2-434/1

2-434/1

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

15 MEI 2000


Voorstel van resolutie over de informatiemaatschappij en de bevordering van de elektronische handel en de elektronische overheid

(Ingediend door de heer Alain Destexhe)


TOELICHTING


België bekleedt in de informatiemaatschappij een plaats in het midden van het Europees peloten, maar heeft wel een achterstand van zo'n drie jaar op de Noord-Europese landen. Ook op andere landen staan we ver achter, bijvoorbeeld op de Verenigde Staten, Canada en Australië, die ten prooi zijn aan een echte « netkoorts ».

Volgens de laatste studie van december 1999 zijn 13 % van de Belgen aangesloten op het internet (een groei van 100 % in 1 jaar) terwijl dat in Scandinavische landen 40 % van de bevolking is. Het Europese gemiddelde bedraagt 16,8 %. Een kritische massa van gebruikers ontbreekt in België nog, omdat maar weinig gezinnen een computer in huis hebben en de aansluiting duur is.

Eind 1999 had nog maar 13,5 % van de Belgische internetgebruikers een on line-aankoop verricht, dat wil zeggen minder dan 2 % van de bevolking, terwijl het Europese gemiddelde 14,7 % bedraagt. De elektronische handel neemt in België wel snel toe (3,1 miljard frank in 1999, een toename met 420 % tegenover het vorige jaar), maar maakt nog steeds slechts 0,16 % van de kleinhandel uit. Dat ligt onder het Europese gemiddelde van 0,24 % en blijft ver achter op de Verenigde Staten (1,2 %) en Zweden (0,68 %). In dat laatste land is de elektronische handel al vier keer groter dan in België.

Zorgwekkender voor de concurrentiepositie van ons land en van Europa op het net is dat 45 % aan de aankopen door Belgische internetgebruikers op buitenlandse sites gebeurden. De Belgische sites haalden in 1999 een omzet van 50 miljoen euro, maar de verkoop in het buitenland bedroeg slechts 8 miljoen euro. De andere Europese landen kampen met hetzelfde probleem. De export buiten Europa bedraagt slechts 2 % van de totale verkoop terwijl de Amerikaanse sites 20 % van de Europese on line-handelsmarkt in handen hebben. De Europeanen moeten hun positie op de elektronische handelsmarkt dus versterken als zij zich niet helemaal willen laten overvleugelen door Amerikaanse leveranciers.

De Belgische ondernemingen lijken zich nog niet helemaal bewust van het enorme potentieel van het internet. Volgens de gevens van het ETO (Electronic Trade Opportunity) van de Verenigde Naties, vormen zij slechts 0,18 % van de acht miljoen ondernemingen die geregeld gebruik maken van het internet. Daarmee staan we zelfs een trapje lager dan de Estlandse of Bulgaarse ondernemingen ! De B2B-handel (business to business) bestaat in België nauwelijks, zoals een recente studie van de Bathwick Group aantoont.

B2B-verkoop op het internet nu en over twee jaar,
gerangschikt volgens positie

Pays
­
Landen
Pourcentages actuels
­
Huidige percentages
Position actuelle
­
Huidige positie
Pourcentage
dans deux ans
­
Percentage over
twee jaar
Position
dans deux ans
­
Positie
over twee jaar
Suède. ­ Zweden 5,05 1 8,52 1
Pays-Bas. ­ Nederland 3,01 4 6,95 2
Finlande. ­ Finland 3,56 2 6,59 3
Grande-Bretagne. ­ Verenigd Koninkrijk 3,46 3 6,02 4
Italie. ­ Italië 2,02 8 5,67 5
Norvège. ­ Noorwegen 2,56 5 5,48 6
Allemagne. ­ Duitsland 2,31 6 5,41 7
Danemark. ­ Denemarken 2,25 7 5,15 8
France. ­ Frankrijk 1,62 10 4,67 9
Belgique. ­ België 1,97 9 4,47 10
Total. ­ Totaal 2,78 5,90

Bron : Bathwick Group, december 1999 en Inside Internet, maart 2000.

