2-84

2-84

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DONDERDAG 14 DECEMBER 2000 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de minister van Landbouw en Middenstand over «de vervanging van dierenmeel voor veevoeder door genetisch gemodificeerde soja» (nr. 2-288)

Vraag om uitleg van de heer Michiel Maertens aan de minister van Landbouw en Middenstand over «het gebruik van vismeel in veevoeder» (nr. 2-294)

De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie, antwoordt namens de heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - De Europese ministers van Landbouw beslisten om vanaf 1 januari voor zes maanden de verwerking van dierenmeel in dierenvoer voor runderen, varkens en kippen te verbieden. De schrik voor BSE en de menselijke variant Creutzfeldt-Jakob zit er dus diep in. Minister Gabriëls toonde zich vooral bezorgd over het financiële plaatje van deze operatie. De publieke opinie verwacht echter wel duidelijk dat alles in het werk wordt gesteld om de veiligheid van ons voedsel te verzekeren.

Een onbedoeld neveneffect van het verbod op dierenmeel zou kunnen zijn dat dierenmeel nu massaal wordt vervangen door genetisch gemodificeerde soja. Dan komen we van de regen in de drop. Soja wordt bovendien geteeld met veel meer herbiciden, zoals bijvoorbeeld het product Roundup van Monsanto. Greenpeace vroeg met een actie tegen een schip van veevoedergigant Cargill aandacht voor dit probleem. 80% van de consumenten vragen om GGO-vrije voeding. Diverse warenhuizen zegden reeds toe dat ze geen voedsel afkomstig van dieren gevoed met GGO's meer in de rekken zouden leggen. In de Verenigde Staten zijn er ook voldoende boeren die natuurlijke en gemodificeerde sojateelten gescheiden willen houden. Maar firma's als Cargill vermengen bewust natuurlijke en GGO-soja zodat hun klanten bijna verplicht worden om GGO-soja af te nemen, gezien de monopoliepositie van Cargill in het sojatransport. De consument verliest daardoor zijn keuzevrijheid en wordt verplicht om toch GGO-voedsel te slikken.

Ik stel vast dat de minister van Volksgezondheid al een duidelijk standpunt heeft ingenomen. Mevrouw Aelvoet heeft benadrukt dat de gescheiden aanvoer van natuurlijke en gemodificeerde grondstoffen een noodzakelijke voorwaarde is om de vrije keuze van de consument te kunnen garanderen en dat bovendien aan landbouwers een duidelijk signaal moet worden gegeven dat hun GGO-vrije producten ook zo behandeld zullen worden. Daarom is het belangrijk dat de lacunes in de wetgeving worden weggewerkt. Mevrouw Aelvoet denkt aan een etiket voor GGO-vrije veevoeders zoals nu al wordt toegepast voor de voeding in het algemeen. Deelt de hele regering dit standpunt van de minster van Volksgezondheid?

Van de minister van Landbouw had ik graag vernomen of hij het verbod op dierenmeel voor zes maanden nu al dan niet actief op het terrein zal laten uitvoeren. Over de opportuniteit van die maatregel heeft hij tot nog toe twijfel laten bestaan.

Is hij verder voorstander van het weren van GGO-soja uit dierenvoer en opteert hij dus voor het scheiden van beide voedselstromen?

Zal hij dan ook concrete maatregelen nemen om een substitutie op grote schaal van dierenmeel door GGO-soja te voorkomen?

Ook vanuit landbouwmiddens heeft men al laten verstaan dat substitutie geen gelukkig idee zou zijn.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Op voorstel van de International Council of Exploration of the Sea, de ICES, heeft de heer Fishler, commissaris voor Visserij, voor 2001 een drastische inkrimping van de totaal toegelaten vangsten, de zogenaamde TAC's in de visserij, aangekondigd. Vooral de kabeljauw- en wijtingvangsten worden tot 75% ingekrompen. Maar ook de totaal toegelaten vangst voor platvis, waarop vooral onze vissers vissen, wordt zwaar naar beneden gehaald. Voor onze vissers is dit na al de andere van de jongste tien jaar, een nieuwe tegenslag. Als het zo voortgaat zullen over 25 jaar de enige vissers op onze kusten onze kleinkinderen zijn, die met een schepnetje garnaaltjes vangen in de plassen. Ik ben niet pessimistisch, maar dat is de trieste realiteit.

De reden voor deze dalingen ligt bij de dramatische vermindering van de visbestanden onder het veilig biologisch minimum door de overbevissing van kleine vissen, die het voedsel zijn voor de grote vissen zoals de kabeljauw vooral door de Noorse en Deense fabrieksschepen van vismeel en visolie die vooral zandspiering, steenbolkkever en andere kleine vissen met grote netten wegvissen.

