2-79

2-79

Sénat de Belgique

Annales parlementaires

JEUDI 23 NOVEMBRE 2000 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de Mme Sabine de Bethune à la vice-première ministre et ministre de l'Emploi et au ministre de la Justice sur «les mesures politiques contre le harcèlement moral» (n° 2-258)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - De aanleiding tot deze vraag is de dood van een jonge postbode. Hij pleegde zelfmoord omdat hij - zo bleek uit een korte afscheidsbrief - de verregaande pesterijen van een kliekje collega's op het werk niet langer aankon. In dezelfde periode werden enkele vergelijkbare gevallen publiek gemaakt. Het geval van de postbode is een extreem geval. In de meeste gevallen loopt het gelukkig niet zo een vaart. Toch is het fenomeen van pesterijen op het werk belangrijk genoeg om bij stil te staan.

Welke maatregelen kan de overheid nemen tegen mobbing? Pesten op het werk is geen recent fenomeen, al beweren sommigen dat het toeneemt door de grote stress waaronder de mensen in onze gejaagde samenleving gebukt gaan. Ik kan mij daarover niet uitspreken. Dat vereist wetenschappelijk onderzoek. Het gaat alleszins om een algemeen probleem. De gevolgen van pesterijen zijn onder meer psychosomatische klachten, posttraumatische syndromen en algemene angststoornissen.

Gebeurt er in België onderzoek over dit probleem? Zijn er voor ons land exacte cijfers voorhanden? Er hangt een taboesfeer rond pesterijen op het werk. De slachtoffers schamen zich en de daders realiseren zich niet altijd dat ze zich schuldig maken aan een ernstig feit.

In Noord-Europa wordt dit fenomeen reeds geruime tijd onderzocht. Een Zweedse psychiater, Heinz Leyman, is een van de eersten die sinds begin de jaren tachtig op grote schaal onderzoek doet naar pesterijen in werksituaties. Hij concludeert dat 3,5% van de werknemers het slachtoffer zijn van mobbing.

Ook in Nederland is er onderzoek verricht. Eén op vier werknemers zou er tijdens de loopbaan met pesterijen op het werk worden geconfronteerd.

Het gaat hier dus om een ernstig fenomeen.

Mijn vraag aan de minister is voor een groot deel informatief: in welke mate kan de overheid daarop door beleidsmaatregelen inspelen?

Vorig jaar werd in België de organisatie Helpende Handen opgericht. Ze heeft ondertussen enkele voorstellen uitgewerkt, waarover ik graag de mening van de minister zou kennen.

De vzw stelt bijvoorbeeld voor een centraal meldpunt op te zetten, waar slachtoffers van mobbing terechtkunnen. Tijdens de ontmoeting die ik met medewerkers van Helpende Handen had, vertelden ze met plezier over het meldpunt dat ze sinds enige tijd zelf, met de inzet van vrijwilligers, draaiend houden en over de eerste analyse van de klachten die ze tot nu toe hebben ontvangen.

Ze vragen dat de overheid meer steun geeft aan de andere zelfhulpgroepen van slachtoffers van pesterijen. Denkt de minister dat die een rol kunnen spelen in de strijd tegen mobbing?

Ze pleiten ook voor een intensivering van de preventie, bijvoorbeeld door een campagne in de bedrijven, spreekbeurten en dergelijke. Dergelijke dingen kosten natuurlijk geld. Denkt de minister dat dit een bijdrage kan leveren aan de vereiste mentaliteitsverandering en wil ze deze vzw financieel ondersteunen?

Ten slotte wijzen ze op het belang van een wettelijk kader dat fysiek en psychisch geweld aan banden legt. Men zegt dat een dergelijke wetgeving al op een min of meer afdoende wijze functioneert in Noord-Europa. Zelf plaats ik daar wel enige vraagtekens bij. Voor een deelaspect van mobbing, het ongewenst seksueel gedrag - waar vooral vrouwen het slachtoffer van zijn - is tijdens de vorige legislatuur een ernstige poging gedaan om dit fenomeen terug te dringen, bijvoorbeeld door de uitwerking van een wettelijk kader en van een procedure inzake de aanpak door de administratie en via een mentaliteitsverandering. Dat blijkt niet gemakkelijk. Acht de minister het huidige wettelijk kader afdoende of bereidt ze een nieuwe wetgeving voor?

Helpende Handen pleit er ook voor om middels een opvoedende en informatieve campagne in samenwerking met de pers de bevolking te sensibiliseren.