De ontwikkeling van de elektronische handel stuit in België nog op een aantal obstakels :

­ De telefonische verbinding met het internet blijft heel duur en dat werkt ontmoedigend. Dat benadeelt onze concurrentiepositie tegenover andere landen, met name Engeland. Ook de erfenis van het oude monopolie speelt ons nog parten, want Belgacom legt nog steeds beslag op de « lokale lus », het stukje koperdraad dat het huis van de abonnee verbindt met het openbare net.

­ De Belgische werkgevers aarzelen nog. Volgens het hoofd van het departement nieuwe technologieën van Fabrimetal analyseren ze teveel, terwijl ze er gewoon voor zouden moeten gaan. Voor de financiering van Belgische beginnende ondernemingen is in vergelijking met de andere landen weinig risicokapitaal voorhanden.

­ De Belgische internetgebruiker heeft weinig vertrouwen in de elektronische handel, met name wat de financiële verrichtingen betreft. De meeste Belgen geven niet graag hun kredietkaartnummer op het web, hoewel ze niet meer risico lopen dan in andere landen. De pers heeft veel aandacht voor piraterij en mislukkingen en dat schrikt de consument af.

­ Ook de overheidsdiensten staan achter op andere landen. Enkele uren op het net volstaan om te zien wat elders mogelijk is. Het gaat wel de goede richting uit, maar er zijn nog te weinig initiatieven om de democratie en de overheidsdiensten bij de bevolking te promoten.

­ In de scholen is al veel vooruitgang geboekt, met name wat de uitrusting van de basis- en middelbare scholen betreft. Er worden evenwel te weinig middelen vrijgemaakt om de leraren op te leiden, wat broodnodig is om van het internet op school een succes te maken, en er wordt te weinig nagedacht over de pedagogische aanpak, die een ruim maatschappelijk debat verdient.

­ De infrastructuur staat niet altijd een snelle toegang tot het web toe (toegang met hoge doorvoercapaciteit).

­ De Belgische maatschappij is nog niet gegrepen door de « netcraze » die sinds enkele jaren in de Verenigde Staten heerst en die ook veld wint in de buurlanden, met inbegrip van Frankrijk. Het verschil tussen België en Frankrijk blijkt duidelijk als men de Franse pers of reclame bekijkt.

­ Het internet wordt nog steeds beschouwd als een nieuw medium veeleer dan een nieuwe mogelijkheid om handel te drijven en te communiceren. Het internet blijft beperkt tot universitairen, kaderleden en mannen. De uitbreiding naar andere delen van de bevolking, met name oudere en jongere mensen, vordert maar traag.

Daarom is er nood aan een gedreven beleid

Er is een mentaliteitsverandering nodig om België tot de informatiemaatschappij te doen toetreden. De regering moet daartoe de aanzet geven. Zich verlaten op de werking van de markt volstaat niet.

Ten eerste omdat het gaat om een strategische sector die groei aantrekt. Het zwaartepunt van de economische activiteit verplaatst zich. Nieuwe beroepen ontstaan en die moeten geleerd worden. Er verschijnen nieuwe producten en diensten en die moeten geleverd worden. De werking van alle ondernemingen, zonder uitzondering, zal moeten veranderen, van het ontwerpen van de producten tot hun verspreiding bij de consument. Nieuwe sectoren leveren een doorslaggevende bijdrage aan de werkgelegenheid, vooral voor jongeren. In Frankrijk werd een kwart van de kaderleden in 1998 aangeworven in de informaticasector.

Er staat echter nog meer op het spel dan dit nieuwe economische gegeven, want deze activiteit zal onze maatschappij diep beïnvloeden. Zoals Lionel Jospin, de Franse eerste minister het zegt : « L'information et la communication jouent un rôle croissant dans notre vie moderne; elles participent de nos libertés. Elles doivent donc servir la diversité culturelle et non l'amoindrir. C'est pourquoi la façon dont sont conduits les développements de la société de l'information est décisive : à nous de faire en sorte que l'espace de communication qui prend forme soit démocratique, solidaire et pluraliste ».

