2-63 | 2-63 |
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Op 7 januari 1999 heeft de Europese Commissie, overeenkomstig artikel 226 van het EEG-verdrag, aan België een aanmaningsbrief gestuurd. Op 10 februari 2000 heeft de Europese Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht en op 16 maart laatstleden heeft ze ons land nog eens berispt omdat het, ten aanzien van Natura 2000 en de milieurichtlijnen 79/409 en 93/43, met name de Vogelrichtlijn van 2 april 1979 en die van 21 mei 1992 over de Natuurlijke Habitats, op "onjuiste wijze en onvolledig omzet in de nationale wetgevingen". De Belgische omzettingen beantwoorden volgens de Europese Commissie niet aan de eisen inzake de bescherming van toekomstige beschermingszones, de zogenaamde SAC's en SPA's, Special Area's of Conservation en Special Protection Area's. Gelukkig valt slechts één Habitatgebied onder de federale bevoegdheid, met name dit van de Vlaamse Banken, waar de zwarte zee-eend komt foerageren. Alle andere habitats zijn Gewestelijke bevoegdheid. Ons Ramsargebied wordt al bijna dertig jaar internationaal beschermd, maar dat werd nog nooit nationaal geïmplementeerd.
Volgens mijn informatie heeft de minister daarover aan de Commissie geantwoord dat er een voorontwerp van koninklijk besluit terzake in de maak is, maar het is mij onbekend welke timing de minister daarbij voorziet, en dit is nochtans erg belangrijk.
Deze Europese berisping komt hard aan, gelet op de "ingeslikte" uitvoeringsbesluiten die uw voorganger Jan Peeters, auteur van de wet op het mariene milieu, net voor de verkiezingen op onbezonnen wijze de wereld instuurde. Die werden op bijzonder groot protest onthaald door de gebruikers van de zee, vooral de vissers. Inhoudelijk was dit protest voor een groot deel onterecht, maar procedureel was het zeer terecht. Er werd immers te weinig overleg gepleegd, maar gelukkig heeft de minister dat ondertussen bijgespijkerd. Ik waardeer dit.
Het Europees Parlement wil op middellange termijn de boomkorvisserij verbieden. Die ploegt met zijn zware wekkerkettingen en schoenen de bodem van de zee om, en tast daardoor hoe langer hoe meer het bodemleven aan. De Belgische visserij is voor negentig procent boomkorvisserij, wat een enorme tegenstand laat voorzien. Als dit verbod niet lukt, zullen er vermoedelijk reservaten moeten komen waaruit de boomkor dan wordt geweerd, ook al is dit eigenlijk niet eens nodig. We moeten daarop dus kunnen anticiperen, ofwel verdwijnt onze visserij voorgoed. Het meest recente nummer van "Visserijnieuws" in Nederland van 7 juli 2000 meldt: "LNV denkt serieus na over gesloten delen Noordzee", en: "Bedrijfsleven reageert woedend: te gek voor woorden." De strijd die wij bijna een jaar geleden onder Jan Peeters al hebben moeten verdragen, is er duidelijk aan de gang. Ik verklaar me nader: ofwel verdwijnt de boomkor en wordt er "duurzaam gevist" in "beschermde gebieden", ofwel moeten er reservaten komen omdat de visserij niet duurzaam wil vissen. Eenvoudig en duidelijk. De keuze ligt eigenlijk bij de sector en niet bij het beleid. Volksvertegenwoordiger Leterme stelde zes maand geleden, op 5 januari 2000, enkele vragen aan de minister over de uitvoeringsbesluiten van de wet op het mariene milieu. Daarop antwoordde de minister dat het operationeel maken van de wet op het mariene milieu een veertigtal koninklijke besluiten vergde en dat daarvan een viertal, waaronder deze over het storten van stoffen, procedures voor vergunningen, milieueffectrapportering en grindwinning, tegen 31 januari aan de Raad van State zouden worden voorgelegd. Het zijn duidelijk geen koninklijke besluiten over "Mariene Reservaten", waarmee minister Peeters de zaak wat had bezwaard. Ondertussen vernam ik dat ook het advies van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling werd gevraagd, wat mij verheugt. De minister antwoordde nochtans aan de heer Leterme dat ze geen gedetailleerde timing wou geven, maar dat de mariene reservaten en de beheersplannen in de loop van deze legislatuur, dus voor midden 2003, zouden gedefinieerd worden. De weg is dus nog lang. Te lang, want de minister negeert op deze wijze de Europese Commissie en het Parlement, wat zeker sterke reacties en wellicht ook sancties kan opleveren.
