2-639/7

2-639/7

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

8 MAART 2001


Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 190, 194, 259bis-9, 259bis-10, 259octies en 371 van het Gerechtelijk Wetboek, tot invoeging van artikel 191bis in het Gerechtelijk Wetboek en tot wijziging van artikel 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten


AMENDEMENTEN

ingediend na de goedkeuring van het verslag


Nr. 29 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 3

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Artikel 3 van het ontwerp van wet zoals het thans luidt, is naar mijn mening onverenigbaar met de grondwettelijke regels inzake gelijkheid van Belgen voor de wet en inzake non-discriminatie.

In hun respectieve adviezen hebben de Raad van State (Stuk Kamer, 1999-2000, nr. 50-703/1) en de Hoge Raad voor de Justitie (Stuk Kamer, 2000-2001, nr. 50-703/12) ronduit bedenkingen met betrekking tot de eerbiediging van de grondwettelijke beginselen, hoewel beide instellingen het vraagstuk zelf ten gronde niet hebben kunnen onderzoeken. Deze adviezen waren uitgebracht terwijl volgens het oorspronkelijke artikel 3 het de bedoeling was een vrijstelling voor het examen inzake beroepsbekwaamheid te verlenen aan advocaten met meer dan twintig jaar anciėnniteit en aan de advocaten die gedurende 15 jaar het beroep van advocaat hebben uitgeoefend en vervolgens gedurende vijf jaar een functie hebben uitgeoefend die een gedegen kennis van het recht vereist.

Nadat in de Senaatscommissie voor de Justitie amendementen werden aangenomen, zijn beide leeftijdscriteria respectievelijk voor de eerste categorie van twintig jaar tot vijftien jaar teruggebracht en voor de tweede categorie van vijftien tot tien jaar. Het voorbehoud van de Raad van State en van de Hoge Raad voor de Justitie is dan ook des te meer gegrond.

Het Arbitragehof, de Raad van State en het Hof van Cassatie bevestigen eenparig dat de regels bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geen verschil in behandeling uitsluiten tussen de aparte categorieėn, voorzover de criteria voor een dergelijk verschil objectief en redelijk zijn verantwoord. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden getoetst aan de doelstelling en de gevolgen die de betwiste maatregel heeft en aan de aard van de beginselen die op het spel staan. Het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden wanneer blijkt dat een redelijke evenredigheidsverhouding ontbreekt tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

De norm bedoeld in artikel 3 is erop gericht de toepassingssfeer inzake de werving voor de zittende magistratuur te verruimen. Die doelstelling moet uiteraard overeenstemmen met het oogmerk van de wet van 18 juli 1991, die in de objectivering van de benoemingen voorziet. Daarom rijst de vraag of de doelstelling om de toepassingssfeer inzake de werving te verruimen wel in redelijke evenredigheidsverhouding staat tot de daartoe aangewende middelen.

Naar mijn mening valt het niet redelijk te verantwoorden dat advocaten met vijftien jaar balie-ervaring worden vrijgesteld van het examen inzake beroepsbekwaamheid terwijl dat examen voor de advocaten met tien jaar balie-ervaring gehandhaafd blijft. Dat de advocaten « niet geneigd » zouden zijn om het examen inzake beroepsbekwaamheid af te leggen zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Kamer, kan immers niet als een redelijke verantwoording worden beschouwd. Dit is nochtans de enige verantwoording die in aanmerking komt. Er wordt geen enkele objectieve reden aangehaald die ertoe strekt deze specifieke procedure van toegang tot de magistratuur voor bepaalde categorieėn te verantwoorden.

Het lijkt dan ook overduidelijk dat er gevaren bestaan voor willekeurige beslissingen. Zo bijvoorbeeld advocaten met tien jaar balie-ervaring die vervolgens gedurende vijf jaar « een functie uitoefenden die een gedegen kennis van het recht vereist » worden hiervan vrijgesteld. « De uitoefening van een functie die een gedegen kennis van het recht vereist » is immers als criterium vaag en schept rechtsonzekerheid. Er dient immers te worden opgemerkt dat artikel 3, § 2, bepaalt dat de benoemings- en aanwijzingscommissie er vooraf over moet oordelen of het verzoek ontvankelijk is. Nergens staat vermeld welke maatstaven worden gebruikt voor de ontvankelijkheid van het verzoek : het betreft objectieve voorwaarden zoals anciėnniteit bij de balie, maar in voorkomend geval kan ook op een volstrekt willekeurige wijze het niet nader omschreven criterium ­ een functie uitoefenen die een gedegen kennis van het recht vereist ­ in aanmerking worden geomen.

De hamvraag is dan ook of de (inzonderheid juridische) bekwaamheid van de kandidaten wordt getoetst en of iedereen op voet van gelijkheid staat.

Dit artikel vormt een duidelijke achteruitgang in verhouding tot de wet van 18 juli 1991, die ertoe strekte de toegang tot de magistratuur op een zo objectief mogeljke wijze te depolitiseren.

Bovendien wordt aan de Senaat gevraagd het principe van een mondeling evaluatie-examen goed te keuren hoewel de wet niet voorziet in minimale waarborgen met betrekking tot de inhoud van dit mondeling examen en tot de selectiecriteria van de kandidaturen. Die zouden aan de wetgever op zijn minst de mogelijkheid bieden om na te gaan of de grondwetsbepalingen inzake gelijkheid en non-discriminatie niet zijn geschonden.

Wat mij betreft, is dit onaanvaardbaar.

Nr. 30 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 5

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Dit amendement vloeit voort uit amendement nr. 29 (zie verantwoording bij dat amendement).

Nr. 31 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 6

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Dit amendement vloeit voort uit amendement nr. 29 (zie verantwoording bij dat amendement).