Zoals de nota van de regering over de elektronische handel onderstreept, ontbreekt het België niet aan troeven :

­ een centrale positie in Europa;

­ een uitgebreid en goed functionerend kabelnet dat het grootste deel van het grondgebied bereikt;

­ 6 miljoen elektronische betaalkaarten, die eerlang uitgerust zullen worden met een microprocessor waardoor de gegevens van een elektronische handtekening kunnen worden opgeslagen;

­ een telecommunicatiesector in volle uitbreiding;

­ een regeringsprogramma dat alle scholen toegang biedt tot internet.

In navolging van andere landen, moet België ambitieuze doelstellingen nastreven en een gedreven beleid voeren om de burger warm te maken voor de informatiemaatschappij. Daarnaast moeten meetbare indicatoren worden vastgesteld waarmee de verwezenlijking van die doelstellingen kan worden gevolgd.

Ik stel de drie volgende, ambitieuze doelstellingen voor :

­ van de openbare sector « een uitstalraam » maken voor de informatiemaatschappij, en dat vanaf 2002;

­ ervoor zorgen dat België de beste Europese omgeving wordt voor elektronische handel vanaf 2003;

­ ervoor zorgen dat 80 % van de Belgische burgers in 2005 toegang hebben tot het internet.

De eerste doelstelling past in het kader van de modernisering van de openbare diensten die de regering momenteel nastreeft. De burger wil kwalitatief hoogstaande dienstverlening. Het is niet de burger die zich een weg moet zoeken in de administratieve organisatie, maar de administratie die zich moet aanpassen aan de individuele noden van de burger. Iedereen moet toegang hebben tot de overheidsdiensten vanuit één toegangspoort, die hij zelf kiest : het loket, de computer, de telefoon, de digitale televisie, computerterminals, enz.

De tweede doelstelling bestaat erin zoveel mogelijk nieuwe banen in België te creëren door een politiek, economisch, sociaal en cultureel klimaat te scheppen dat gunstig is voor de ontwikkeling van de elektronische handel.

De derde doelstelling is de bevolking toegang te bieden tot de nieuwe technologieën en hun voordelen, om een « technologische kloof » te voorkomen tussen degenen die toegang hebben tot de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën en degenen die dat niet hebben.

Deze drie doelstellingen kunnen in 8 hoofdlijnen worden opgedeeld en zijn vertaald in 101 voorstellen, die de eigenlijke resolutie vormen :

1. een actieplan van de regering voor de informatiemaatschappij (1-12);

2. een democratische toegang tot het net (13-23);

3. rendabele ondernemingen (24-37);

4. modeloverheidsdiensten (38-61);

5. een veralgemeende opleiding (62-87);

6. een aangepaste wetgeving (88-93);

7. een interactieve democratie (94-95);

8. promotie van ons land en zijn cultuurgemeenschappen (96-101).

Alain DESTEXHE.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat vraagt de regering de volgende acties en voorstellen te verwezenlijken :

1. Een actieplan uitwerken over de informatiemaatschappij. De meeste buurlanden hebben duidelijke doelstellingen en een precies actieplan. Men kan zich laten inspireren door talrijke documenten uit Frankrijk en Groot-Brittannië. De Belgische initiatieven zijn nog te zeer versnipperd en moeten geïntegreerd worden in één project.

2. Een minister aanwijzen die belast wordt met de informatiemaatschappij. Hij moet een politieke impuls geven. Door deze taak aan een vice-eerste minister te geven, zou het belang ervan onderstreept worden.

3. Een « Mister internet » aanwijzen, een vertegenwoordiger van hoog niveau die de ingewikkelde projecten met betrekking tot de elektronische handel en de elektronische overheid tot een goed einde kan brengen. Hij is de drijvende kracht achter activiteiten in de verschillende ministeries, coördineert de nationale strategie en draagt bij tot de coördinatie in de Europese Unie.

4. Voor elk federaal, gemeenschaps- en gewestministerie een eigen actieplan uitwerken. De regeringshoofden leggen de bevolking een algemeen actieplan voor, dat een fraai voorbeeld zal zijn van federale samenwerking.

5. In elk ministerie een webmaster en een ombudsman aanwijzen die binnen het ministerie de gesprekspartner voor de informatiemaatschappij wordt. De webmaster bouwt de site van het ministerie uit; de ombudsman knoopt via internet de dialoog met de burgers aan over kwesties die zijn ministerie aangaan.

