2-680/3

2-680/3

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

19 JUNI 2001


Wetsontwerp tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de Vlaamse Raad, de Waalse Gewestraad en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad

Wetsontwerp tot wijziging van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, met het oog op het neutraliseren van de lijststem en het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers bij de verkiezingen voor het Vlaamse Parlement en de Waalse Gewestraad (nr. 2-193/1)

Wetsvoorstel tot wijziging van de gewone wet van 16 juli 1993 ter vervollediging van de federale staatsstructuur, met het oog op de afschaffing van de devolutieve werking van de lijststem en van de lijsten van kandidaat-opvolgers bij de verkiezingen van het Vlaamse en het Waalse Parlement (nr. 2-294/1)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 12 januari 1989 tot regeling van de wijze waarop de Brusselse Hoofdstedelijke Raad wordt verkozen, met het oog op de afschaffing van de devolutieve werking van de lijststem en van de lijsten van kandidaat-opvolgers (nr. 2-295/1)


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE EN ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW LEDUC

I. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

De minister verklaart dat de twee wetsontwerpen (nrs. 2-679/1 en 2-680/1) samen moeten worden gelezen en dat de voorgestelde hervorming in de lijn ligt van de hervormingen die werden ingevoerd zowel in verband met de verkiezing van de federale Kamers en van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap als in verband met de verkiezing van de provincieraden en de gemeenteraden en het Europees Parlement.

Deze hervorming beoogt een verdieping en een verbetering van de burgerdemocratie, wat trouwens een van de doelstellingen is van het regeerakkoord. De burger zal beter kunnen bepalen wie hem zal vertegenwoordigen. De nieuwe weging van de lijststem zal bovendien bijdragen tot een betere vertegenwoordiging van vrouwen op het politieke forum, aangezien een stem op een vrouw ook zwaarder zal doorwegen.

Die maatregel strekt er eveneens toe een mentaliteitswijziging tot stand te brengen en de burger ertoe aan te zetten zich meer te interesseren voor de politiek.

De aan de commissie ter bespreking voorgelegde ontwerpen strekken ertoe die hervorming nu ook concreet gestalte te geven voor de verkiezing van de gewestraden. Aangezien zowel de bijzondere wetten (bijzondere wet van 8 augustus 1980 en bijzondere wet van 12 januari 1989) als de gewone wetten (wetten betreffende de verkiezing van de gewestraden) moeten worden gewijzigd, is een optreden van zowel de bijzondere wetgever als de gewone wetgever vereist.

Het wetsontwerp betreft de verkiezing van de Vlaamse Raad, de Waalse Gewestraad en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad.

Dit ontwerp wijzigt twee kieswetten tot regeling van de wijze waarop de gewestraden verkozen worden, namelijk :

a) de gewone wet van 12 januari 1989 tot regeling van de wijze waarop de Brusselse Hoofdstedelijke Raad wordt verkozen;

b) boek I van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur.

Het voorziet in nadere regels die vergelijkbaar zijn met die waarin de wet voorziet tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen voor de verkiezing van de federale Wetgevende Kamers, het Europees Parlement, de Raad van de Duitstalige Gemeenschap en van de provincie- en gemeenteraden.

De voorgestelde wijzigingen vullen de wijzigingen aan die het ontwerp van bijzondere wet heeft aangebracht.

Zo strekt het ontwerp ertoe om ­ als gevolg van de afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers ­ de volgende punten aan te passen :

­ de door de wet-Smet-Tobback van 24 mei 1994 ingestelde regel ter bevordering van een evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen op de kandidatenlijsten voor de verkiezingen;

­ de wetgeving betreffende de wijze waarop men bij verkiezingen geldig zijn stem kan uitbrengen;

­ de onderrichtingen aan de kiezer om geldig zijn stem uit te brengen;

­ het stembiljetmodel;

­ de wetgeving met betrekking tot de beperking van en de controle op de verkiezingsuitgaven die bij verkiezingen van de gewestraden worden gedaan.

