2-565/2

2-565/2

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

3 JULI 2001


Het regeringsbeleid met betrekking tot de immigratie. ­ Voortgangsrapport


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN EN VOOR DE ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEER CORNIL, MEVROUW NAGY EN DE HEER WILLE


DEEL 2


VI. AANBEVELINGEN

I. Algemene beschouwingen

Inleiding

Deze aanbevelingen hebben betrekking op zowel de verschillende vormen van immigratie als op de beheersing van de gevolgen ervan. De commissie erkent de multidimensionaliteit van het migratievraagstuk en doet bijgevolg aanbevelingen die op deze verschillende dimensies betrekking hebben. In de hiernavolgende tekst is er aandacht voor economische migratie, arbeidsmigratie, migratie om humanitaire redenen, mensenhandel en maatschappelijke integratie. De aanbevelingen betreffen het Europese en het nationale niveau.

Het is echter een illusie te denken dat een goed migratiebeleid een afdoend middel zou zijn om de druk op de asielprocedure te verlichten.

Aanbeveling 1

De commissie Binnenlandse Zaken vindt dat het asiel- en migratiebeleid voornamelijk op Europees niveau moet aangepakt worden. De commissie Binnenlandse Zaken roept de Unie en haar lidstaten op een beleid van gelijke kansen te voeren dat armoede en sociale uitbuiting bestrijdt.

Aanbeveling 2

Volgens de commissie Binnenlandse Zaken vereist een goed functionerend Europees asiel- en migratiebeleid dat beslissingen in deze materie in de huidige institutionele context, worden genomen met een gekwalificeerde meerderheid in de Raad. Bovendien spoort de commissie Binnenlandse Zaken de Europese Commissie en de lidstaten van de Unie aan om in het kader van de verwezenlijking van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid zo snel mogelijk de verdragsrechtelijk opgelegde maatregelen te nemen inzake asiel en migratie.

Tot slot moet bij de uitbreiding van de Europese Unie de overgangsperiode voor de openstelling van de arbeidsmarkten zoveel als mogelijk worden ingekort.

Aanbeveling 3

De commissie wenst een duidelijk onderscheid te maken tussen immigratie in de brede zin van het woord en immigratie om economische en professionele redenen. Zij wenst dat de regering de sociale partners hierover jaarlijks raadpleegt via de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid en de Nationale Arbeidsraad.

II. Het migratiebeleid

Aanbeveling 4

De lidstaten van de Europese Unie moeten dringend richtlijnen uitvaardigen om een gezamenlijk migratiebeleid op Europees niveau uit te werken. De commissie Binnenlandse Zaken is vragende partij voor een Europees debat over een gecontroleerde migratie, maar vindt dat de discussie over het al dan niet toelaten van economische migranten op een voorzichtige wijze gevoerd moet worden.

De commissie wil dat de potentiële landen van bestemming duidelijk maken omwille van welke economische en sociale redenen de immigratie noodzakelijk is. Er moet zowel aandacht zijn voor als duidelijke afspraken gemaakt worden met de landen van herkomst om braindrain te voorkomen.

Het huidige migratiebeleid heeft nood aan verdieping gelet op de toekomstige uitdagingen. De regering moet haar beleid aanpassen zonder te vallen in een van volgende extremen, het nuloptiebeleid en de opening van de grenzen zonder meer.

Verschillende systemen zijn mogelijk om dat doel te bereiken, onder meer selectieve immigratie, immigratie met quota, of een systeem met green cards.

Vanaf nu staat een versoepeling van de voorwaarden voor de afgifte van arbeids- en verblijfsvergunningen voor buitenlandse werknemers ter discussie.

Inzake de hooggeschoolde arbeidsmigranten moet de bestaande wetgeving punctueel versoepeld worden. Voor lagere kwalificaties wordt een lijst van knelpuntberoepen aangelegd waarvoor de aanvraag tot arbeidskaart in principe automatisch wordt toegekend. De uitvoering dient eveneens versneld te worden.