6. Een intranetverbinding installeren tussen de ministeriële kabinetten, die alle kabinetsmedewerkers met elkaar verbindt.

7. Een on line-debat organiseren met de eerste minister, een soort « internet Chat ». Bij de goedkeuring van het plan door de regering, kan de eerste minister zo het actieplan symbolisch lanceren. Tony Blair en Bill Clinton hebben dit ook gedaan op BBC en CNN.

8. Een groot openbaar debat organiseren over dit actieplan. Dat kan plaatsvinden in de verschillende parlementen, maar ook via een discussieforum op het web en in de traditionele media. Het resultaat wordt in het definitieve plan verwerkt. Deze oefening in de interactieve democratie kan het vertrouwen van de burger in de informatiemaatschappij en in de representatieve democratie versterken.

9. In een site « internet.gov.be » alle regeringsinitiatieven voor de informatiemaatschappij onderbrengen. Wij kunnen alleen maar verwijzen naar de uitstekende site van de Franse regering « internet.gouv.fr. », waar een massa informatie is bijeengebracht over het regeringsbeleid, de actieplannen, verwijzingsteksten, wetgeving, een tijdschema met de komende evenementen, links en nuttige contacten : een na te volgen voorbeeld.

10. Elk jaar via de eerste minister aan het Parlement een verslag voorleggen over « België en de informatiemaatschappij ». Daarin wordt melding gemaakt van de geboekte vooruitgang en de obstakels die nog moeten worden overwonnen om de doelstellingen te bereiken.

11. Jaarlijks een internetfeest organiseren. Frankrijk doet dat al drie jaar en met steeds meer succes.

12. Een communicatiecampagne organiseren. De regering moet een nationale communicatiecampagne organiseren om de hele bevolking te sensibiliseren voor de voordelen van de informatiemaatschappij.

De toegang tot het internet democratiseren

13. De lokale verbindingen openstellen voor de concurrentie. De regering verbindt zich ertoe de lokale lus, die nu een monopolie is van Belgacom, zo snel mogelijk open te stellen voor concurrentie.

14. In afwachting het lokale internettarief gelijkstellen met dat van de goedkoopste Europese operator. De regering moet haar positie als meerderheidsaandeelhouder in Belgacom gebruiken om de tarieven van de internetverbinding gelijk te stellen met die van de belangrijkste, goedkoopste operator op de Europese markt. De Europese commissaris Liikanen wijst er terecht op dat er een nauw verband is tussen de gebruiksprijs en de verspreiding van het internet. In landen waar de toegang duur blijft, wordt het internet nog weinig gebruikt.

15. Zorgen voor netwerken met hoge doorvoercapaciteit voor en tussen de universiteiten. Wat de infrastructuur betreft, moeten studenten en universiteiten voorrang krijgen.

16. Tien postkantoren per provincie en 10 per grote stad uitrusten met terminals met internetverbinding, dat wil zeggen ongeveer 200 terminals voor het hele land. In grote steden worden de kantoren van de binnenstad en van de probleemwijken het eerst uitgerust.

17. Terminals installeren in de grootste stations en in de ministeries. Dat gebeurt al in meerdere landen. Niet alleen wordt zo een ruimer publiek overgehaald om het internet te gebruiken, maar dit draagt ook bij tot de democratisering van het internet voor degenen die thuis geen computer hebben.

18. Via deze terminals gratis toegang bieden tot de overheidsdiensten. De toegang tot de andere diensten wordt betaald met telefoonkaarten tegen verminderd tarief.

19. BTW-vrijstelling verlenen aan alle NGO's, verenigingen of ondernemingen die deze terminals willen installeren.

20. Jaarlijks een offerteaanvraag organiseren voor de gegroepeerde aankoop van nieuwe computers voor de universiteiten en middelbare scholen. Dat kan de prijs met 40 % doen zakken.