Ik verklaar mij nader. Wat de beschermingsvoorschriften betreft, zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn duidelijk gelijklopend. Maar uit de interpretatie van artikel 4 van de Vogelrichtlijn door het Europees Hof blijkt dat de beleidsvrijheid erg beperkt is: enkel objectieve en ecologische criteria, met uitsluiting van elke sociale en economische overweging, dus ook visserij en toerisme, zijn in deze beslissend. In zijn verdere interpretatie van artikel 4, lid 1, 2 en 4 van de Vogelrichtlijn wijst het Hof erop dat de richtlijn het karakter heeft van een Verordening. Ze is dus afdwingbaar vanaf haar inwerkingtreding, met name reeds vanaf 6 april 1981! Ook artikel 7 van de Habitat is van toepassing op de Vogelrichtlijn. Belangrijk in dit verband is vooral artikel 6, lid 2, van de Habitatrichtlijn: "De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen, voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben". Het gaat hier vooral om de zwarte zee-eend. Maar nergens heeft de Habitatrichtlijn - en Natura 2000 - tot doel reservaten te creëren, waarin geen economische activiteiten meer mogelijk zouden zijn! Hierover had de voorganger van de minister andere opvattingen, maar de minister zelf moet hierover nu een beslissing nemen. Sociale en economische activiteiten blijven er dus mogelijk, op voorwaarde dat het einddoel niet wordt geschaad, namelijk de handhaving en/of het herstel van natuurlijke Habitats, en soorten van communautair belang waarborgen. De mogelijkheid bestaat hier dus om de Commissie en de zeegebruikers voldoening te geven, zonder reservaten te creëren. Ik spreek me niet uit over de richting die de minister moet nemen. Dat is zijn bevoegdheid.
Een tweede punt waarop ik de volle aandacht van de minister wil vestigen, is de rechtspraak van het Europees Hof. Daaruit moet worden afgeleid dat artikel 6, lid 2 tot lid 4, van de Habitatrichtlijn, ook directe werking heeft! Dit betekent dat deze bepalingen nu al van kracht zijn, ook al heeft een lidstaat de betrokken voorschriften niet of verkeerd en onvolledig omgezet in intern recht. Aangezien we ook hier kunnen concluderen dat deze richtlijn het karakter heeft van een EU-verordening, is België ter zake respectievelijk 20 en 8 jaar in overtreding, en was de Commissie bijzonder tolerant om tot 7 januari 1999 te wachten met de ingebrekestelling. Er zijn bij de Commissie immers een aantal klachten ingediend, vooral tegen de gewesten, maar eveneens tegen de federale overheid. Gelukkig heeft de Commissie nog geen juridische procedure op gang gebracht, maar ze kan dat elke dag doen.
Ik wil er de minister op wijzen dat - en hier komen we tot de cruciale punten - als zij nog langer wacht, de Commissie de zaak bij het Europees Hof meteen aanhangig kan maken, vermits de lidstaat het met redenen omklede advies niet binnen de gestelde termijn is nagekomen. Wat is de termijn die de minister heeft vooropgesteld in zijn antwoord aan de Commissie? Dat is mijn eerste vraag en meteen ook de belangrijkste, omdat ik het antwoord erop wil vergelijken met het antwoord dat de minister, uiteraard na het ontvangen van de E. C. -aanmaningsbrief, maar wel nog vóór het advies van de Commissie, aan Kamerlid Leterme heeft gegeven. Blijft de minister de non-timing zoals meegedeeld aan kamerlid Leterme al dan niet handhaven?