Ik ben zelf niet deskundig genoeg om deze voorstellen op hun efficiëntie te beoordelen. Ik neem aan dat de diensten van de minister dat wel kunnen. Ik kijk uit naar haar antwoord.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Mevrouw de Bethune haalde uit cijfers uit het buitenland dat 3,5 procent van de werknemers slachtoffer is van mobbing. Over een hele loopbaan is dat een op de vier. Hoe belangrijk die cijfers ook zijn, ook al is het aantal slachtoffers één honderdste daarvan, dan nog zijn dat er te veel. Recent viel er bovendien een dodelijk slachtoffer, wat de ernst van het probleem en de noodzaak om het effectief aan te pakken, nog onderstreept.

In de commissie voor de Sociale Aangelegenheden hebben we ons over deze problematiek gebogen tijdens de bespreking van het voorstel van de heer Mahoux en mevrouw Vanlerberghe. Ik herhaal hier kort wat ik daar heb verdedigd. We moeten niet alleen degene die pest of mobt en degene die wordt gepest of gemobd aanpakken, maar ook de middengroep van collega's die toekijkt zonder iets te ondernemen. Ook zij maken zich door passiviteit schuldig aan mobbing. Kan het beleid ook hen sensibiliseren?

Mevrouw de Bethune onderstreepte ook het belang van een meldpunt, zowel binnen als buiten het bedrijf. Heel veel werknemers, die om een of andere reden zich binnen hun bedrijf niet kenbaar durven te maken, kunnen hun verhaal alleen kwijt bij een extern centraal meldpunt. Daar kunnen ze dan tegelijk ook begeleid worden en nazorg krijgen.

Die begeleiding en nazorg zijn ook van belang voor de pesters. Een mobber of pester alleen maar straffen, lost het probleem immers niet op, maar verschuift het alleen maar. Hij of zij kan zijn slachtoffers dan bijvoorbeeld buiten de eigen werkkring zoeken.

Ik verwijs hier opnieuw naar het onderwijs waar er al een jarenlange ervaring inzake strijd tegen de mobbing bestaat. Ik raad de minister ten zeerste aan ook daar haar licht te gaan opsteken.

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de l'Emploi. - Je suis déjà intervenue en partie sur cette question avec le ministre de la Justice lors de la séance plénière du 26 octobre dernier.

Le problème du harcèlement moral est extrêmement important. Dans le courrier que je reçois chaque jour, les lettres concernant cette problématique occupent une large place.

Depuis le début de mon mandat, j'ai voulu examiner en détail les solutions apportées à ce problème par le législateur, puisque nous disposons déjà de nombreux outils en la matière.

Sont-ils efficaces ? Pourquoi le phénomène est-il de plus en plus souvent mis en évidence ? Pourquoi en parle-t-on davantage ? Quelle est la situation des victimes ? Comment leur plainte est-elle traitée ? Comment peut-on les indemniser ? Quelles sont les procédures judiciaires ? Quelle est la situation des personnes qui vivent autour de l'événement et qui se taisent ? Le problème est complexe.

Pendant plusieurs mois, mes collaborateurs et moi-même avons rencontré et consulté, outre l'association Helpende handen, des employeurs, des syndicalistes, des médecins du travail, des psychologues, des magistrats, des journalistes traitant du sujet, des victimes, des associations s'intéressant à la question, des chercheurs universitaires. Nous sommes allés voir ce qui se passait ailleurs.

Nous avons rassemblé une mine de renseignements utiles. Il nous appartient maintenant de rechercher l'instrument le plus efficace pour répondre à la question posée.

Sur le plan de la procédure, j'ai terminé la rédaction du projet. Il sera prochainement examiné en réunion intercabinets et ensuite au conseil des ministres.

Les choses avancent et j'espère que durant le premier trimestre 2001, nous aurons l'occasion d'en discuter au Parlement.

L'aspect le plus délicat sera le changement des mentalités. Celui-ci ne se décrète pas ; il se construit quotidiennement grâce à l'action de tous les acteurs de l'entreprise.

Ce changement est en cours. Les cas qui se produisent sont de plus en plus médiatisés. Les partenaires sociaux sont sensibilisés. Des initiatives sont prises dans les entreprises, comme par exemple à La Poste. Des décisions sont prises au Conseil national du travail. Le terrain est donc propice à cet indispensable changement de mentalité.

Il faut aller plus loin et c'est pourquoi, en plus du texte législatif qui servira de référence à l'action menée afin de contrer le harcèlement moral, nous ferons une campagne d'information et de sensibilisation à ce changement de culture nécessaire au profit des personnes qui sont quotidiennement victimes de harcèlement moral.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Dit zijn alvast stappen in de goed richting. Wij kijken uit naar het regeringsontwerp.

-L'incident est clos.