2-433/1 | 2-433/1 |
23 MEI 2000
De wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming heeft een instelling die dateerde uit de naoorlogse periode en uit de koude oorlog, willen moderniseren. Die wet is vervolgens al gewijzigd om de minister in staat te stellen over te gaan tot een rationalisatie van de brandweerdiensten.
De commissie streeft naar een betere coördinatie van die diensten en is door de beroepsverenigingen van brandweerdiensten op de hoogte gebracht van de problemen waarmee die diensten kampen. Daarom heeft zij gemeend zich te moeten bezinnen over de toestand waarin onze hulpverleningsdiensten werken en hoe die kan worden verbeterd.
De commissie heeft de volgende personen gehoord :
op 2 februari 2000, mevrouw Breyne-De Vos, directeur-generaal van de civiele bescherming;
op 2 februari 2000, de heer Cahay, brandweercommandant van Hoei en voorzitter van de Provinciale Unie van Luik van de Koninklijke Federatie van brandweerdiensten;
op 21 maart 2000, de heer De Herdt, voorzitter van de Belgische Beroepsvereniging van brandweerofficieren;
op 21 maart 2000, de heer Vande Velde, voorzitter van de Koninklijke Belgische Brandweerfederatie (Nederlandstalige vleugel);
op 21 maart 2000, de heer Haumont, voorzitter van de Koninklijke Belgische Brandweerfederatie (Franstalige en Duitstalige vleugel);
op 28 maart 2000, mevrouw Paulus de Châtelet, gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
Zij heeft de volgende kazernes en diensten bezocht :
op 9 februari 2000, de brandweerkazerne van Beveren;
op 22 februari 2000, de permanente eenheid van de civiele bescherming te Liedekerke;
op 22 februari 2000, de brandweerkazerne van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
op 10 mei 2000, de brandweerkazerne van Hoei.
Een delegatie van de commissie heeft tijdens een studiereis naar Frankrijk en Zwitserland, volgende personen ontmoet :
op 25 april 2000 de prefect van het departement van de Rhône, vergezeld van zijn staff van de Burgerlijk Veiligheid te Lyon;
op 27 april 2000, te Genève, mevrouw Ingrid Nordström-Ho, Humanitarian Affairs Officer, Military and Civil Defence Unit, Disaster Response Branch, de heer Michel Thieren, Departement of Emergency and Humanitarian Action, Country Operations, de heer Tony Maryon, verantwoordelijke bij de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaanverenigingen, Departement Disaster Response and Operations Coordination Division.
Mevrouw Breyne-De Vos heeft in de eerste plaats onderstreept dat de middelen van de civiele bescherming geen gelijke tred houden met haar opdrachten. Een voortgezet bezuinigingsbeleid leidt ertoe dat de civiele bescherming nu moet werken met het strikte minimum aan uitrusting.
De samenwerking met de brandweer verloopt vlot. Wegens budgettaire problemen doet een aantal gemeenten echter stelselmatig een beroep op de civiele bescherming om geen plaatselijke dienst te moeten bekostigen. Dat geldt vooral voor Henegouwen. Andere welvarende gemeenten kopen dan weer speciaal materieel aan dat tot niets dient omdat het niet goed wordt onderhouden.
In de eerste plaats als woordvoerder van de Koninklijke Belgische Brandweerfederatie vraagt de heer Cahay om een degelijker structuur met beheersorganen waarbij alle verantwoordelijken van de zone worden betrokken, een interessant en eenvormig statuut voor de brandweer en een statuut zonder meer voor de vrijwilligers aangezien die het thans nog geen statuut hebben.
Bij het bezoek aan de brandweerkazerne van Brussel hebben de heer Hayez, commandant van de Brusselse brandweer en de heer Boileau, zijn adjunct, gewezen op de specifieke kernmerken van de hulpdiensten in het Brussels Gewest.
Indertijd is de Brusselse Agglomeratie erin geslaagd aan de bevoegdheid van de gemeenten te onttrekken die bevoegdheden inzake veiligheid die nog uit de tijd van de Franse Revolutie stamden. Geleidelijk aan moest er wel een enkele dienst komen omdat de gemeenten afzonderlijk hun eigen hulpdiensten in het stadsgebied niet meer konden financieren.
Inzake de voorgestelde hervorming voor de rest van het land stelt de heer Hayez bijgevolg voor de hulpdiensten te organiseren op provinciale leest en een geografische specialisering van de zonale eenheden.
Volgens hem wijzen de chefs van de hulpdiensten er met nadruk op dat de belangrijkste bronnen van gevaar in het Brussels Gewest ook het minst duidelijk zijn omschreven, te weten het vervoer van gevaarlijke stoffen.
De heren De Herdt, Vande Velde en Haumont hebben uitgeweid over de problematiek waarop de brandweerfederaties de aandacht hebben gevestigd, maar bleven vooral stilstaan bij de organisatie van de diensten.
Volgens hen moet er een stelselmatige en exhaustieve studie komen over de risico's, waarmee men de behoeften alsook de opstelling van de infrastructuurvoorzieningen kan beoordelen.
Eveneens ter sprake is gekomen het netelige probleem van de brandweer omdat die van twee ministers afhangt (Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid) die de beleidslijnen opleggen. Aangezien er geen of te weinig overleg is tussen die ministers, komt er een onsamenhangende regelgeving tot stand naar gelang van het werkgebied, dat wil zeggen brand of dringende medische hulpverlening. Ten slotte hebben sprekers de overheid met nadruk verzocht een ernstige inspanning te leveren inzake opleiding.
Volgens mevrouw Paulus de Châtelet is het vooral nodig realistische oefeningen te houden voor de noodplannen. Doet men dat niet, dan dienen die plannen tot niets.
De heer Houben (brandweercommandant Beveren) onderstreepte vooral de incongruentie tussen het lot van de verschillende types van zones, en verdenkt er de federale overheid van om via deze indeling veeleer aan besparingen te willen doen, dan een efficiënte spreiding van de middelen te bewerkstelligen. Er is dientengevolge een ongezonde rivaliteit tussen zones. Het systeem van de vrijwilligers werkt goed en moet in stand gehouden worden.
De heer De Kock, commandant van de Permanente Eenheid van de civiele bescherming van Liedekerke, wijst op het belang van een federale dienst, met een degelijk uitgerust hoofdkwartier. De crisiscentra voldoen niet aan deze verwachtingen. Er is bovendien teveel naijver tussen civiele bescherming en brandweer. De civiele bescherming wordt aldus onderbenut, ook op het vlak van de gegroepeerde aankoop van materieel.
Hij benadrukt dat het optreden van de verschillende korpsen gecoördineerd moet verlopen. Daarin moet een enkele bevelvoering voorzien.
Ook moet men zorgen voor procedures waarmee men snel het materieel samen kan gebruiken wanneer de twee korpsen samen optreden.
De heer Besse, prefect van het departement van de Rhône, heeft het nieuwe Franse systeem inzake Civiele Veiligheid nader toegelicht. Voortaan geldt het departement als uitgangspunt ofschoon de burgemeester theoretisch althans nog altijd de brandweer leidt indien de ramp beperkt blijft tot het grondgebied van zijn gemeente. Wat daarentegen de logistiek betreft, is het beheer en de financiering in handen van de Service départemental d'incendie et de secours (SDIS). Deze dienst wordt geleid door verkozenen die hun mandaat krijgen van de verschillende ondergeschikte besturen. Die verkozenen zijn verantwoordelijk voor het werkingsniveau van de diensten. De financiering komt ten laste van de gemeentebegroting en wordt berekend volgens het aantal inwoners.
De heer Thieren en mevrouw Noreström-Ho wijzen erop dat hun organisaties bij rampen optreden en bovendien voorbereidend en preventief werk leveren. Zo geeft de Wereldgezondheidsorganisatie een aantal handboeken uit over het voorbereiden van de hulpverlening en houdt de OCHA een lijst bij van alle soorten materieel dat de lidstaten ter beschikking stellen van de internationale hulpverlening. Het welslagen van hun optreden hangt af van de bereidwilligheid van hun lidstaten.
De heer Maryon coördineert het optreden bij de nationale verenigingen van het Rode Kruis die niet rechtstreeks van de regeringen afhangen. Daarom gaat het ook om heel wat soepeler organisaties.
Die hoorzittingen en bezoeken hebben verschillende structurele en specifieke tekortkomingen aan het licht gebracht.
Buiten een reeks detailproblemen, die verwerkt werden in Hoofdstuk II Thematische analyse, werden een hele reeks belangrijke structurele en algemene problemen opgeworpen die, globaal genomen, aanleiding gaven tot het voorstellen van een volledig herdachte structuur van het geheel der diensten die zich met de civiele veiligheid van de burgers bezighouden :
A. Structurele problemen
1) In het algemeen zijn de risico's niet in kaart gebracht. Dit is nochtans een conditio sine qua non voor een goede organisatie van de hulpdiensten. De ramp te Enschede heeft bewezen dat er dringend behoefte is aan een dergelijke kaart, waarop zowel de burgerlijke als de militaire risicofactoren vermeld staan.
2) De minister en de gouverneurs moeten noodplannen opstellen en uitvoeren.
Deze plannen moeten aan eenvormige normen beantwoorden en er moeten vaker oefeningen worden georganiseerd.
3) De civiele bescherming heeft de kwalijke gevolgen moeten ondergaan van het lineaire aftoppen van de begrotingen gedurende de jaren van budgettaire inkrimping.
Dit heeft gevolgen gehad voor haar eigen investeringen en ook voor de subsidies die bedoeld zijn om de brandweerdiensten en de diensten voor dringende geneeskundige hulpverlening uit te rusten.
4) Er is nagenoeg geen samenwerking tussen de minister van Binnenlandse Zaken onder wie de civiele bescherming en de brandweerdiensten ressorteren, en de minister van Volksgezondheid die de normen voor dringende geneeskundige hulpverlening bepaalt.
5) De versnippering van de brandweerdiensten is onproductief. Wanneer een dienst voor verschillende gemeenten moet instaan, verdeelt de gouverneur de kosten over de centrumgemeente en de andere gemeenten, zonder veel uitleg over de criteria te geven.
Zoals uit de cijfers blijkt dragen de inwoners uit de centrumgemeente veel meer bij dan de inwoners uit de andere gemeenten, wat onbillijk is.
De goede samenwerking tussen zones hangt nog te veel af van alleen maar de goede wil van de mensen die aan het hoofd van de diensten staan.
6) De verdeling in zones wordt beschouwd als een manier om te beknibbelen op federale subsidies veeleer dan als een nuttig organisatiemiddel. Ongezonde concurrentie tussen de zones om « de grootste » te worden, moet absoluut worden voorkomen.
7) Met betrekking tot de dringende geneeskundige hulpverlening ligt het accent niet langer op het vervoer van de zieken maar op het vervoer van de artsen naar de plaats van het incident. Dat kan levens redden, maar er moet wel worden nagedacht over de onderlinge samenwerking van de veiligheidssector en de urgentiediensten van de ziekenhuizen.
