2-161 | 2-161 |
De heer Michiel Maertens (AGALEV), rapporteur. - Het verdrag inzake de bescherming van het marien milieu van de Noordoostelijke Atlantische Oceaan, het Verdrag van Parijs of het OSPAR-Verdrag genoemd, legt aan België de verplichting op om "alle mogelijke maatregelen te treffen om de maritieme zone te schermen tegen de nadelige gevolgen van de menselijke bedrijvigheid met de bedoeling de gezondheid van de mens te vrijwaren en de mariene ecosystemen te behouden en om, indien haalbaar, de mariene gebieden die nadelig beïnvloed werden, te herstellen."
Dit verdrag omvat drie sectorale bijlagen en is op 25 maart 1998 in werking getreden. België behoort tot de zestien verdragsluitende partijen. Als gevolg daarvan werd in de vorige legislatuur de wet op het mariene milieu van staatssecretaris Peeters goedgekeurd.
Het bleek al vlug noodzakelijk om de bevoegdheden van het OSPAR-Verdrag aan te vullen en het een wettelijke basis te geven zodat "programma's en maatregelen", beslissingen of aanbevelingen konden worden aangenomen die het behoud en het duurzaam gebruik van de biologische diversiteit in de maritieme zone van het Verdrag verzekeren.
Bovendien ontstond, overeenkomstig artikel 2, de behoefte te stellen dat de menselijke activiteiten die schade kunnen toebrengen aan het mariene milieu - ik verwijs in dat verband naar de vraag van de heer Ramoudt over de windmolens van vanmiddag - waarvoor krachtens het OSPAR-Verdrag initiatieven kunnen worden genomen, zich niet beperken tot de activiteiten die in de Bijlagen I, II en III van het Verdrag zijn vermeld.
Dat is de doelstelling van de nieuwe Bijlage V en van het nieuwe aanhangsel 3 die in Portugal op 23 juli 1998 zijn goedgekeurd. Beide teksten zullen in werking treden wanneer ze door ten minste zeven Verdragsluitende Partijen zijn geratificeerd. De ratificatie door België is bijgevolg van het grootste belang voor de kwaliteit van onze Noordzee en, in een bredere context, voor het behoud van de mariene ecosystemen.
-De algemene bespreking is gesloten.