2-639/10

2-639/10

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

16 MEI 2001


Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 190, 194, 259bis-9, 259bis-10, 259octies en 371 van het Gerechtelijk Wetboek, tot invoeging van artikel 191bis in het Gerechtelijk Wetboek en tot wijziging van artikel 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten


AMENDEMENTEN


Nr. 32 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 11

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 11. ­ De bepalingen van artikel 21, lid 4, van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten, alsook deze van artikel 259octies, § 2, eerste lid, tweede streepje, en § 3, tweede lid, tweede streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door deze wet, zijn niet van toepassing op de personen die voor 1 januari 2000 tot gerechtelijk stagiair werden benoemd. »

Verantwoording

Artikel 11 is een overgangsbepaling die verduidelijkt dat het voorgestelde artikel 7 niet van toepassing is op de personen die voor 1 januari 2000 tot gerechtelijk stagiair werden benoemd. Artikel 7 wijzigt artikel 259octies van het Gerechtelijk Wetboek dat de gerechtelijke stage regelt, door eraan toe te voegen dat wat de strafinrichtingen betreft, de externe stage zowel in België als binnen de rest van de Europese Unie verricht kan worden.

Voorgesteld wordt diezelfde overgangsbepaling in te voeren met betrekking tot het voorgestelde artikel 9 dat artikel 21, vierde lid, van de wet van 18 juli 1991 wijzigt door de voorrang af te schaffen die aan sommige kandidaten werd toegekend wanneer zij samen met een plaatsvervangende rechter in aanmerking kwamen voor een openstaande betrekking van magistraat.

Hetzelfde rechtszekerheidsbeginsel vereist immers dat de nieuwe voorgestelde regel, die de voorrang afschaft die met name aan gerechtelijke stagiairs op de plaatsvervangende rechters gegeven werd, niet geldt voor de personen die voor 1 januari 2000 als gerechtelijke stagiairs benoemd werden. Deze personen zijn namelijk begonnen aan de lange gerechtelijke stage teneinde tot de magistratuur (het gerecht) toe te treden met behulp van deze voorrangsregeling. Zonder deze overgangsbepaling zal zich op termijn een probleem wijzen van beschikbare plaatsen waarbij de stagiairs na afloop van hun stage werkloos dreigen te worden. Dank zij deze overgangsbepaling kunnen de personen die voor de lange stage gekozen hebben toen het huidige ontwerp nog niet besproken werd, toch nog deze voorrang genieten op het ogenblik dat zij voor een benoeming in aanmerking komen.

Nr. 33 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 12

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 12. ­ Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 3, 5 en 6, die in werking treden op de door de Koning te bepalen datum, en ten vroegste op 1 oktober 2002. »

Verantwoording

Dit amendement heeft dezelfde strekking als het vorige amendement.

Door het vrijstellen van de advocaten met 20 jaar ervaring (of 15 jaar + 5 jaar in een betrekking die een goede rechtskennis vereist) en het instellen van een mondelinge evaluatieproef voor deze advocaten, dreigen artikel 3 (en de artikelen 5 en 6 die ermee samenhangen) het examen inzake beroepsbekwaamheid uit te hollen, dat in principe voorbehouden is aan advocaten met een grondige ervaring aan de balie. Volgens ons zijn zij in tegenspraak met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij zouden een vordering tot nietigverklaring moeilijk doorstaan, des te meer daar het Arbitragehof reeds een bijna identieke bepaling nietig verklaard heeft in het arrest nr. 53/94 van 29 juni 1994 (Belgisch Staatsblad van 3 september 1994).

Bovendien dreigt er een tekort aan beschikbare betrekkingen voor de gerechtelijke stagiairs die hun stage beëindigen.

De rechtszekerheid vereist dus dat deze artikelen ten vroegste op 1 oktober 2002 in werking treden, omdat op die datum de personen die voor de lange stage gekozen hadden toen dit ontwerp nog niet besproken werd, wellicht benoemd zullen zijn. Men moet immers rekening houden met het feit dat door de nieuwe regeling van het wetsontwerp, niemand meer interesse zal hebben voor de lange gerechtelijke stage (die toegang verleent tot de magistratuur), noch voor het examen inzake beroepsbekwaamheid.

Het voorgestelde amendement lijkt niet overdreven aangezien, ten gevolge van een amendement van de regering, het voorgestelde artikel 12 in een graduele inwerkingtreding voorziet : voor de inwerkingtreding van de bepalingen van de artikelen 3, 5 en 6 werd een termijn van maximum één jaar ingesteld na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad.

Nr. 34 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 9

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 9. ­ Artikel 21, vierde lid, van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten, gewijzigd door de wetten van 6 augustus 1993, 1 december 1994 en vervangen door de wet van 22 december 1998, wordt vervangen als volgt :

« Indien, behalve een van de voormelde plaatsvervangende rechters, een laureaat van het examen inzake beroepsbekwaamheid, een persoon die de gerechtelijke stage volbracht heeft of een magistraat, die allen gunstige individuele adviezen verkregen hebben, hun kandidatuur indienen voor een benoeming, zal de benoemingscommissie de voorrang geven aan deze kandidaten indien de betrokken plaatsvervangende rechter in de vijf jaar voor zijn kandidaatstelling niet regelmatig rechters of leden van het openbaar ministerie vervangen heeft. »

Verantwoording

Artikel 21, vierde lid, van de wet van 18 juli 1991 zoals gewijzigd door het voorgestelde artikel 9, bepaalt dat indien de plaatsvervangende rechter zijn ambt gedurende vijf jaar regelmatig uitgeoefend heeft, de voorrang aan andere kandidaten gegeven kan worden. Het voorgestelde amendement wil de tekst verduidelijken. Aangezien het de bedoeling is de prioriteit af te schaffen indien de plaatsvervangende rechter vijf jaar zijn ambt uitgeoefend heeft, is het wenselijk, teneinde interpretatieproblemen te voorkomen, te verduidelijken dat indien het om een plaatsvervangende rechter gaat die niet regelmatig rechters of leden van het openbaar ministerie vervangen heeft in de vijf jaar voor zijn kandidaatstelling, de voorrang gegeven moet worden aan kandidaten die geslaagd zijn voor het examen inzake beroepsbekwaamheid of die hun gerechtelijke stage volbracht hebben, of aan de magistraten bedoeld in artikel 21, vierde lid, van de wet van 18 juli 1991.

Clotilde NYSSENS.