21. Jaarlijks per ministerie eenzelfde offerteaanvraag organiseren voor de ambtenaren.

22. Een programma ontwerpen voor goedkope leningen (rentesubsidie) voor de aankoop van computers door families met een klein inkomen. Verhuur tegen lage prijzen kan ook een alternatief zijn. Dat soort programma's bestaat in het Verenigd Koninkrijk voor 100 000 gezinnen.

23. Alle websites openbaar maken en hun inhoud toegankelijk maken voor gehandicapten.

Rendabele ondernemingen op het net

24. Eén site ontwikkelen (beter dan « één loket ») voor ondernemingen.

25. Nagaan of de steunmaatregelen voor ondernemingen aangepast zijn aan de noden van ondernemingen in de sector van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën.

26. Een specifiek risicokapitaalfonds in het leven roepen voor beginnende ondernemingen en dat fonds een voldoende ruim beginkapitaal meegeven (Frankrijk heeft een fonds met 1 miljard Franse frank). Er bestaan al enkele specifieke openbare fondsen voor beginnende ondernemingen, maar die hebben weinig kapitaal en keren beperkte bedragen uit.

27. De financiering van beginnende ondernemingen verdrievoudigen. Dat wordt aanbevolen in het kader van het « e-Europe »-programma van de Europese Unie.

28. Specifieke steun of leningen aanbieden aan softwareontwerpers.

29. Een « prinses Mathilde-prijs » creëren met een (bescheiden) financiële beloning voor de tien beste beginnende Belgische ondernemingen van het jaar. Prinses Mathilde zal de prijs uitreiken.

30. Aan de Oscars voor de export, die de « Awards » zijn geworden, een nieuwe categorie toevoegen die een dotcom beloont, die veel succes heeft op het vlak van de elektronische exporthandel.

31. Een campagne organiseren om de kleine en middelgrote ondernemingen te stimuleren om digitaal te gaan.

32. Een site creëren voor potentiële investeerders. Eén site moet alle informatie bieden die een potentiële investeerder in België mag verwachten (zie de site van de BDBH of van Fabrimetal).

33. Alle offerteaanvragen voor overheidsopdrachten en alle examens en aanwervingen voor overheidsdiensten on line brengen. Zo worden deze aanbestedingen zichtbaarder en doorzichtiger. Volgens Fabrimetal kan op die manier 36 miljard frank per jaar worden bespaard.

34. Alle obstakels voor de ontwikkeling van de elektronische handel in België opsporen en aanbevelingen doen om ze te verwijderen.

35. Het VBO en de andere werkgeversorganisaties aanmoedigen om instrumenten te ontwikkelen voor de bemiddeling en arbitrage in geschillen die verband houden met de elektronische handel.

36. Samen met de ondernemingen « smart card »-systemen (chipkaarten) ontwikkelen.

37. Nagaan of de beginnende ondernemingen een lagere vennootschapsbelasting kunnen krijgen. Ierland legt de internetondernemingen een vennootschapsbelasting van 12 % op terwijl andere ondernemingen 28 % betalen.

Modeloverheidsdiensten

38. De site van de federale regering (fgov.be) verbeteren. Deze site biedt weinig mogelijkheden, ontbeert elke structuur en hiërarchie in de informatie, heeft nauwelijks opties, links of grafische vormgeving. Interactiviteit is ook uitgesloten.

39. Alle informatie en documenten voor het publiek on line brengen (administratieve documenten, brochures, folders, tijdschriften, enz.). Niets mag nog alleen op papier voorhanden zijn.

40. Alle administratieve formulieren voor particulieren en voor ondernemingen bijeenbrengen op één site, bijvoorbeeld « admi.belgium.be ». Deze site moet ook als hoofdingang fungeren (een beetje zoals Yahoo of Altavista) om de burger naar andere overheidsdiensten te leiden. Om vertrouwen te wekken en het systeem efficiënt te maken, moeten de burgers en de ondernemingen toegang hebben tot alle administratieve documenten op één site, die een verwijzingspunt wordt en bij alle Belgen bekend moet zijn. De formulieren kunnen ook ter beschikking staan op de specifieke site van elke overheidsdienst, maar daarnaast is een gecentraliseerde site wenselijk.

41. Zorgen voor meer helpdesks voor de on line-verrichtingen. De gebruiker is immers het meest gebaat bij een professionele opvang en bij kwalitatief hoogstaande inlichtingen en afhandeling van zijn vragen.

