegdheid van de POSA, die waarnemingen uitvoert om de filières te ontleden.
Aan de derde interveniënt antwoordt hij dat er inderdaad 25 000 potentiële aanvragers zijn in Kazakstan van wie de afkomst onbekend is. De rapporten over Kazakstan en andere landen zijn hieromtrent gelijkluidend.
De Conventie van Dublin biedt de mogelijkheid om de mensen terug te sturen. Maar de opname door een derde Staat blijft een probleem. De onderhandelingen zijn aan de gang.
Hij betwijfelt of 80 % van de kandidaat-vluchtelingen werkelijk uit een ander land van de EU komt.
De niet-begeleide minderjarigen die aangetroffen worden in Zaventem, komen terecht in gesloten centra, om hen te beschermen. Ze worden gemiddeld dertig dagen vastgehouden.
Wat de vraag van de vierde interveniënt over het visumbeleid ten opzichte van kandidaat-lidstaten van de EU betreft, heeft hij de toegangsvoorwaarden afgeschaft, behalve voor Slowakije en Bulgarije, waar nog excessen vastgesteld worden.
Voor de hechtenisprocedures wacht hij op de arresten die de Raad van State zal vellen om objectieve criteria te bepalen.
Een lid vraagt zich af hoe men opnieuw een autowegcontrole aan de grens kan invoeren, ondanks de Europese terughoudendheid. Hoe gaat men de terugkeer naar open centra organiseren ?
Een ander lid twijfelt ook over de haalbaarheid van het plan om van het Centrum voor gelijke kansen een observatorium van de migratie te maken.
Qua regularisatie zijn er nog maar 7 000 dossiers behandeld. Daarbij is de eerste stap de selectie door het secretariaat. Wie bepaalt in feite of een dossier eenvoudig is of niet ?
Dit is van groot belang omdat de behandeling niet gelijk is naargelang het gaat om de commissie of het secretariaat.
Wat de nieuwe asielprocedure betreft, is er nu een versnelde procedure. Wie beslist daarover ? Wat gebeurt er met de mensen die een onontvankelijk dossier hebben ? Krijgen ze een bevel om het land te verlaten of worden ze meteen opgesloten voor een uitdrijving ?
In dit laatste geval is een termijn van vijfentwintig dagen voorzien in de nieuwe wet. Wil men deze termijn toepassen op de afgewezen kandidaten voor regularisatie in de snelle procedure, dan is dat quasi onmogelijk op het terrein.
Ze twijfelt er overigens aan of de asielzoekers binnen die termijn treffelijk kunnen worden verhoord.
Nog een ander lid herinnert aan zijn praktische vraag over vreemdelingen die langs de weg worden opgepikt. Hoe denkt de minister deze mensen op een humane manier op te vangen en te verzorgen ?
Wat de regularisatie betreft, zullen de beslissingen strikt opgevolgd worden naar hun billijkheid van de buitenwereld.
Wat de versnelde procedure betreft, heeft hij vragen over de weerslag op de mensen die krachtens de huidige procedure in gesloten centra opgesloten zitten. Vervangt de nieuwe procedure de oude ?
Een senator stelt zich vragen over de toekomst van de immigratiestop. De ministers spreken mekaar tegen. Voornamelijk wat de invoer betreft van arbeidskrachten is er de grootste verwarring.
Het volstaat niet te verwijzen naar de ideale toestand waarin Europa zou moeten werken, want die bestaat spijtig genoeg niet.
De regering moet op de gebeurtenissen anticiperen, en dat doet ze te weinig, in tegenstelling tot andere Europese landen, zoals Duitsland, dat op eigen houtje overweegt om hooggeschoolde informatici uit India uit te nodigen.
Wat gebeurt er in Europees verband ? Zijn er hieromtrent Ministerraden gepland ? Of moeten we wachten tot in 2001 wanneer Zweden het voorzitterschap overneemt ?
Wat de asielprocedure betreft, vindt hij de versnelling geen probleem; alleen vraagt hij zich af hoe die procedure gaat verlopen.
Wat gaat er gebeuren als de termijnen niet worden gehaald ? Wat in geval van plotse en onverwachte bottlenecks, en wat met de oude procedures ?
Wat met de posten aan de grenzen ? Gaat men opnieuw de controles systematiseren ?