Om haar doelstellingen inzake immigratie vast te stellen, moet de regering de studies laten uitvoeren aangaande de demografische en industriële behoeften.

De statistieken omtrent de vreemdelingenbevolking in België moeten dringend verbeterd worden. Zowel de snelheid waarmee ze beschikbaar zijn als de kwaliteit ervan dienen verbeterd te worden. Men dient immers uit deze statistieken te kunnen bepalen welke migratiestromen er zijn en welke bevolkingsgroepen het land binnenkomen. Tevens dient deze informatie op Europees niveau verzameld te worden.

Het waarnemingscentrum voor migraties waarvan het beheer aan het Centrum voor gelijke kansen is opgedragen moet operationeel worden.

Hiervoor moeten voldoende mensen en middelen voorzien worden opdat het centrum echt operationeel kan worden.

De commissie beveelt de regering aan om een nieuwe weg te creëren, in samenspraak met de gemeenschappen en de gewesten, voor een wettelijk kader te scheppen voor de organisatie van ­ op basis van criteria met betrekking tot de situatie van het individu in zijn land van herkomst.

Zo zal een contingent worden gevormd door de afweging van humanitaire, sociale en economische criteria. Dit mechanisme moet op Europees vlak worden geharmoniseerd met inachtneming van de specifieke situatie van elke lidstaat. De migratie mag niet afhankelijk worden gemaakt van het bezit van een arbeidsovereenkomst en moet gedurende zes maanden toegang bieden tot onderwijs en opleiding, tot hulp bij het zoeken naar werk en naar een woning en tot taalonderricht. Het huidige systeem van individuele immigratie om professionele redenen moet worden verbeterd : een machtiging tot verblijf van lange duur moet gelijk staan met een arbeidsvergunning.

De commissie meent dat bij het verlenen van een verblijfsvergunning ook onmiddellijk een arbeidsvergunning kan worden afgeleverd, voor de maximale duur van de verblijfsvergunning.

De commissie meent dat selectieve en progressieve migratie van arbeidskrachten moet worden bevorderd maar dan op basis van precieze criteria zoals het gebrek aan personeel in bepaalde beroepstakken ondanks investeringen in de opleiding die elk jaar door de sociale partners en de regering worden vastgesteld.

Aanbeveling 5

Nieuwe arbeidsmigratie mag er niet toe leiden dat wordt afgezien van bijkomende inspanningen voor het hier aanwezige werkloze potentieel, inzonderheid de allochtonen. Inspanningen moeten worden geleverd met betrekking tot opleiding, strijd tegen discriminatie op de werkvloer en verbetering van de arbeids- en loonvoorwaarden om de aantrekkelijkheid van bepaalde vacante betrekkingen te verhogen.

Aanbeveling 6

Gelet op de grote inter- en subregionale verschillen pleit de commissie voor meer acties om de mobiliteit van de werkzoekende over verschillende grenzen (taal-, provincie-, arrondissements-) heen te verbeteren en bevorderen. Inzonderheid VDAB, FOREM en BGDA dragen een belangrijke verantwoordelijkheid.

Aanbeveling 7

De commissie Binnenlandse Zaken verwijst naar het verslag van de subcommissie « Mensenhandel » dat wil dat de mensenhandel, mensensmokkel en de uitbuiting van migranten met veel meer kracht bestreden moet worden. Ze pleit hierbij voor een geïntegreerde aanpak. Het krachtig aanpakken van de mensenhandel is een prioriteit in de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

Om deze misdaadvorm effectiever te kunnen bekampen, moeten drastisch meer instrumenten voorzien worden, waaronder een verduidelijking van het statuut van personen die zich ongedwongen prostitueren.