42. De RSZ-aangiften en de reglementen van de RSZ moeten eerst on line beschikbaar zijn.

43. Een « openbare-dienst.gov.be » site oprichten van waaruit alle beschikbare informatie en online diensten ontdekt kunnen worden. Deze site kan worden opgedeeld in een aantal rubrieken die verband houden met het dagelijks leven : burgerschap, gezondheid, werkgelegenheid, ondernemingen, transport. In vergelijking met de administratieve site is deze site meer gericht op dienstverlening : hij biedt meer informatie en inhoud.

44. De belastingaangiften moeten on line kunnen worden ingevuld. De minister van Financiën heeft al plannen in die richting.

45. Alle ambtenaren die een computer hebben, een e-mailadres geven en in elke overheidsdienst intranet ontwikkelen.

46. Elke dienst die contact heeft met de bevolking, een elektronisch adres bezorgen.

47. Streven naar systematische interactiviteit. Vele sites zijn wel goed gemaakt, maar hebben geen persoonlijk contactadres zodat men geen e-mail kan sturen of commentaar leveren op de site. Ook een frequently asked questions-rubriek ontbreekt vaak. Volgens een enquête van IBM in 1999 is België samen met Zwitserland rode lantaarndrager wat betreft de interactieve omgang met de burgers.

48. De overheidsdiensten in netwerken laten werken, veeleer dan allemaal op eigen houtje. Met internet moeten de overheidsdiensten zich aanpassen aan de burger en niet andersom. Bij een verhuizing of bij de geboorte van een kind, moet de burger nog slechts een on line-aangifte doen. Voor specifieke activiteiten moet de werkwijze met netwerken worden uitgebreid.

49. De burgers en de sociaal-economische actoren betrekken bij de uitbouw van de on line-overheidsdiensten (fora, postbussen, enz.). De overheidsnetwerken openstellen voor de partners : de Europese diensten, de buitenlandse overheidsdiensten, de verenigingen, enz.

50. De doorzichtigheid van de overheidsbeslissingen verhogen door de procedure en de termijnen van de besluitvorming bekend te maken.

51. Voor alle on line-diensten een eenvormige antwoordtermijn van 48 uren invoeren.

52. De ontvangstbewijzen voor de on line-aanvragen systematiseren en de antwoorden op de frequently asked questions uitbreiden.

53. Een persoonlijk karakter geven aan de betrekkingen in de on line-diensten en zorgen voor de follow-up.

54. Gedragsregels opstellen voor de informatie-uitwisseling in de diensten, tussen de diensten, tussen de overheidsdiensten en de burgers.

55. Het telewerken bij de overheid bevorderen.

56. Rekening houden met de kennis van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën bij examens en vergelijkende examens.

57. In de opleidingen die zich richten tot overheidsambtenaren, een verplichte opleiding in de nieuwe technologieën opnemen en de bijscholing aanpassen.

58. Een site « de gezondheid van de Belgen on line » oprichten naar het voorbeeld van de NHS direct (de Britse National Health Service) doch aangepast aan ons pluralistische verzorgingssysteem.

59. On line-diensten ontwikkelen voor Belgen die in het buitenland verblijven.

60. De administratieve sites meertalig maken.

61. De on line-raadpleging mogelijk maken van de verkeersplanning en de routebeschrijvingen in de grote steden.

Een veralgemeende opleiding

62. De aanzet geven tot een bezinning over het gebruik van de nieuwe technologieën in de scholen, onder meer over de pedagogische implicaties ervan.

63. Voorstellen om van het aanleren van de nieuwe technologieën een politieke en budgettaire prioriteit te maken : de concurrentiekracht van de ondernemingen en de werkgelegenheid voor de jongeren staan op het spel.