Nog later kwam de brief van de Commissie van 16 maart 2000 (IP/00/266°) die er duidelijk op wijst dat de lidstaten zonder uitstel maatregelen moeten nemen, of dat anders artikel 38.2 van het reglement op de structuurfondsen (1260/99 van 21 juni 99) of artikel 12 van het reglement op de cohesiefondsen (1161/94, gewijzigd door 1264/99) zullen worden toegepast. Het niet tijdig uitvoeren van Natura 2000 via de ontbrekende K. B.'s kan voor België een enorm dure zaak worden door het blokkeren van de EU-subsidies. Over de mogelijkheid van de Commissie om fondsen te bevriezen wegens niet-naleving van de milieurichtlijnen, is al heel wat discussie geweest. Het Hof van Justitie heeft in de zaak "An Faisce" bevestigd dat de commissie de mogelijkheid, maar niet de verplichting heeft om EG-fondsen te bevriezen voor nationale projecten die een miskenning inhouden van de MER-richtlijn. Naar aanleiding daarvan en in het licht van het integratiebeginsel, heeft de commissie beslist om nauwer toe te zien of er bij nationale projecten waarbij EG-fondsen betrokken zijn, geen overtredingen zijn van de milieurichtlijnen. De Commissie geeft in haar brief van 16 maart ook duidelijk te kennen dat deze maatregelen onder andere betrekking kunnen hebben op de schorsing van steun. Met betrekking tot het Life-programma geldt een gelijkaardige bepaling. Nu vrees ik dat de controverse tussen de uitvoering van de wet op het mariene milieu en de visserijbelangen er zullen toe leiden dat de Europese steun aan de visserij volledig zal worden opgeschort. En dit zou wel eens het begin kunnen zijn van echte mariene reservaten voor onze kust, maar tegelijk ook het door niemand gewenste einde van de Belgische visserij. Er moeten dus keuzes worden gemaakt, en niet alleen door de minister. Mijn voorkeur gaat naar een win/win-situatie. Conclusies en besluiten zijn dus dringend nodig. Commissaris Willockx kan daarover nog gaan bemiddelen, maar in dit specifieke geval heeft de regering geen enkel juridisch verweer: het Ramsargebied op de "Vlaamse Banken" had al 20 jaar beschermd moeten zijn, maar is dit nog altijd niet, terwijl de schorsing van deze fondsen met andere woorden een duidelijke beleidslijn is van de Commissie, waarvoor zij ook juridisch volledig ingedekt is.
De motie van het Europees Parlement voor de resolutie over de structuurfondsenprogramma's en de nationale implementering van de Europese milieudecreten, de B5/227/2000 van 14 maart 2000, werd goedgekeurd. De Europese Groenen vragen in dit verband zonder omwegen aan de Commissie de structuur- en cohesiefondsen te blokkeren als Natura 2000 niet uitgevoerd wordt.
Waarom werden de vier aangekondigde koninklijke besluiten nog altijd niet gepubliceerd, en binnen welke tijdspanne denkt de minister dit vooralsnog te kunnen doen?
Welke uitvoeringsbesluiten denkt hij in de loop van de komende twaalf maanden nog te kunnen publiceren en in welke timing is daartoe voorzien?
Heeft hij terzake na 16 maart reeds met de Europese Commissie contact genomen, en zo ja, wanneer, en met welke resultaten?
Binnen welke tijdspanne zullen de "Vlaamse Banken" en niet alleen het Ramsargebied, van een beschermd statuut en van beheersmaatregelen kunnen genieten?
Is het juridisch mogelijk dat de minister eerst overgaat tot een "beschermings"- en pas later tot een "reservaatsstatuut"? Waarom wel of waarom niet? Welke beleidsoptie zal hij op dit specifieke punt nemen?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De Europese Commissie heeft België inderdaad een aanmaningsbrief gestuurd met betrekking tot de uitvoering van de Habitat- en Vogelrichtlijnen. De aanmaningsbrief van de Europese Commissie en het advies van 1 februari 2000 betreffen hoofdzakelijk de omzetting van de richtlijnen door de drie gewesten. De betrokkenheid van de federale overheid is beperkt tot de bescherming van de zogenoemde Vlaamse banken. Deze maken het voorwerp uit van vrij marginale opmerkingen van de Commissie.
De bewering dat België geen speciale beschermingszone zou hebben aangeduid in de Belgische kustzone is onjuist. Artikel 4 van de Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten speciale beschermingszones voor te stellen door de gepaste informatie toe te zenden aan de Commissie. Dit is reeds in 1996 gebeurd met de aanwijzing van het Trapegeer-Stroombankgebied. De permanente vertegenwoordiging heeft deze brief op 25 april 1996 naar de Commissie gestuurd.
