Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-35

ZITTING 2000-2001

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Landbouw en Middenstand (Landbouw)

Vraag nr. 1174 van de heer Maertens van 23 februari 2001 (N.) :
Marien wetenschappelijk onderzoek. ­ Coördinatie.

Meer dan 350 wetenschappers zijn afzonderlijk actief in onze territoriale wateren. Deze zijn verdeeld over verschillende departementen en wetenschappelijke onderzoeksinstituten, zowel onder federale als onder regionale bevoegdheid. De meeste van hun databases zijn nochtans niet met elkaar verbonden, zodat het wetenschappelijk onderzoek daardoor van belangrijke gegevens verstoken blijft, en de overheidsbudgetten daardoor nutteloos worden bewaard.

Enkele jaren geleden werd ook het VLIZ (Vlaams Instituut voor de zee) opgericht dat onder meer taken waarneemt die door andere instituten, onder meer het departement voor Zeevisserij te Oostende, worden uitgeoefend en zelfs op enkele tientallen meters daarvan werd gelocaliseerd. Het VLIZ heeft zelfs als opdracht een coördinerende taak te vervullen. In het kader van het principe « beheer als een goede huisvader » van de overheidsbudgetten dringt een algemeen samenwerkingsprotocol zich dan ook op zowel wat betreft de databases als de infrastructuren, het personeel, de opdrachten van de minister, enz.

Graag had ik dan ook van de geachte minister vernomen :

1. of zijn departement van deze problematiek op de hoogte is, en zo ja, welke voorstellen hij reeds op welk niveau heeft gedaan, en welke de eventuele resultaten daarvan waren ?

2. in hoeverre hij met mij akkoord kan gaan dat een uitgebreid « samenwerkingsprotocol » een vruchtbare oplossing kan bieden voor deze problematiek, en welke beleidsopties hij in dit opzicht heeft uitgewerkt, of wenst uit te werken ?

3. welke de concrete ervaringen zijn die hij nu reeds in dit opzicht heeft opgedaan en welke conclusies daaruit werden getrokken.

Antwoord : 1. Op vraag van het VLIZ werd het DvZ ­ Departement voor Zeevisserij (CLO-Gent) begin 2000, lid van zijn « Wetenschappelijke Commissie ». Deze commissie ondersteunt het VLIZ in het formuleren van wetenschappelijke adviezen, maar heeft uiteraard geen bestuursopdracht. Sedert de start ervan heeft telkens een wetenschapper van het DvZ aan deze vergaderingen deelgenomen.

Verder is het DvZ betrokken geweest bij de voorstellen van aanpassingswerken en ombouw van het onderzoekingsschip « Zeeleeuw ». Bovendien werd dit jaar door het DvZ een eerste proefreis aan boord van de « Zeeleeuw » uitgevoerd om de haalbaarheid uit te testen van het nemen van macrobenthos-stalen.

2 en 3. Een samenwerkingsprotocol is immers dringend noodzakelijk. De structurele samenwerking kan bijvoorbeeld via de wetenschappelijke commissie worden geregeld. Het komt er daarbij zeker op aan dat dergelijke samenwerking kan gebeuren in een sfeer van wederzijds begrip en respect zodat een energie- en middelenverslindende competitie kan vermeden worden. Hiertoe zijn duidelijke afspraken inzake taak- en bevoegdheidsverdeling noodzakelijk. Het is immers zo dat de statuten en het bijhorende beleidsplan van het VLIZ zeer omvangrijk zijn en bovendien ruim kunnen opgevat worden. Dit kan dus leiden tot ongewenste overlappingen.

Activiteiten die specifiek gericht zijn op kernprojecten van het zeevisserijonderzoek (kwaliteit, techniek, biologie en contaminatie) dienen ­ zoals in het verleden ­ voortgezet te worden door het CLO-DvZ. Het hoog wetenschappelijk peil en de jarenlange internationale uitstraling van het DvZ worden alom onderschreven en het is uiteraard de bedoeling om het wetenschappelijk eigendom van het DvZ, onder de vorm van diverse databanken van meer dan 30 jaar (visserijtechnieken, monitoring van loswallen van baggerspecie, monitoring van zandexploitatie, biologische bemonstering, kwaliteitsproeven), voort te zetten. Het bijdragen tot het tot stand komen van adviezen inzake beheer van aquatische ecosystemen in de Noordzee en aangrenzende delen van de Noordoost Atlantische Oceaan blijft elementaire materie voor het DvZ. Dit impliceert de adviezen voor het TAC- en quotabeleid voor ruim honderd verschillende vis- en schaaldierenbestanden, voor het zeemilieubeleid en de kwaliteitsnormen.

Maar, in de zich voordoende omstandigheden lijkt me aangewezen rekening te houden met de regionalisering van sommige bevoegdheden vooraleer over te gaan tot een definitieve samenwerking en (of) samenvoeging van de betrokken instellingen.