64. Een nog ambitieuzer programma invoeren voor de opleiding van leerkrachten tot cyberspecialisten.

65. In de opleiding voorrang verlenen aan de gebruiksaspecten en niet aan de technische aspecten.

66. Niet alleen voor de leerkrachten maar ook voor de leerlingen on line-diensten in de scholen installeren.

67. Indien mogelijk de computers in de klassen en niet in aparte « informaticalokalen » plaatsen.

68. Elke leerkracht een e-mailadres geven.

69. Een « adres per school, per klas en per leerling » geven. Dit bestaat al in Zweden. Het toekennen van een gepersonaliseerd adres is een goed middel om vertrouwd te raken met de computer. Er is niets beters dan een gepersonaliseerd e-mailadres om het gebruik van elektronische post en het web te bevorderen. Met de gratis toegang kan dit makkelijk uitgevoerd worden, zelfs indien er slechts weinig computers beschikbaar zijn.

70. De site van de voor het onderwijs nuttige hulpmiddelen ontwikkelen (pedagogisch materiaal, informatiebronnen,...) en naar het model van Educnet een site creëren over de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën voor het onderwijs.

71. De pedagogische projecten van de scholen op het web brengen en een interface ontwikkelen met de ouders zodat zij van week tot week het lessenprogramma kunnen volgen.

72. In het secundair en hoger onderwijs een wedstrijd organiseren om de ontwikkeling van pedagogische software aan te moedigen.

73. Een campagne voeren om de jongeren te informeren over het gebrek aan bekwame krachten in de sector van de nieuwe technologieën.

74. Meer vrouwen aanmoedingen om een loopbaan uit te bouwen in de sector van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën. Vandaag zijn het vooral mannen die in die sector werkzaam zijn.

75. De studenten van het hoger onderwijs toegang verschaffen tot on line interactieve multimediaconferenties en tot Europese uitwisselingsprogramma's.

76. Een wedstrijd organiseren die de pedagogische initiatieven op internet (zoals de Nets d'or in Frankrijk) beloont.

77. De pedagogisch interessante projecten steunen met risicokapitaal.

78. Een licentie elektronische handel oprichten.

79. Elektronische handel als vak onderwijzen in de tweede cyclus van de managementscholen.

80. Een postgraduaat elektronische handel oprichten. Dat soort opleiding bestaat thans niet, maar HEC-Luik start hiermee in het volgende academiejaar.

81. De overheidsinstellingen die actief zijn op het gebied van de werkgelegenheid, de hogescholen en de centra voor voortgezet of beroepsonderwijs aanmoedigen meer opleidingen aan te bieden in de sector van de informatietechnologie : webmaster, webdesigner, operator in een callcenter, ... Het terrein ligt niet echt braak (er is een opleiding in Brussel), maar er blijft nog veel te doen.

82. In het kader van de universiteit voor de derde leeftijd initiatieprogramma's over internet ontwikkelen voor senioren. In België deinzen heel wat senioren terug voor het gebruik van het internet. Hier is er enig wantrouwen ten opzichte van innovatie en bestaat het gevoelen dat computers ingewikkeld zijn. Surfen op het web is nochtans makkelijk en vergt nagenoeg geen kennis van informatica. Men hoeft zelfs geen tekstverwerking te kennen. Senioren komen als van nature in aanmerking voor het gebruik van het web, zowel voor hobby's, handelsverrichtingen, het beheer van hun activa als om groepsgewijs gemeenschappelijke interesses te ontdekken (een hobby, een passie, een gezondheidsprobleem, ...) Daarenboven kan het internet een middel zijn om de generaties dichter bij elkaar te brengen, waarbij dit keer de jongeren de ouderen iets bijleren. Senioren die de moeite hebben genomen om zich aan te sluiten op het net, kunnen later niet meer zonder. In de Verenigde Staten zijn er zeer populaire sites die zich volledig tot hen richten, zoals bijvoorbeeld SeniorNet.

83. Een nationale dag ter promotie van het web uitroepen. Op die dag zou bijvoorbeeld elke Belgische surfer aan een andere persoon die nog niet met het web vertrouwd is, tonen hoe het web werkt. In één dag zou men duizenden aanhangers kunnen maken. Een soortgelijk initiatief werd in Ierland genomen, vooral in de scholen.

84. Aan de bevolking een direct lesprogramma nieuwe informatie- en communicatietechnologieën aanbieden via een internetsite alsook een callcenter opzetten (zie het learn direct-initiatief van Tony Blair).