Krachtens het tweede lid van artikel 4 moet de Commissie aan de hand van het voorstel de lijst van gebieden van communautair belang vaststellen. Dit is nog niet gebeurd. Wanneer een gebied volgens deze procedure tot een gebied van communautair belang is uitgeroepen, wijst de betrokken lidstaat dat gebied uiterlijk binnen zes jaar aan als speciale beschermingszone. Het Trapegeer-Stroombankgebied kan momenteel dus niet als gebied van communautair belang worden aangeduid. Wij wachten op de beslissing van de Commissie. Ik zal overigens niet nalaten deze aangelegenheid volgende maandag onder de aandacht van mevrouw Wallström te brengen. Voor het overige werd de Koning bij wet van 20 januari 1999 gemachtigd de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn uit te voeren.
De brief van 16 maart jongstleden waar het geachte lid naar verwijst, heeft betrekking op maatregelen die door de gewesten moeten worden genomen. België heeft zowel voor als na 16 maart regelmatig contact gehad met de Europese Commissie en dit zowel op administratief niveau als op kabinetsniveau. Tijdens deze contacten heeft de federale overheid de Commissie laten weten hoever zij staat met de uitvoering van de Habitatrichtlijn.
Inzake de bevoegdheidssfeer van de federale overheid heeft de Commissie haar opmerkingen hoofdzakelijk beperkt tot twee vraagstukken. Ten eerste de onzekerheid voor wat betreft de oppervlakte van het Trapegeer-Stroombankgebied in verhouding tot de totale oppervlakte van habitat categorie 11.25, namelijk permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken. Het is niet zeker of de oppervlakte beantwoordt aan de vastgestelde norm. Hoewel het Belgische voorstel van 25 april 1996 dienaangaande niets vermeldt, bestrijkt het Stroombankgebied feitelijk meer dan 20% van de oppervlakte van de ondiepe zandbanken.
Ten tweede wordt er gewezen op het gebrek aan een referentie naar de steur in het Belgische voorstel. Deze vissen zijn in België de jongste vijftig jaar echter niet meer gesignaleerd.
Tot daar het Europese deel.
Wat de uitvoering van de wet op het mariene milieu betreft, is het KB over het storten van baggerspecie al in het Staatsblad verschenen. Het KB dat de Consultatieve Commissie voor de Exploitatie van het Continentaal Plat moet oprichten is getekend door de minister van Economische Zaken. Het ligt nu bij mij en ik zal het onmiddellijk tekenen. De KB's inzake de vergunningen voor de exploitatie van het continentaal plat zijn in voorbereiding bij het ministerie van Economische Zaken dat piloot is voor dit dossier. Het KB over vergunningen en milieu-effectenbeoordeling is afgewerkt op mijn niveau en voorgelegd aan de Inspectie van Financiën en aan de Commissie Duurzame Ontwikkeling. Deze laatste heeft op 20 juni haar advies gegeven. Ook de Inspectie van Financiën heeft gunstig gereageerd. Dit ontwerpbesluit ligt nu voor ondertekening bij de minister van Begroting. Dit dossier zal dus de volgende maanden worden afgerond. Daarnaast zullen de ontwerpen van KB's voor de afbakening van beschermde mariene gebieden, de bescherming van soorten in de zeegebieden en de beperking van bepaalde visserijtechnieken in de loop van dit jaar opnieuw worden voorgelegd aan de betrokken departementen en belangengroepen. Het is juridisch mogelijk maar ecologisch zinloos gebieden in de zee af te bakenen en aan te duiden als beschermde mariene gebieden zonder maatregelen te nemen om die bescherming op een coherente manier te concretiseren. Die houding komt niet overeen met onze beleidsfilosofie. De enige activiteiten onder federale bevoegdheid die een permanente schade veroorzaken aan het ecosysteem van de ondiepe kustbanken van de territoriale zee zijn de visserijactiviteiten. Een beheersplan zal deze aspecten prioritair moeten behandelen. Op dit ogenblik behoren de visserijactiviteiten tot de bevoegdheid van de minister van Landbouw. Wij rekenen op de samenwerking van deze minister en de visserijorganisaties om die zaak niet te laten aanslepen. Wij doen het nodige om de druk op de ketel te houden.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Het antwoord was bijzonder verhelderend en gedetailleerd. Maar ik wil toch nog wat meer opheldering.