Indien de Raad van State niet schorsend werkt, hoe gaat men dan aan de teruggewezene garanderen dat in zijn land de rechten van de mens worden gerespecteerd ?
Het verschil in snelheid tussen de twee procedures lijkt discriminatoir.
Waarom zouden de verzoekers geen dilatoire excepties kunnen inroepen ?
Al bij al heeft hij schrik voor een afbreuk van het asielrecht.
Een lid klaagt over de onnauwkeurigheid van de informatie over de migratiegolven. Er is een marge van 50 à 63 miljoen voorziene vluchtelingen.
Volgens de Conventie van Dublin dient men kandidaten die zich aanmelden terug te sturen op basis van de versnelde procedure indien er een vermoeden is dat ze de Schengen-zone niet zijn binnengetreden via België.
Wat moet er dan wel gebeuren om te ontsnappen aan deze uitwijzingsprocedure ? Moet hij het bestaan bewijzen van een filière waardoor hij in België is beland ?
Een ander lid is ervan overtuigd dat de nieuwe procedure, en vooral het toekennen van hulp in natura, het lot zal verbeteren van de kandidaat-vluchtelingen, vermits die nu niet meer hun geld moeten of kunnen afgeven aan de mensensmokkelaars.
Een ander lid verwerpt de nuloptie die België nog steeds verdedigt inzake immigratie.
Hierdoor, en rekening houdend met het bevolkingsaantal, loopt België het risico ouderwetser te zijn dan Oostenrijk, dat een quotum heeft van 9 583 immigranten dat opgevoerd zal worden met 1 000 specialisten of 2 000 specialisten en niet-specialisten door elkaar, naargelang het geval.
Aan de heer Smet vraagt ze of men de oude douaneposten opnieuw gaat openen voor de registratie van asielaanvragers. Deze registratie zou trouwens zeer beknopt kunnen zijn, onder andere wegens een gebrek aan tolken.
Een lid heeft ook begrepen dat er een post zal zijn zodra men de grens overschrijdt. De filières weten dit en zullen hun « klanten » naar daar sturen; eerlijke mensen die aankomen op ons grondgebied weten dit niet, en zullen misschien afgewezen worden omdat ze deze verplichte doorgang niet hebben genomen.
De minister bevestigt dat de filières de situatie kennen. Men heeft zelfs op het internet een website in het Russisch gevonden waarop de nieuwe procedures gedetailleerd beschreven worden.
Dat is een bijkomende reden om grensposten te openen, al was het maar om druk te kunnen uitoefenen op Duitsland, dat maar al te veel Oost-Europeanen duldt op zijn grondgebied, omdat het zeer goed weet dat ze slechts op doorreis zijn.
Ze zullen in België maar één dag hebben om politiek asiel aan te vragen, waardoor de verspreiding van kandidaten op het Belgische grondgebied wordt vermeden.
Bij hun verhoor wordt onmiddellijk uitleg gegeven aan de aanvragers, en de louter economische vluchtelingen zullen zo afgeschrikt worden. Men zal hun ook meedelen dat ze de mogelijkheid hebben om vrijwillig terug te keren. Deze vrijwillige terugkeer wordt ten belope van 10 000 frank gefinancierd door de Staat.
Eens in een opvangcentrum beland, dat een open centrum is, zijn er nog een heel deel mensen die eruit verdwijnen, zonder dat men ze ooit nog terug ziet. Anderen willen dan ook nog vertrekken.
Men moet vanzelfsprekend de principes op een correcte manier toepassen.
Wat het observatorium voor migraties betreft, zijn er al studies gebeurd door de Koning Boudewijnstichting. Deze stichting heeft echter geen monopolie op studies die door de Staat werden besteld en betaald. Deze studies worden nu overgedragen aan het Centrum voor gelijke kansen. De Koning Boudewijnstichting zal nu haar rekeningen afsluiten en zal betaald worden voor haar werk.
Wat de regularisatie betreft, werd de werklast verdrievoudigd krachtens het beheersplan, zodat de objectieven worden gehaald.
Er is geen discriminatie tussen dossiers van verschillende aard. Er wordt enkel snel gewerkt op goede dossiers, of ze nu eenvoudig zijn of niet.