Tot slot wenst de minister te beklemtonen dat beide ontwerpen geen enkele verrassing inhouden : het onderscheid tussen de bijzondere en de gewone wet vindt immers zijn oorprong in de jurisprudentie van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Bovendien liggen voormelde ontwerpen perfect in de lijn van de reeds wet geworden teksten met betrekking tot de verkiezing van de Wetgevende Kamers, de Raad van de Duitstalige Gemeenschap, de gemeente- en provincieraden en het Europees Parlement.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE INDIENERS VAN DE TOEGEVOEGDE WETSVOORSTELLEN

a) Inleidende uiteenzetting door de heer Van Quickenborne over zijn wetsvoorstel nr. 2-193/1

De heer Van Quickenborne verwijst naar het standpunt van de regering dat thans werd aangenomen. Hij heeft inderdaad een wetsvoorstel ingediend dat samenhangt met andere wetvoorstellen betreffende de neutralisering van de lijststem. Dit wetsvoorstel is een overname van een voorstel dat in de vorige legislatuur werd ingediend door de VLD. Het wetsontwerp van de regering is uiteraard al een goede stap, in die mate dat het de halvering van de devolutieve werking voorziet. Maar die stap is te bescheiden omdat zolang de lijststem bestaat, de greep van de partij te groot blijft en de macht van de kiezer beperkt wordt. Zijn wetsvoorstel komt thans te vervallen aangezien het wetsontwerp van de regering aangenomen zal worden.

Een lid wijst erop dat de VLD in de vorige legislatuur inderdaad hetzelfde wetsvoorstel heeft ingediend en dat zij nog steeds voorstander is van de oplossing die vervat ligt in het voorstel van de heer Van Quickenborne. Maar in een regering moet men kunnen geven en nemen. Aangezien er een regeringscompromis werd afgesloten in verband met huidig onderwerp gaat zij akkoord met het voorgelegde wetsontwerp van de regering.

De minister bevestigt dat het wetsvoorstel van de heer Van Quickenborne ertoe strekt de devolutieve kracht volledig af te schaffen en dat dit in tegenspraak is met het aangenomen wetsontwerp. Hij vraagt dan ook het wetsvoorstel van de heer Van Quickenborne te verwerpen.

b) Inleidende uiteenzetting door de heer Dallemagne over zijn wetsvoorstellen nrs. 2-294/1 en 2-295/1

De heer Dallemagne verduidelijkt dat zijn wetsvoorstellen (stuk Senaat, nr. 2-294/1 en nr. 2-295/1) ertoe strekken de kwaliteit van de democratie te verhogen, opnieuw betekenis te geven aan het algemeen stemrecht en te beantwoorden aan de wens van de burger om opnieuw een actieve rol te spelen in het politieke en democratische leven. Hiertoe beperken zij de invloed van de partijen op de keuze van de mensen die zitting hebben in de assemblees. Momenteel wantrouwt de burger de politiek. Daarom moet er opnieuw naar hem worden geluisterd. De burger moet voelen dat hij nauwer betrokken wordt bij de samenstelling van het Parlement. De regering komt hier al gedeeltelijk aan tegemoet door haar wetsontwerp, waarin zij de devolutieve kracht van de lijststemmen met de helft wil beperken. Zijn eigen voorstel ontneemt de partijen niet alle invloed omdat de partijen nog wel de plaatsen op de lijst mogen blijven bepalen. Als dit voorstel door het wetsontwerp van de regering vervalt, zal hij bij amendement voorstellen de devolutieve kracht van de lijststem volledig af te schaffen.

III. BESPREKING VAN HET ONTWERP NR. 2-680/1

Artikelen 1 tot en met 5

Deze artikelen geven geen aanleiding tot commentaar.

Artikel 6

Mevrouw Nagy dient een amendement in (nr. 1), dat ertoe strekt dit artikel te vervangen als volgt :

« Art. 6. ­ Artikel 16, § 1, eerste tot zesde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 5 april 1995, wordt vervangen als volgt :

« De kiezer mag ten hoogste drie stemmen uitbrengen op de lijst van zijn keuze.

Als hij zich kan verenigen met de volgorde van voordracht van de lijst van zijn keuze, brengt hij zijn stem uit uitsluitend in het stemvak bovenaan op die lijst.