8) Er heerst een zekere wanorde wat het materieel betreft. Bepaalde gemeenten brengen het niet op om alle administratieve formaliteiten te verrichten die nodig zijn om materieel te kopen via de minister van Binnenlandse Zaken. Zij kopen liever op eigen kosten veeleer dan te profiteren van de gegroepeerde aankopen door de minister van Binnenlandse Zaken. Soms wordt op ondoordachte manier gespecialiseerd materieel aangekocht, dat dan wordt opgeslagen en verder tot niets dient vanwege het gebrek aan onderhoud en aan personeel dat bekwaam is om het te gebruiken.
B. Statuut van het personeel
9) De gemeentelijke autonomie zorgt ervoor dat de centrumgemeenten heer en meester zijn over het statuut van hun brandweerlui. Dit leidt tot tal van uiteenlopende statuten met het gevolg dat sommige brandweerlui afgunstig zijn op brandweerlui uit andere korpsen.
10) Terwijl de civiele bescherming op federaal niveau georganiseerd is, missen de brandweerdiensten zo'n structuur, zodat zij als beroepsgroep weinig in de melk te brokkelen hebben.
11) Voor het goede verloop van de operaties zijn om praktische en budgettaire redenen vrijwilligers nodig. Niet overal is nood aan een beroepskorps. In zones waar niet de hele dag incidenten plaatsvinden, kan een vrijwilligerskorps nuttig zijn. Deze vrijwilligers moeten evenwel een degelijk statuut hebben.
C. Vorming van het personeel
12) Aan de basis en na de benoeming moet een uniforme opleiding verzekerd zijn. De officiers hebben een specifieke hogere opleiding nodig.
D. Toegankelijkheid en communicatie
13) De crisiscentra zijn niet dag en nacht werkzaam. Er zou een wachtdienst moeten worden georganiseerd.
14) De 100-centrales worden verdeeld volgens de telefoonzones. Zo hangen sommige brandweerkorpsen af van verschillende 100-centrales, wat de dienstverlening natuurlijk niet ten goede komt.
15) Wat de communicatie betreft, moet ervoor worden gezorgd dat de betrokken systemen onderling verbonden zijn (Astrid, Telerad, brandweerdiensten, enz.).
1. Oprichting van een Federale Raad voor de civiele veiligheid
1.1. Inleiding
Uit de talrijke hoorzittingen die de commissie voor de Binnenlandse Zaken heeft gehouden over de hervorming van de civiele-veiligheidsdiensten blijkt duidelijk dat zowel de afgevaardigden van de civiele bescherming als de twee vleugels (Franstalige en Duitstalige enerzijds en Nederlandstalige anderzijds) van de federatie van brandweerdiensten de oprichting van een eenheidsstructuur voorstellen voor de hulpdiensten. Voor de opsplitsing tussen de civiele bescherming en de brandweerdiensten bestaan geen redenen meer tenzij historische.
De commissie deelt deze zienswijze en stelt een hervorming voor in de richting van de eenmaking der diensten, zoals voor de eengemaakte politie. Er zouden aldus een basisniveau, genaamd « zone » en een federaal beleidsniveau moeten komen.
In het geval van de burgerlijke hulpdiensten is het echter nodig gebleken om een tussenlaag in te schakelen tussen de algemene leiding en de basis; deze tussenlaag is het best te herleiden tot de provincie, en dit om diverse redenen. De voornaamste daarvan zijn dat zich daar reeds een bevelstructuur bevindt in geval van catastrofes en dat de financiering van grote zones die de afmeting van een provincie kunnen bereiken, via de provinciale belastingbevoegdheid kan verlopen. Tenslotte gaat het om een laag die een organieke band heeft met zowel de federale als de gewestelijke instellingen, wat het opzetten van acties moet vergemakkelijken die in overleg tussen deze beiden worden overwogen.
1.2. Huidige toestand
1.2.1. Structuur van de diensten van de civiele bescherming
1.2.1.1. Decentralisering van de operationele eenheden
Tot in 1998 was de civiele bescherming gecentraliseerd. Sinds 1998, toen te Jabbeke een bijkomende operationele eenheid werd opgericht, is een decentralisatie op gang gekomen.
Deze decentralisatie heeft op de eerste plaats tot doel de interventietijd van de diensten van de civiele bescherming in te korten.
Bovendien brengt deze decentralisatie mee dat de interventiemiddelen tot op zekere hoogte afgestemd worden op die van de brandweerdiensten.
1.2.1.2. Vooruitgeschoven posten
De operationele eenheden van de civiele bescherming bestaan uit beroepsmensen en vrijwilligers (« gemengde diensten »).
De beroepskrachten van de civiele bescherming nemen 24 uur per day de dienst waar in de permanente eenheden van Liedekerke, Brasschaat, Crisnée en Ghlin en in de Grote Wachten van Jabbeke en Neufchâteau.
Er bestaan gemiddeld drie vooruitgeschoven posten per provincie : dit zijn verzamelposten van vrijwilligers van de civiele bescherming. Bij onheil komen zij de beroepskrachten ter hulp.
1.2.1.3. Organisatiestructuur provinciale eenheden/grote wacht
Deze organisatiestructuur provinciale eenheden/grote wacht is opgericht door een reglementering waarin de activiteiten en de organisatie in de interventie-eenheden duidelijk bepaald worden.
Deze structuur is noodzakelijk aangezien de civiele bescherming een korps is dat gedeeltelijk uit vrijwilligers bestaat.
1.2.2. Structuur van de brandweerdiensten
Deze brandweerdiensten zijn op gewestelijke basis georganiseerd.
Om de brandweerdiensten optimaal te organiseren is het noodzakelijk gebleken zones te vormen waarin verschillende brandweerdiensten gegroepeerd worden.
De wet van 31 december op de civiele bescherming is reeds in die zin gewijzigd.
De verdeling van de brandweerdiensten in zones, een bevoegdheid van de provinciegouverneurs, is op dit ogenblik voltooid.
1.2. Ontwerp voor een nieuwe structuur
Een nieuwe structuur zou moeten bestaan uit de bestaande operationele korpsen, geïntegreerd onder één leiding en met drie gezagsniveaus.
Federaal niveau :
Federale Raad voor de civiele veiligheid;
Federale operationele staf;
Federaal uitvoerend bureau
Provinciaal niveau :
Provinciale Raden voor de civiele veiligheid, die elk beschikken over een operationeel centrum.
Zonaal niveau :
civiele-veiligheidszones.
Het is wel te verstaan dat binnen elke Raad de verkozenen of de vertegenwoordigers van de overheid de meerderheid zullen hebben van de beslissende stemmen.
1.3.1. Federale Raad voor de civiele veiligheid
1.3.1.1. Samenstelling
Vertegenwoordigers van de overheid :
de federale minister van Binnenlandse Zaken of zijn vertegenwoordiger;
de federale minister van Volksgezondheid of zijn vertegenwoordiger;
een bepaald aantal burgemeesters of hun vertegenwoordigers.
Vertegenwoordiging van gewesten (artikel 92ter van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen) :
de gewestministers van Milieu of hun vertegenwoordigers.
Technici :
degene die verantwoordelijk is in elke interzonale raad voor civiele veiligheid;
de technici van de onderscheiden specialiteiten;
de (vakbonds)afgevaardigden van de leden van de civiele-veiligheidsdiensten.
Met raadgevende stem :
de minister van Landsverdediging of zijn vertegenwoordiger;
de humanitaire verenigingen (Rode Kruis en Artsen zonder grenzen).
1.3.1.2. Bevoegdheden
De risicocriteria bepalen;
De criteria bepalen voor de financiering van de zones;
Het statuut van het personeel en het aantal aan elke zone toe te wijzen personen, bepalen;
Voorstellen doen aan de minister van Binnenlandse Zaken in verband met het statuut van de leden van de civiele-veiligheidsdiensten;
Het materieel verdelen onder de Provinciale Raden;
De lesprogramma's bepalen die door de federale en provinciale scholen van de civiele-veiligheidsdiensten onderwezen zullen worden.
Systematisch de hulpplannen nakijken en de cartografie der risico's bepalen.
De veiligheid van de gevaarlijke transporten organiseren.
1.3.2. Federale operationele staf
Op federaal vlak moet een eengemaakte staf opgericht worden die uitvoering zal geven aan de besluiten van de Federale Raad voor de civiele veiligheid.
Deze staf zal bovendien een permanente wachtdienst bevatten die het huidige crisiscentrum zal vervangen en die intern toezicht zal uitoefenen op de civiele-veiligheidsdiensten.
1.3.2.1. Samenstelling
De federale operationele staf zal bestaan uit afgevaardigden van de provinciale raden voor de civiele veiligheid.
Verder zal de staf bestaan uit de leden van het federaal uitvoerend bureau van de civiele-veiligheidsdiensten (cf. infra).
1.3.2.2. Bevoegdheden
Het federaal uitvoerend bureau is belast met de uitvoering van alle maatregelen die genomen worden door de Federale Raad voor de civiele veiligheid.
1.3.3. Dagelijks bestuur
Er moet een beperkte en permanente structuur worden opgericht voor het dagelijks bestuur op federaal vlak. Deze structuur zal de federale staf leiden.
1.3.3.1. Samenstelling
Dit federaal uitvoerend bureau van de civiele-veiligheidsdiensten zal bestaan uit leden die voor een beperkte periode aangewezen worden.
1.3.3.2. Bevoegdheden
Het federaal uitvoerend bureau moet toezien op het dagelijks bestuur op federaal vlak van de civiele-veiligheidsdiensten.
2. De Provinciale Raad en de Zoneraad voor de civiele veiligheid
2.1. De Provinciale Raad voor de civiele veiligheid
A. Begrip
De Provinciale Raad voor de civiele veiligheid geeft leiding aan de zones voor civiele veiligheid van elke provincie.
Voor Brussel-Hoofdstad worden die taken uitgeoefend door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
B. Samenstelling
Net als de Federale Raad voor de civiele veiligheid bestaat de Provinciale Raad voor de civiele veiligheid uit vertegenwoordigers van de openbare besturen en technici. Aan de Raad zal een operationeel centrum verbonden zijn voor het beheer van het gespecialiseerd materieel en voor de coördinatie van acties die de zonegrenzen alsmede de provinciegrenzen overschrijden.
Vertegenwoordigers van de overheid :
de provinciegouverneur;
de burgemeesters of hun vertegenwoordigers.
Technici :
degene die voor elke zone verantwoordelijk is;
afgevaardigden van de leden van de civiele-veiligheidsdiensten.
Vertegenwoordigers van de humanitaire verenigingen :
Rode Kruis en Artsen zonder grenzen.
C. Bevoegdheden
1. Naleving van de regels
Toezien op de toepassing van de door de minister van Binnenlandse Zaken vastgestelde regels;
Toezien op de toepassing van de regels die zijn uitgevaardigd door de Federale Raad voor de civiele veiligheid;
Toezien op de naleving van de organieke regelingen en de huishoudelijke reglementen.
