2-108

2-108

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 26 APRIL 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Meryem KaÁar aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde repatriŽring van asielzoekers, en meer bepaald de gevallen waarbij enkel het gezinshoofd wordt gerepatrieerdĽ (nr. 2-578)

De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Meryem KaÁar (AGALEV). - Op donderdag 19 april 2001 werd een uitgeprocedeerde asielzoeker uit AlbaniŽ om middernacht door de federale politie opgepakt. Voor de man die samen met zijn vrouw en drie minderjarige kinderen in Gent woonde, loopt nog een procedure bij de Raad van State. Hij werd naar AlbaniŽ gerepatrieerd, zonder de kans te krijgen zijn vrouw te verwittigen. Hij kwam vrijdag tegen de middag in AlbaniŽ aan. Zijn advocaat werd niet op de hoogte gebracht van de repatriŽring. Zijn vrouw die hier met de minderjarige kinderen achterblijft, heeft de advocaat op de hoogte gebracht.

De minister heeft in het verleden meegedeeld dat het repatriŽringsbeleid aandacht zou hebben voor de gezinssituatie. Gezinnen zouden niet uit elkaar worden gerukt. Voor de gezinnen met schoolgaande kinderen zou tot het einde van het schooljaar gewacht worden om te repatriŽren.

Het aangehaalde geval toont aan dat ondanks de belofte van de minister, het in de praktijk toch voorkomt dat enkel het gezinshoofd wordt gerepatrieerd. Kan de minister duidelijk meedelen wat zijn beleid op het vlak van repatriŽring is?

De heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn - Ziehier het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Het is reeds de tweede maal in twee dagen dat ik in het Parlement geÔnterpelleerd word over een specifiek geval. Ik wijs erop dat dergelijke vragen in principe onontvankelijk zijn.

Volgens de inlichtingen waarover ik beschik en gelet op de antwoordtijd, heb ik de persoon waarover mevrouw KaÁar het heeft, nog niet kunnen identificeren. Op 19 april 2001 heeft er geen dergelijke verwijdering plaatsgevonden.

Wat de verwijderingspraktijken betreft, wijs ik op volgende punten. Het beroep bij de Raad van State schort het bevel om het grondgebied te verlaten niet op. Vreemdelingen die een beroep hebben lopen bij de Raad van State mogen dus met recht worden verwijderd. Na het verstrijken van de termijn om het grondgebied vrijwillig te verlaten of om zich in te schrijven in een programma van vrijwillige terugkeer, vraagt de Dienst Vreemdelingenzaken aan de lokale politie om zich thuis aan te bieden bij de te verwijderen persoon en na te gaan of die inderdaad weg is en zoniet, die aan te houden met het oog op verwijdering. De advocaat ontvangt een kopie van de beslissing en is dus volkomen op de hoogte van een mogelijke verwijdering.

Wanneer het om gezinnen gaat, wordt enkel het gezinshoofd aangehouden en vastgehouden zolang de overheid de aanvraag tot wederopname onderzoekt. Wanneer die aanvraag bekomen wordt, wordt de rest van het gezin verzocht zich op de luchthaven te melden om samen met het gezinshoofd verwijderd te worden. Die procedure moet voorkomen dat minderjarigen in de gesloten centra worden vastgehouden.

Aan de hand van de getuigenissen in de centra over de problemen van gezinsscheiding, heeft mijn collega, minister Vande Lanotte, mij gevraagd om het gehele gezin aan te houden en in een gesloten centrum vast te houden, met het risico dat minderjarigen er verblijven tot wanneer hun wederopname in hun land aanvaard is. Met de goedkeuring van de eerste minister werd dus beslist om opnieuw het hele gezin in de gesloten centra vast te houden.

Ik heb nooit gezegd dat het de bedoeling was het einde van het schooljaar af te wachten. De toegang tot het onderwijs mag geen voorwendsel zijn om een verwijderingsbeslissing te vertragen of opnieuw in twijfel te trekken. Enkel binnen de context van de tijdelijke bescherming van de oorlogsslachtoffers van Kosovo heb ik aanvaard die bescherming te verlengen tot het einde van het schooljaar.

Mevrouw Meryem KaÁar (AGALEV). - Ik heb bewust mijn vraag in het algemeen beleid willen kaderen. Ik stel voor dit beleid dat hier uitvoerig is toegelicht, beter bekend te maken bij degenen die het moeten uitvoeren, namelijk de federale politie. In de praktijk wordt het koninklijk besluit immers niet altijd nageleefd.

De heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn. - De vraag ging wel over een concreet geval.

De voorzitter. - Het eerste deel van de vraag ging alleszins over een concreet geval. In die zin was de vraag niet ontvankelijk. Maar achter dat concreet geval schuilt wel een algemeen probleem.