Stilaan komen de Kamers tot een uniforme rechtspraak voor de moeilijke dossiers.
Het secretariaat behandelde al meer dan 7 700 dossiers. Daarvan waren ongeveer 2 700 het voorwerp van een advies. Daarvan werd ongeveer 30 % goedgekeurd door de minister.
De gesloten centra zijn er voor degenen die verwijderingsmaatregelen willen verijdelen. Dat is geen lukrake beslissing.
Door de lijst van veilige landen is het mogelijk de bewijslast om te keren en de misbruiken te beteugelen van mensen die als economische vluchteling naar hier komen uit een land dat geen politieke opposanten vervolgt. De kandidaat wordt dus niet geweerd. Alleen moet hij wel vooraf bewijzen dat hij het slachtoffer kan zijn van politieke druk.
De pre-interveniënt citeert de commissaris-generaal voor de vluchtelingen die zelf zegt dat de perceptie van het verhaal van de vluchtelingen verschilt naargelang van de ambtenaar zijn kennis van het land. Indien men zich baseert op een lijst, riskeert men wantoestanden.
De minister beweert dat het verhoor niet zal plaatsvinden zonder documentatie. De ambtenaar die naar de grenzen wordt gestuurd zal een ambtenaar van niveau 1 zijn die een goede opleiding heeft genoten. Zijn taak bestaat er voornamelijk in in het verhaal de tegenstrijdigheden op te sporen, hoe miniem ook, die leiden tot de conclusie dat het verhaal niet samenhangend is. De ambtenaar moet vooral een goede psycholoog zijn.
Of objectiviteit mogelijk is met een behandeling in vijf dagen tijd lijkt hem buiten kijf te staan.
Het probleem bij de achterstand is trouwens niet zozeer de moeilijkheidsgraad van de dossiers, maar de opeenstapeling, zodat er drie jaren verlopen vóór het dossier grondig wordt bekeken.
Nu gaat men vanaf nul herbeginnen.
Men kan zich in 98 % van de gevallen ongeveer een idee vormen op één dag tijd. Het resultaat is dan positief of negatief. Er zijn zeer weinig twijfelgevallen. Deze laatste komen terecht in het circuit van de normale procedure.
De korte procedure heeft ook een voordeel voor diegenen die de toekenning van het asiel verdienen : ze krijgen onmiddellijk asiel als hun geval duidelijk is en zorgen niet meer voor een extra belasting van de andere procedures.
Zelfs indien beslist wordt dat de aanvraag onontvankelijk is, kan men beroep aantekenen tegen de afwijzing.
Wat de « onvriendelijke » gerichtheid van de nieuwe procedure betreft, dient men toch de werkelijkheid niet uit de weg te gaan.
Hoe « vriendelijker » het onthaal, hoe meer we de drang van de economische vluchtelingen versterken om een oneigenlijk gebruik te maken van de asielprocedure.
Wanneer ze in een centrum terechtkomen, gebeurt het nu al dat ze plotseling verdwijnen omdat de hulp in natura hun niet gunstig lijkt of omdat ze elders naartoe willen, bijvoorbeeld naar Groot-Brittannië.
Wat dat laatste betreft, wijst hij op de Franse benadering van het probleem. Wat er in Sangatte gebeurt is nog veel beschamender dan wat de Belgische regering ooit heeft voorgesteld. De kandidaten voor Groot-Brittannië zijn pure illegalen, en worden er ondergebracht in de vroegere werkloodsen van de Eurotunnel. Ze worden er gewoon aan hun lot overgelaten, en gaan vrij uit om de overtocht te maken. Gemiddeld doen ze er drie weken over om te slagen.
Volgens hem is dit een voorbeeld van hoe het niet moet, vermits men gewoon het probleem doorschuift.
Een lid vindt dat men ook het goede voorbeeld moet citeren. In Nederland zijn er twee computers on line beschikbaar met alle mogelijke gegevens over de landen van herkomst, de filières, enz. Er is ook een tolk aan de telefoon voor allerlei taken. Daardoor is het mogelijk om onmiddellijk een verhaal te registreren en het te toetsen teneinde de filières op te sporen.
De minister zet uiteen dat, wat de coördinatie betreft van de Belgische en Europese initiatieven, het zo is dat België helemaal niet wacht. De regering zal stelling nemen nog vóór de Conferentie op Europees niveau, die voorzien is voor oktober 2001.