2. Aanwerving en bevordering :
De aanwerving organiseren;
De regels bepalen voor de bevordering van de leden van de civiele-veiligheidsdiensten.
3. Financieel beheer :
De financiën beheren van de civiele-veiligheidsdiensten.
4. Interventies :
Een grondige analyse maken van de soorten interventies;
Toezien op de doeltreffendheid van de interventies : aantal beschikbare manschappen, soort beschikbaar materieel;
Erop toezien dat in elke zone een beroepsofficier aanwezig is;
Versterkingen organiseren die in andere zones kunnen bijspringen;
Het verloop van de dringende medische hulpverlening controleren.
5. Materieel
De technische nota's van het ministerie van Binnenlandse Zaken aanpassen aan de specificiteit van elke zone;
Het materieel over de zones verdelen;
Het materieel beheren (onderhoud, herstellingen, ...);
Het materieel aankopen;
6. Opleiding
Een provinciale school voor civiele veiligheid oprichten;
De inhoud van de lessenpakketten bepalen;
7. Preventie
Adviseren van het personeel dat zich met preventie bezighoudt;
Toezien op de eenvormigheid van de preventierapporten;
De noodzakelijke documentatie verschaffen;
De hulpplannen actualiseren.
2.2. De zone en de zoneraad
A. Begrip
De structuur van de civiele-veiligheidsdiensten is gebaseerd op het begrip zone. Die zones moeten worden bepaald in overleg met de vroegere brandweerdiensten en de vroegere civiele bescherming.
Elke zone zal een aantal manschappen tellen dat wordt bepaald door de Federale Raad voor de civiele veiligheid.
In elke zone moet altijd een beroepsofficier aanwezig zijn.
De zone is een gemengde dienst die is samengesteld uit beroepsmensen en vrijwilligers.
De omvang van een zone staat in verhouding tot het risico : de omvang hangt af van het aantal inwoners en van het aantal bedrijven.
De begroting van de zone is afhankelijk van het aantal inwoners. Elke inwoner van de zone zou in gelijke mate bijdragen in het budget van de zone. Er zouden dus geen afwijkingen meer zijn tussen buurgemeenten.
Samenstelling
De zoneraad is samengesteld uit de zoneverantwoordelijke en de burgemeesters van de gemeenten die deel uitmaken van de zone.
Bevoegdheden
De zoneraad is belast met het dagelijks bestuur en met het bestuur op lange termijn van de civiele-veiligheidsdiensten op zijn grondgebied en werkt mee aan de uitvoering van de coördinatieacties waartoe de Provinciale Raad voor de civiele veiligheid heeft besloten, en in het bijzonder het opstellen en het bijwerken van de hulpplannen.
3. Vaststelling van de risico's
3.1. Ontstaansgeschiedenis van het probleem
Om doeltreffend te zijn moet een hervorming altijd tegemoetkomen aan reële behoeften.
Bij de verschillende bezoeken aan hulpdiensten was een van de meest gehoorde, fundamentele verwijten dat er geen wetenschappelijke inventaris van de behoeften op « macro-economisch » niveau bestaat.
Een der belangrijkste instrumenten bij deze benadering is de genormaliseerde cartografie der risico's. Deze zou, benevens de burgerlijke risico's (waaronder de springtuigen een belangrijke luik vormen), ook de militaire risico's (munitie) en deze verbonden met gevaarlijk transport (bepaling van de doorgangszones) moeten bevatten. Deze gegevens dienen beveiligd te worden via een sleutel.
Blijkbaar ligt vooral de versnippering van de diensten aan de oorsprong van het gebrek aan beleidsinstrumenten wat de hulpdiensten betreft.
Men stelt immers vast dat de verschillende elementen die samen de zogenaamde hulpdiensten vormen, hun ontstaan en ontwikkeling te danken hebben aan een eigen behoefte en een dynamiek die telkens weer verschillend is.
Het brandweerkorps is opgericht en ontwikkeld per gemeente, naar gelang van de plaatselijke behoeften, met inbegrip van of zonder ziekenvervoer. Aangezien sommige gemeenten niet over een dergelijk korps beschikken, hebben zij gewoon een beroep gedaan op de korpsen van de aangrenzende gemeenten. Deze ontwikkeling voltrok zich op een empirische en pragmatische manier, zonder dat daar een grondige voorafgaande studie over is gemaakt.
Zo zijn er stilaan feitelijke zones ontstaan (spontane samenwerking tussen de korpsen uit aangrenzende gemeenten), die vervolgens geformaliseerd zijn (X, Y, Z en C).
De samenleving is tegelijker tijd geëvolueerd van een plattelandssamenleving, naar een stedelijke, mobiele en industriële samenleving, wat het aantal risico's heeft verhoogd en vooral risico's met zich bracht die steeds moeilijker te bestrijden werden indien de hulpdiensten zich niet specialiseerden.
In een eerste periode waren de voornaamste risico's branden in boerderijen en in huizen (die overigens zelden slachtoffers maakten, tenzij de brand een heel huizenblok verwoestte), alsook overstromingen.
Door de ontwikkeling van de industriële (en stedelijke) samenleving zijn die risico's steeds talrijker geworden : er kwamen werkplaatsen in woonwijken en de industrie hield steeds meer en grotere risico's in (eerst chemische risico's, daarna ook nucleaire gevaren).
Het wegverkeer eiste ook steeds meer doden en gewonden.
De hulpdiensten zagen zich dus genoodzaakt hun dienstverlening te diversifiëren en gespecialiseerd personeel in te zetten. Ook het netwerk voor het vervoer van de slachtoffers is steeds complexer geworden en is geïntegreerd in de spoedgevallendiensten van de ziekenhuizen.
Aangezien het inschatten van de risico's steeds op het laagste niveau geschiedt, is er in België nooit een alomvattende, systematische studie van die risico's gemaakt.
Dit is nochtans een absolute voorwaarde om de dienstverlening zo rendabel mogelijk te maken en om alle inwoners dezelfde garanties te bieden inzake de interventietijd en de kwaliteit van de geboden hulp.
Het is anderzijds niet uitgesloten dat sommige risico's slecht ingeschat worden en derhalve slecht gedekt, terwijl andere integendeel overschat zijn.
Terwijl de hulpdiensten vroeger een inspanningsverbindenis hadden, eist men van hen tegenwoordig steeds meer een resultaatsverbintenis.
3.2. Vaststellen van de risico's
De afgevaardigden van de verenigingen van brandweermannen en brandweerofficieren hebben ons verteld dat het vaststellen van de risico's essentieel is en bovendien gemakkelijk georganiseerd kan worden indien men binnen de brandweerkorpsen over een staf met een minimumaantal personen kan beschikken. De commissie heeft een dergelijke staf ontmoet in de brandweerkazerne van Brussel. Zij heeft de indruk gekregen dat deze staf noodzakelijk is om de problematiek efficiënt aan te pakken. Indien men niet grondig nadenkt over de inventarisering van de risico's, kan men ook niet overgaan tot een efficiënte organisatie, waarbij de taken worden vastgelegd (zie hoofdstuk 4) en er concreet wordt georganiseerd (zie hoofdstuk 7).
In dit stadium van de beschouwing (dit wil zeggen vooraleer men de concrete risico's heeft vastgesteld) is men genoodzaakt op abstracte wijze te werk te gaan en daarbij alles in overweging te nemen wat redelijkerwijze in het begrip « hulpdiensten » vervat ligt.
Vervolgens dient men zich af te vragen hoe men dit in de praktijk moet organiseren, meer bepaald in het licht van het vereiste veiligheidsniveau, dat op zijn beurt weer afhangt van de financiële middelen (zie hoofdstuk 8).
Om vast te stellen welke risico's onder de bevoegheid van de hulpdiensten vallen, dient men eerst en vooral eliminerend te werk te gaan. Twee grote klassieke korpsen vallen niet volledig binnen het begrip « bescherming van de bevolking », namelijk het leger en de politie.
Het leger is zowel in oorlogs- als in vredestijd verantwoordelijk voor zijn personeel. Het beschikt over een geïntegreerde structuur voor risicobeheer : het vervoert bijvoorbeeld zelf zijn gewonden, beschikt over zijn eigen ziekenhuizen en brandweerdiensten, enz. Zowel in vredes- als in oorlogstijd kan het leger opgeroepen worden om de civiele diensten te versterken. Het kan zelf ook de civiele diensten te hulp roepen (bijvoorbeeld de burgerbrandweer, voor een brand in een kazerne).
Men zou dus kunnen zeggen dat het leger van de inventaris wordt uitgesloten wegens de structurele scheiding tussen de twee activiteitensectoren, namelijk de militaire en de civiele bescherming. Het is echter vermeldenswaard dat de minister van Landsverdediging zeer recent de wens heeft uitgedrukt om het leger een grotere rol toe te bedelen in verband met risico's die gewoonlijk in het bevoegdheidsdomein vallen van de civiele hulpdiensten.
Er is ook een tweede sector die geen deel uitmaakt van de hulpdiensten, namelijk de politiële bescherming. Hier gaat het om een functionele benadering : alles wat te maken heeft met het beschermen van de burgers en hun bezittingen om hen een voldoende integriteit te garanderen, behoort dat de bevoegdheden van de politie. Deze opdracht behelst eveneens een andere reeks beveiligingen, zoals de instandhouding van de wegveiligheid, en andere vormen van preventie, die uiteindelijk slechts « afgeleide » taken zijn van de essentiële opdrachten.
Wat rest er nog naast deze taken ?
Er bestaan twee categorieën van risico's :
de natuurlijke risico's (in dalende volgorde : overstromingen, aardverschuivingen, bosbranden, aardbevingen, enz.);
de door de mens veroorzaakte risico's (industriële risico's, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg zoals beschreven in het Europees ADR-Verdrag, nucleaire risico's, enz.).
Om door de inventarisering van de risico's tot een doeltreffend instrument te komen waarmee de nodige middelen kunnen worden bepaald, dient men via een zekere vorm van « granulariteit » te werk te gaan, dat wil zetten volgens een afnemende graad van intensiteit van het risico in een zone.
In een gemeente als Beveren, waar zoals bij het bezoek van de commissie is gebleken langs de oevers van de Schelde een kerncentrale en acht fabrieken van het « Seveso-type » gevestigd zijn en waartoe een gebied behoort van 15 000 ha bestaande uit een achttal veeleer rurale fusiegemeenten, zijn de risico's met betrekking tot de vereisten van de bescherming van de burgers en hun bezittingen gemakkelijk vast te stellen.
Wanneer men een agglomeratie als Brussel bekijkt, spreekt het vanzelf dat hier een fijnere « granulariteit » gebruikt moet worden, aangezien de risico's geconcentreerd zijn en ze vaak in elkaar overvloeien, als een luipaardvel. Hier vindt men wijken met appartementenblokken (wat op zich al een risico vormt), garages waar toxische producten worden opgeslagen, werkplaatsen, enz. Hier moet alles in detail worden uitgeplozen en moet wijk per wijk, misschien zelfs huizenblok per huizenblok een evaluatie worden gemaakt.