Volgens de minister gaan de aanmaningsbrief van de Europese Commissie en het advies van 1 februari enkel over de Vlaamse banken. Dat is vanzelfsprekend want er is geen andere beschermingszone onder federale bevoegdheid. Al de rest is gewestmaterie. Ik wil wel vernemen of wat de minister marginale opmerkingen van de Commissie noemt - ik vind die niet zo marginaal - invloed zullen hebben op de visserij en de recreatie en zo ja, in welke mate. Daarover moet worden onderhandeld in een opbouwende sfeer en niet, zoals in de vorige legislatuur, met betogingen op de Visserskaai in Oostende.
De minister verklaart dat ik zou gezegd hebben dat België geen speciale beschermingszone heeft aangeduid in de kustzone. Dat is onjuist. Ik heb enkel gezegd dat België nog geen beschermingsmaatregelen heeft uitgewerkt. Dat is iets anders. Welk nut heeft het een gebied gedurende dertig jaar op papier te beschermen, maar er feitelijk geen beschermingsmaatregelen aan te verbinden? Ik geef toe dat de Commissie wellicht zelf in gebreke is door na vier jaar de Trapegeer- en Stroombank nog niet formeel te hebben aangeduid als speciale beschermingszone. Zal ze dit ooit doen en kan ze dit juridisch, aangezien het hier een internationaal beschermd Ramsargebied betreft? We draaien vermoedelijk in een juridisch cirkeltje. Het mariene milieu is daarvan het slachtoffer. Dit moet worden nagetrokken.
Over de vraagstukken rond de oppervlakte van de Trapegeer- en Stroombank en de steurpopulatie moet ons land een antwoord geven aan de Commissie en onderzoek verrichten. Er wordt met geen woord gerept over de zwarte zee-eend. Als de Commissie die internationaal beschermde eend niet in haar opmerkingen heeft opgenomen, gaat ze voorbij aan de Ramsarbescherming.
Wat de stand van zaken van de uitvoeringsbesluiten van de wet-Peeters betreft, ben ik blij dat de minister duidelijker is dan in de Kamer. We weten nu waar we aan toe zijn inzake de timing.
Ik wijs er nogmaals op dat de problematiek van de boomkorvisserij, zoals die in Nederland aan de orde is, een ernstige hypotheek legt op onze kustvisserij en dat wij hier zeer snel op moeten anticiperen en een win-winsituatie kunnen voorstellen.
Ecologie en economie komen dikwijls met elkaar in concurrentie, maar in het mariene milieu is dit zinloos. Er zijn creatieve oplossingen genoeg als we ons er maar over willen beraden. In Nederland wordt op een creatieve manier onderhandeld met alle betrokken sectoren.
Ik stel dan ook voor dat de minister tijdig de nodige besluiten publiceert om de plaatsing van windmolens op zee mogelijk te maken. We moeten ons daarbij wel afvragen of dit niet het eerste gesloten gebied is of zou kunnen zijn, dat ook economisch kan renderen, zoals bijvoorbeeld voor hangmosselcultuur of voor oesters. De proefperiodes daarvoor in Nieuwpoort en Oostende zijn al afgelopen en hebben bewezen dat die cultuur economisch rendabel is. Aquacultuur op zee in gesloten gebieden vormt dus een duidelijk voorbeeld van een win/win-situatie. Ik denk dat het kan en dat we nog meer in die richting moeten evolueren. Natuur, milieu en economie kunnen perfect samengaan. We moeten alleen maar voldoende creatief zijn.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik heb twee opmerkingen. Ik blijf over deze materie in contact met de Commissie. De ontbrekende informatie wordt bezorgd. Ik verwacht hier geen moeilijkheden. Er is geen sprake van onzekerheid. Wij kunnen precieze informatie geven over de oppervlakte en over de steur. De zaak van de zwarte zee-eend zal ik laten onderzoeken. Daar had de Commissie blijkbaar zelf niet aan gedacht.
Wat de werken aan de beschermde mariene gebieden betreft, moet het ene na het andere worden aangepakt. Ik kan geen engagementen nemen als niet eerst een akkoord wordt afgerond op het niveau van landbouw. Landbouw is nu nog federaal en is bevoegd voor de visserij. Volgend jaar zal het een gemeenschapsbevoegdheid zijn; misschien zal het dan gemakkelijker gaan.
- Het incident is gesloten.