2-83

2-83

Sénat de Belgique

Annales parlementaires

JEUDI 7 DÉCEMBRE 2000 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Vincent Van Quickenborne au ministre de l'Économie et de la Recherche scientifique sur «la délivrance de brevets sur le matériel biologique d'origine humaine et les droits des patients» (n° 2-287)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Deze vraag loopt vooruit op een fundamentele discussie die wij weldra in het Parlement zullen aanvatten. Dit belangrijke thema beroert het Europees Parlement reeds een tiental jaren. Sedert 1988 bediscussieert men daar de biotechnologie. Op 12 mei 1998 werd beslist een richtlijn uit te vaardigen over de octrooieerbaarheid van biotechnologische uitvindingen. Ik merk dat de minister op een interactieve manier met het publiek over de omzetting van die richtlijn in het Belgisch recht wil communiceren. De minister zet het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 28 maart 1984 op de website om de discussie aan te gaan met de betrokken actoren en erop toe te zien dat er een goede democratische regeling tot stand komt. De biotechnologie kan het menselijk wezen fundamenteel wijzigen in goede of in slechte zin. Daarom is een fundamenteel debat noodzakelijk. De ethische materie moet met de grootste omzichtigheid worden benaderd.

Een bepaald deel van de samenleving heeft veel schrik voor dit thema. Zo stellen de PSC-collega's voor een moratorium te zetten op de omzetting van de richtlijn 98/44, omdat zij menen dat onze gemeenschap daar niet klaar voor is. Ook andere partijen, zoals de groene, hebben problemen met deze discussie. Toch merken we dat deze discussie in onder meer de VS, Japan en Groot-Brittannië, opschiet en men daar beslissingen neemt. Wij blijven achter. Ik wil vandaag het fundamentele debat niet aangaan, wel enkele concrete vragen stellen over het voorontwerp van wet.

In het voorontwerp werden een aantal voorbehouden inzake de omzetting van de richtlijn opgenomen. Dat wijst op een aarzeling van de regering. Zo bepaalt artikel 4 expliciet dat er geen octrooi kan worden verleend, indien de uitvinding in strijd is met de openbare orde en de goede zeden. Er worden ook voorbeelden gegeven. Op zich heb ik daar geen problemen mee, maar ik vraag me af hoe dan aan de richtlijn wordt tegemoetgekomen, omdat deze geen enkele van deze voorwaarden vermeldt. Vindt de minister het niet riskant om een algemene notie als "openbare orde en goede zeden" met voorwaarden te bezwaren, aangezien die notie evolueert.

Ik stel ook vast dat in considerans 26 van de richtlijn wordt bepaald dat "als een uitvinding betrekking heeft op biologisch materiaal van menselijke oorsprong of gebruik maakt van dergelijk materiaal, in het raam van het indienen van een octrooiaanvraag, de persoon die als donor optreedt, de gelegenheid moet hebben gehad, overeenkomstig het nationale recht, zijn geïnformeerde en vrije instemming daarmee te betuigen". De minister neemt dit op als een dwingende voorwaarde voor octrooieerbaarheid. Is het niet zo dat door de invoering van die expliciete voorwaarde wetenschappelijk onderzoek wordt bemoeilijkt? Wat zullen artsen moeten doen als er na een chirurgische ingreep nog menselijk materiaal overblijft? Wat als het bekomen materiaal ook nuttig blijkt te zijn voor zogenaamd nader gebruik?

Biobanken zijn verzamelingen van menselijk materiaal die van onmetelijke betekenis zijn voor de wetenschap. Hoe gaat de minister de banken behandelen aan de hand van de nieuwe tekst waarbij het "informed consent" van de patiënt centraal staat en wetende dat vele donoren reeds gestorven of verhuisd zijn?

Zou het niet eenvoudiger en raadzamer zijn om de richtlijn 98/44 gewoon in te voeren en de ethische aspecten van deze kwestie op een andere plaats te regelen? Of verwacht de minister dat met deze voorzichtigheid deze Europese richtlijn zou kunnen worden vernietigd of worden gewijzigd door een aantal lidstaten van de EU?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Bij de eerste vraag van de heer Van Quickenborne wil ik graag enkele algemene bedenkingen maken. Het begrip openbare orde en goede zeden is een rechtsbegrip dat van nature evolueert met de evolutie van de zeden en gewoonten in de samenleving, teneinde deze te behoeden voor gevaren of ethische dwalingen die haar schade zouden kunnen berokkenen.

Dat de richtlijn geen melding maakt van de voorbeelden die in het nieuwe lid 4 van artikel 4 van het wetsontwerp worden aangehaald, is op zich geen probleem. De richtlijn verbiedt inderdaad niet een lijst met voorbeelden te geven. Geen enkele wet van een lidstaat en zeker niet de richtlijn, legt een lidstaat het verbod op een indicatieve lijst op te stellen van voorbeelden, die de lidstaat als tegenstrijdig met de openbare orde en de goede zeden beschouwt en dus als onwettelijk en bijgevolg als niet-octrooieerbaar.

De tweede vraag in verband met de vrije en geïnformeerde instemming en de openbare raadpleging van de betrokken actoren via internet, kan beter worden voorgelegd aan de minister van Volksgezondheid, die momenteel een ontwerp over die problematiek voorbereidt. Die bepaling zou dan in de memorie van toelichting en niet meer in de tekst zelf worden opgenomen, uiteraard met verwijzing naar de tekst van de minister van Volksgezondheid.

De derde vraag houdt verband met de tweede. Het probleem van donoren die gestorven of verhuisd zijn mag inderdaad niet worden onderschat. Ik denk dat die zaak moet worden behandeld in het raam van de teksten die mevrouw Aelvoet voorbereidt.

Ik kom nu tot de vierde vraag. De Belgische Staat moet deze richtlijn inderdaad omzetten. Het beroep bij het Gerechtshof waarop de heer Van Quickenborne zinspeelt, moet in principe worden verworpen omdat het niet gefundeerd is. Wij maken van de omzetting van die richtlijn wel gebruik om rekening te houden met ethische principes, zoals de niet-commercialisering van het menselijk lichaam, de vrije en geïnformeerde instemming van de donor van biologisch materiaal, met verwijzing naar de teksten van mevrouw Aelvoet en het principe van het niet-octrooieerbaar zijn van het menselijk genoom.

Het debat wordt hier niet worden afgerond. We zullen nog de gelegenheid hebben om dit boeiende debat over de toekomst van het wetenschappelijk onderzoek, in het parlement voort te zetten. Ik vraag dus nog wat geduld. De voorbereidende werkzaamheden starten in januari. Ik reken daarbij overigens op de waakzaamheid en de inbreng van de heer Van Quickenborne. De vragen die hij hier heeft gesteld, raken vele aspecten van mijn ontwerp en de omzetting van de richtlijn.

-L'incident est clos.

Mme la présidente. - L'ordre du jour de la présente séance est ainsi épuisé.

La prochaine séance aura lieu le jeudi 14 décembre 2000 à 15 h.

(La séance est levée à 18 h 55.)