2-49

2-49

Sénat de Belgique

Annales parlementaires

MARDI 30 MAI 2000 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Didier Ramoudt au ministre de la Justice sur «le fonctionnement du Conseil d'enquête maritime» (n° 2-142)

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Ik verneem dat de werking van de Onderzoeksraad voor de Zeevaart ernstige vertraging oploopt.

Artikel 1 van de wet van 30 juni 1926 bepaalt dat de Onderzoeksraad voor de Zeevaart tot taak heeft de oorzaken van de zeevaartongevallen welke de Belgische zeeschepen betreffen, op te sporen en vast te stellen. Artikel 2 bepaalt dat de Onderzoeksraad daarbij disciplinaire rechtsmacht uitoefent over de kapiteins en schippers, de dek- en machineofficieren, alsmede over elke persoon die verantwoordelijkheid draagt voor de wacht of belast is met het voeren van het schip. Voor de vissersschepen betekent dit dus over alle bemanningsleden. Artikel 4 schrijft voor dat de Onderzoeksraad ook de medische ongeschiktheid van de bemanningslieden dient te evalueren om te beslissen of ze geschikt zijn het zware beroep van visser of zeeman ter koopvaardij uit te oefenen. Daarbij kan op medisch advies worden beslist dat een persoon niet geschikt is om bijvoorbeeld als schipper op Belgische vissersvaartuigen te varen. Omwille van kleurenblindheid, te weinig gezichtsvermogen, doofheid enzovoort, kan zijn brevet tijdelijk of definitief worden ingetrokken.

De wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen bepaalt in de artikelen 14 en 18 dat de Onderzoeksraad in beroep ook dient te beslissen over de zeewaardigheid van Belgische koopvaardijschepen en vissersvaartuigen.

De wet van 6 april 1995 op de zeeverontreiniging, ten slotte, bepaalt in de artikelen 26 tot en met 28 dat de beslissingen van de zeevaartinspectie om schepen aan te houden, in beroep kunnen worden voorgelegd aan de Onderzoeksraad, die ongeacht de vlag die het schip voert, een onderzoek kan instellen naar de oorzaken van de verontreiniging door schepen in de maritieme gebieden waarover België jurisdictie kan uitoefenen.

De diensten van de zeevaartpolitie werden belast met de vaststellingen van inbreuken op deze wetten. Zij stellen processen-verbaal op en sturen die door naar de bevoegde procureur des Konings en terzelfder tijd ook naar de rijkscommissaris bij de Onderzoeksraad voor de Zeevaart, vermits dergelijke inbreuken zowel tuchtrechtelijk als strafrechtelijk bestraft kunnen worden.

Ingevolge de wet van 3 mei 1999 op de bevoegdheidsverdeling van de politiediensten, werd de zeevaartpolitie overgeheveld naar de rijkswacht, sectie scheepvaartpolitie. Een en ander heeft voor gevolg dat de pv's niet meer automatisch naar de rijkscommissaris worden gezonden, maar alleen nog naar de bevoegde procureur. De procureur zendt de dossiers pas naar de Onderzoeksraad nadat het onderzoek is afgerond. In de wet van 1926 zijn echter vervalperiodes ingebouwd van 12 maanden tot 2 jaar, zodat de feiten dreigen te verjaren. Zo is het vissersvaartuig Oostende 66 Les Bauges op 6 februari 1996 gezonken. Op 5 november 1998 heeft de Raad de schipper voor zes maanden geschorst. Het vooronderzoek door het parket te Brugge is tot op vandaag nog altijd niet afgesloten. Als destijds de thans geldige procedure zou zijn toegepast, had de Onderzoeksraad deze zaak nooit disciplinair kunnen behandelen, vermits de zaak op 6 februari 1999 zou zijn verjaard. Het hangt in feite af van de goodwill van de betrokken rijkswachters of zij de rijkscommissaris van opgemaakte pv's verwittigen of niet. Wanneer de rijkscommissaris weet heeft van een pv, kan hij het dossier opvragen bij de betrokken procureur des Konings, wat een procedure inhoudt van minstens zes schriftelijke stappen, want ook de procureur-generaal moet toelating geven.

De procedure verloopt thans als volgt. De scheepvaartpolitie bij de rijkswacht laat weten dat een pv werd opgesteld en overgemaakt aan de bevoegde procureur.

Ten tweede, de rijkscommissaris verzoekt de procureur om een afschrift van het dossier, vermits de wet van 30 juni 1926 bepaalt dat de Onderzoeksraad de zaak moet onderzoeken. Ten derde, de procureur stuurt de aanvraag door naar de procureur-generaal te Gent. Ten vierde, deze laatste laat de bevoegde procureur weten of al dan niet een afschrift mag worden bezorgd. Ten vijfde, de procureur laat de rijkscommissaris weten dat hij al dan niet een afschrift kan bekomen. Ten zesde, de rijkscommissaris vraagt een afschrift, omdat het zijn wettelijke taak is bepaalde zaken aan het oordeel van de Onderzoeksraad te onderwerpen. Om dat afschrift aan de Onderzoeksraad te kunnen bezorgen moet de rijkscommissaris vooraf wel 420 frank betalen. Dat geeft de indruk dat de Onderzoeksraad als een gewone derde wordt beschouwd, terwijl het wettelijk voorgeschreven is dat hij dergelijke zaken onderzoekt. De Onderzoeksraad is inderdaad een bij wet ingesteld orgaan met wettelijk omschreven taken. Zijn werking wordt dus in de praktijk bemoeilijkt.