Nochtans importeren we jaarlijks ongeveer 50.000 ton vismeel voor een bedrag van bijna 1 miljard voor verwerking in het veevoeder. Dat vismeel is perfect vervangbaar door plantenmateriaal en niet noodzakelijk door genetisch gemodificeerde producten.

Zo bedreigt onze eigen veevoederindustrie waarvoor die 50.000 ton vismeel is bestemd, onrechtstreeks het voortbestaan van onze eigen visserij. Ik heb het daarbij dan alleen nog maar over het vismeel en niet over de visolie. Bovendien is algemeen geweten dat meer en meer PCB's en dioxines in zee worden geloosd en door de vissen worden opgenomen zodat kankerverwekkende stoffen in het veevoeder terechtkomen, wat het risico voor mens en dier nog maar eens verhoogt. Dat veevoeder veroorzaakt dus niet alleen gekkekoeienziekte, maar is ook schadelijk door de PCB's en dioxines die erin voorkomen. Binnenkort weten we helemaal niet meer wat we nog mogen eten en drinken en kunnen we alleen nog maar af en toe naar adem happen zoals een goudvis in zijn bokaal.

Ik beweer niet dat de fameuze sanitaire normen worden overschreden, wel dat het gevaar constant toeneemt.

In het verslag van 27 mei 1998 van de Europese Visserijcommissie over de visserij voor industriële doeleinden staat nochtans duidelijk het volgende: "Zij nog opgemerkt dat de industrievisserij op de duur niet van de ontwikkeling van de consumptievisserij kan worden losgekoppeld. Als namelijk de consumptievisserij haar vangstcapaciteit, zoals beoogd in de meerjarige oriëntatieprogramma's voor de periode 1997-2001, het MOP IV, met 30%..." - nu spreekt men al van 70% en voor sommige vissoorten van 40% - "...inkrimpt, dan doet zich als gevolg van de wisselwerkingen tussen deze twee visserijtakken het gevaar voor dat ten aanzien van de doelsoorten van de industrievisserij een tweedelig negatief effect wordt gesorteerd: aan de ene kant is het goed mogelijk dat vissers op consumptievis de overeengekomen capaciteitsverminderingen trachten te omzeilen door zich toe te leggen op de industrievisserij - dat is voor onze vissers zeker niet weggelegd, want zij hebben daarvoor geen investeringsmiddelen -, aan de andere kant kan door het beoogde herstel van de consumptievisbestanden de druk op de doelsoorten van de industrievisserij - die als voedsel dienen voor de consumptievis - extra vergroot worden. De mogelijkheid dat in de toekomst ook de afname van het bestand van de doelsoorten van de industrievisserij aanzienlijk moet worden afgeremd, mag niet uit het oog worden verloren." De commissie zag dus twee jaar geleden al duidelijk in wat er zou gebeuren, wat aanleiding heeft gegeven tot de maatregelen van de heer Fischler. In de voorbije twee jaar is echter helemaal niets veranderd. De zee wordt nog steeds leeggezogen.

Onze conclusie kan dus alleen maar zijn dat onze vissers door de industrievisserij op meervoudige wijze worden benadeeld. België moet zich niet alleen om principiële redenen tegen deze vorm van visserij verzetten, zoals de vorige minister van Landbouw reeds in 1997 aan de heer Lozie meedeelde, maar zich tijdens het komende Europese voorzitterschap ook tegen onder meer de Denen en Noren verzetten zodat deze vorm van roofbouw op het mariene milieu definitief uit wereld wordt geholpen. Onze vissers zullen de minister van Landbouw er bijzonder dankbaar om zijn. Het overleven van hun sector ligt in zijn handen. Als hij in de Europese Raad niets bereikt, kunnen zij het wel voor bekeken houden. Dan moeten zij hun boten in de haven laten liggen en kunnen zij er alleen nog maar toeristische uitstapjes mee organiseren.

Hoeveel ton vismeel wordt er jaarlijks ingevoerd, voor welke bedragen en uit welke landen?

In welke voedingsmiddelen wordt dit vismeel verwerkt?

Op welke wijze onderzoekt en controleert de overheid of het vismeel volledig vrij is van PCB's en dioxines? Welke conclusies worden hieruit getrokken? Wordt de controle overgelaten aan de Bemefa, de veevoedersector, die het volle vertrouwen van de overheid geniet?

Door welke plantaardige producten kan vismeel worden vervangen en in welke mate is dit in het verleden reeds gebeurd? Uit de cijfers van de jongste tien jaar blijkt dat de hoeveelheid vismeel die wordt ingevoerd, constant blijft.

