2-687/1 | 2-687/1 |
14 MAART 2001
De lidstaten van de Europese Unie hebben uit de crisis in Kosovo verschillende lessen getrokken. Tot nu toe werd de nadruk gelegd op het feit dat de Unie nood heeft aan instrumenten voor crisisbeheer. Dat is een antwoord op de vraag : « Wat kan de EU doen nadat een conflict nabij haar grenzen tot grootschalig geweld is geëscaleerd ? » Deze resolutie wil de nadruk leggen op een andere vraag. De oorlog om Kosovo werd gedurende tien jaar voorspeld, en toch slaagde de Unie er niet in om hem te voorkomen. De vraag die hier rijst is de volgende : « Wat kan de EU doen om te voorkomen dat een conflict tot een gewelddadige crisis escaleert ? »
De crisis in Kosovo zette de Europese lidstaten ertoe aan om versneld werk te maken van de ontwikkeling van het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB), in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB). Op de Europese topbijeenkomsten van Helsinki en Feira werden nieuwe instrumenten voor militair en civiel crisisbeheer uitgewerkt, welke kunnen worden ingezet wanneer een conflict uitbreekt en nadat een conflict in een gewelddadige crisis is uitgemond. De Europese top van Nice gaf de aanzet om ook werk te maken van conflictpreventie of beter crisispreventie inzake beleidsinstrumenten die kunnen voorkomen dat een sluimerend conflict uitbarst in een gewelddadige crisis. Met conflictpreventie komt, naast militair en civiel crisisbeheer, ook een derde essentiële pijler van het EVDB op de Europese agenda. Conflictpreventie en militair en civiel crisisbeheer vormen samen het Europees veiligheids- en defensiebeleid. Gecombineerd vormen ze een geheel en versterken ze elkaar. Aangezien voorkomen steeds beter is dan genezen, spreekt het voor zich dat de meeste aandacht dient te gaan naar de preventieve instrumenten.
De EU heeft een enorm potentieel op het vlak van conflictpreventie. De EU beschikt over de grootste eenheidsmarkt, het grootste budget voor ontwikkelingssamenwerking en een wereldwijde invloedrijke vertegenwoordiging. Als deze instrumenten op een meer doordachte manier zouden ingezet worden, zou het preventief vermogen van de EU enorm kunnen toenemen. Als we over conflictpreventie in het kader van de EU spreken, mogen we niet uit het oog verliezen dat de Unie zelf, zowel binnen de eigen grenzen als ten opzichte van de ganse regio, het instrument voor conflictpreventie bij uitstek is. Het uitbreidingsperspectief dat de EU aan Centraal-Europa biedt, heeft, in samenspel met de acties van de OVSE, potentiële en sluimerende etnische conflicthaarden geblust. Denken we maar aan de Hongaarse minderheden in Slovakije en Roemenië en de Russische minderheden in de Baltische Staten. In die zin moet de Unie niet « starten » met de uitbouw van conflictpreventie, maar dient zij haar oorspronkelijke roeping verder uit te werken en te verdiepen.
Veel meer dan crisisbeheer, vraagt conflictpreventie om een langetermijnstrategie, langdurige aanwezigheid en de inzet van een breed scala instrumenten. Werken aan conflictpreventie in de brede zin van het woord, kan op de volgende sporen gezet worden.
Voor een structurele aanpak op lange termijn :
duurzame ontwikkeling op sociaal, economisch en ecologisch gebied;
democratisering en de promotie van een cultuur van vrede en geweldloosheid;
de versterking van de mensenrechten, het internationaal humanitair recht, de internationale rechtsorde en internationale samenwerking en integratie;
ontwapening.
Voor een instrumentele aanpak op korte termijn :
ontwikkeling van instrumenten voor kortetermijncrisispreventie.