85. Specifieke opleidingsprogramma's nieuwe informatie- en communicatietechnologieën starten in kansarme wijken. Groot-Brittannië verricht op dit terrein pionierswerk. In het kader van het IT for all-programma heeft de Britse regering een netwerk gecreëerd van meer dan 3 000 gemeenschapscentra die toegang bieden tot het internet.

86. Bijzondere aandacht besteden aan de opleiding van langdurig werklozen in nieuwe informatie- en communicatietechnologieën. De penetratiegraad van PC's en internet hangt af van het inkomen : de maatschappelijke verschillen kunnen niet worden genegeerd.

87. Een systeem invoeren voor de accreditatie van kennis in NICT, een soort « elektronisch rijbewijs », dat reeds in verschillende Europese landen bestaat. De overheidssector en de privé-sector aanmoedigen om meer opleidingen aan te bieden met het oog op het behalen van dit bewijs.

Een aangepaste wetgeving

88. De Europese richtlijnen betreffende elektronische handel in recordtijd omzetten.

89. Voorrang verlenen aan de goedkeuring van het wetsontwerp betreffende de elektronische handtekening (ingediend in de Kamer in december 1999).

90. De wetgeving betreffende de overheidsopdrachten wijzigen. Er moet gebruik gemaakt kunnen worden van elektronische middelen voor alle procedures en transacties op dit gebied.

91. De wetgeving op de bescherming van de consument aanpassen.

92. Geen wettelijke maatregelen nemen die beperkender zijn dan de geldende Europese regelgeving teneinde de elektronische handel niet te ontmoedigen (behalve uitzonderingen).

93. Eén enkele site « wetgeving.be » ontwikkelen (of wet.be en loi.be). Nadat die voldoende gepopulariseerd is, moet het mogelijk zijn op gecentraliseerde wijze toegang te hebben tot de voornaamste juridische teksten, zoals de belangrijkste Belgische wetgeving, de belangrijkste arresten van het Arbitragehof, van de Raad van State of van het Hof van Cassatie, alsook tot het Belgisch Staatsblad, dat nu al geraadpleegd kan worden (zie site legifrance.fr).

Een interactieve democratie

94. Gebruik maken van de informatietechnologieën om de burgerdemocratie te ontwikkelen : volksraadpleging, publieksenquêtes, forum, on linediscussies, enz.

95. Het elektronisch stemmen mogelijk maken : e-vote. De leden van de Amerikaanse democratische partij hebben op die wijze kunnen stemmen bij de voorverkiezingen in Californië. Daar er in België stemplicht is, zal het elektronisch stemmen ongetwijfeld bijdragen tot een nog grotere deelneming aan de verkiezingen en tot het bestrijden van het absenteïsme, dat nog steeds toeneemt en nauwelijks teruggedrongen is.

Het promoten van België en zijn cultuurgemeenschappen

96. De ambassades en de consulaten van België in het buitenland een plaats op het web geven. Thans beschikken slechts enkele ambassades over een webstek. Enkele jaren geleden speelde de ambassade van België in Washington een voortrekkersrol. Sommige grote ambassades beschikken niet over een webstek terwijl andere, zoals onze ambassade in Argentinië, er wel een heeft. Het ministerie zou software kunnen verstrekken en een basisstandaard kunnen uitwerken voor alle ambassades, zonder daarom het dynamisme van de diplomatieke posten in te tomen.

97. De collecties van de nationale en regionale musea on line brengen en virtuele tentoonstellingen organiseren.

98. Het cultureel patrimonium van België geleidelijk aan digitaliseren en op het net brengen (literaire teksten, monumenten, kunstwerken, enz.).

99. Een portaalsite « belgium.be » ontwikkelen ter bevordering van het toerisme, het cultureel patrimonium en de Belgische knowhow. De site kan dan toegang verschaffen tot de site van de gewesten.

100. Een Franstalige universiteit specialiseren in onderwijs aan buitenlanders, meer bepaald in Franstalig Afrika.

101. Websites creëren waarop de landstalen worden aangeleerd aan niet-Belgen die in België of elders verblijven.

Alain DESTEXHE.