Als hij die volgorde wil veranderen, brengt hij één of meerdere doch ten hoogste drie naamstemmen uit in het stemvak dat naast de naam staat van de kandidaat of kandidaten van die lijst aan wie hij bij voorkeur zijn stem wil geven. »

De indienster van het amendement wenst dat er rekening wordt gehouden met de opgedane ervaring, en in het bijzonder met de typische kenmerken van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, een uitzonderlijke kieskring met twee colleges en een groot aantal verkozenen, waarin slechts een paar kandidaten met voorkeurstemmen worden verkozen.

Uit het resultaat van de gemeenteraadsverkiezingen in Ukkel, waarbij de devolutieve kracht voor het eerst met de helft werd beperkt, bleek dat deze beperking negatieve bijwerkingen had wanneer er bijvoorbeeld een « stemblok » werd georganiseerd (of spontaan ontstond op basis van voor- of familienamen met een welbepaalde eigenschap). Het is dan wel de bedoeling de kiezer meer inspraak te geven, maar deze doelstelling kan omzeild worden : zo had een kandidaat afspraken gemaakt een aantal vrienden om op zijn lijst te stemmen en een stemblok georganiseerd, waarbij zijn partij vroeg voor een bepaald aantal andere kandidaten op de lijst te stemmen.

Op die manier blijft het resultaat uiteindelijk hetzelfde als nu : een lijst heeft een meerderheid maar kan niet voldoen aan de twee voorwaarden om het college aan te wijzen, namelijk de meerderheid van de verkozenen op de eigen lijst hebben en de meerderheid hebben in de gemeenteraad.

Het CRISP heeft een interessante studie gedaan over de omzetting van de ervaring op gemeentelijk vlak naar het gewestelijk niveau. Daaruit bleek dat de strategie van het stemblok voor ernstige problemen zorgt. De grote kieskringen lopen het meeste risico. Dat geldt dus bijvoorbeeld voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waar momenteel op een enkele lijst 75 leden gekozen worden en in de nabije toekomst wellicht nog meer.

Het voorstel van amendement past in het regeerakkoord over de beperking met de helft van de devolutieve kracht, maar wil die beperking voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beter organiseren om ontsporingen te voorkomen.

Het voorstel wil concreet het aantal voorkeurstemmen beperken tot drie. Op die manier kunnen geen groepen stemmen worden uitgebracht om het oogmerk van de maatregel te omzeilen. Dit amendement werd opgesteld in overleg met een aantal partijvertegenwoordigers uit het Brussels Gewest en is een veiligheidsmaatregel tegen antidemocratische acties.

Een lid stelt dat er in de regio Brussel ook een aantal lijsten waren waarop groepen van dezelfde etnische oorsprong in blok werden verkozen. Hij stelt zich de vraag of het voorstel van mevrouw Nagy ook dit wenst aan te vechten. Het is voor hem alleszins duidelijk dat het amendement een beknotting inhoudt van het recht om vrij te kiezen.

Een lid wenst te weten of het amendement alleen op het Brussels Gewest dan wel op alle gewesten betrekking heeft.

De indienster van het amendement stelt dat het amendement vooral op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest slaat, dat immers als enige bestaat uit één enkele kieskring met een groot aantal kandidaten. Het is echter vanzelfsprekend dat elk onderscheid tussen gewesten uit den boze is.

Wat betreft de opmerking over de blokvorming van allochtonen, wijst spreekster erop dat het amendement vooral en globaal wil vermijden dat het tot manipulatie van lijsten komt.

De minister herinnert eraan dat de meervoudige stemming in 1995 voor de wetgevende vergaderingen ingevoerd werd. Stemblokken zijn door de kieswet niet verboden en een partij kan haar campagne perfect afstemmen op een aantal kandidaten op haar lijst. Hij vraagt dus de oorspronkelijke tekst te behouden.