| Michiel MAERTENS. Josy DUBIÉ. |
De Senaat,
A. Overwegende dat de Europese Unie met het oog op een evenwichtige ontwikkeling van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, naast het ontwikkelen van civiele en militaire instrumenten voor crisisbeheer, ook werk dient te maken van het vergroten van de effectiviteit en coherentie van de beschikbare instrumenten voor crisispreventie en van de creatie van nieuwe instrumenten voor conflictpreventie;
B. Verwijzend naar de beleidsnota's van de minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking die het belang van conflictpreventie centraal stellen;
C. Verwijzend naar de besluiten van de Europese Raden van Helsinki, Feira en Nice;
D. Verwijzend naar de besluiten van de ministeriële vergaderingen van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa in Istanbul en Wenen;
E. Verwijzend naar de besluiten van de G8-top in Okinawa van juli 2000;
F. Verwijzend naar het verslag van de hoge vertegenwoordiger van het Europees Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid, de heer Solana, en de Europese Commissie : « Improving the Coherence and Effectiveness of European Union Action in the Field of Conflict Prevention » van december 2000;
G. Verwijzend naar de toespraak van de Zweedse minister van Buitenlandse Zaken, mevrouw Anna Lindh, op 22 januari 2001 ter gelegenheid van de Raad Algemene Zaken;
H. Verwijzend naar het document « Preventing Violent Conflict : Opportunities for the Swedish and Belgian Presidencies of the European Union in 2001 » van de niet-gouvernementele organisaties International Alert en The European Platform for Conflict Prevention;
I. Verwijzend naar het memorandum aan de Belgische regering naar aanleiding van het Belgisch voorzitterschap van de EU vanwege het Belgisch platform van het verbindingscomité van de niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties bij de Europese Unie;
J. Herinnerend aan het VN-Decennium voor een cultuur van vrede en geweldloosheid voor de kinderen van deze wereld;
K. Zijn steun toezeggend aan de initiatieven inzake conflictpreventie van het Zweeds EU-voorzitterschap;
verzoekt de regering, tijdens het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie, werk te maken van een verhoging van de coherentie en effectiviteit van de initiatieven vanwege de Europese Unie met betrekking tot het voorkomen van gewelddadige conflicten, en inzonderheid :
werk te maken van een meer rechtvaardige internationale handel. De armste landen moeten voor al hun producten (ook rijst, suiker en bananen) vrije toegang krijgen tot de Europese markt. Het dumpen van overtollige landbouwproducten op de wereldmarkt moet beëindigd worden. De WTO moet een gunstiger klimaat voor de arme landen creëren. Armoedebestrijding moet een doelstelling van de WTO worden. De regering moet werk blijven maken van de kwijtschelding van de schulden van de armste landen;
2.1. binnen de EU te ijveren voor een versterking van de programma's van de Europese Commissie PHARE, MEDA en TACIS. Deze programma's moeten voldoende aandacht besteden aan democratische vorming, mensenrechteneducatie, training in de geweldloze omgang met conflicten, inter-ethnische dialoog en uitwisseling tussen landen;
2.2. binnen de Europese Unie te pleiten voor een bijdrage aan het VN-Decennium voor een cultuur van vrede en geweldloosheid door wereldwijd de opname van vredesopvoeding en geweldloosheidstrainingen in onderwijscurricula te promoten. In post-conflict-wederopbouw kan de EU de oprichting van waarheidscommissies in post-conflictgebieden ondersteunen. Zo is er in Kosovo en de hele Balkan dringend nood aan de oprichting van een waarheidscommissie. Vrouwen spelen een sleutelrol in conflictpreventie en vredesopbouw. Post-conflict-opbouw dient een « gender impact assessment » te ondergaan en vrouwenorganisaties dienen hierbij voldoende betrokken te worden;
2.3. te ijveren voor een maximale democratische transparantie en het betrekken van het Europees Parlement en de nationale parlementen van de EU-lidstaten bij de ontwikkeling van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het Europees veiligheids- en defensiebeleid van de Europese Unie. De EU dient wereldwijd onafhankelijke, democratische en gedecentraliseerde media te ondersteunen;
3.1. ernstige inspanningen te doen om van de VN-Conferentie inzake lichte wapens in juli 2001 een mijlpaal te maken in de strijd tegen de ongebreidelde verspreiding van lichte wapens. Als voorzitter van de EU zal België een sterke stempel op deze conferentie kunnen drukken. Dit is het aangewezen moment voor ons land om op het vlak van deze thematiek weer een voortrekkersrol op te nemen;