Eind december zal de Europese Commissie een vooruitgangsrapport vrijgeven over het thema van de migratie, waarbij ze zal bepalen wat de overgangsperiode zal zijn voor de nieuwe lidstaten.
Andere problemen zullen ook te berde komen. Zo « importeert » Spanje in groten getale Marokkanen voor de tomatenpluk, waar ze voor 50 frank/uur werken. Een andere oplossing bestaat gewoon niet, omdat de Spanjaarden zélf dit werk niet meer willen doen. De Belgische regering zal hierop moeten reageren via de Top.
Wat de correlatie asiel/immigratie betreft, is het duidelijk dat deze bestaat, doch dit is nog nooit bestudeerd. Hij is zinnens dit uit te laten kienen.
In ieder geval zijn bepaalde migratiestromen te verklaren. Dat mag er ons niet van weerhouden om ze te weren, ten voordele van de kinderen van de vorige migratiegolf, die niet voldoende geïntegreerd zijn. Het is niet normaal dat, wanneer 60 % van alle maghrebijnen in ons land minder dan 25 jaar oud zijn, daarvan een groot deel niet ingeschakeld geraakt in het economisch proces.
In dat verband dient het zwartwerk intenser te worden bestreden.
Een senator dringt erop aan dat de Conferentie van oktober 2001 grondig zou worden voorbereid. Tot op heden is er daarover niet eens een parlementair debat voorzien.
Een lid wijst erop dat het de gewoonte is om de ministers voor en na elke top te horen in het Parlement, zodat er toch een feedback is.
De minister verduidelijkt verder dat in de nieuwe asielprocedure de rol van de Raad van State zal beperkt zijn tot een loutere cassatiebevoegdheid. Dit cassatieberoep zal niet opschortend werken.
De middelen voor de nieuwe procedure zullen uiteraard moeten worden afgestemd op de volumes werk, waarvan de parameters zijn :
250 asielaanvragen per dag;
4 uren ondervraging en 4 uren beslissen per dag.
Daarvoor schat men dat 250 FTE (Full Time Equivalent) nodig zijn ten titel van immigratieambtenaren.
Ook wordt er nu al geanticipeerd op de komende wetswijziging door :
het zoeken van gebouwen;
het uitwerken van de informaticasystemen.
Voor deze laatste investeringen voorziet men 150 miljoen frank.
Ten slotte zullen ook nog een serie rechters voor de Vaste Beroepscommissie moeten worden benoemd.
De achterstand bestaat uit de volgende dossiers :
Dienst Vreemdelingenzaken : 11 325.
CGVS ontvankelijkheid : 18 153.
ten gronde : 12 275.
VBVV : 1 187.
Gezien het cascade-effect zal de virtuele achterstand, afhankelijk van de verwerking van de DVZ, als volgt zijn :
CGVS ontvankelijkheid : 24 804.
ten gronde : 11 000.
VBVV : 11 686.
Bij wijze van overgangsmaatregel zullen alle dossiers van de DVZ overgaan naar de nieuwe procedure en de nieuwe administratie.
Zo zullen de volgende « transfers » worden gemaakt voor de bestaande dossiers :
Ontvankelijkheid CGVS : oude procedure.
Ten gronde CGVS : nieuwe procedure.
Beroepen VBVV : nieuwe rechtbank + nieuwe procedure.
De achterstand zal uiteindelijk het langst blijven bestaan op het niveau van de VBVV, wat zal worden opgelost door nieuwe rechters.
Voor de beheersplannen is er het volgende :
VBVV : het nieuwe beheersplan is in aantocht.
DVZ : het huidige plan wordt geactualiseerd, maar ze zijn slechts berekend op honderd aanvragen/dag.
| De rapporteurs, | De voorzitster, |
| Jean CORNIL. Marie NAGY. Paul WILLE. |
Anne-Marie LIZIN. |
(1) Voorstellen Vanderbiest-Detiège (1989-1990).
(2) Voorstellen Willockx (1993-1994).
(3) Volgens dit artikel bestaat er voor een Staat een wettelijke verplichting in te staan voor de opvang van personen die zoeken naar internationale bescherming en die in hun eigen land niet kunnen vinden.