Een andere vaststelling is dat de rijkswacht niet voor alle inbreuken of ongevallen een proces-verbaal opstelt. Zo verklaart ze zich onbevoegd voor feiten die zich hebben voorgedaan in wateren die niet onder de Belgische jurisdictie vallen of voor zaken waarbij Belgische vaartuigen zijn betrokken, maar die gebeurd zijn in andere dan territoriale wateren en die gemeld werden door de betrokken buitenlandse overheden.

Na 74 jaar tot eenieders tevredenheid te hebben gefunctioneerd, ondermijnt de huidige situatie de werking van de Onderzoeksraad en schept ze rechtsonzekerheid. Dat kan toch niet de bedoeling geweest zijn van de herverdeling van de bevoegdheden van de politiediensten.

Vandaar volgende vragen aan de minister.

Ten eerste, is de minister op de hoogte van de problemen met de werking van de Onderzoeksraad voor de zeevaart. Ik wijs erop dat de betrokken rijkscommissaris al op 4 februari 2000 de bevoegde procureur-generaal van de moeilijke situatie in kennis stelde en haar verzocht deze zaak aan het college van procureurs-generaal voor te leggen?

Ten tweede, welke maatregelen zal de minister nemen tegenover de procureurs?

Ten derde, in welke mate zal de minister in overleg met zijn collega bevoegd voor de rijkswacht, een aanzet geven voor een versoepeling van de doorzend- en meldingsprocedure van de processen-verbaal aan de rijkscommissaris voor de zeevaart?

Ten derde, binnen welke termijn mag voor de werking van de Onderzoeksraad een oplossing worden verwacht. Het feit dat de Onderzoeksraad op een laag pitje draait zorgt voor rechtsonzekerheid. Naar verluidt staan er bij de Onderzoeksraad zelfs geen zaken meer op de rol. Hij is dus werkloos geworden.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - De eerste vraag die eigenlijk moet worden gesteld, is natuurlijk of ik kennis heb van de problemen die de heer Ramoudt aankaart. Uit inlichtingen die het College van procureurs-generaal me heeft verstrekt, blijkt dat over deze problematiek een briefwisseling werd gevoerd tussen de Onderzoeksraad voor de zeevaart en de procureur-generaal van Antwerpen tussen 4 februari en 30 maart 2000.

Aangezien de problemen van het doorsturen van afschriften van strafbundels, na overheveling van de zeevaartpolitie naar de rijkswacht, enkel rijzen in de gerechtelijke arrondissementen Veurne en Brugge, heeft de procureur-generaal van Gent het op zich genomen na te gaan hoe de informatie aan de Onderzoeksraad geoptimaliseerd kan worden.

Voor een goed begrip wens ik de problemen in hun juiste context te plaatsen. Bij de integratie van de zeevaartpolitie in de rijkswacht werden de bevoegdheden van de zeevaartpolitie als volgt verdeeld. De algemene politietaken van bestuurlijke en gerechtelijke politie werden aan de rijkswacht overgedragen. De controle op de technische veiligheid van de schepen en alle administratieve taken bleven ten laste van het ministerie van Verkeerswezen en werden geïntegreerd in de huidige diensten van de Scheepvaartcontrole.

De Onderzoeksraad is een administratief rechtscollege, zodat niet de politiediensten, maar de gerechtelijke overheden moeten beslissen over het al dan niet ter beschikking stellen van de processen-verbaal. Dat vloeit voort uit de aard van de Onderzoeksraad zelf.

Uit inlichtingen van de rijkswacht blijkt dat de huidige werkwijze in grote lijnen overeenkomt met de werkwijze die het Waterschoutambt van de kust sinds 1991 voorschreef en ook toepaste. Ze werd veralgemeend naar de brigades van de Scheepvaartpolitie. Samengevat komt het erop neer dat de Onderzoeksraad door de rijkswacht wordt geïnformeerd door middel van een bondig verslag van de feiten en dat er een maandelijks overzicht van de opgestelde processen-verbaal wordt verzonden. Op basis van dit alles kan de raad dan bijkomende elementen, bijvoorbeeld een kopie van het proces-verbaal, bij de betrokken gerechtelijke overheid aanvragen. Indien de Onderzoeksraad als gevolg van zijn autonome onderzoeksbevoegdheid akte wenst te nemen van verklaringen in het kader van de administratieve rechtspleging, dient hij zich te richten tot de Scheepvaartcontrole, die deze administratieve taken is blijven behouden na de integratie van de zeevaartpolitie in de rijkswacht.

In elk geval zal de procureur-generaal van Gent binnenkort een beslissing nemen met het oog op de optimalisering van de informatiestroom, zodat het probleem dat de heer Ramoudt aankaart, ook werkelijk kan worden opgelost.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Het antwoord van de minister stelt mij tevreden. Ik hoop dat de procureur-generaal zijn opdracht zal volbrengen en de doorstroming van de gegevens zal bewerkstelligen.

- L'incident est clos.