Aanbeveling 8

De Europese Unie moet zorgen voor een democratisch en institutioneel kader waarbinnen Europol een operationele opdracht krijgt in het kader van gemeenschappelijke teams met de lidstaten om actief op te treden tegen de handel in mensen, en dit in overleg met Eurojust. Een interne en externe controle van Europol dient te worden georganiseerd teneinde in de toekomst de vastgestelde misbruiken te vermijden.

III. Een asielbeleid

A. Europees luik

Aanbeveling 9

De commissie Binnenlandse Zaken beschouwt het recht op asiel als een elementair recht van de persoon. Het begrip vluchteling, moet binnen alle EU-lidstaten dezelfde betekenis krijgen. Er moet gezocht worden naar een uniforme en maximale toepassing van de Conventie van Genève.

Met toepassing van de besluiten van Tampere behoort het een gemeenschappelijk Europees asielstelsel in te voegen, gebaseerd op de integrale en onverkorte toepassing van het Verdrag van Genève zodat niemand wordt teruggezonden naar een land waar hij opnieuw vervolgd kan worden.

Aanbeveling 10

De commissie Binnenlandse Zaken is van mening dat de Europese Unie ook een gemeenschappelijke, eenvoudige en snelle procedure moet vastleggen voor de behandeling van asielaanvragen. De commissie Binnenlandse Zaken is in dat verband voorstander van de « éénloketprocedure » met een beroepsmogelijkheid. Hierdoor wordt het onderzoek van alle mensen die in de Unie bescherming vragen ondergebracht bij een Europees asielagentschap met aanmeldpunten in de lidstaten gelegen aan de buitengrenzen van de Unie. Asielzoekers kunnen alleen op die plaatsen een verzoek indienen volgens uniforme normen. De commissie Binnenlandse Zaken wil niet dat er geraakt wordt aan het principe van de Conventie van Dublin om de asielprocedure af te handelen in de lidstaat van eerste aankomst. Voor een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin dient snel de Eurodac-overeenkomst voor de vergelijking van vingerafdrukken in werking te treden.

Aanbeveling 11

Voor erkende vluchtelingen of mensen die in een tijdelijk beschermingsstatuut zijn geplaatst moeten de lidstaten van de EU gezamenlijk een politiek uitwerken die erop gericht is de opvang van de vluchtelingen billijk over de lidstaten van de EU te spreiden. De commissie Binnenlandse Zaken pleit voor een goed evenwicht tussen de werkelijke spreiding van de erkende vluchtelingen enerzijds en een spreiding van de financiële lasten anderzijds.

Aanbeveling 12

De commissie Binnenlandse Zaken wil dat de Europese Unie een buitenlands beleid voert dat voorkomt dat mensen uit hun land moeten vluchten. Zij moet dat doen door middel van conflictpreventie, door een gezamenlijk diplomatiek optreden dat een uiting is van een Europees buitenlands beleid en indien nodig door gezamenlijk militair optreden dat een conflict verhindert of beëindigt.

De commissie Binnenlandse Zaken wil dat de Europese Unie haar actiemogelijkheden uitbreidt om indien nodig toch mensen op te vangen en noodhulp zo dicht mogelijk bij het thuisland aan te bieden.

Een expertise van een organisatie als UNHCR kan hierbij aangewend worden.

De commissie vraagt de regering om heropnemingsakkoorden te sluiten, vergezeld van een ontwikkelingsprogramma dat bij voorkeur wordt uitgewerkt samen met de Internationale Organisatie voor migratie (IOM).

Zulke initiatieven moeten gesteund worden door de Europese Bank voor wederopbouw en ontwikkling (EBWO).

Die akkoorden moeten bij voorkeur worden gesloten met de transitlanden, bijvoorbeeld met Kirgizstan.

Aanbeveling 13

Een Europees asiel- en migratiebeleid zoals hieronder door de commissie Binnenlandse Zaken uitgetekend, impliceert een versterkte controle van de buitengrenzen van de Unie. Alle lidstaten moeten naar verhouding bijdragen in de kosten van de versterkte controle aan de buitengrenzen.