Een lid betreurt dat het kabinet weigert dit probleem grondiger te onderzoeken terwijl er in Brussel ontsporingen geweest zijn. De minister-president van het Brussels Gewest heeft nochtans tijdens een onderhoud op 17 april 2001 erkend dat er problemen ontstaan zijn door de beperking met de helft van de devolutieve kracht en dat dit geleid heeft tot een minder goede vertegenwoordiging.

Een ander lid meent dat het amendement een aantal problemen oplost maar er andere doet ontstaan. Dat er niet meer dan drie kandidaten in aanmerking komen dreigt enige verwarring te scheppen in de geesten van de kiezers. Hij heeft echter wel oren voor de argumenten van mevrouw Nagy.

Het is echter wat overdreven een stembiljet als ongeldig te beschouwen waarop een kiezer een stem heeft uitgebracht naast de naam van meer dan drie kandidaten (artikel 18, 6º).

Bovendien verloopt de stemming in Brussel elektronisch. Men moet dus nagaan of het mogelijk is de software zo te programmeren dat de kiezer ziet wanneer hij het toegestane aantal naamstemmen overschrijdt. Anders bestaat het risico dat het gewicht van de naamstemmen teniet gaat.

Een ander lid heeft bedenkingen bij de verantwoording van een dergelijk amendement. Om de door de indienster van de desbetreffende amendementen aangehaalde euvels te verhelpen moeten er andere manieren bestaan dan een beknotting van de stem- en keuzevrijheid. Ons kiessysteem heeft eerder een dosis pedagogie nodig dan een beperking van de vrijheid.

Indien men er integendeel voor kiest om het voorstel van amendement toe te passen, moet dit gebeuren voor alle wetgevende vergaderingen, en ook op gemeentelijk niveau.

Een ander lid benadrukt dat haar amendement geen theoretisch hersenspinsel is, maar een concrete oplossing voor het probleem van het stemblok in Brussel.

Het is alleen van toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest omdat het fenomeen zich daar voordoet vanwege het grote aantal kandidaten (75) voor één enkele kieskring.

Als antwoord op de opmerking van een voorgaande spreker, herinnert zij eraan dat zij een hoofdamendement en een subsidiair amendement ingediend heeft. Het ene voorziet in de ongeldigheid, het andere niet. Uit de discussie blijkt duidelijk dat de tweede optie de voorkeur geniet.

Men kan natuurlijk het advies van de Brusselse vertegenwoordigers inwinnen. Essentieel is evenwel dat men rekening houdt met de ervaring te Brussel.

Een lid denkt aan andere groepsstemmingen in andere kieskringen. Er zijn kartellijsten geweest waar alles werd georganiseerd om één reeks van de kartel te laten stemmen en de andere reeks niet. Maar dat was dan alleen de keuze van de kiezer. Hij heeft nog altijd zijn vrijheid. Uiteraard moet hij niet verleid worden en het is de taak van de politici om te zorgen dat dit niet gebeurt.

Zij wenst ook niet dat een andere regeling wordt uitgewerkt voor Brussel zonder dat die van toepassing is op de andere kieskringen. Alle Belgen zijn gelijk voor de wet. Er kan moeilijk een onderscheid worden gemaakt tussen hoe de ene Belg moet stemmen en de andere niet.

Zij begrijpt de motivatie van het amendement maar kan er niet mee instemmen.

Een lid wijst op de politieke marketing waartoe het amendement leidt. Er zal meer interne wedijver in de partijen ontstaan om te weten voor welke drie verkozenen er een stemblok kan worden georganiseerd. Hij heeft dus duidelijk uitdrukkelijke bezwaren tegen het amendement maar aanvaardt hierover een ruimer debat te voeren op voorwaarde dat het ook betrekking heeft op alle assemblees.

Een ander lid verklaart zeer gevoelig te zijn voor de argumenten van de indieners van de amendementen en volgens welke de toepassing van een regeling in Brussel en niet elders discriminerend is. Hij stelt dus voor om in de commissie met de regering overleg te plegen teneinde alle problemen te bespreken. Men zou bijvoorbeeld kunnen denken aan een proportionaliteitsregel die rekening houdt met de lengte van de lijst maar hierover moet een ruimere discussie plaatshebben.