4. Definitie van de taken
4.1. Inleiding
De taken van de civiele veiligheid zijn in feite die welke niet worden uitgevoerd door de twee andere organen die de Belgen beschermen, namelijk het leger (militaire bescherming) en de politie (politiebescherming) (zie hoofdstuk 3).
De voornaamste taken betreffen urgente of gevaarlijke situaties :
hulp aan personen;
bescherming van goederen;
in veiligheid brengen van dieren in gevaar.
Er worden ook opdrachten uitgevoerd in verband met de bescherming van het milieu, de controle op de toepassing van de maatregelen ter preventie van brand en van bijzondere risico's (bijvoorbeeld Seveso) en de controle op de omgevingsradioactiviteit.
Na de in hoofdstuk 1 voorgestelde hervorming zullen de taken zeer uiteenlopend zijn. De taken die de diensten voor brandbestrijding en dringende medische hulp nu uitvoeren, blijven het grootste deel van hun opdracht vormen. Hun eerste taak is interventie, maar daarnaast zijn er ook de preventie van brand en ontploffingen en de voorbereiding en de planning van grootschalige interventies.
4.2. Operationele taken van de hulpdiensten
4.2.1. Hulp aan personen
De dringende geneeskundige hulpverlening is een van de belangrijkste opdrachten van de hulpdiensten tegenover de bevolking.
De minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd voor het vervoer van zieken of gewonden vanaf het moment dat zij dringende geneeskundige hulp krijgen tot het moment dat zij in een erkend ziekenhuis zijn opgenomen.
Zijn bevoegdheden lopen parallel met die van de minister van Volksgezondheid, die de normen inzake het vervoer en de dringende zorgverlening vaststelt.
De brandweerlui verlenen de eerste hulp op de plaats van de ramp. Zij moeten de vitale functies van de slachtoffers in stand houden tot de medische hulp aankomt. Hun optreden is dus van doorslaggevend belang voor het lot van de slachtoffers.
Zonder afbreuk te doen aan de taken van de artsen van de MURD met alle eventuele wijzigingen daarvan, moet aan de arts van de brandweerkorpsen een bijzondere rol worden toebedeeld. Hij is in het brandweerkorps immers de enige vertegenwoordiger van de medische stand en zijn ervaring in de brandweerdienst moet worden geherwaardeerd.
Om de coördinatie tussen de MURD en de dringende geneeskundige hulpverlening te bevorderen, worden de MURD-voertuigen bestuurd door een brandweerman.
De taken met betrekking tot hulp aan personen zijn opgesomd in de volgende niet-exhaustive lijst :
Vervoer van en zorgverlening aan verstikten of drenkelingen;
Aanvoer van zuurstof;
Interventie bij ontploffing;
Bevrijding van personen die in een lift zijn ingesloten;
Bevrijding van op een dak gevluchte personen (inzonderheid wanneer het om zwakzinnigen gaat);
Bevrijding van onder puin of afbraak bedolven personen;
Bevrijding van onder een voertuig (tram, vrachtwagen, enz.) geklemde personen;
Dringend vervoer van zieken en van slachtoffers van een ongeval die zich op de openbare weg of op een openbare plaats bevinden;
Bevrijding van geëlektrocuteerde personen;
Bevrijding van rioolwerkers (verstikking in riool);
Ophalen van personen uit een put, uit een kanaal, een vijver;
Bevrijding van personen die met een van de ledematen geklemd zitten in een machine;
Bevrijding van alpinisten of speleologen.
4.2.2. Bescherming van goederen
Deze taken betreffen de brandbestrijding in al haar vormen, de bestrijding van overstromingen en van alle fenomenen die schade kunnen veroorzaken aan goederen.
Als voorbeeld geven we hier een niet-exhaustive lijst van deze taken :
Leegpompen van een kelder als gevolg van een overstroming of lekkage aan de waterleiding die onder de openbare weg geïnstalleerd is;
Interventie in een gebouw bij lekkage van schadelijke gassen;
Interventie bij ontsnapping van stoom in een gebouw;
Interventie bij oververhitte verwarmingsketel;
Luchtverversing van lokalen waar rook of koudmakend gas zijn binnengedrongen;
Interventie bij vliegtuigongevallen;
Interventie bij overstroming of ramp;
Neutralisering van een laag olie of zuur;
Opsporen van een radioactieve bron die gevaar voor de bevolking kan opleveren;
Auto- trein- en bootongelukken waarmee gevaarlijke goederen worden vervoerd.
4.2.3. Milieubescherming
Deze taken betreffen de bestrijding van alle soorten vervuiling, onder andere het verwijderen van belemmeringen op de rijweg die een gevaar vormen voor personen of goederen.
4.2.4. Problemen met dieren
Deze taken betreffen het redden van huisdieren of wilde dieren die zich in een risicovolle situatie bevinden, waarbij hun leven in gevaar is. Tot deze categorie behoort ook het onschadelijk maken of vernietigen van wespen- en bijennesten of -zwermen die gevaar meebrengen voor personen, evenals de neutralisering van gevaarlijke dieren.
4.2.5. Controle op de omgevingsradioactiviteit
De hulpdiensten staan in voor de permanente controle van de omgevingsradioactiviteit. Zij nemen de taken van het Federaal Agentschap voor nucleaire controle over. De bedoeling is dat de noodplannen zo snel mogelijk in werking kunnen treden.
4.2.6. Beheer van uitzonderlijke situaties
In uitzonderlijke situaties is het de officier van de brandweerdienst van de zone die de operaties leidt, ongeacht of het gaat om een brand, een ramp, een catastrofe of een zwaar ongeval met of zonder brand. Als directeur van de Hulpdiensten heeft hij het bevel over de operaties, niet alleen over de uitvoering, en leidt hij deze in samenwerking met de verantwoordelijken van andere disciplines die, volgens het geval door het provinciale of federale hoofdkwartier worden afgevaardigd.
Een ander onderdeel van het beheer van uitzonderlijke situaties betreft het opstellen, het up-to-date houden en het geregeld inoefenen van de noodplannen. Dit heeft tot doel de formulering en de procedures van de gemeentelijke en de provinciale plannen op elkaar af te stemmen.
4.3. Onderzoeksopdrachten
4.3.1. Onderzoek naar de oorzaken van de brand
Aangezien de interventieverantwoordelijken als eersten aankomen, is het normaal dat zij de oorzaken moeten zoeken van de brand, wat nuttig kan zijn voor een eventueel gerechtelijk onderzoek, maar ook om de preventie te verbeteren.
4.3.2. Toepassing van de preventiemaatregelen
De wetsbepalingen, de basisnormen voor nieuwe gebouwen, de Europese harmonisering, ... vereisen meer tijd en energie voor het bestuderen van de projecten, het geven van advies, het toezicht op de uitvoering en de controle.
Per zone wordt een preventiestudiecel opgericht die de technici inzake preventie van deze zone bijstaat bij het vervullen van hun technische en wettelijke taken, en dit voor de dossiers die een zekere graad van complexiteit vertonen, zij het op technisch, wettelijk of ander gebied. Deze cel dient bevoorrechte relaties te onderhouden met de overheden die beslissen inzake stedenbouw, veiligheid van industriegebouwen, van ziekenhuizen, enz., teneinde hun adviezen en al de nodige verduidelijkingen te verstrekken.
Deze activiteiten moeten worden gecoördineerd met de provinciale en federale scholen van de civiele veiligheidsdiensten.
4.3.3. Algemene onderzoeksopdrachten
De diensten van de Civiele Veiligheid moeten in staat zijn om strategische en algemene studies te maken, eens de hervorming afgerond.
Het federale operationele hoofdkantoor zal aldus op vraag van de Federale Raad een jaarrapport moeten kunnen afleveren over de diensten van de Civiele Veiligheid. Het zal eveneens de opvolging moeten doen van de cartografie der risico's en de bijwerking controleren van de risico-evaluatie.
Het studiecentrum moet ook de ontwikkelingen van wetten en decreten bestuderen die de materie van de civiele hulpverlening kunnen beïnvloeden, en de aandacht van de Raden vestigen op potentiële knelpunten in de relaties Staat/Gewesten.
5. Statuut van het personeel
Er is gebleken dat het huidige statuut van het beroeps- en vrijwillig personeel van de Civiele Bescherming en dat van de brandweerdiensten heel erg verschilt. Dit is ook het geval voor de plaatselijke brandweerdiensten die, naar gelang van de gemeente waaraan zij verbonden zijn, aan andere voorwaarden zijn onderworpen.
De commissie is van oordeel dat die verschillende statuten eenvormig gemaakt en gerationaliseerd moeten worden volgens de hierna uiteengezette krachtlijnen.
Dit statuut moet worden gestoeld op enkele grote assen :
drie grote categorieën graden;
een volledige mobiliteit tussen alle geledingen;
een evolutie naar een grote professionalisering (minder vrijwilligers);
een specifiek pensioensysteem;
een verbeterde verlofregeling voor zij die in ploegen werken;
meer aanwervingen en bevorderingen van vrouwen;
een eigen tuchtstatuut.
5.1. Standpunt van het beroepspersoneel
In het begin van zijn carrière wordt het personeelslid van de civiele veiligheid aangeworven als stagiair voor een periode van twee jaar, die eventueel met een jaar verlengd kan worden. Dit gebeurt met het oog op de opleidingen die hij moet volgen en waarvoor hij moet slagen.
De personeelsleden kunnen volgens een gelijkaardig systeem als dat van de federale eenheidspolitie aanspraak maken op een pensioen.
De maximumleeftijd voor aanwerving is 30 jaar.
De leden van de korpsen kunnen, op eigen verzoek of na een beslissing van de zoneraad, naar een ander hulpcentrum worden overgeplaatst met behoud van hun graad. Zij kunnen ook gedetacheerd worden voor een periode van drie tot vijf jaar, hetzij naar de federale school, hetzij naar een provinciaal opleidingscentrum. Die jaren worden bij de actieve dienst geteld.
De leden van de korpsen kunnen ook muteren tussen de verschillende niveaus (federaal-provinciaal of interzonaal-zonaal).
Ten minste een vijfde van de gepresteerde tijd moet besteed worden aan de voortgezette opleiding die gegeven wordt in het hulpcentrum, buiten de uren van de wachtdienst.
De tuchtstraffen worden opgelegd door het gezagsniveau waartoe het lid van het personeel behoort.
Bij zijn aanwerving na een vergelijkend examen kan de stagiair beschikken over een som uit een kledingsfonds die hem in staat stelt correct en volledig uitgerust te zijn, zoals beschreven in de kledinglijst die opgesteld is door de zoneraad. Dit kledingsfonds wordt beheerd door een verantwoordelijke die aangewezen wordt door de zoneraad.
Bij het opstellen van de weddeschalen wordt rekening gehouden met de vereenvoudiging van de graden.
Op het niveau van de zones zal een gradensysteem bestaan dat samengesteld is uit drie categorieën (basis tussenkader hoger kader).