Wat zijn de beleidsopties van de minister terzake, in het bijzonder met betrekking tot de bescherming van onze visquota?

In hoeverre kan dit thema worden opgenomen op de agenda van het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik ben het ermee eens dat een minister van alle markten thuis moet zijn, maar gelet op de ingewikkelde terminologie in deze vragen, verkies ik mijn toevlucht te nemen tot het antwoord dat de minister van Landbouw en Middenstand heeft voorbereid.

Alvorens te antwoorden op de vragen van de heer Malcorps wil ik eerst duidelijk maken dat ik het niet helemaal eens ben met zijn analyse. In de eerste plaats ben ik samen met de volledige regering begaan met de bescherming van de gezondheid van de bevolking en van de dieren. We moeten de consument kunnen garanderen dat het rundvlees dat hij/zij op zijn/haar bord krijgt 100% veilig is.

Ik maak mij daarom vooral zorgen om de uitvoerbaarheid en de controleerbaarheid van de Europese maatregelen. Het kostenplaatje is daarbij natuurlijk een niet onbelangrijk aspect, maar komt niet op de eerste plaats.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Hoewel de regering niet echt tevreden is met de beslissingen van de Europese Landbouwraad, wil ze deze toch loyaal uitvoeren. We worden daarbij geconfronteerd met een aantal praktische problemen vooral omdat we alles binnen een korte tijdsspanne moeten realiseren. Er is op mijn initiatief een technische werkgroep opgericht waarin alle betrokken partijen vertegenwoordigd zijn: Landbouw, Volksgezondheid, het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen en de gewesten. Deze werkgroep maakt momenteel een inventaris van alle praktische problemen en werkt tegelijkertijd aan de oplossing ervan.

Zo is er momenteel bijvoorbeeld een koninklijk besluit in voorbereiding dat het Europees tijdelijk verbod op dierlijke eiwitten reeds gedeeltelijk omzet in Belgisch recht. Dat koninklijk besluit zal eerstdaags in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd.

Een van mijn grote bekommernissen is dat de boeren ook na 1 januari 2001 hun dieren moeten kunnen voeren met kwalitatief hoogstaand dierenvoer. Een van de mogelijk beschikbare alternatieven voor de verboden dierlijke eiwitten is vismeel, dat nog steeds gebruikt zal mogen worden in het voer van andere dieren dan herkauwers. Een ander mogelijk alternatief is soja, al dan niet genetisch gemodificeerd. Ik wil het geachte lid erop wijzen dat momenteel een aantal genetisch gemodificeerde organismen, GGO's, toegelaten zijn op Europees niveau, ook voor gebruik in dierenvoer. Wanneer een mengvoer GGO's bevat moet dit duidelijk vermeld staan op het etiket of op het document dat de betrokken partij begeleidt.

De operator beslist dus zelf of hij wel of niet GGO's wil gebruiken bij de fabricage van zijn mengvoer. De boer kan dus zelf vrij kiezen of hij voer met GGO's aan zijn dieren wil geven.

Ik heb trouwens in dat verband reeds aan de administratie de opdracht gegeven om de controles op het gebied van de etikettering van mengvoer op te drijven. Ze zullen daarbij monsters van mengvoer nemen om te controleren of de inhoud ervan klopt met wat op het etiket staat vermeld.

Er zal streng opgetreden worden tegen handelaars die nalaten om de aanwezigheid van GGO's in hun mengvoer op het etiket of op het begeleidend document te vermelden. De landbouwer moet zelf vrij kunnen kiezen. Wij moeten hem garanderen dat de keuze die hij maakt, ook wordt gerespecteerd."

De heer Maertens vraagt hoeveel ton vismeel jaarlijks wordt ingevoerd, voor welke bedragen en uit welke landen. Ik zal hem terzake statistieken van de BDBH over de invoer in 1999 en in de eerste acht maanden van dit jaar bezorgen.

Vismeel wordt voornamelijk verwerkt in voeders voor biggen, tot ze ongeveer 20 kilogram wegen, voor kippen, vooral tijdens de eerste twee levensweken, voor kalkoenen, tot ze vier tot zes weken oud zijn, en in voeder voor vissen, honden en katten.

Inzake de controle op de aanwezigheid van PCB's en dioxines in vismeel kan ik melden dat elke persoon die vismeel in de handel brengt, een vergunning moet hebben als operator in toepassing van het koninklijk besluit van 30 oktober 1998 betreffende de erkenning en registratie van fabrikanten en tussenpersonen en de toelating van operatoren en handelaars tot de sector van de dierenvoeding. De betrokken firma moet analyses laten uitvoeren betreffende het gehalte aan PCB's op elk lot vismeel dat de firma in de handel brengt. Elke overschrijding van de normen moet aan de administratie worden meegedeeld. Tot op heden heeft de administratie nog geen enkele melding ontvangen.

