2-57

2-57

Sénat de Belgique

Annales parlementaires

JEUDI 22 JUIN 2000 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de Mme Sabine de Bethune à la ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique et de l'Environnement sur «le dépistage systématique du cancer du col de l'utérus» (n° 2-123)

M. le président. - M. Frank Vandenbroucke, ministre des Affaires sociales et des Pensions, répondra au nom de Mme Magda Aelvoet, ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique et de l'Environnement.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik dank minister Vandenbroucke dat hij namens minister Aelvoet wil antwoorden. Ik heb de vraag twee maanden geleden ingediend en indien ze vandaag niet werd behandeld, zou ze waarschijnlijk pas na het zomerreces aan bod zijn gekomen. Ik heb er dan ook op aangedrongen ze vandaag op de agenda te plaatsen.

Ons land kent een van de hoogste sterftecijfers door kanker van de Europese Unie. Bij vrouwen is baarmoederhalskanker na borstkanker de vaakst voorkomende kanker. Elk jaar opnieuw wordt in ons land bij ruim 700 vrouwen baarmoederhalskanker vastgesteld.

Nochtans kan dit soort kanker in een voorstadium met een zeer eenvoudige behandeling een halt worden toegeroepen. Door opsporing via een uitstrijkje in een vroeg stadium daalt het percentage ernstige gevallen met grotere kans op een fatale afloop drastisch. Indien baarmoederhalskanker in een vergevorderd stadium wordt ontdekt, is de vijfjaaroverlevingskans lager dan 50%.

Andere bestuursniveaus in ons land hebben terzake interessante initiatieven genomen. Ik wil hier even verwijzen naar mijn eigen provincie West-Vlaanderen waar onder leiding van gedeputeerde Vens een vrij goed screeningproject voor baarmoederhalskanker is opgezet. Hetzelfde geldt voor Oost-Vlaanderen onder de leiding van gedeputeerde Vandermeiren. Voor zover ik weet, hebben deze projecten echter geen navolging gekregen in andere provincies. Het is dus geen algemene praktijk dat screeningprojecten door het provinciaal bestuur mee worden opgezet en gefinancierd.

Ik wil even ingaan op het Oost-Vlaamse project. De bedoeling van dergelijke projecten is de doelgroep zo volledig mogelijk te bereiken. Daartoe was de voertaal van het Oost-Vlaamse project het Nederlands, maar werd er ten behoeve van bepaalde doelgroepen en personen eveneens gezorgd voor een vertaling naar het Turks en het Arabisch. Er werd samengewerkt met de Gentse universiteit en het actiemateriaal voor sensibilisering werd zowel naar gemeentebesturen gestuurd, als naar huisartsen, gynaecologen, pathologen en natuurlijk de doelgroep zelf. Ook het project in West-Vlaanderen was trouwens uitstekend.

Tot zover het provinciale niveau. Ik wil nu even terugkomen op de globale problematiek. Volgens de Europese richtlijn inzake de kwaliteitswaarborgen bij screening op baarmoederhalskanker moeten vrouwen van 25 tot 64 jaar oud om de drie jaar een uitstrijkje laten nemen. Nochtans moet in ons land worden vastgesteld dat de screenings nog te weinig voldoen aan de twee prioritaire vereisten: de optimale participatie van de doelbevolking en de kwaliteit van de afname, lezing en follow-up van de test. Dit blijkt onder meer uit het probleem van overscreening en onderscreening van bepaalde bevolkingsgroepen. De follow-up is bovendien vaak te agressief. Er wordt immers te weinig feedback gegeven, waardoor mensen die een lagere scholing hebben genoten of minder geïnformeerd zijn, nogal snel overgaan tot een hysterectomie. Dit blijkt uit verscheidene recente studies. Ik denk hierbij aan de studie van dokter Arbyn voor de 11de internationale bijeenkomst van de gynaecologische oncologie, en de studie van dokter Mertens van de Christelijke Mutualiteiten. Vrouwen met een lager inkomen lopen 20 tot 40% meer kans op een hysterectomie, terwijl een operatie vaak uitgesloten kan worden.