3.2. stappen te ondernemer die de effectiviteit van de Europese gedragscode voor de wapenexport vergroten. De code moet juridisch bindend gemaakt worden, zoals aangegeven in de beleidsnota van de minister van Buitenlandse Zaken; het mensenrechtencriterium in de code moet versterkt worden; de code moet « wapenmakelarij » aanpakken; er moet een Europese regeling voor eindgebruikerscertificaten komen;
3.3. werk te maken van een versterking van het EU-programma voor de preventie en de bestrijding van illegale handel in conventionele wapens;
3.4. een aanzet te geven voor de totstandkoming van een initiatief met betrekking tot conflictdiamanten via de creatie van een wereldoverspannend certificatiesysteem;
3.5. erop toe te zien dat er in post-conflict-wederopbouw voldoende geïnvesteerd wordt in demilitarisatie, demobilisatie en reïntegratie van ex-strijders;
3.6. via de EU aan te dringen bij staten die het Anti-persoonsmijnenverdrag nog niet ondertekenden om dit zo spoedig mogelijk te doen. Ook de anti-hanteerbaarheidsmechanismen dienen in dit verdrag opgenomen worden;
3.7. toe te zien op de implementering van de Internationale Conventie inzake huurlingen;
3.8. haar inspanningen op het vlak van de strijd tegen het inzetten van kindsoldaten niet af te zwakken;
4.1. vanuit de EU te ijveren voor een hervorming van de VN-Veiligheidsraad met het oog op een versterking van de VN;
4.2. de invoering na te streven van de gemeenschappelijke strategie met betrekking tot de relatie EU-Rusland;
4.3. tijdens het voorzitterschap van de Unie ernstige inspanningen te leveren met betrekking tot een snelle realisatie van de uitbreiding van de Unie. De Senaat dringt tevens aan op meer financiële middelen voor het pre-toetredingsfonds, zoals aangegeven in de beleidsnota van de minister van Buitenlandse Zaken;
5.1. te ijveren voor de oprichting van een Europees Civiel Vredeskorps (ECV). Het ECV is een instrument voor civiele crisishantering en -preventie, dat de EU in het kader van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid kan gebruiken. Het ECV kan ingezet worden alvorens een conflict in geweld uitbarst en in post-conflictwederopbouw. De buitenland-commissaris van de Europese Commissie is verantwoordelijk voor de uitbouw en het beheer van het ECV. Het ECV kan ingezet worden op vraag van de Europese Raad, de OVSE en de VN. De organisatie en het dagelijks beheer van het ECV gebeuren door een permanent secretariaat. De inzetbare leden van het ECV worden gevormd door een « pool » van beroeps die gedurende een bepaalde periode kunnen vrijgesteld worden van hun normale bezigheden, om ingezet te worden in een conflictgebied. De ECV-leden ontvangen een training die hen voorbereidt op het werk in een conflictgebied. De trainingen worden georganiseerd in een Europees of nationaal, hiertoe opgericht, instituut. Het ECV telt verschillende duizenden leden. Het aantal ingezette leden varieert naar gelang van de aard van de opdracht. Het ECV wordt gevormd door psychologen, artsen, journalisten, douaniers, NGO-medewerkers en andere professionelen. Het ECV is in staat om in een conflictgebied de volgende taken uit te voeren : observeren van de mensenrechtensituatie en de toestand van de democratische instellingen; promoten van inter-etnische communicatie, dialoog, onderhandeling en vertrouwensopbouw; het waarnemen van verkiezingen;
5.2. te onderzoeken hoe economische en diplomatieke sancties vanwege de EU hervormd kunnen worden zodat ze niet een hele bevolking treffen, maar wel de machtselite waartegen de sancties bedoeld zijn. Sancties moeten evolueren van algemeen naar gericht, van « dom » naar « slim »;
5.3. te onderzoeken hoe er op het vlak van conflictpreventie een structureel overleg met de OVSE en de VN kan totstandkomen, naar analogie met het structureel overleg met de NAVO op het vlak van crisisbeheer. Tevens moet er binnen de Unie onderzocht worden hoe EU-instrumenten voor conflictpreventie in het kader van initiatieven van OVSE en VN kunnen ingeschakeld worden;
5.4. binnen de EU aan te dringen op een versterking van de Policy Planning and Earlywarning-unit (PPEWU) van het secretariaat van de Europese Raad. De PPEWU moet uitgroeien tot een bron van expertise inzake de ontwikkeling en de versterking van de coherentie en effectiviteit van instrumenten voor conflictpreventie. Zo kan de PPEWU uitgroeien tot een performant en zichtbaar Europees Centrum voor conflictpreventie;
5.5. op Belgisch vlak over te gaan tot de oprichting van een Centrum voor de preventie van gewelddadige conflicten.
| Michiel MAERTENS. Josy DUBIÉ. |