Vooral voor kippen en kalkoenen is er momenteel geen plantaardig alternatief dat voor de groei dezelfde prestaties kan geven als dierenmeel. Daarom zal het waarschijnlijk worden vervangen door vismeel. Indien dierenmeel door een plantaardig product moet worden vervangen, moet het gaan om een proteïnerijke product, zoals bijvoorbeeld soja. Op wereldschaal stellen we momenteel een sterke stijging van de vraag naar soja vast.

België heeft zich steeds verzet tegen de industriële visserij. Een beperking van deze visserij in zijn geheel of een verscherping van de bijvangstregels moeten evenwel op Europees vlak worden geregeld. Aangezien de industriële visserij scherp wordt bekritiseerd, heeft de Europese Commissie studies laten uitvoeren. De resultaten daarvan zijn te vinden in een rapport van 10 december 1992 onder de benaming "Evaluatie van de biologische effecten van de industriële visserij in de Noordzee en in het Skagerak en het Kattegat". In dat rapport staat duidelijk dat de industriële visserij weinig of geen invloed op de kabeljauwstand heeft. Wellicht daarom heeft de Commissie geen voorstellen geformuleerd om deze visserijtak te beperken.

Om de visstocks beter te beschermen, moet worden getracht het dood over boord gooien van jonge vissen, de zogenaamde discards, zoveel mogelijk te beperken, zeker voor rondvis met een grote zwemblaas. Ik zal er daarom op aandringen de maaswijdtes voor de vangst van rondvis te vergroten. Ook het sluiten van gebieden in de paaiperiode moet worden overwogen. Verder ben ik bereid het probleem van de discards, vooral dan van rondvis, waarvoor het probleem zich het scherpst stelt, als een belangrijk aandachtspunt op te nemen voor het komende Belgische voorzitterschap.

Tot zover het antwoord van minister Gabriëls.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik betreur dat minister Gabriëls niet duidelijk zegt of hij al dan niet voorstander is van het weren van genetisch gemodificeerde soja uit dierenvoer. Natuurlijk bestaan er daarover internationale afspraken, maar we kunnen toch standpunten innemen en die op Europees vlak en elders verdedigen. Ik ben wel blij dat er een duidelijke scheiding komt tussen natuurlijke en gemodificeerde soja. Ik hoop dat ook voor de etikettering de nodige maatregelen zullen worden genomen.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Mag ik vragen dat de minister de volgende opmerkingen aan zijn collega wil overmaken.

Zijn antwoord is bijna letterlijk hetzelfde als dat van zijn voorganger, drie jaar geleden aan collega Lozie. Alleen enkele woorden werden gewijzigd. Hij zegt dat de industriële visserij geen invloed heeft op het kabeljauwbestand. Ik heb hier het verslag van de commissie visserij van het Europees Parlement. Daarin staat dat zandspiering een belangrijke voedselbron is voor vele soorten consumptievis zoals kabeljauw en schelvis. Wie liegt er nu eigenlijk? Zijn de wetenschappers het hierover dan niet eens? Is het omdat de macht van Noorwegen en Denemarken zo groot is dat wordt verkozen erover te zwijgen? Als de Belgische visserij naar de haaien gaat, is dat de schuld van het beleid.

Een ander merkwaardig punt is dat er voor kippen en kalkoenen geen alternatief zou zijn voor vismeel. Nochtans kweek ik al dertig jaar kippen zonder vismeel. Ze hebben nooit één vis gegeten en toch leggen ze goed. Er zijn voldoende alternatieven en die moeten niet eens genetisch gemodificeerd zijn. Kortom, het antwoord dat ik hier krijg zit vol ongerijmdheden.

Daarom durf ik de minister van Landbouw voorstellen dat hij niet alleen met zijn collega's gaat praten, maar dat hij eerst even aan de administratie vraagt of die eigenlijk wel weet waar ze het over heeft. Welke particulier kweekt er nu kippen met vismeel? Wij gebruiken allemaal voer dat we kennen zoals maïs of andere graansoorten. Natuurlijk is het juist dat wanneer aan kuikens fijngemalen voer wordt geven, daar wel ingrediënten uit de vismeelindustrie kunnen in zitten. Waar het eigenlijk om gaat is dat vismeel het goedkoopste is, omdat het op zee gestolen wordt van onze vissers, op grote fabrieksschepen wordt vermalen en verwerkt en dat is pure winst. Het is gewoon roofbouw.

-Het incident is gesloten.