In de medische wereld is men steeds meer de overtuiging toegedaan dat baarmoederhalskanker in de overgrote meerderheid, in 93% van de gevallen, veroorzaakt wordt door het menselijk papillomavirus, het MPV. Het aantal onontdekte gevallen van baarmoederhalskanker zou met een nieuwe test voor MPV drastisch kunnen worden verlaagd. In ons land staat het onderzoek naar MPV echter nog in de kinderschoenen, terwijl in het buitenland reeds baanbrekend onderzoek wordt geleverd en testen voor MPV veel gemakkelijker verkrijgbaar zijn.

Ik weet wel dat een heel stuk van deze materie onder de gemeenschappen ressorteert. We zijn hier geconfronteerd met het klassieke probleem van de noodzakelijke samenwerking tussen het federale- en het gemeenschapsniveau wanneer het over preventieve geneeskunde gaat. Niettemin wil ik de bevoegde federale minister de volgende vragen stellen.

Hoe zal de minister het federaal beleid, de financiering van deze preventieve aanpak, ontwikkelen in samenwerking met de gemeenschappen die instaan voor de organisatie van de gezondheidspreventie?

Zal de federale regering de nodige middelen uittrekken om de screening op baarmoederhalskanker kosteloos te maken? Dit is immers een belangrijke voorwaarde voor succes.

Kan de bevinding betreffende het MPV-virus door de diensten worden bevestigd? Zal het departement Volksgezondheid de nieuwe ontwikkelingen inzake MPV op de voet volgen? Zijn daartoe al initiatieven genomen. Zal de federale regering middelen vrijmaken voor baanbrekend onderzoek in navolging van het buitenland?

M. Paul Galand (ECOLO). - Afin d'assurer une approche cohérente de santé publique dans ces domaines et parce que le gouvernement souhaite valoriser la première ligne et dépasser la séparation trop stricte établie entre curatif et préventif, il semble très important, en ce qui concerne le dépistage, d'impliquer la première ligne et les médecins de famille. En effet, il faut assurer un suivi de longue durée et pouvoir préparer au dépistage les femmes qui éprouvent des réticences psychosociales. Il faut aussi pouvoir assurer l'accompagnement psychologique, surtout lorsque des résultats sont douteux ou inquiétants. Parfois en effet, à la suite de tels résultats, les femmes éprouvent des craintes et il n'y a pas de suivi. La personne la mieux placée pour assurer cet accompagnement est le médecin généraliste ou le gynécologue qui, pour certaines femmes, devient presque le médecin traitant. Les différentes problématiques que nous abordons doivent donc s'inscrire dans une vision cohérente de santé publique.

Par ailleurs, il est important de disposer d'un endroit où l'ensemble des données épidémiologiques peuvent être rassemblées et donc recoupées les unes avec les autres. Il est essentiel de mettre en parallèle les facteurs déterminants de la santé et les pathologies dépistées. L'Institut supérieur de Santé publique est l'endroit tout désigné, avec la collaboration des différents observatoires de santé.

Tels sont les deux points que je souhaitais aborder dans le cadre de la problématique fondamentale du dépistage du cancer du col de l'utérus.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ik lees het antwoord dat ik van minister Aelvoet gekregen heb. Momenteel zijn er geen concrete plannen voor het organiseren van een grootschalige nationale opsporingscampagne van baarmoederhalskanker, meer bepaald voor het sensibiliseren en oproepen van alle vrouwen in de doelgroepleeftijd - 25 tot 64 jaar volgens de Europese richtlijnen - om driejaarlijks een cervixuitstrijkje af te nemen, waarbij alle technische aspecten van de hele campagne aan stringente kwaliteitsvereisten inzake participatie, afname, lectuur en opvolging van screenpositieven moeten beantwoorden.

Een georganiseerde screening van baarmoederhalskanker, waarbij het initiatief van de organiserende overheid komt en vrouwen zonder klachten worden opgeroepen, is doelmatiger en vooral kosteneffectiever dan een opportunistische screening, waarbij de opsporing gebeurt op initiatief van de vrouw of haar arts. In België komt momenteel hoofdzakelijk deze laatste vorm van screening voor. Volgens gegevens van het RIZIV bedraagt de jaarlijkse kost hiervoor 1,4 miljard frank; de persoonlijke bijdragen van de vrouwen belopen 0,4 miljard frank. Deze opportunistische screening heeft inderdaad bepaalde, door senator de Bethune aangehaalde gevolgen: globaal onvoldoende partipatie, overscreening in bepaalde bevolkingsgroepen en onderscreening in andere, twijfels over de kwaliteit van afname en lezing.

