2-84

2-84

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DONDERDAG 14 DECEMBER 2000 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Ludwig Caluwé aan de minister van Justitie over «de medewerking van telecommunicatienetwerken aan de vorderingen van een onderzoeksrechter» (nr. 2-422)

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Mijn vraag sluit aan bij die van de vorige spreker. De huidige buitengewone inbrakengolf kan immers niet meer herleid worden tot kruimeldiefstallen, maar draagt alle kenmerken van een georganiseerde criminaliteit. Een van de middelen om die te bestrijden is het afluisteren van mobiele telefoons. Dit stelt echter problemen. Vorig week nog liet onderzoeksrechter Bulthé huiszoekingen verrichten bij een mobiele telefonie-operator, ten einde gegevens vast te krijgen waar hij al lang naar zocht en waarvoor hij nooit enige medewerking van deze operator had gekregen.

Op 24 februari van dit jaar stelde ik de minister reeds een vraag om uitleg over dit onderwerp. Ik wees hem erop dat sommige operatoren onvoldoende medewerkten aan vorderingen van onderzoeksrechters tot medewerking aan het afluisteren van mobiele telefoons. Dit kunnen zij omdat er nog altijd geen uitvoeringsbesluit is uitgevaardigd inzake de wet op de georganiseerde criminaliteit en meer in het bijzonder over de wijze waarop deze operatoren hun medewerking moeten verlenen. De minister antwoordde mij toen dat dit koninklijk besluit behoudens onvoorziene omstandigheden in de eerstkomende maanden kon verwacht worden. Ik citeer: "Tijdens een werkvergadering op het kabinet op 23 februari 2000 is beslist dat het koninklijk besluit klaar zou zijn tegen 1 mei 2000. De voorbereiding gebeurt in samenwerking met de technische werkgroep, de administratie van justitie, het kabinet van minister Daems en het BIPT." Een half jaar later is dit koninklijk besluit er nog altijd niet, met als gevolg dat onderzoeksrechter Bulthé deze spectaculaire actie moest ondernemen. Kan de minister mij verklaren waarom dit er niet gekomen is? Wat waren de bijzondere omstandigheden die dit hebben verhinderd?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het is niet omdat de telefoontap, hét wapen bij uitstek, niet kan worden gebruikt in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, dat er onvoldoende aandacht gaat naar de strijd tegen de georganiseerde misdaad.

De onderzoeksrechter uit Brussel, de heer Bulthé, heeft vastgesteld dat de feitelijke samenwerking tussen de gerechtelijke autoriteiten en de operatoren problematisch is. De portefeuillehouder bij het College van de procureurs-generaal heeft mij op de hoogte gebracht van dit probleem. Daarom hebben het kabinet van minister Daems en de operatoren onderhandeld om dit knelpunt te kunnen wegwerken.

Het ontwerp van koninklijk besluit is klaar. Het dateert van 5 juni 2000 en werd, zoals verplicht, overgemaakt aan de privacycommissie voor advies. De commissie heeft, ondanks herhaald aandringen van mijzelf, nog geen advies over dit ontwerp uitgebracht. Ze heeft bijkomende vragen gesteld, waarop intussen is geantwoord. Ik heb intussen vernomen dat een spoedig advies kan worden verwacht. Eens het advies gegeven is, moeten er enkel eventueel nog kleine aanpassingen aan het koninklijk besluit gebeuren. Daarna kan het worden gepubliceerd.

Simultaan is gestart met de fase van de onderhandelingsprocedure met de leveranciers en het opstellen van het lastenkohier. Er wordt gewerkt aan de installatie van een nieuwe infrastructuur, namelijk de telefoontapkamer. Ik ben er, na sterk aandringen, in geslaagd om op de begroting een bedrag van 475 miljoen te laten inschrijven voor dit doel.

Zodra de onderhandelingsprocedure is afgerond en het lastenkohier is opgesteld, waarvoor de Europese procedure moet worden gevolgd, zal ik de opdracht voor de interceptie van de telecommunicatie kunnen toewijzen. Dan zal men met lokale tapkamers kunnen werken, hetgeen een grote garantie geeft dat we dan over hét wapen zullen beschikken waar we al lang naar zochten.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Ik betreur dat de procedure voor de totstandkoming van het koninklijk besluit in kwestie, zo lang duurt. Ik vermoed dat de minister, toen hij antwoordde dat het ontwerp klaar zou zijn op 1 mei 2000, reeds op de hoogte was van de adviesprocedure die nog zou moeten worden gevolgd. Het ontwerp is er trouwens later gekomen. Ik dring er samen met de minister sterk op aan dat de commissie voor privacy haar advies zo snel mogelijk uitbrengt.

Ik hoop dat de ministers er bij de operatoren zullen op aandringen om, zelfs al is het besluit nog niet gepubliceerd, de modaliteiten ervan toch reeds toe te passen.