2-128

2-128

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 21 JUIN 2001 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Question orale de M. Frans Lozie au ministre de la Justice sur «le dépeuplement des services de lutte contre la corruption» (n° 2-661)

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Volgens persberichten zijn er tientallen speurders opgestapt uit de Nationale Dienst voor Corruptiebestrijding sinds zijn hervorming enkele jaren geleden.

Wat is de precieze stand van zaken. Is het juist dat de dienst ongeveer gehalveerd is? Wat zijn de oorzaken en hoe zal de minister het hoofd bieden aan deze toestand? Hoeveel onderzoeken werden er sinds de hervorming uitgevoerd en met welk resultaat? Of heeft dit land geen reden meer om corruptie te bestrijden?

De georganiseerde criminaliteit is in dit land een thema aan het worden. Infiltratie, intimidatie en corruptie zijn veel gebruikte technieken. In welke mate wordt de dienst ingeschakeld in een geïntegreerde aanpak van de georganiseerde maffiose criminaliteit?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - De heer Lozie stelt een terechte vraag over de situatie in een dienst die zich bezighoudt met de bestrijding van de corruptie. Deze dienst moest op korte tijd tweemaal worden hervormd. In 1998 werd hij opgenomen in het Commissariaat-generaal van de Gerechtelijke Politie, waarna hij bij de politiehervorming in de federale politie werd geïntegreerd.

Door deze wijzigingen en de ermee samenhangende problemen, zoals de vragen omtrent premiestelsels, reiskosten, toekomstige operationaliteit en muteringsmogelijkheden, is er inderdaad een personeelsprobleem gerezen.

In theorie telt de dienst 61 personeelsleden, namelijk één persoon die de dienst leidt, 40 personeelsleden van het middenkader en 20 officieren. Momenteel zijn er slechts 46 personeelsleden en ook daar rijzen er nog een aantal problemen.

De regering onderstreepte in haar Veiligheidsplan dat de strijd tegen de corruptie voor haar een absolute prioriteit is. Ze spant zich dan ook in om de aanvankelijk voorgestelde capaciteit te garanderen en aan te passen aan de nieuwe bestrijdingstechnieken zoals de proactieve recherche en de bijzondere opsporingstechnieken. Momenteel heb ik samen met mijn collega van Binnenlandse Zaken en met de dienst een reorganisatieplan op de sporen gezet dat de personeelsproblemen moet oplossen.

De strijd tegen de georganiseerde criminaliteit moet mee door deze dienst worden gevoerd. De heer Lozie heeft in de opvolgingscommissie zelf kunnen vaststellen dat deze dienst actief meewerkt in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Dat is ook een van de redenen waarom ik vind dat hij operationeel moeten blijven.

Sedert 1 januari 2001 werden 61 nieuwe zaken aanhangig gemaakt, wat aantoont dat deze dienst operationeel is en blijft. Alleen moeten we blijven zoeken naar oplossingen voor de problemen die voortvloeien uit het verleden.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Het was mijn bedoeling de alarmbel te luiden. Ik ben blij met de geruststellende informatie die de minister geeft over het belang dat hij aan deze dienst hecht.

De dienst moest twee moeilijke fasen doorstaan: de eerste toen de dienst tijdens de vorige regering naar de gerechtelijke politie werd overgeheveld. Tijdens de bespreking in de Kamer, waar ik toen lid van de commissie Justitie was, is duidelijk gebleken dat de overheveling alleen tot doel had één lid uit de dienst te verwijderen.

De tweede fase had betrekking op de integratie in de nieuwe federale politie.

Ik ben blij vast te stellen dat deze dienst nog nieuwe zaken te behandelen krijgt en dat men in dit land de strijd tegen de corruptie blijft voeren.

(Mme Sabine de Bethune, première vice-présidente, prend place au fauteuil présidentiel.)