(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
De regularisatieoperatie lijkt stilaan op gang te komen. Toch blijven heel wat vragen aan de orde.
Bij de bespreking van de wet van 22 december 1999 heb ik tijdens de zittingen van de commissie Binnenlandse Zaken de geachte minister meermaals gevraagd of de indiener van een regularisatieaanvraag een beroep kan doen op maatschappelijke bijstand. Daarop werd toen geantwoord dat « het indienen van de regularisatieaanvraag de rechtspositie niet wijzigt en hem bijgevolg geen recht geeft op maatschappelijke bijstand, tenzij hij hiervan reeds voor de aanvraag genoot ».
Intussen is een en ander geëvolueerd. Aanvragers van regularisatie krijgen de mogelijkheid om tewerkgesteld te worden krachtens een omzendbrief inzake de tewerkstelling van de aanvragers tot regularisatie aan de hand van een voorlopige arbeidsvergunning. De minister van Landbouw en Middenstand beloofde een gelijkaardige versoepeling van de beroepskaart voor het uitbaten van zelfstandigenactiviteiten iets waar helaas tot op vandaag niets van in huis is gekomen.
Hieruit blijkt dat de regering de mensen in afwachting van de behandeling van hun dossier zo goed en « wit » mogelijk wil laten functioneren. Het is dan ook politiek niet opportuun om bovenstaand standpunt met betrekking tot het recht op maatschappelijke bijstand aan te houden.
Bovendien rijst de vraag of een dergelijk standpunt niet contradictoir is met de arresten van het Arbitragehof geveld in het domein van de beperking van de maatschappelijke dienstverlening (nr. 80/99, nr. 43/98, nr. 46/98, nr. 51/94). Daarbij heeft het hof steeds voorgehouden dat de wetgever de uitsluiting van maatschappelijke dienstverlening als evenredige techniek kan hanteren om de immigratie te beperken « wanneer is vastgesteld dat andere aangewende middelen om voortgezet illegaal verblijf te ontmoedigen, niet doeltreffend zijn ». Krachtens artikel 14 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie wordt een tijdelijk niet-verwijderingsbeleid ingesteld ten behoeve van de hier illegaal verblijvende aanvragers tenzij de openbare orde in gevaar is of men kennelijk niet beantwoordt aan de criteria van de wet. De wetgever heeft met andere woorden ten aanzien van deze mensen afstand gedaan van een verwijderingsbeleid.
De vraag is dan ook of de geachte minister :
1. vasthoudt aan zijn uitspraak dat « het indienen van de regularisatieaanvraag de rechtspositie niet wijzigt en hem bijgevolg geen recht geeft op maatschappelijke bijstand, tenzij hij hiervan reeds voor de aanvraag genoot »;
2. meent dat die uitspraak te verzoenen is met de vigerende rechtspraak van het Arbitragehof;
3. meent dat die uitspraak het gelijkheidsbeginsel niet schendt, mede gelet op de inspanningen die geleverd worden naar aanvragers op vlak van tewerkstelling;
4. de duidelijke instructie geeft aan de OCMW's om geen maatschappelijke dienstverlening te geven behoudens de dringende medische verzorging ?
Antwoord : Als antwoord op de door het geachte lid gestelde vraag kan ik hem het volgende meedelen.
1. De samenlezing van artikel 57, § 2, van de organieke OCMW-wet van 8 juli 1976 en van de bepalingen van de regularisatiewet van 22 december 1999 laat mijns inziens geen andere interpretatie toe dan diegene die ik in mijn omzendbrief van 11 februari 2000 heb verwoord. Ik heb er de aandacht op gevestigd dat een aanvraag tot regularisatie op grond van de wet van 22 december 1999 op zich geen recht op maatschappelijke hulp opent gedurende de procedure, met uitzondering desgevallend van dringende medische hulp overeenkomstig voornoemd artikel 57, § 2.
De wetgever heeft bepaald dat het indienen van een regularisatieverzoek geen invloed heeft op de juridische toestand van de betrokken persoon en diens verblijfssituatie niet wijzigt.
De memorie van toelichting bij de wet van 22 december 1999 preciseert terzake immers zeer duidelijk dat deze wet niet de bedoeling heeft het recht op sociale uitkeringen te doen ontstaan voor wie er anders geen zou hebben. Er wordt enkel een uitzonderlijke mogelijkheid in het leven geroepen om een wettig verblijf te verkrijgen. Het louter indienen van een verzoek daartoe opent geen recht op maatschappelijke hulpverlening (Parl. Stuk, Kamer van volksvertegenwoordigers, nr. 234/1 van 8 november 1999, blz. 5).