Algemeen kan worden gesteld dat wanneer ontradend beheer niet werkt het beginsel van de solidariteit tussen de lidstaten van de Europese Unie moet worden toegepast.

Naar aanleiding van het vijftigjarige bestaan van het Verdrag van Genève, vraagt de commissie voor de Binnenlandse Zaken de regering om haar absolute steun aan dit verdrag te bevestigen en een ruime toepassing ervan te verdedigen met name ten gunste van wie worden vervolgd vanwege hun seksuele voorkeur of die het slachtoffer zijn van geweld wegens hun geslacht.

Aanbeveling 14

In dit Europese kader verdient het aanbeveling om elementen zoals een gegronde vrees voor genitale verminking, voor verkrachting gebruikt als oorlogswapen en voor een gedwongen huwelijk in aanmerking te nemen als grond voor erkenning als vluchteling.

B. Federale luik

Aanbeveling 15

De commissie nodigt de regering uit om onverwijld een wetsontwerp voor te leggen over de nieuwe asielprocedure. De verkorting van de procedure mag niet leiden tot een vermindering van de kwaliteit inzake behandeling van dossiers.

Naast het wetsontwerp dient er ook een plan om de achterstand weg te werken opgesteld te worden.

De regering moet ook de grote lijnen van haar migratiebeleid afbakenen, met uitsluiting van de nuloptie inzake immigratie.

Aanbeveling 16

Hervorming van het beheer van de Dienst Vreemdelingenzaken.

De commissie nodigt de regering uit de Dienst Vreemdelingenzaken volledig te hervormen rekening houdend met de conclusies van het onderzoek en in het bijzonder met de volgende aspecten :

de oorspronkelijke en voortgezette opleiding van alle ambtenaren van de toekomstige federale administratie voor immigratie;

de deconcentratie en de decentralisatie van de diensten;

het samenhangend optreden van de verschillende departementen die betrokken zijn bij de behandeling van een dossier;

de oprichting van een dienst public relations en van een informatiedienst ten behoeve van de vreemdelingen;

de oprichting van een autonome dienst die eventuele klachten in ontvangst neemt;

de toepassing van mechanismen ter ondersteuning van de lokale autoriteiten;

de optimalisering van het computersysteem voor de verwerking van de dossiers en de installatie van een efficiënte telefooncentrale.

De commissie beveelt de regering aan een statuut te verlenen aan de opvangcentra voor asielzoekers door sociale, medische en juridische bijstand te garanderen, door respect te tonen voor de deontologie van de maatschappelijke werkers en door te zorgen voor samenwerking met gemeentelijke overheden en buurtgewoners.

De commissie wenst dat alleenstaande vrouwen die zich beroepen op het statuut van vluchteling, een bijzondere behandeling krijgen die rekening houdt met de bijzondere aard van deze aanvraag.

De commissie vraagt de regering om niet-begeleide minderjarigen een statuut te geven zodat er kan worden voorzien in een bijzondere voogdij waarmee psychologische, sociale en medische bijstand en onderwijs worden gegarandeerd.

De commissie dringt erop aan dat de regering nog vóór het einde van het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie, een statuut van tijdelijke bescherming verleent aan slachtoffers uit landen waar een burgeroorlog woedt of waar een klimaat van geweld heerst.

De commissie wenst ook de invoering van een statuut van tijdelijke individuele bescherming, als aanvulling bij het statuut van vluchteling, gebaseerd op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Aanbeveling 17

De commissie vraagt de regering om de eigen aard van de opvangcentra voor kandidaat-vluchtelingen te eerbiedigen en het personeel, dat tot taak heeft de gasten voorlopig op te vangen, niet in de rol van helper van het gerecht of de politie te duwen.

