2-61 | 2-61 |
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik had deze vraag eigenlijk gesteld aan de ministers Reynders en Verwilghen. Uiteraard antwoordt maar één minister. Op de agenda is echter maar één minister vermeld. Daarom vraag ik mij af of het antwoord al dan niet door beide ministers is opgesteld. Als dat niet het geval is, is het antwoord wel onvolledig. Ik denk dus dat hier wellicht een kleine administratieve vergissing is gebeurd bij het indienen van de vraag, die duidelijk tot twee ministers was gericht.
We worden al vele jaren met de regelmaat van een klok geconfronteerd met berichten over illegale wapenhandel via de Oostendse luchthaven. Nadat vier helikopters voor Kabila naar Groot-Brittannië werden teruggestuurd, hield de douane een paar weken geleden nog een lading met 44 kisten militair radiomaterieel uit Oekraïne voor Delhi tegen. De speciale vergunning die het ministerie van Financiën daarvoor moest geven, was niet eens aangevraagd.
Sedert enige tijd onderschept de douane af en toe een illegale zending. Aangezien er echter te weinig controlerende ambtenaren zijn, vooral 's nachts en in de weekends, en controles op bepaalde periodes daarenboven nog moeten worden aangevraagd, geniet Oostende bij de illegale wapenhandelaars een hoge faam, vooral 's nachts.
Een eerste conclusie is alvast dat de Oostendse nachtvluchten, dankzij de gaten in het nationale en internationale controlesysteem, bij de wapensmokkelaars goed in de markt liggen, zodat ze van Oostende niet enkel hun zetel maakten maar er zelfs kwamen wonen! Ik herinner de minister van Financiën aan zijn antwoord op de schriftelijke vraag van kamerlid Leterme van 3 februari over de douanediensten. Daarin staat: "Voor de documenten van de Oostende-haven en -luchthaven zijn geen statistieken voorhanden". Dat betekent dat men al jaren weet dat in Oostende illegale wapentransporten plaatsvinden maar men heeft er geen cijfers van. Dat is merkwaardig.
De belangrijkste oorzaak is dat de Europese wetgeving terzake nog altijd vol gaten zit en dat de internationale controleorganismen ongestoord hun oncontroleerbare wegen kunnen gaan! Tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie moet ons land proberen daar iets aan te doen. Inzake de illegale wapenhandel kan de conclusie alleen zijn dat het systeem grondig moet worden aangepakt of dat de Oostendse luchthaven 's nachts en in het weekend gesloten wordt voor alle vrachtvervoer. Dat zou dan toch een eerste stap in de goede richting zijn.
De toestand blijft erg. Wie er de studie "the arms Fixers" van Brian Woord en Johan Peleman, in 1999 uitgegeven door het Inernational Peace Research Instituut van Oslo op naslaat, komt op bijna elke pagina verwijzingen naar Oostende tegen. Oostende blijkt inderdaad de draaischijf van de illegale wapentrafieken te zijn geweest en is het jammer genoeg nog steeds, spijts de jarenlange onderzoeken door het departement van Justitie.
Dit is een schande voor ons land en er moet zo spoedig mogelijk een einde aan worden gemaakt. En dat kan want de luchthaven kan op bepaalde momenten worden gesloten voor alle vrachtverkeer. Het PRIO-rapport beweert zelfs dat handelaars de bevoorradingskanalen van VN-operaties en van humanitaire organisaties misbruiken voor hun wapenhandelsactiviteiten. De vliegtuigen die wapens naar Sierra Leone brengen, sturen er ook humanitaire hulp naartoe. Erger kan niet!
Het is dan ook duidelijk dat onze Belgische humanitaire zendingen Oostende moeten vermijden en zeker bepaalde maatschappijen die twee keer munt slaan uit het oorlogsgeweld.
We zouden een opsomming kunnen geven van alle maatschappijen, tussenpersonen, trafieken enz.. die Oostende gebruikt hebben of nog gebruiken. De douanediensten en de diensten van Justitie zullen die echter ook wel kennen.
Hoe zal de federale wetgeving worden versterkt in het raam van het pro-actief beleid om een einde te kunnen maken aan de illegale handel in kleine wapens, ondermeer via Oostende?
Begin 1999 werd een interdepartementaal comité voor de illegale wapenhandel opgericht en uitgebreid met de nationaal magistraten. Wat zijn daarvan tot op heden de resultaten?
Sinds januari 1997 loopt een onderzoek, bevolen door de Minister Buitenlandse Zaken, naar de illegale Oostendse wapentrafieken, ondermeer door de verschillende maatschappijen van de Rus Viktor Bouts. Wat is daarvan het resultaat en wanneer wordt het afgerond? Werken de parketten van Brugge, Antwerpen en Brussel samen? Wat zijn daarvan de resultaten? Op welke wijze hebben de douanediensten in de voorbije jaren hun greep op de controle verhoogd en welke zijn de resultaten en de verdere beleidsopties terzake? Welke voorstellen werden reeds voorgelegd aan de Europese overheden en met welke resultaten? Moet dit onderwerp niet worden toegevoegd aan de onderzoeken van de Senaatscommissie die de georganiseerde criminaliteit bestudeert?
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - De problematiek van de wapentrafiek, met ons land als draaischijf, vormt één van de grootste problemen van de maatschappij waarmee de opeenvolgende regeringen met de regelmaat van een klok geconfronteerd worden.
Het probleem van de wapens, in het algemeen, vormt één van de prioriteiten van de huidige regering en het project 26 van het federaal veiligheids- en detentieplan heeft tot doel deze problematiek in zijn geheel te herzien.
Voor het einde van het jaar zal ik in het Parlement een ontwerp van wet indienen die de Wet van 3 januari 1933 beduidend wijzigt. Een van de pistes zal het verzekeren van een omkadering zijn van en een toezicht zijn op de in België gevestigde tussenpersonen die wapens verhandelen of die handelsactiviteiten uitoefenen die verband houden met de invoer, de uitvoer en de doorvoer van wapens, en meer bepaald van lichte wapens in ons land. Deze wet zal het mogelijk maken een pro-actief beleid te voeren.
De interdepartementale groep in de strijd tegen de wapentrafiek is op onregelmatige basis sedert het begin van de huidige legislatuur samengekomen. Een vergadering diende plaats te vinden op 6 juni maar is uitgesteld en werd nog niet opnieuw samengeroepen. Deze groep staat onder het gezag van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Ik verkeer momenteel nog niet in de mogelijkheid om op de derde vraag te antwoorden. Het bevoegde parket heeft de gevraagde inlichting nog niet aan mijn kabinet kunnen verstrekken. Ik zal later op deze vraag antwoorden.
Het spreekt voor zich dat het geheel van de parketten van dit land, en niet enkel die van Brussel, Brugge en Antwerpen, samenwerken in de strijd tegen de wapentrafiek. Meerdere dossiers die handelen over de onwettige wapenverkoop worden momenteel onderzocht bij het Parket te Luik. De nationale magistraat hecht eveneens een bijzondere aandacht aan dit probleem en is daarenboven lid van het interdepartementale Comité tegen de wapentrafiek.
De wet van 5 augustus 1991 regelt de internationale transporten van oorlogswapens en militair materieel zowel op intracommunautair als extracommunautair vlak en de transporten van lichtere wapens op extracommunautair vlak. De laatstgenoemde transporten worden beheerst door de Europese Richtlijn 91/477/EEG die sinds 1994 in werking is getreden.
Aangezien een richtlijn in principe geen directe werking heeft zonder formele omzetting ervan in nationaal recht, is er ook geen wettelijke grond meer voor de toepassing van de regels van de wet van 5 augustus 1991 op de transporten van lichte wapens binnen de Gemeenschap. Gelet op het legaliteitsbeginsel is het bijgevolg onmogelijk inbreuken op deze reglementering te vervolgen en te bestraffen. Hiermee worden al twee belangrijke problemen duidelijk. Ons land kan door de Europese instanties worden vervolgd wegens de niet volledige omzetting van deze richtlijn. Bovendien staan we machteloos tegenover wapentrafikanten die zich beperken tot lichte wapens en geen inbreuken begaan op andere wetten. Om deze redenen alleen al is een wetgevend optreden dringend aangewezen, waarbij de richtlijn volledig en expliciet in Belgisch recht wordt omgezet.
Meer specifiek stelt zich dan het probleem van de vervolgingsbevoegdheid voor inbreuken op de wet van 5 augustus 1991. Vermits de richtlijn niet is omgezet, kan er alleen op extracommunautair vlak worden vervolgd. Maar ook om nog andere redenen kunnen geen vervolgingen meer worden ingesteld voor inbreuken op intracommunautair vlak.
De wet van 1991 verwijst in haar artikel 10 inzake de vervolgingsbevoegdheid uitdrukkelijk naar de algemene wet inzake douane en accijnzen, die deze bevoegdheid exclusief aan de douane toekent. Hoewel voor de opsporing en vaststelling van de feiten alle bevoegde diensten mogen optreden, mag alleen de douane vervolgen. Maar zij kan alleen optreden bij in-, uit- of doorvoer, wat intracommunautair juridisch niet meer mogelijk is sinds de creatie van de interne markt en de openstelling van de grenzen in 1993.
Dit verklaart waarom de douane krachtens de algemene regels niet meer kan optreden tegen inbreuken op intracommunautair vlak.
Het departement van Justitie, de nationale magistraten en het departement van Binnenlandse Zaken hebben in het recente verleden hieromtrent suggesties gedaan en hoewel de douane inmiddels op dit standpunt teruggekomen schijnt te zijn, heeft de Minister van Economische Zaken er geen gevolg aan gegeven.
Bij het Parlement zal een wetsontwerp worden ingediend. Bij mijn weten werd sedert de richtlijn van 1991 door de Belgische autoriteiten geen enkel voorstel geformuleerd in deze materie. Rekening houdend met de Europese Richtlijn 91/477 die toereikend lijkt maar die volledig in ons Belgisch recht moet worden omgezet en het ontwerp van wet dat binnenkort bij het Parlement zal worden ingediend, lijkt het mij niet opportuun om dit probleem aanhangig te maken bij de Senaatscommissie die zich bezighoudt met de georganiseerde criminaliteit.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik heb kippenvel gekregen van het ontluisterend duidelijk antwoord van de minister.
Wat op stapel staat, is zeer goed, maar de situatie die de minister schetst, toont aan dat we ons in een vacuüm bevinden. Er is nog heel wat werk voor de boeg.
Ik begrijp nu waarom er zo weinig douanecontroles gebeuren, maar niettemin hoop ik dat op dit vlak snel vorderingen worden gemaakt. Ik stel vast dat het interdepartementaal comité tegen de wapentrafiek te weinig vergadert en dat voor de problematiek van de fameuze wapenhandelaar nog geen oplossing werd gevonden.
Ik noteer de enorme vooruitgang. Het is de eerste keer dat zo'n duidelijk antwoord wordt gegeven. Hopelijk worden ook nog in deze legislatuur maatregelen genomen. Dat maatschappijen die, bijvoorbeeld aan Sierra Leone, humanitaire hulp leveren enkele weken later aan dezelfde mensen wapens bezorgen, kan niet langer worden geduld.
Wij dragen een enorme verantwoordelijkheid. Als we op dit vlak vooruitgang boeken, zullen we duizenden mensenlevens kunnen redden.
Ik dank alleszins de minister voor zijn schitterend antwoord.
- Het incident is gesloten.