5.2. Statuut van de vrijwilligers
In het begin van zijn carrière wordt het vrijwillige personeelslid van de civiele veiligheid aangeworven als stagiair voor een periode van twee jaar, die eventueel met een jaar verlengd kan worden. Dit gebeurt met het oog op de opleidingen die hij moet volgen en waarvoor hij moet slagen.
De vrijwilligers krijgen op 60-jarige leeftijd een uitkering voor het einde van de loopbaan. Het bedrag hiervan is proportioneel met het aantal dienstjaren en wordt bepaald door de zoneraad.
De maximumleeftijd voor aanwerving is 35 jaar.
De leden van de korpsen kunnen, op eigen verzoek of na een beslissing van de zoneraad, naar een ander hulpcentrum worden overgeplaatst met behoud van hun graad. Zij kunnen ook gedetacheerd worden voor een periode van 3 tot 5 jaar, hetzij naar de federale school, hetzij naar een provinciaal opleidingscentrum. Die jaren worden bij de actieve dienst geteld.
De tuchstraffen worden opgelegd door het gezagsniveau waartoe het lid van het personeel behoort.
Bij zijn aanwerving na en vergelijkend examen kan de stagiair beschikken over een som uit een kledingsfonds die hem in staat stelt correct en volledig uitgerust te zijn, zoals beschreven in de kledinglijst die opgesteld is door de zoneraad. Hij ontvangt iedere maand een bedrag dat overeenkomt met een twintigste van de oorspronkelijke tegemoetkoming van het kledingfonds om gedurende de rest van zijn carrière correct uitgerust te blijven. Dit kledingfonds wordt beheerd door een verantwoordelijke die aangewezen wordt door de zoneraad.
De uurvergoeding bedraagt een duizend negenhonderd achtennegentigste van het jaarlijkse salaris van een beroepsbrandweerman van dezelfde graad en met dezelfde anciënniteit.
Bij een werkongeval wordt het totaal van de tijdelijke uitkering berekend op basis van een hypothetisch jaarlijks inkomen van 1,5 miljoen frank.
De belangrijkste werkgever wordt door de zoneraad vergoed voor de opleidingsuren van de vrijwilliger. Ondernemingen krijgen een vermindering van de werkgeversbijdragen van 30 % voor iedere vrijwilliger.
Het niet-belastbare inkomen van de vrijwillige personeelsleden is beperkt tot 100 000 frank.
De werkloze vrijwilliger behoudt, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, het recht op werkloosheidsuitkeringen. Een vrijwilliger die met brugpensioen is, houdt dezelfde rechten als een werkloze vrijwilliger.
Na de stageperiode wordt de vrijwilliger voor onbepaalde tijd aangeworven.
Dit statuut moet eenvormig zijn gemaakt binnen de vijf volgende jaren.
6. Opleiding van het personeel
De taken van de brandweer bestaan uit een reeks zeer verscheiden werkzaamheden en houden bovendien allerlei risico's in.
Het materieel dat gebruikt wordt bij de interventies is zeer technisch, evolueert voortdurend en wordt steeds doeltreffender.
Het is dus absoluut noodzakelijk een gedegen opleiding en systematische bijscholing te verstrekken, om de vaak risicovolle interventies zo goed mogelijk te laten verlopen.
6.1. De federale school voor de civiele veiligheid
Naar het voorbeeld van de andere grote korpsen in België (Koninklijke Rijkswachtschool) en in het buitenland (in Frankrijk, de « École nationale de la magistrature ») wordt er een federale school opgericht voor de opleiding en de bijscholing van de officieren van de diensten voor de civiele veiligheid. Deze school beschikt over de nodige infrastructuur om de kandidaten te leren omgaan met gesimuleerde situaties die zo goed mogelijk een reële interventie nabootsen. Er worden theoretische technische lessen gegeven en lessen over de werking van overheidsinstellingen. Men leert er ook omgaan met situaties waarbij teamgeest belangrijk is. De school doet, naast haar administratief personeel en de vaste leerkrachten, voor periodes van telkens 3 tot 5 jaar ook een beroep op officieren met een goede praktijkervaring en duidelijke pedagogische kwaliteiten.
Door dit systeem krijgt men bekwame personeelsleden die lesgeven en tijdelijk geen andere opdrachten dienen te vervullen, terwijl tegelijkertijd de handboeken en de praktische oefeningen geregeld worden aangepast aan de veranderende realiteit.
6.2. Provinciale scholen
Er worden provinciale scholen voor de civiele veiligheid opgericht, naar het voorbeeld van de politiescholen.
Deze provinciale scholen hebben als taak de onderofficieren, korporaals en gewone personeelsleden op te leiden zodat zij alle taken aankunnen die hun worden opgedragen. De provinciale scholen zijn ook belast met de opleiding van zij die bestemd zijn om in dienst te treden bij de operationele interzonale of federale eenheden, aangezien alle mensen die daar tewerkgesteld zullen worden, dezelfde basisopleiding moeten krijgen. Zij beschikken over een kwaliteitsvolle infrastructuur om theoretisch en praktisch onderricht te geven en om dit onderwijs bij te werken en te perfectioneren.
Naast het administratief personeel en de vaste leerkrachten telt de school als lesgevers ook, voor periodes van telkens 3 tot 5 jaar, een aantal officieren of onderofficieren met een goede praktijkervaring en duidelijke pedagogische kwaliteiten.
De programma's en handboeken worden geleverd door de federale school, die ook belast is met de regelmatige inspectie van het onderwijs, om erop toe te zien dat de brevetten die door alle provinciale scholen worden uitgereikt van hetzelfde niveau zijn.
6.3. Bijscholing en bijwerken van de kennis
Om hun kennis bij te werken en zich bij te scholen, besteden de leden van de hulpdiensten jaarlijks een tiende van hun diensturen aan praktische oefeningen of theoretische lessen.
7. Operationele werking
7.1. Verdeling in interventielagen
7.1.1. Noodzaak van verschillende operationele bestuurslagen
In de inleiding en in hoofdstuk 1 is erop gewezen welke nieuwe structuren men in het leven moet roepen om een antwoord te bieden op het gamma van de bestaande risico's en op de steeds verder doorgedreven specialisaties die vereist zijn voor de behandeling van steeds specifieker wordende risico's.
Voor de meest voorkomende risico's, zoals een huisbrand of het bevrijden van een persoon uit een autowrak, blijven de klassieke oplossingen bestaan en is weinig gespecialiseerde hulp vereist.
De plaatselijke kazerne kan volstaan.
Anderzijds dient men in een groter aantal kazernes en vooruitgeschoven posten per zone te voorzien omdat deze risico's zich herhaaldelijk en op steeds verder uiteenliggende plaatsen voordoen.
Zodra het gaat om meer dan dit soort eenvoudige risico's en men een beroep moet doen op specialisten, is het beter de middelen te concentreren zodat men het gespecialiseerd materieel beter kan onderhouden en in de zone wanneer nodig verstandig kan inzetten naar gelang van de behoeften.
Tijdens haar bezoek aan de mobiele eenheid van de Civiele Bescherming te Liedekerke heeft de commissie bijvoorbeeld vastgesteld dat deze eenheid over een reeks beschermpakken tegen chemische producten beschikt, die overigens zeer duur zijn, die een regelmatig onderhoud vergen en personeel dat getraind is in het gebruik.
Verder heeft de commissie vernomen dat een aantal brandweerkorpsen over slechts één beschermingspak beschikken dat voor hen geen enkel nut heeft omdat het niet onderhouden is en niemand bekwaam is om het te gebruiken.
Een dergelijke verspilling moet worden vermeden en de middelen moeten worden geconcentreerd. Indien deze middelen de basis gemakkelijk bereiken vanaf een nationaal of zonaal verdelingspunt en ze weldoordacht gebruikt worden, zal het geen zin meer hebben zich op een lager niveau tot aankoop te laten verleiden.
Aangezien men uitgaat van een beheersmodel met drie niveaus (zie hoofdstuk 1), moet men overwegen de middelen naar gelang van hun specialisatiegraad aan deze drie niveaus toe te wijzen en het overeenstemmende niveau te belasten met het beheer ervan.
In plaats van op provinciaal of federaal vlak een crisiscel bijeen te roepen waar men elkaar slechts treft naar aanleiding van rampen die het gemeentelijk niveau overschrijden, zou het dus beter zijn op elk van deze niveaus een operationele commandostructuur op te richten, overeenstemmend met het desbetreffende echelon in de federale structuur van de diensten voor de civiele veiligheid, die 24 uur op 24 werkt.
7.1.2. Voorstel van indeling in 3 lagen
op het vlak van de zones : kazernen die volgens de onmiddellijke behoeften verdeeld zijn, met een commandostructuur voor de zone;
op het vlak van de provincies : een provinciale eenheid die over gespecialiseerd materieel beschikt en een commandocentrum bezit dat beperkt is tot enkele personen van hoog technisch niveau die 24 uur op 24 wacht houden;
op federaal vlak : een operationeel crisiscentrum, 24 uur op 24 standby, dat de uitzonderlijke middelen beheert zoals de nucleaire-ontsmettingsdouches, zelfs al zijn deze toestellen dicht bij de risico's verspreid over de plaatselijke kazernen.
Men kan zich voorstellen dat het provinciaal operationeel centrum, om logistieke problemen te vermijden, gevestigd is in de kazerne van de diensten van de provinciehoofdplaats.
Voor Brussel bestaat de provincie niet meer maar aangezien de brandweerdiensten voor het hele gewest eengemaakt zijn, doet het probleem zich niet voor.
Het federale centrum moet, ingeval een eengemaakte federale dienst voor civiele veiligheid opgericht wordt, kunnen beschikken over een operationele staf en verder gaan dan het stadium van een sluimerend crisiscentrum.
Het moet permanent in verbinding staan met het Astrid-net, het Telerad-net en de staf van het leger en van de federale politie.
7.2. Verdeling van de infrastructuur
Alle door de commissie gehoorde personen waren het over één ding eens : de organisatie van de hulpdiensten moet gericht zijn op een bepaalde interventietijd.
Sommigen menen zelfs dat alle burgers recht hebben om geholpen te worden binnen een vooraf vastgestelde tijd. Dit principe kan zonder risico worden uitgebreid tot de bedrijven en allerlei instellingen (rechtspersonen).
Deze termijn is doorslaggevend voor de beslissingen over de middelen en de vestiging van de diensten en dus ook voor het vaststellen van de financiële middelen. Dat betekent dat de interventietermijnen moeten worden vastgesteld door de politici op basis van studies en voorstellen van de diensten zelf. Gezien het principe van gelijkheid van de burgers voor de financiële lasten per zone of per provincie, moet men de uiteindelijke beslissing daarover overlaten aan degene die beslist over de bijdragen.
De kosten (zie hoofdstuk 8 Financiering) moeten eerlijk worden verdeeld over alle zones. De verdeling van de brandweerdiensten in X-, Y-, Z- en C-zones, met alle gevolgen die dat meebrengt voor de keuze en de subsidiëring van het materieel, is onverantwoord en creëert een ongezonde concurrentie en rivaliteit tussen de korpsen, die allemaal tot de X-klasse willen behoren bij voorkeur en minstens tot de Y-klasse.
