Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-25

ZITTING 2000-2001

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 820 van mevrouw De Schamphelaere d.d. 7 september 2000 (N.) :
Onroerend goed. ≠ Koopovereenkomst. ≠ Belastingplichtige of belastingschuldige. ≠ Verjaring.

Bepaalde rechtspraak stelt dat de ontbinding van een koopovereenkomst niet voor gevolg heeft dat de oorspronkelijke koper van een onroerend goed ophoudt belastingplichtige inzake de onroerende voorheffing te zijn. Daarbij wordt een ruime interpretatie gegeven aan artikel 395 WIB 1992. Derhalve kan iemand die civielrechtelijk nooit eigenaar van een onroerend goed geweest is, toch aansprakelijk zijn voor de betaling van de betrokken onroerende voorheffing.

Talrijke gemeentebesturen heffen een belasting op tweede verblijven, waarbij de vestiging veelal ondeelbaar is en voor het ganse belastingjaar verschuldigd door de eigenaar op 1 januari van het belastingjaar ongeacht het feit of deze al of niet in de bevolkingsregisters van de gemeente ingeschreven is. Luidens de verwijzingsregels van artikel 12 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen kan artikel 395 WIB 1992 eveneens van toepassing zijn op gemeentebelastingen.

Graag kreeg ik van de geachte minister een antwoordop volgende vragen :

1. Moet bij een retroactieve beŽindiging van een koopovereenkomst inzake onroerend goed (bijvoorbeeld in geval van nietigverklaring door de vrederechter) het lokaal fiscaal recht met betrekking tot een gemeentebelasting op tweede verblijven de civielrechtelijke gevolgen overnemen en de initiŽle verkoper als belastingplichtige beschouwen of moet naar analogie met de regelgeving inzake onroerende voorheffing en bepaalde jurisprudentie terzake, de koper als belastingschuldige gekwalificeerd worden ?

2. In de hypothese dat de oorspronkelijke verkoper als belastingplichtige beschouwd moet worden, wat zijn dan de gevolgen voor de verjaring van de belastingschuld ? Indien de partijen alle mogelijke rechtsmiddelen aanwenden, kan de verjaringstermijn van vijf jaar immers bedreigd of zelfs overschreden worden. Dient de gemeenteontvanger in dat geval specifieke acties te ondernemen ?

Antwoord : Het geachte lid vindt hierna een antwoord op de gestelde vragen.

1. Volgens artikel 395 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat overeenkomstig artikel 12, eerste lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, van toepassing is op de provincie- en gemeentebelastingen zijn, zolang een eigendomsoverdracht niet in de stukken van het kadaster is overgeschreven, de vroegere eigenaar of zijn erfgenamen aansprakelijk voor de betaling van de onroerende voorheffing, tenzij zij kunnen bewijzen dat het onroerend goed overgegaan is op een andere eigenaar en zij de identiteit en het volledige adres van de nieuwe eigenaar laten kennen.

Indien de vroegere eigenaar de identiteit en het adres van de nieuwe eigenaar niet heeft kunnen laten kennen aan de administratie, heeft de vroegere eigenaar een verhaal op de nieuwe eigenaar.

Uit het voornoemd artikel 395 vloeit naar ik meen voort dat, indien de koopovereenkomst van het betreffende onroerend goed ingeschreven is in de stukken van het kadaster, de koper aansprakelijk zal zijn voor de betaling van de gemeentebelasting op tweede verblijven, tenzij hij het bewijs voorlegt van de retroactieve beŽindiging van de koopovereenkomst.

Indien de koper het bewijs van de retroactieve beŽindiging van de koopovereenkomst niet aan de administratie heeft kunnen voorleggen heeft hij een verhaal op de initiŽle verkoper voor de terugbetaling van de door hem betaalde gemeentebelasting op de tweede verblijven.

2. Overeenkomstig artikel 145 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat krachtens artikel 12, eerste lid, van de voormelde wet van 24 december 1996 van toepassing is op de provincie- en gemeentebelastingen, verjaart de belastingschuld inzake directe belastingen door verloop van vijf jaren vanaf haar eisbaarheid. Die termijn kan echter worden gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. In geval van stuiting van de verjaring treedt een nieuwe verjaring in, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, door verloop van vijf jaren na de laatste akte of handeling waardoor de vorige verjaring is gestuit indien geen geding voor het gerecht aanhangig is.

De gemeenteontvanger kan de verjaring van de belastingschuld stuiten, door een bevel tot betaling aan de werkelijke schuldenaar van de belasting te betekenen (toepassing van artikel 396 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek).