2-140 | 2-140 |
De heer Paul Wille (VLD). - Op het eerste gezicht is mijn vraag om uitleg vrij technisch, maar eigenlijk is ze bijzonder eenvoudig.
Senatoren die bij de lokale besturen nauw betrokken zijn, weten dat tot vandaag het systeem van kracht is waarbij steden en gemeenten geen BTW betalen wanneer het gaat over het verwijderen en ophalen van huishoudelijke of daarmee gelijkgestelde afvalstoffen, op voorwaarde dat ze deze activiteiten doen in eigen beheer of in het kader van een intercommunale in afzonderlijk beheer.
Het gaat om een niet onaanzienlijk financieel voordeel, maar de vraag is of dat voordeel in de huidige Europese en Belgische context voor het bestuur en voor de burger nog wel opweegt tegen de nadelen.
Openbare besturen die de inzameling en verwerking van afval uitbesteden aan de particuliere sector, moeten daarop een BTW-heffing betalen, die voor hen niet-recupereerbaar is. Het komt erop neer dat die ten laste valt van de gemeente zelf of van de burgers.
De openbare besturen kunnen de BTW die zij moeten betalen voor hun kapitaalintensieve investeringen op het vlak van afvalinzameling - bijvoorbeeld voor afvalperswagens, weegbruggen, enzovoort - en op het vlak van afvalverwerking - bijvoorbeeld voor verbrandingsovens, composteerinstallaties, enzovoort - niet recupereren bij de huishoudelijke afvalproducenten, zolang deze laatsten in het gemeentelijk of intercommunaal afvalbeheer moeten bijdragen door betaling van belastingen of retributies. Daardoor dient de BTW op investeringen fiscaal of parafiscaal te worden verhaald op de burger in plaats van aftrekbaar te zijn op de bedrijfsvoering.
De toenemende internationalisering van het afvalbeheer brengt belangrijke wijzigingen mee.
De openbare initiatieven belanden op indirecte maar niettemin ingrijpende wijze in het normale BTW-regime naarmate steeds meer een beroep wordt gedaan op derden.
De kernvraag is of het huishoudelijk afvalbeheer verder in een publiek-economisch kader van fiscaliteit, in het bijzonder de BTW, van subsidies, milieuheffingen en retributies moet worden ontplooid en zich van daaruit concurrentieel moet opstellen op Europees vlak, dan wel of het, zoals andere nutsvoorzieningen, moet worden geliberaliseerd. Daarbij moet worden vooropgesteld dat de overheid op alle aangewezen bestuursniveaus reguleert, controleert en waar nodig bijstuurt, maar daarbij financieel neutraal blijft.
Vermeldenswaardig is het Diftarsysteem, waarop ik nu niet dieper zal ingaan.
Kan er vooralsnog beweerd worden dat de toepassing van een gedifferentieerde tarificatie, waarbij het individuele afvalaanbod slechts wordt ingezameld of verwijderd tegen betaling van een vooropgesteld tarief, geen dienstverlening is onder bezwarende titel en derhalve naar Europees en nationaal recht niet moet worden onderworpen aan de omzetbelasting, in het geval de genoemde dienst en de betaling gebaseerd worden op een rechtsbetrekking tussen de dienstverlener en de afvalproducent en waarbij deze laatste in het kader van over en weer geleverde prestaties een vergoeding aan de dienstverlener betaalt, die de tegenwaarde vormt van de aan hem geleverde diensten?
Zijn er in de voormelde context waarbij van gemeentelijke zijde steeds meer wordt gestreefd naar een verregaande gedifferentieerde tarificatie voor het huishoudelijk afvalbeheer en waarbij zij streven naar een geïndividualiseerde organisatie van deze nutsvoorziening, analoog aan deze voor energie- en watervoorziening, nog objectieve redenen voorhanden die een toepassing zouden kunnen verhinderen van het K.B. nr. 26 met betrekking tot het onderwerpen van de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde waarde op de gemeentelijke inzameling en verwerking van huishoudelijke afvalstoffen?
Kan in de Europees-rechtelijke context en conform artikel 6, tweede lid W. BTW de individuele afrekening van het huishoudelijk afvalbeheer op het niveau van bestuur en burger nog buiten het BTW-regime vallen?
Moet daarentegen de gemeente, de intercommunale of de concessiehouder worden aangezien als BTW-plichtige om op het vlak van het lokale afvalbeheer ernstige concurrentieverstoring te voorkomen?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - De heer Wille vraagt blijkbaar een herziening van het BTW-statuut van gemeenten en intercommunales met betrekking tot de inzameling, verwerking en meer in het algemeen tot het beheer van huishoudelijk afval. Hij wijst in dat verband op de "vrij revolutionaire ontwikkeling op de nationale en internationale afvalmarkten".
We kunnen het BTW-statuut van gemeenten en intercommunales in deze materie niet grondig bespreken ter gelegenheid van een vraag om uitleg. Het vereist een voorafgaande diepgaande studie. Ik stel de heer Wille derhalve voor rechtstreeks contact op te nemen met de BTW-administratie. Ik kan een eerste contact organiseren. Het is alleszins niet mijn bedoeling om dat statuut nu te wijzigen. Ik ben wel bereid een studie te vragen over de verschillende aspecten op het nationale en Europese vlak waarmee rekening moet worden gehouden.
Er rijst nog een ander probleem bij het BTW-statuut van de gemeenten, intercommunales en misschien ook de gewesten. In de eerste maanden van 2001 kregen sommige belastingplichtigen in relatie met gemeenten, intercommunales en gewesten meer en meer BTW-terugstortingen. Ik heb een nationaal onderzoek gevraagd naar enkele specifieke mechanismen en eventuele fraudes en ik hoop dat ik de reglementering en de wetgeving op basis van die studie zal kunnen aanpassen. Ik sluit een nieuw statuut in dat geval niet uit. Ik heb altijd gezegd dat we meer aandacht moeten hebben voor een verlaging van de BTW-tarieven voor sommige zaken en voor nieuwe BTW-statuten voor sommige belastingplichtigen.
De heer Paul Wille (VLD). - Ik wens met mijn vraag alleen de concurrentievervalsing tegen te gaan. Het is zeker niet de bedoeling nieuwe fiscale inkomsten te zoeken, integendeel. We zouden onze tarieven tot op het Europese niveau kunnen verlagen. Ik zal samen met de administratie onderzoeken of we ook niet kunnen evolueren naar een nultarief teneinde de bestaande fiscale ongelijkheid weg te werken. Dat is mijn grootste bezorgdheid.
-L'incident est clos.