Om deze klip te omzeilen, moet elke zone tot hetzelfde niveau behoren en zich financieel zoveel mogelijk zelf bedruipen door belasting te heffen bij de inwoners.
Zo wordt de gelijkheid onder de burgers gewaarborgd : elke burger krijgt de hulp waarop hij recht heeft en elke burger moet daarvoor evenveel betalen.
Uiteraard zal de interventietermijn verschillen van zone tot zone, afhankelijk van de objectieve noden : zo zal de termijn korter zijn in de steden dan op het platteland.
In de steden, vooral in de dichtbevolkte zones, is het risico op enorme catastrofen immers te groot om niet op korte termijn op te treden. Ideaal zou zijn een interventietijd van tien minuten.
Op het platteland zijn de interventietermijnen veel langer. In de praktijk wordt een efficiënte interventietijd bijna nooit gewaarborgd. Al te vaak moeten mensen te lang wachten op de brandweer, terwijl hun huis ondertussen in vlammen opgaat. Bij de huidige organisatie van de diensten is deze situatie begrijpelijk, maar ze moet worden verbeterd. De inwoners van het platteland hebben evenveel recht op efficiënte hulp als hun buren in de steden. Alleen op deze voorwaarde zal de bevolking een zoneproject steunen.
Indien nodig moeten wellicht voorposten worden opgericht om de verwachtingen in te lossen, ook al is dat een dure zaak.
In dat verband spreekt het ook vanzelf dat voor de specifieke industriële risico's (chemische en nucleaire bedrijven) de middelen om ongevallen te bestrijden zich zo dicht mogelijk bij de bron van het risico moeten bevinden, ook als het leidinggevende centrum in de provinciehoofdstad zit.
De keuze van de vestiging van de diensten mag niet meer afhangen van soms historisch gegroeide toevalligheden.
Bij de aanwending van de middelen moet rekening worden gehouden (zoals nu al gebeurt) met de mogelijkheden die andere actoren bieden (management by occasion). De commissie heeft vastgesteld dat bijvoorbeeld in Beveren nauwe banden bestaan tussen de brandweerdienst van de stad en die van de chemische fabrieken, of nog dat bij een catastrofe op de linkeroever van de Schelde de brandweerdienst een beroep kan doen op de blusboten van de Antwerpse haven.
8. Financiering
Zoals gezegd in hoofdstuk 7 over de aanwending van de middelen, hebben de burgers het recht om binnen een redelijke termijn hulp te krijgen.
Dat betekent dat de diensten op een meer homogene manier aan de bevolking van het hele land moeten worden aangeboden.
Dat veronderstelt een vrij hoge staat van paraatheid. Er is duidelijk nood aan meer infrastructuur, meer uitrusting en meer mensen.
Dat doel kan niet worden bereikt zonder bijkomende financiële bijdragen.
Zoals gezegd moeten de burgers beseffen dat overal een gelijke inspanning moet worden geleverd, zodat zij allemaal binnen dezelfde tijd van de geboden diensten kunnen profiteren.
In Frankrijk is het systeem volgens deze principes hervormd. Tijdens het bezoek van de commissie aan Lyon heeft Michel Besse, prefect van de regio Rhône-Alpes, verklaard dat de inwoners van het departement van de Rhône vóór de hervorming gemiddeld 300 franse frank per inwoner betaalden. Na de hervorming liep dat bedrag tot 400 franse frank, maar de heer Besse benadrukte wel dat iedereen nu ongeveer evenveel betaalt, terwijl vóór de hervorming de inwoners van de meer dynamische gemeenten veel betaalden terwijl anderen bijna niets betaalden.
Momenteel bestaan zulke verschillen nog in België. In 1995 betaalden de inwoners van Luik 3 110 frank per jaar, terwijl die van Saint-Georges die door hetzelfde brandweerkorps worden bediend slechts 747 frank per jaar betaalden.
Men moet kiezen : ofwel richt men een gemeenschappelijke « pot » in op het niveau van de provincies waarvan het grondgebied tegelijk één veiligheidszone vormt.
Deze oplossing heeft het voordeel dat de provincies nu al een fiscale bevoegdheid hebben, waardoor zij de hulpdiensten volledig zelfstandig kunnen financieren.
Ofwel installeert men een hybride systeem, waarin de helft van de provincies samenvallen met één zone en de andere helft verschillende zones bevatten. De vraag is dan wel hoe de financiële middelen binnen één provincie onder de verschillende zones zullen worden verdeeld en volgens welke verdeelsleutel. Deze oplossing kan evenwel de achterdocht opwekken van de raden van de zones, als men er niet voor zorgt dat het mechanisme achter de verdeling van de kosten, veel meer dan nu het geval is, wordt verduidelijkt. Vele gemeenten hebben de indruk dat zij het slachtoffer zijn van een arbitraire verdeling door de gouverneur, die geen details prijsgeeft over zijn berekeningswijze.
Tijdens de afgelopen vier decennia heeft België grondige wijzigingen ondergaan in tal van domeinen waardoor we aan een actualisatie van de organisatie en de werking van de « niet-politionele veiligheid » toe zijn.
De eerste wet op de civiele bescherming die tot stand kwam na de Tweede Wereldoorlog, beoogde de oprichting van een beschermingssysteem van de bevolking tegen buitenlandse militaire agressies. In 1963 heeft een herziening van deze wet de civiele bescherming georiënteerd naar de bescherming van de mens en zijn milieu tegen rampspoedige gebeurtenissen, catastrofes en schadegevallen.
Inmiddels is onze maatschappij geëvolueerd van een hoofdzakelijk semi-rurale maatschappij naar een verstedelijkte en geïndustrialiseerde maatschappij. Deze laatste is zeer complex geworden en de risico's waaraan de mens en zijn omgeving zijn blootgesteld, zijn verveelvoudigd en hebben een grotere impact.
Ook al zijn er betere preventiemaatregelen, toch is er een significante stijging van de risico's op een ongeval, een catastrofe of een ramp en dit in een wereld die gekenmerkt wordt door een demografische groei en de ontwikkeling van economische, industriële en technologische activiteiten die niet langer beperkt blijven tot de landsgrenzen.
De Federale Staat bevindt zich aan de vooravond van een modernisering van zijn openbaar ambt waarbij de klemtoon gelegd zou moeten worden op meer verantwoordelijkheid, meer professionalisme en zin voor kwaliteit.
Een strikter beheer van de overheidsfinanciën verplicht de politieke verantwoordelijken te zoeken naar een betere aanwending van de middelen (en de samenwerkingsverbanden tussen de departementen maximaal te ontwikkelen).
De hamvraag die deze regering moet beantwoorden is te weten wat onze burgers willen; wat verwachten ze van de overheden ? Wij kennen het antwoord. De burger wil geïnformeerd worden over de risico's die hem bedreigen en daar zo mogelijk voor behoed worden; wanneer het onheil toch onafwendbaar is, wil hij dat hem zo snel mogelijk hulp wordt geboden. Bovendien verlangt hij dat de hem voorgelegde factuur billijk zou zijn.
In het kader van de door deze regering gewenste hervorming van de administratie, primeert het dat de veiligheid van de mens en zijn milieu zou geconcipieerd en beheerd worden door een moderne en geïntegreerde administratie, onder de voogdij van een politiek verantwoordelijke.
Immers, de veiligheid van de bevolking wordt niet gewaarborgd door een gerichte en geslaagde interventie indien deze laatste niet kadert in een samenhangende en geïntegreerde aanpak van het complete risicobeheer.
Deze aanpak wordt vooreerst gekenmerkt door een studiefase waarin de risico's geïnventariseerd en geanalyseerd worden en waarin de meest geschikte middelen om ze te bestrijden, bepaald worden. De bekommernis van de Staat voor zijn burgers mag echter niet ophouden bij het opzetten van interventies. Na een ramp, wanneer de slachtoffers verzorgd zijn en een veilig onderdak hebben gevonden, komt er immers de rehabilitatie en de evaluatie van de interventies.
De ramp van Enschede is het voorbeeld bij uitstek dat aantoont dat de burgers van hun overheden, op welk niveau ook, mogen verwachten dat zij instaan voor een feilloze organisatie van hun veiligheid. Deze organisatie moet op coherente, efficiënte en geïntegreerde wijze het volledige proces van het risicobeheer in acht nemen, van bij de preventie tot aan de rehabilitatie.
Bijgevolg, ben ik dan ook, in nauwe samenwerking met mijn administratie en met de terreindeskundigen gestart met een bezinning over de modernisering van de niet-politionele veiligheid waardoor onze openbare hulpdiensten op internationaal vlak volwaardige partners moeten worden.
Deze modernisering zal in de tijd gespreid verlopen.
1. Op korte termijn
Vooreerst moet, op korte termijn het statuut van de vrijwilligers van de hulpdiensten hun een motiverend en billijk statuut waarborgen, waardoor ze in hun sociaal en beroepsleven niet benadeeld of geschaad worden.
De opleiding moet de kwaliteit beogen van de prestaties van de actoren van de civiele veiligheid die een sleutelelement betekenen in een moderne en performante civiele veiligheid. De opleidingsraad zal dan ook nieuw leven worden ingeblazen. Ook moet die opleiding instaan voor een voldoende graad van professionalisme van diezelfde actoren, met inbegrip van de vrijwilligers. Het Hoger Instituut voor noodplanning moet een nieuwe impuls krijgen.
Op organisatorisch vlak moet de invoering van de hulpverleningszones voor de brandweerdiensten volledig uitgebouwd worden. Men moet in zekere zin komen tot een situatie die vergelijkbaar is met die van de interpolitiezones.
Anderzijds moeten verschillende dossiers afgewerkt worden die betrekking hebben op het eenvormig oproepsysteem, met andere woorden de 100-centra.
Ook de vestiging van de permanente eenheden van de civiele bescherming moet voltooid worden. Een betere integratie van de vrijwilligers in het operationeel organogram van de hulpverleningsopdrachten moet daar eveneens deel van uitmaken.
De provincies en gemeenten zullen over nood- en interventieplannen moeten beschikken. Deze plannen leggen de principes en de basis vast voor de organisatie van de hulpverlening en van het beheer van noodsituaties.
Overigens moeten de lopende contacten met Landsverdediging, Buitenlandse Zaken en Volksgezondheid voortgezet en ontwikkeld worden.
Als voorwaarde voor een coherente organisatie en een efficiënte werking moet, op grond van objectieve criteria, duidelijk de bevoegdheid worden afgebakend tussen Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid inzake dringende medische hulpverlening.
Voorgaande uiteenzetting valt onder een korte termijnplanning en kadert binnen een veel ruimere logica van de hervorming van de civiele veiligheid.