Een ander lid vraagt of indien een aantal Nederlandstaligen zich op een tweetalige lijst plaatsen, dit als een stemblok zou worden beschouwd. Indien het antwoord positief is, zal dit nooit aanvaard worden.

Een lid merkt op dat er geen tweetalige lijsten kunnen zijn voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad. Maar het is inderdaad een goed argument.

Een ander lid benadrukt nogmaals haar vrees dat, indien het amendement zou worden aanvaard, dit zou leiden tot het creëren van twee soorten Belgen in de manier van stemmen.

Artikel 7

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.

Artikel 8

Mevrouw Nagy dient twee amendementen in nrs. 2 en 3, het laatste subsidiair op het eerste.

Amendement nr. 2 strekt ertoe artikel 18 aan te vullen met een nieuw lid, luidende :

« Niet ongeldig zijn de stembiljetten waarop een kiezer een stem heeft uitgebracht naast de naam van meer dan drie kandidaten van dezelfde lijst. In dat geval wordt de kiezer geacht een lijststem te hebben uitgebracht. »

Volgens de indiener van het amendement valt immers te vrezen dat de kiezers deze vereiste niet zullen naleven, alle bijgewerkte informatiecampagnes ten spijt. Het zou te stringent zijn deze stembiljetten als ongeldig te beschouwen omdat men die stemmen in aanmerking kan nemen om de posten te verdelen onder de lijsten zonder af te wijken van het in het amendement op artikel 6 nagestreefde oogmerk, te weten : met ten hoogste drie voorkeurstemmen rekening te houden bij de verdeling van de zetels tussen de kandidaten van eenzelfde lijst. Heeft een kiezer meer dan drie naamstemmen uitgebracht, dan gaat de wet ervan uit dat hij zich ruimer wou uitspreken over alle kandidaten samen. Blijft de geautomatiseerde stemming bestaan, dan kan men de kiezer verzoeken zijn stem bij te sturen wanneer blijkt dat hij een stem heeft uitgebracht naast de naam van meer dan drie kandidaten.

Hetzelfde lid dient een subsidiair amendement nr. 3 in, dat ertoe strekt in artikel 18 een 6º (nieuw) in te voegen :

« 6º de stembiljetten waarop meer dan drie naamstemmen voorkomen. »

Volgens de indienster strekt dit amendement ertoe een stembiljet ongeldig te verklaren indien het niet voldoet aan de elders gestelde voorwaarden.

Gezien het verzet tegen haar amendement nr. 1 en de toezegging van de commissie om later over de inhoud van dit amendement te discussiëren, gedaan in aanwezigheid van de minister, trekt mevrouw Nagy haar amendement nr. 2 en nr. 3 in.

Artikelen 9 tot 27

Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt.

IV. STEMMINGEN

a) Stemmingen per artikel

Artikel 1

Dit artikel wordt aangenomen met 10 stemmen bij 2 onthoudingen.

Artikelen 2 tot 5

Deze artikelen worden aangenomen met 11 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 6

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Het artikel wordt aangenomen met 10 stemmen bij 2 onthoudingen.

Artikel 7

Het artikel wordt aangenomen met 10 stemmen bij 2 onthoudingen.

Artikel 8

De amendementen nrs. 2 en 3 zijn ingetrokken.

Het artikel wordt aangenomen met 11 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 9

Het artikel wordt aangenomen met 11 stemmen bij 2 onthoudingen.

Artikelen 10 tot 27

Deze artikelen worden aangenomen met 10 stemmen bij 2 onthoudingen.

b) Stemmingen over het ontwerp in zijn geheel

Het ontwerp van bijzondere wet in zijn geheel wordt aangenomen met 10 stemmen bij 2 onthoudingen.

Door de aanneming van wetsontwerp nr. 2-680/1, dienen de wetsvoorstellen nrs. 2-193/1, 2-294/1 en 2-295/1 geen doel meer.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Jeannine LEDUC. Anne-Marie LIZIN.

De door de commissie aangenomen tekst is
dezelfde als de tekst van het ontwerp van gewone wet
(zie stuk Senaat, nr. 2-680/1)