Voor wat de afgewezen asielzoekers betreft, verdedigt de commissie Binnenlandse Zaken een gezamenlijk Europees beleid van terugkeer naar de landen van herkomst. De vrijwillige terugkeer heeft hierbij de prioriteit. Toch moet ook de gedwongen terugkeer gehandhaafd blijven.

IV. Het integratiebeleid

Aanbeveling 18

De commissie nodigt alle betrokken autoriteiten op alle niveaus uit een plan op te stellen voor steun aan, begeleiding en doorverwijzing van alle nieuwkomers.

Dit plan zou minstens het volgende moeten bevatten :

een overzicht van de medische, psychologische en sociale toestand van elke nieuwkomer;

gedetailleerde voorlichting over de rechten en plichten van de vreemdelingen op ons grondgebied;

het helpen van en het doorverwijzen van elke nieuwkomer naar de geschikte structuren rekening houdend met de medische, sociale, psychologische behoeften en met de nood aan onderwijs en opleiding en met inachtneming van de beroepsbekwaamheid.

De commissie steunt en stimuleert de invoering van specifieke structuren (opvangklassen, gespecialiseerde NGO's, bureaus voor informatie en bijstand ...) ten behoeve van de nieuwkomers.

V. De behandeling van zwakke categorieën vreemdelingen

Aanbeveling 19

De commissie Binnenlandse Zaken vindt dat alle mensen een aantal rechten en vrijheden bezitten die niemand hen kan ontnemen, zoals het recht op culturele eigenheid. Er bestaan geen rechten zonder plichten : integratie impliceert voor de vreemdelingen de noodzaak en de verantwoordelijkheid de taal van de gemeenschap te leren waar zij verblijven, onze democratische waarden te respecteren en zich in het onderwijs en op de arbeidsmarkt te integreren. Van haar kant moet de overheid zorgen voor het nodige aanbod aan inburgering.

Aanbeveling 20

Bijzondere maatregelen voor de zwakkere groepen onder de asielzoekers en vooral voor niet-vergezelde minderjarigen dringen zich op. Programma's voor aangepast onderwijs en taalcursussen tijdens de initiële fase van hun integratie dienen te worden voorzien. Deze specifieke programma's kunnen bijvoorbeeld vrouwen helpen de culturele barrières te doorbreken. Daartoe dient de nodige omkadering en de nodige financiële armslag voorzien te worden.

Het Burgerlijk Wetboek moet worden gewijzigd zodat een ad hoc-voogd kan worden aangewezen voor minderjarige asielzoekers die niet van hun ouders vergezeld zijn. Die ad hoc-voogd neemt de nodige maatregelen met betrekking tot de persoon van de minderjarige zoals de schoolkeuze, eventuele opname in het ziekenhuis, enz.

VI. Internationaal beleid

Aanbeveling 21

De commissie Binnenlandse Zaken pleit voor een internationaal actief beleid om sociale ongelijkheid en armoede te bestrijden, teneinde de structurele oorzaken van de immigratie te bestrijden en dit door, met name ontwikkelingsprogramma's aan te moedigen ten bate van de minst ontwikkelde landen en door de bevordering en het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden te verzekeren.

VII. STEMMINGEN

De aanbevelingen werden eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

Een lid verklaart ontevreden te zijn met het concept dat erin bestaat aanbevelingen te maken, daar waar in diverse domeinen daarin behandeld, men had kunnen een wet maken om het probleem op te lossen. Het is de reden waarom ze zich wil onthouden bij de stemming over het verslag.

Een ander lid betreurt deze houding, vermits daardoor de consensuele besluitvorming wordt doorbroken die steeds werd gehanteerd door de leden van de commissie om dit rapport tot een goed einde te brengen.

De inhoud van het verslag in zijn geheel werd goedgekeurd met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteurs voor het uitbrengen van dit verslag.

De rapporteurs, De voorzitster,
Jean CORNIL.
Marie NAGY.
Paul WILLE.
Anne-Marie LIZIN.