2. Algemene structuur
Deze gaat ongetwijfeld uit van een integratie van de diensten van de civiele bescherming, van de brandweerkorpsen en idealiter van de dringende medische hulpverlening. Samengebracht onder de gemeenschappelijke noemer « civiele veiligheid », kaderen deze diensten binnen een geïntegreerde organisatie die ik situeer op twee complementaire niveaus :
een federaal niveau;
een zonaal niveau.
Een federaal niveau waar, binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken, de strategie, de algemene organisatie, de planning evenals het opleidings-, investerings- en subsidiëringsbeleid uitgewerkt worden. Permanente eenheden van civiele veiligheid, die in de provincies gedecentraliseerd worden, vormen een federale interventiemacht belast met specifieke en logistieke opdrachten en met de ondersteuning van de zonale operationele diensten.
Het spreekt vanzelf dat, zoals reeds gezegd, op federaal niveau eveneens de samenwerkingsverbanden zullen totstandkomen met de andere federale, regionale en of communautaire departementen (Volksgezondheid, Sociale Zaken en Leefmilieu, Landsverdediging; Buitenlandse Zaken, Tewerkstelling en Arbeid, ...).
Op ditzelfde niveau wordt ook het Crisis- en Coördinatiecentrum van de regering georganiseerd voor nationale en internationale gebeurtenissen.
Ondergeschikt aan het federale niveau, wordt het zonale niveau op operationeel vlak gekenmerkt door een coördinatie en verregaande samenwerking tussen alle diensten voor civiele veiligheid in het kader van de hulpverleningszones.
Elke provincie telt één of meerdere hulpverleningszones. Rekening houdend met de verantwoordelijkheden en de bevoegdheden van de gemeentelijke overheden, vormen de zones en de provincies het basiskader voor de organisatie (beheer en administratie) evenals voor de werking en de operationele coördinatie van de diensten voor civiele veiligheid. De aansluiting op provinciaal niveau van de eenvormige 100-oproepcentra zal voltooid worden.
Op niveau van elke provincie zullen er dus twee soorten eenheden bestaan :
één of meerdere eenheden voor civiele veiligheid binnen de hulpverleningszones;
een provinciale eenheid van civiele veiligheid.
Binnen zijn territoriale bevoegdheid wordt de gouverneur bijgestaan door de arrondissementscommissaris die belast is met de toepassing en de coördinatie van het federaal beleid inzake civiele veiligheid.
3. Nieuwe afbakening van de opdrachten
Deze herstructurering van de operationele diensten vergt voor mij een herbepaling van de opdrachten die zijn toegewezen aan de verschillende types van eenheden.
Zo zullen de zonale eenheden voor civiele veiligheid (ZECV) belast worden met de eerstelijnsinterventie en zullen aan het zonaal of interzonaal echelon versterking bieden. De territoriale interventiegebieden worden vastgesteld aan de hand van het criterium van de « kortste interventietermijn » en van de specialisatie van de manschappen en van de uitrusting.
Ze worden eveneens belast met preventietaken. Inderdaad, de stijgende complexiteit van deze materie vergt een gespecialiseerde cel op het zonale, interzonale of provinciale niveau.
Naast de zonale eenheden, voorzie ik provinciale eenheden van civiele veiligheid (PECV). Deze eenheden die van het federale niveau afhangen, zullen de volgende taken toebedeeld krijgen :
versterking en logistieke steun bieden aan de zonale eenheden;
operationeel : zware middelen;
niet-operationeel : opleiding, expertise, documentatie;
gespecialiseerde interventies : NBC, opsporing, speurhonden, speleo-ploegen ...
Deze opdrachten kunnen aangepast worden aan de specifieke noden van de provincies (nucleair risico, overstroming, chemische industrie ...) op grond van de analyse en de inventaris van de reële risico's in de zones.
4. Herziening van de minimale normen : uitrusting en structuur van de eenheden van de civiele veiligheid
Wie opdrachten zegt, zegt ook middelen. Hiervoor is vanzelfsprekend een herziening van de minimale normen aan de orde.
Afhankelijk van de toegekende opdrachten, met name eerstelijnsinterventies, tweedelijnsinterventies, zware, specifieke of langdurige versterking, ... moet de standaardstructuur van de (basis- en gespecialiseerde) eenheden voor heel wat aspecten opnieuw worden afgebakend.
Voor het personeel zal een minimumkader van beroepsmensen en vrijwilligers per eenheidstype worden vastgesteld. Een beroepsofficier voert het bevel over iedere zonale eenheid.
Het uitrustingsbeleid zal individueel (beschermingskledij, ...) en collectief worden bijgewerkt (wagenpark, zwaar materieel ...). Dit beleid moet een standaardisatie van het materieel nastreven evenals, al naargelang de risico's eigen aan elke zone, de aankoop van specifiek en aangepast materieel.
Het informatiebeheer is een belangrijk operationeel onderdeel. De volledige aandacht moet uitgaan naar :
het op elkaar afstemmen van de finalisatie van de programma's RINSIS en ASTRID (en aanpassing/aankoop van het vereiste materiaal);
het voltooien van de implementatie van beslissingsondersteunende systemen zoals Ramanav.
Anderzijds loont het de moeite om bepaalde Europese initiatieven zoals STRIM (Space Technology for Risc Mangement), EDRIM (Electronic Discussion for Risc Management) in overweging te nemen;
een koppeling met de 100-centra : permanente inventaris in real time van de beschikbare middelen;
een permanentie voor de ontvangst van oproepen op het niveau van de eenheden van civiele veiligheid en/of van de zonemeldkamers.
Een territoriale inplanting en verdeling van de eenheden moeten bestudeerd worden aan in het licht van de criteria interventietijd en nabijheid van de risico's.
5. Institutionele en administratieve toepassingen van de « zonale » organisatie van de hulpverlening
1. Het « zonale » concept zal ontwikkeld worden door het in overeenstemming brengen van de bepalingen van het koninklijk besluit van 11 april 1999 tot bepaling van de modaliteiten inzake het creëren en de werking van de hulpverleningszones met de wet van 7 december 1998 houdende organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus.
2. Institutionele werking
De bevoegdheden en beslissingsmacht van de beheerscomités en technische comités moeten afgestemd worden op hetgeen bestaat in termen van de zonale raad en het zonaal college voor de nieuwe lokale politie opdat de gemeentelijke vertegenwoordiging erin zou gewaarborgd zijn.
Deze beheersorganen moeten logistiek en administratief ondersteund worden (secretariaat, boekhouding, ontvangsten, ...)
De provinciegouverneurs die men zal kunnen beschouwen als civiele veiligheidsprefecten zullen worden bijgestaan door de arrondissementscommissarissen belast met coördinatieopdrachten (verdeling van de federale subsidies, aankoopprogramma's voor materiaal, interzonaal overleg ...), specifiek toezicht (benoemingen, aanwervingen, budgetten, opdrachten ...) en met de uitvoering van de federale richtlijnen. Er zal een scharnier- en coördinatiefunctie voorzien worden tussen het federaal en het zonaal niveau.
6. Financiering van de zonale eenheden voor civiele veiligheid
Afgezien van subsidies die door de gewesten kunnen toegekend worden, vallen drie bronnen onder de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken :
Federale subsidie :
De kredieten afkomstig van het Seveso- en het Nucleaire Fonds en de middelen die momenteel besteed worden aan de « geglobaliseerde aankopen » van de brandweerdiensten zouden worden samengevoegd in één enkele financiële massa van waaruit de provinciale dotaties zouden worden vrijgemaakt die moeten verdeeld worden onder de hulpverleningszones voor civiele veiligheid.
Ongeacht de stand van zaken van deze hervorming moet ervoor gewaakt worden dat de bepalingen van artikel 4 van de wet van 28 februari 1999 (hulpverleningszones) worden uitgevoerd vòòr 1 januari 2002 !
Gemeentelijke bijdragen :
Het huidige mechanisme waarbij gemeenten/groepscentra en beschermde gemeenten onderscheiden worden, moet worden herzien maar met de handhaving van een systeem van provinciale solidariteit en de vaststelling van minimale normen evenals van objectieve normen voor het berekenen van de gemeentelijke bijdragen (cijfers van de inwoners, kadastraal inkomen, oppervlakte, ...).
Ontvangsten :
Er zou een harmonisering moeten worden doorgevoerd van de reglementen inzake bezoldiging en/of terugbetaling van de door de eenheden van de civiele veiligheid gepresteerde diensten.
Voorbeelden : interventie voor het vrijmaken van de weg na een verkeersongeval, preventieve interventie naar aanleiding van een sportmanifestatie ...
7. Beroepsopleiding
Vanuit de optiek van een gemeenschappelijke opleiding voor de diensten van civiele veiligheid :
1. Dienen programma's te worden opgesteld voor basis-, gespecialiseerde en voortgezette opleidingen (technische en theoretische bijscholingen).
2. Dienen de organisatie, de werking en het beheer van de scholen te worden aangepast :
op provinciaal vlak (basisopleiding, middenkaders);
op federaal vlak (officierenkader, bijzondere opleidingen ...) : HIN Hoger Instituut voor noodplanning (Florival).
Volgens het opleidingsniveau moeten normen worden vastgesteld wat betreft de middelen inzake onderwijzend personeel, infrastructuur, didactisch materiaal, gegevensbanken en documentatie.
De federale subsidie is afhankelijk van de naleving van die normen.
In deze context zou naar samenwerkingsverbanden gezocht moeten worden met het traditioneel onderwijs (technische instituten, universiteiten, ...) en andere federale departementen (Landsverdediging, Volksgezondheid, ...) of regionale departementen (Milieu, Ruimtelijke Ordening, ...). Samenwerking en internationale uitwisselingen moeten geïnstitutionaliseerd worden.
8. Noodplanning
Een pro-actief beleid inzake civiele veiligheid vergt het opstellen van noodplannen teneinde improvisatie te vermijden. Zoals reeds hoger gezegd moet :
a) de verplichting ingevoerd worden voor de provincies en gemeenten om te beschikken over nood- en interventieplannen (algemene plannen). Deze algemene plannen leggen de principes en de basis vast voor de organisatie van de hulpverlening en het beheer van noodsituaties. De « bijzondere of specifieke » plannen worden vervolgens afgeleid van deze gemeenschappelijke onderbouw waarbij bijkomende taken en instructies worden voorzien die verband houden met de specificiteit van de overwogen risico's (Seveso, nucleair ...);
b) aan de Koning (koninklijk besluit) of aan de minister (ministerieel besluit) de zorg toevertrouwd worden om de modaliteiten en de inhoud van de plannen vast te leggen (op elkaar afstemmen van de terminologie, van de procedures, van de disciplines, ...);
c) een herziening van de principes die de coördinatie regelen plaatsvinden en moet deze worden toevertrouwd :
operationeel, dit wil zeggen op het terrein : aan de bevelvoering van de brandweerdienst bij interventies;
organisatorisch (algemeen crisismanagement) : aan de bevoegde bestuurlijke politieoverheid (burgemeesters, gouverneurs, minister van Binnenlandse Zaken);
d) worden ingestaan voor een preventieapparaat in geval van grote volkstoeloop of manifestaties die een bijzonder risico inhouden (motorsporten ...). Uitwerking van een standaard dispositief in combinatie met een specifieke regelgevende tekst bij openbare openluchtevenementen.
