2-137

2-137

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 12 JUILLET 2001 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Question orale de M. Didier Ramoudt au ministre de la Justice sur «la nouvelle loi sur les jeux de hasard» (n° 2-687)

De heer Didier Ramoudt (VLD). - De nieuwe wet op de kansspelen dreigt tijdens ons EU-voorzitterschap voor een eerste rel te zorgen. Ons land kreeg vorige week een officiële opmerking van de Nederlandse regering die zich afvraagt of de wet niet in strijd is met het vrije handelsverkeer. Zowel de uitbaters van lunaparken en recent nog de controlerende verantwoordelijke bij de kansspelcommissie blijven vragen dat de inwerkingtreding van de wet met zes maanden wordt uitgesteld.

Het lijkt erop dat de verzuchtingen van de sector niet ernstig worden genomen en nu worden de uitbaters nog door de Nederlandse regering bijgevallen. Aangezien het om technische aanpassingen gaat, moet de Europese Commissie ingelicht worden, die op haar beurt het groen licht moet geven.

Tal van ondernemers moesten hun bedrijf sluiten. De gevolgen zijn een paar duizend extra werklozen, meer clandestiene spelen en minder inkomsten voor de Belgische schatkist en voor de Vlaamse schatkist. Het wegnemen van de slots betekent een aderlating van meer dan 1,7 miljard voor de Vlaamse schatkist.

Van de minister wil ik graag vernemen of er contacten geweest zijn met de Europese Commissie. Waarom wachtte de minister het advies niet af van de Commissie? Dat had ons een rel met de Nederlandse regering kunnen besparen. Waarom volgde de minister het advies van de kansspelcommissie niet?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Op de eerste vraag van collega Ramoudt heb ik eigenlijk een totaal ander antwoord dan wat nogal vaak gesuggereerd wordt. Overeenkomstig de richtlijn 98/34/EG heb ik het ontwerp van besluit betreffende de technische voorschriften die gelden voor de kansspelen aan de Europese overheden bezorgd.

Naar aanleiding daarvan, heeft alleen de Nederlandse overheid overeenkomstig artikel 8, de opmerking gemaakt dat België de termijn voor de inwerkingtreding ervan zou moeten verlengen. De reden laat zich raden: er zijn immers heel wat Nederlandse firma's die op de Europese markt de hand hebben in de sector van de kansspelen. De Europese Commissie heeft ons land op 9 april 2001 kennis gegeven van die opmerking.

De Commissie heeft daarover zelf geen standpunt ingenomen, maar beperkte zich ertoe de opmerking van Nederland door te sturen. Op mijn beurt heb ik de Kansspelcommissie onmiddellijk van die opmerking in kennis gesteld.

Op 25 april 2001 heeft de Kansspelcommissie mij een brief gestuurd waarin zij een voorstel deed om de verlenging van de overgangsmaatregelen in overweging te nemen. Ze steunde zich daarbij niet op de Nederlandse opmerking, maar wel op een ander motief, namelijk "dat de periode van zes maanden om het aantal toestellen en de uitgebate toestellen in overeenstemming te brengen niet zou volstaan en zou moeten worden verlengd tot 31 december, zodat de fiscale belastingen die zijn betaald, volledig zouden worden opgebruikt en de dienst metrologie de mogelijkheid zou worden geboden om de homologatieprocedure volledig uit te werken". M. a.w. men baseert zich niet op het Nederlandse motief, maar wel op twee andere zaken: een fiscale overweging en een overweging die betrekking heeft op de metrologie.

Ik heb de opmerkingen van de Nederlandse overheden en van het advies van de Kansspelcommissie over de eventuele verlenging van de overgangsmaatregelen voorgelegd aan de Ministerraad van 11 juni 2001. De regering heeft beslist dat er geen redenen waren om de overgangsmaatregelen te verlengen. Ze kon het advies van de Kansspelcommissie niet volgen omdat het niet terzake deed en zelfs juridisch fout was.

Ten eerste zijn de belastingen waarop werd gealludeerd opgelegd door de Gemeenschappen. Ten tweede heeft het Hof van Cassatie in zijn arrest van 26 mei 1978 gesteld dat de vergoeding is verschuldigd eens een burgerlijk jaar is aangevat. Ten derde wisten met name de uitbaters van de lunaparken met volle kennis van zaken dat ze zich vóór 30 juni 2001 in regel moesten stellen. Wie toch het risico heeft genomen om te starten, wist dat de termijn beperkt was. Ze hebben waarschijnlijk op een tweede verlenging gespeculeerd. De uitbaters van herbergen daarentegen hebben zich zonder enige overgangsmaatregel per 1 januari 2001 in regel moeten stellen.

Bovendien was de regering van oordeel dat het aspect metrologie niet relevant is aangezien de besluiten inzake de homologatie en de controle op de toestellen en dat houdende vaststelling van de technische voorschriften nog niet zijn bekendgemaakt en bijgevolg niet van toepassing zijn. Het is trouwens niet duidelijk op welke wijze de verlenging van de overgangsmaatregelen, die enkel betrekking heeft op het aantal en op het type van de gedoogde spelen, zou kunnen tegemoet komen aan de doelstelling omschreven door de Kansspelcommissie.

Ik meen dan ook dat de regering een correct standpunt heeft ingenomen dat niet tot problemen op Europees vlak zal leiden.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Blijkbaar heeft de Kansspelcommissie verkeerd gegokt. Haar advies was slecht onderbouwd en ze heeft er geen rekening mee gehouden dat de Europese Commissie op de hoogte moest worden gebracht. Ook heb ik begrepen dat de Europese Commissie tot op heden geen standpunt heeft ingenomen.