De gemeenschappen zijn bevoegd voor voorlichting en preventie. Indien dergelijke grootschalige campagnes worden opgezet, is het derhalve evident dat er samenwerking met deze overheden zal zijn.

De federale overheid kan op diverse terreinen een rol spelen. Zo is er in de eerste plaats de mogelijke financiële inbreng om de drempel te verlagen en participatie te bevorderen. In de tweede plaats kunnen maatregelen worden genomen om het bevolkingsonderzoek te faciliteren. Zo kan ze in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 11 december 1999 op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens bepalingen opnemen inzake bevolkingsonderzoek. In deze uitvoeringsbesluiten wordt bevolkingsonderzoek immers als principe van uitzondering op het algemeen verbod van registratie van medische persoonsgegevens beschouwd. Ook een mogelijke uitbreiding van het gebruik van het identificatienummer van de sociale zekerheid ten behoeve van bevolkingsonderzoek kan in dit kader worden overwogen.

Aangezien er momenteel nog geen concrete plannen zijn voor een nationale screening van cervixkanker, kan ik op bepaalde vragen geen concreet antwoord geven. Vragen over de te nemen maatregelen om de onderscreening van sommige kansarme bevolkingsgroepen te voorkomen, over de afstemming van het federale beleid op dat van de gemeenschappen, over het nemen van een beslissing inzake de eventuele kosteloosheid van de screening en het uittrekken van de nodige middelen zullen uiteraard aan bod komen en beantwoord moeten worden als tot een nationale campagne wordt overgegaan.

Momenteel is er overleg tussen de federale-, de gemeenschapsautoriteiten en het RIZIV over een gelijkaardig initiatief, namelijk de organisatie van een nationale campagne voor borstkankerscreening. De beslissing voor de oprichting van deze werkgroep werd genomen op de jongste interministeriële conferentie. De werkzaamheden moeten nog voor het einde van het jaar worden afgerond, zodat een beslissing kan worden genomen.

De ervaringen van deze werkgroep kunnen ongetwijfeld bijzonder nuttig zijn als men ook voor baarmoederhalskanker een gelijkaardige screening zou overwegen. Immers, de fundamentele vragen en knelpunten die hier aan de orde zijn, lopen in belangrijke mate parallel met de problematiek van screening van baarmoederhalskanker.

Humaan Papilloma Virus (HPV)-opsporingstesten worden momenteel in België niet door het RIZIV terugbetaald. Indien het nodig mocht blijken om in België bijkomend onderzoek te verrichten op het terrein van HPV-detectie, dan kan dit worden overwogen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik dank de minister en zijn collega, mevrouw Aelvoet, voor dit duidelijke antwoord. Ik ben het met de beschrijving van de toestand en met de analyse volkomen eens.

Wel betreur ik dat er nog geen sprake is van een nationale campagne. Als ik het goed begrijp, sluit minister Aelvoet dit zeker niet uit en wacht ze op de resultaten van een initiatief dat werd opgestart rond borstkankerscreening.

Persoonlijk blijf ik overtuigd van het nut van een nationale campagne voor de opsporing van baarmoederhalskanker, wat de eerstkomende maanden een prioriteit in het beleid zou moeten zijn. Het zou ook goed zijn om in de begroting 2001 daarvoor de nodige middelen vrij te maken. Een dergelijke campagne komt niet alleen de gezondheid en de leefkwaliteit ten goede, maar zal uiteindelijk ook een positief saldo voor de begroting opleveren. Ook dat is voor mij een reden om zo'n nationale campagne voor de opsporing van baarmoederhalskanker in de prioriteitenlijst van het gezondheidsbeleid van de regering op te nemen. Deze eis wordt trouwens ruim gesteund, niet alleen door de brede laag van de vrouwelijke bevolking, maar ook door vele wetenschappers.

- L'incident est clos.