9. Gegevensbanken
De noodplannen volstaan echter niet. Samen met de evolutie van de risico's, moet de beslissingsondersteuning uitgediept worden. Daartoe wens ik dat op het vlak van de noodplanning een volledige gegevensbank ontwikkeld en permanent bijgewerkt wordt.
De potentiële middelen in dit domein zijn niet steeds bekend. Het is opportuun dat een inventaris dienaangaande wordt opgesteld en verspreid (APS, BIG, BELINTRA ...).
Een lid maakt zich zorgen omdat de organisatie van de civiele veiligheidsdiensten die door de minister bepleit wordt, slechts twee niveaus telt. Is dat voldoende? Moet er geen tussenniveau zijn? Hoe moet dat eventueel worden georganiseerd? Hoe moeten in dat geval de middelen verdeeld worden over het tussenniveau en de zones?
De minister legt uit dat hij bij het opstellen van zijn organisatieschema is uitgegaan van de vaststelling dat de betrokken diensten gemoderniseerd moeten worden en wel vrij dringend.
Lang vóór de fusie hebben de gemeenten het probleem van de brandbestrijding aangepakt en hebben ze gemeentelijke diensten opgericht.
Niet alle gemeenten hebben evenwel een brandweerkorps : sommige gemeenten moeten een beroep doen op een brandweerkorps van een andere gemeente.
Die feitelijke toestand voldoet niet langer aan de behoeften daar de burger vandaag wil dat hij in zijn onmiddellijke omgeving een beroep kan doen op dergelijke diensten.
Een tweede vaststelling is dat de splitsing tussen brandweer en civiele bescherming verouderd is. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk wanneer blijkt dat de brandweerkorpsen door de week niet over vrijwilligers kunnen beschikken omdat die mensen aan het werk zijn. Terzelfder tijd blijft het personeel van de civiele bescherming werkeloos.
Een derde vaststelling is dat wanneer de gouverneur noodplannen opstelt als federale middelen moeten worden ingezet, de zaken enigszins wanordelijk verlopen.
Er moet voor gezorgd worden dat iedereen samenwerkt. Daartoe zijn twee niveaus fundamenteel, dat wil zeggen het zonale en het federale.
Het federale niveau moet er echter steeds rekening mee houden dat risico's kunnen verschillen naar gelang van de provincies.
Door een deconcentratie via de provincies moet uiteindelijk een integratie tot stand worden gebracht.
Er is een horizontale en verticale integratie nodig.
Hetzelfde lid vraagt of een fusie van de twee grote korpsen (dat wil zeggen civiele bescherming en brandweer) kan worden overwogen.
De minister heeft geen vooroordelen. Hij stelt gewoon vast dat België een vrij conservatief land is. Dat is gebleken bij de politiehervorming. Hij heeft evenwel meer bereidwilligheid gevonden bij het personeel van de niet-politionele veiligheidsdiensten. De brandweerlui zijn zich bewust van de voordelen van een fusie :
betere coördinatie;
gemeenschappelijke opleiding;
gemeenschappelijk aankoopbeleid.
Zij staan zelfs open voor andere synergieën, bijvoorbeeld met het leger. Zo zou de gezondheidsdienst van het leger, die in vredestijd minder werk heeft, sommige taken van de civiele diensten kunnen overnemen.
Dezelfde senator vestigt de aandacht op het gevaar dat schuilt in een dergelijke taakverschuiving. Dat zou in het nadeel kunnen zijn van de begroting van de civiele sector, die beperkt zou blijven. Waarom wordt een omgekeerde beweging niet overwogen?
De minister beweert dat hij geen vermenging wil : het leger is de civiele bescherming niet, maar er moet toch worden nagedacht over een aanpassing van de subsidiaire taken van een van beide sectoren.
Een lid vreest dat de nieuwe ontwikkelingen gevolgen zullen hebben (bijvoorbeeld op het niveau van de computertechnologie) voor de begroting van de zones, en bijgevolg van de gemeenten.
De minister is van mening dat er tal van budgetten zijn maar dat de middelen slecht verdeeld zijn. Vaak volstaat het ze beter te gebruiken.
Hij geeft het voorbeeld van het ongeval te Theux waarbij twee brandweerlui de dood vonden. Ten gevolge daarvan diende de brandweerauto (met motorspuit) vervangen te worden. De aankoopprocedures en de herschikking van de budgetten namen maar liefst meer dan twee jaar in beslag.
Indien een enkele veiligheidsdienst bevoegd was voor een grote regio, dan zou die brandweerauto veel eerder aangekocht zijn. Men zou tijd gewonnen hebben bij de bestelling. Het gaat dus niet altijd om bijkomende kosten.
Een lid verklaart dat een concrete (dat wil zeggen niet alleen theoretische) en coherente opleiding noodzakelijk meer kost.
De minister antwoordt dat tegenover de burger klare wijn moet worden geschonken. De burger moet weten dat dit geld zal kosten en dat besparingen in dit geval niet mogelijk zijn.
Solidariteit en bijgevolg een bijdrage in de kosten zijn onvermijdelijk. Deze uitgaven zijn noodzakelijk voor de veiligheid van eenieder.
De verdeling van de kosten benadeelt momenteel de centrumgemeenten en de brandweerlui, die in dalperiodes de indruk wekken dat zij niets doen, terwijl ze in een grote zone elders kunnen worden ingeschakeld.
Dezelfde senator vraagt of de financiële middelen van de gemeenten niet moeten worden aangevuld door federale subsidies.
De minister antwoordt dat vooral degenen die reeds een inspanning hebben gedaan, moeten worden geholpen.
Een senator verklaart dat vooral de burgemeesters verplicht moeten worden om mee te werken. De burgemeesters van kleine gemeenten, die weinig bijdragen, hebben er belang bij zich buiten het debat te houden. Zij moeten hun verantwoordelijkheid nemen in de zoneraden.
Wat de pensioenleeftijd betreft, herinnert zij eraan dat de vorige ministers een verlaging hebben toegestaan, maar dan op kosten van de centrumgemeente. Moet hier niet worden gezorgd voor eenvormigheid?
De minister antwoordt dat dit een open vraag blijft. Hij wil vooral bijkomende kosten vermijden.
Hij is het er daarentegen mee eens dat alle burgemeesters bij het beheer moeten worden betrokken.
Een andere senaor snijdt de financiering aan van de gespecialiseerde infrastructuur en de verdeling van deze middelen.
Men mag hier de daadkrachtige gemeentebestuurders niet straffen die hun bevolking hebben gemotiveerd en hun gemeente naar behoren hebben uitgerust.
De minister meent dat dit probleem moet worden opgelost door overal minimumnormen op te leggen. Het staat de gemeenten vrij om meer te doen.
Het zware materieel moet over de risicozones worden verdeeld en gefinancierd door aankopen per zone. Het specifieke materieel moet door de federale overheid worden gefinancierd. Het gaat om materieel dat momenteel tot de civiele bescherming behoort. Het hele verdelingsbeleid moet gebaseerd zijn op een betere analyse van de risico's.
Dezelfde senator vindt de voorgestelde aanbevelingen te selectief en onvolledig. Er wordt te weinig gezegd over de verdeling van het zware materieel en over de kosten.
Structuur
Oprichting van een Federale Raad voor de civiele veiligheid
De commissie voor de Binnenlandse Zaken beveelt aan een Federale Raad voor de civiele veiligheid op te richten. Deze raad speelt een adviserende rol en krijgt de bevoegdheid om initiatieven te nemen.
Oprichting van provinciale en zonale raden voor de civiele veiligheid
De commissie voor de Binnenlandse Zaken beveelt aan provinciale en zonale raden voor de civiele veiligheid op te richten. Daarbij wordt het bestaande zonesysteem overgenomen.
De Koning bepaalt de samenstelling van de raden; daarbij worden alle desbetreffende burgemeesters betrokken.
Vaststelling van de risico's
De commissie beveelt aan criteria vast te leggen om de risico's te bepalen en een cartografisch systeem uit te werken waarop de risico's en de verkeersaders vermeld staan.
Deze kaarten worden aan de diensten voor de civiele veiligheid bezorgd. Hieraan dient een clausule van vertrouwelijkheid verbonden te zijn.
Opleiding
Een betere opleiding
Er dient een betere opleiding te komen voor het personeel, zowel bij de aanwerving als gedurende de loopbaan.
Om dit doel te bereiken beveelt de commissie aan een federale academie voor officieren op te richten en de middelen voor van de provinciale scholen te verhogen.
Professionalisering
De commissie vraagt om een verdere professionalisering door te voeren. De plaats waar de beroepskrachten worden ingezet dient af te hangen van verschillende criteria : de locatie en de aard van de risico's, demografische en economische elementen (stad, industrieterrein, ...).
Statuut
Hiërarchie
De commissie voor de Binnenlandse Zaken beveelt aan de hiërarchie te herzien. De nieuwe civiele-veiligheidsdiensten, ontstaan uit de fusie van de brandweerdiensten en de diensten van de civiele bescherming, moeten in drie homogene categorieën van graden verdeeld worden (officier, onderofficier, basisgraad), met daarnaast het administratief personeel.
Personeelsformaties
Elke civiele-veiligheidszone moet de personeelsformatie « civiele veiligheid » volgen. De formaties « officier », « onderofficier » en « basis » moeten opgevuld worden.
Verticale en horizontale mobiliteit
Ieder personeelslid van de civiele-veiligheidsdiensten moet, binnen de grenzen van zijn specialiteit, kunnen rekenen op overplaatsingen en bevorderingen tussen de zones onderling en tussen de zones en de gespecialiseerde federale diensten voor de civiele veiligheid.
Vrijwilligers
De commissie voor de Binnenlandse Zaken raadt de regering aan maatregelen te nemen om het statuut van de vrijwillige leden van de civiele-veiligheidsdiensten geleidelijk te harmoniseren. Over vijf jaar dient het statuut volledig eenvormig te zijn, zoals aangegeven in dit verslag.
Gelijkheid man/vrouw
De commissie voor de Binnenlandse Zaken beveelt aan om maatregelen uit te werken waardoor de vrouwen beter geïnformeerd worden over hun carrièremogelijkheden binnen de civiele-veiligheidsdiensten.
Pensioenleeftijd
De pensioenleeftijd van de personeelsleden van de civiele-veiligheidsdiensten moet onderzocht worden met inachtneming van de specifieke aard van hun werk, zoals dat ook is gebeurd in het kader van de politiehervorming.
Financiering
Bij de hervorming moeten de lasten aan de hand van objectieve criteria op een billijker wijze verdeeld worden.
De aanbevelingen worden aangenomen met 7 stemmen bij 1 onthouding.
Dit verslag is goedgekeurd met 7 stemmen bij 1 onthouding.
| De rapporteur, Georges DALLEMAGNE. |
De voorzitter, Anne-Marie LIZIN. |