(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Artikel 109terD van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gewijzigd bij de wet van 30 juni 1994, is de spil inzake de bescherming van telecommunicatiegegevens.
Het eerste en het tweede lid van dit artikel houden in dat het een misdrijf is, behoudens indien men toestemming heeft van alle betrokkenen, met bedrieglijk opzet telecommunicatiegegevens tussen mensen te registreren, te identificeren of te wijzigen.
Luidens het derde lid van dit artikel is het een misdrijf, met opzet kennis te nemen van telecommunicatiegegevens van een ander persoon. In het derde lid is, vergeleken met de voorgaande leden, het bedrieglijk karakter weggevallen en is de vermelding « telecommunicatiegegevens van en naar een persoon » gewijzigd in « telecommunicatiegegevens van een ander persoon ». Aldus zijn de door het derde lid beschermde telecommunicatiegegevens veel uitgebreider, daar zij alle handelingen verricht op een netwerk omvat, ongeacht of de gegevens gericht zijn naar een persoon of naar een systeem.
Aldus worden bepaalde feiten luidens het derde lid van dit artikel schijnbaar strafbaar gesteld, terwijl zij naar het eerste en het tweede lid, van datzelfde artikel, worden toegelaten. Een zinvol onderscheid, dat met enige goede wil in dit artikel kan worden teruggevonden, bestaat hierin dat de eerste twee leden betrekking hebben op het actief registreren van telecommunicatiegegevens, terwijl het derde lid betrekking heeft op de kennisname door onbevoegden van een uitgevoerde registratie. Het derde lid beschermt dan enkel het fysieke resultaat van de verrichtingen uitgevoerd krachtens het eerste en het tweede lid.
1. Is de geachte minister het eens met deze interpretatie van het artikel en kan hij ingeval hij het oneens is met deze interpretatie een en ander verduidelijken ?
2. Getuigt de te ruime omschrijving van het derde lid van artikel 109terD van deze wet, aldus niet van een ernstig gebrek aan nauwkeurigheid ?
3. Is de geachte minister er zich van bewust dat dit lid, een essentieel onderdeel uitmaakt van de bescherming inzake de telecommunicatie, in strijd met het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, omschreven in het artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat vereist dat de strafbare gedragingen en straffen met grote nauwkeurigheid worden bepaald, waardoor het niet denkbeeldig is dat men deze bepaling met succes zal aanvechten voor het Europees Hof van de rechten van de mens ?