(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
In het kader van de oprichting van een Europees leger wordt meer en meer gepleit voor de rationalisatie en herstructurering van de Europese defensie-industrie om zo de concurrentie met de Amerikanen aan te kunnen. Zo telt de EU bijvoorbeeld twaalf producten van raketten tegenover slechts drie in de VS. Een grotere Europese samenwerking op het vlak van onderzoek en ontwikkeling, productie en aan- en verkoop van militaire uitrusting is evenwel niet zo evident : de defensie-industrie werd lange tijd beschouwd als een essentiële schakel van de nationale veiligheid en om die reden als uitzondering behandeld op de meeste Europese regels van een eengemaakte markt. Artikel 223 van het Verdrag van Rome maakt voor wapenproducenten een uitzondering op het vlak van concurrentie, aanbestedingsprocedures en fusies en geeft aan elke Staat het recht om de eigen defensie-industrie te beschermen. Zo is ook in ons land de overheid nog steeds een belangrijke aandeelhouder vanuit de logica dat wapenproductie ook met nationale belangen te maken heeft.
Daarom kreeg ik van de geachte minister graag een omstandig antwoord op volgende vragen :
1. In welke bedrijven van het militair-industrieel complex participeert de Belgische overheid rechtstreeks of onrechtstreeks en sinds wanneer ? Welke is de omvang van ieder van deze participaties zowel in nominale als in reële waarde ? Welke meerwaarden hebben deze participaties gedurende de laatste tien jaar opgeleverd voor de Belgische overheid ? Welk rechtstreeks dan wel onrechtstreeks terugverdieneffect was er voor de Belgische Staat ingevolge de eigen overheidsbestellingen aan deze bedrijven ?
2. Is het behoud van deze participaties gezien de zich wijzigende context nog langer opportuun ? Zo ja, om welke redenen ? Vormen zij geen hinderpaal in een versnelde rationalisatie van de Europese defensie-industrie ? Zo neen, om welke redenen ? Zo ja, welke stappen wenst hij te ondernemen om deze obstakels te elimineren of te minimaliseren ?
3. Is een wijziging van artikel 223 van het Verdrag van Rome niet wenselijk in de huidige omstandigheden ? Zo neen, om welke redenen ? Zo ja, welke stappen wenst hij hiervoor te ondernemen ?
Antwoord : Ik kan het geachte lid meedelen dat de federale overheid geen participaties bezit in bedrijven die tot de sector van de defensie-industrie behoren.
Wat zijn derde vraag betreft kan het geachte lid zich richten tot de minister van Defensie.