Artikel 14 van de wet van 22 december 1999 impliceert enkel dat het bevel om het grondgebied te verlaten niet feitelijk, niet manu militari door de bevoegde autoriteit zal worden uitgevoerd, behalve voor maatregelen die door de openbare orde of de nationale veiligheid worden gemotiveerd of tenzij de aanvraag kennelijk niet aan de wettelijke voorwaarden beantwoordt. Het bevel om het grondgebied te verlaten blijft onverminderd toepasselijk op de betrokken persoon, die in de eerste plaats ertoe gehouden is om zelf vrijwillig dit bevel uit te voeren.
Het Hof van Cassatie heeft bij arrest van 4 september 1995 terecht gepreciseerd dat uit het feit dat de Dienst Vreemdelingenzaken niet tot de effectieve uitvoering van het bevel overgaat, niet kan worden afgeleid dat dit geen definitief of uitvoerbaar karakter heeft. De toepassing van voornoemd artikel 14 is met andere woorden niet van aard de illegale toestand van regularisatieaanvragers te wijzigen en creëert geenszins een recht op maatschappelijke dienstverlening.
Niettemin wens ik nogmaals te beklemtonen dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen die aanvragers van een regularisatie die steungerechtigd waren op het ogenblik van de aanvraag en diegenen die enkel gerechtigd waren op dringende medische hulpverlening. De regularisatieaanvraag schept geen nieuw recht op maatschappelijke dienstverlening, maar mag evenmin het bestaande recht op maatschappelijke dienstverlening wijzigen.
Inzake de steunverlening moet dus een onderscheid gemaakt worden tussen verschillende situaties :
een vreemdeling of asielzoeker die op het ogenblik van zijn regularisatieaanvraag legaal in het land verbleef en steungerechtigd was, blijft dit recht op steun behouden aangezien hij of zij een verblijfstitel zou moeten behouden (of minstens geen bevel om het grondgebied te verlaten betekend krijgen);
een vreemdeling of asielzoeker die op het ogenblik van zijn regularisatieaanvraag een uitvoerbaar bevel had om het grondgebied te verlaten, en dus illegaal was, maar die tegen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met toepassing van artikel 63/3 van de vreemdelingenwet of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen beroep heeft ingesteld bij de Raad van State, kan op basis van de arresten van het Arbitragehof (onder andere nr. 43/98) verder steun ontvangen tot op het ogenblik van een beslissing van de Raad van State;
een vreemdeling of asielzoeker die op het ogenblik van zijn regularisatieaanvraag een uitvoerbaar bevel had om het grondgebied te verlaten en geen beroep instelde bij de Raad van State, heeft enkel recht op dringende medische hulpverlening;
een vreemdeling die illegaal was op het ogenblik van zijn regularisatieaanvraag, heeft enkel recht op dringende medische hulpverlening.
2 en 3. Ik ben inderdaad van oordeel dat dit standpunt te verzoenen is met de vigerende rechtspraak van het Arbitragehof. Volgens het hof schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het zo wordt geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de vreemdeling die gevraagd heeft erkend te worden als vluchteling, en wiens aanvraag is verworpen en die een bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten, zolang de beroepen die bij de Raad van State zijn ingesteld tegen de beslissing die de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatslozen met toepassing van artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 heeft genomen, of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet zijn beslecht evenmin als op de vreemdeling aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend en die om medische redenen in de absolute onmogelijkheid is om er gevolg aan te geven. Uit de rechtspraak van het Arbitragehof blijkt dat de geviseerde categorie van vreemdelingen niet tot één van de uitzonderingen behoort die het hof heeft onttrokken aan de toepassing van artikel 57, § 2, van de OCMW-wet. Hebben zij geen recht op maatschappelijke dienstverlening, dan krijgen regularisatieaanvragers niettemin door middel van een voorlopige arbeidsvergunning de kans om tijdens de procedure in hun levensonderhoud te voorzien.
4. Zoals sub 1 opgemerkt, heb ik in mijn omzendbrief van 11 februari 2000 duidelijke instructies terzake gegeven aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.