2-47

2-47

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DONDERDAG 25 MEI 2000 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Jurgen Ceder aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «de bedeling van verkiezingsdrukwerk door De Post» (nr. 2-253)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie, antwoordt namens De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties

De heer Jurgen Ceder (VL. BLOK). - Op verzoek van de minister van Telecommunicatie werd mijn vraag uitgesteld tot deze week omdat hij eraan hield zelf te antwoorden, wat nu blijkbaar toch niet het geval zal zijn.

Toen De Post besloot niet over te gaan tot de bedeling in Brugge van een aantal folders van het Vlaams Blok, spande de partij een kortgeding in tegen De Post en de minister.

De rechter kon op 26 april 2000 prima facie de vraag van de eiser niet gegrond verklaren. De essentie van het betoog van de rechter kwam erop neer dat artikel 25 van de Grondwet censuur verbiedt. Censuur kan enkel door de overheid worden uitgeoefend. Het bedelen van niet-geadresseerd drukwerk is geen overheidstaak. Wanneer De Post deze bedeling weigert, volgens welke procedure ook, is het verbod op overheidscensuur bijgevolg niet van toepassing.

Mijn vraag gaat niet over niet-geadresseerd drukwerk in het algemeen maar over het specifiek statuut van verkiezingsdrukwerk. Volgens het tweede beheerscontract tussen de Staat en De Post wordt het verspreiden van verkiezingsdrukwerk beschouwd als een "taak van gereserveerde openbare dienst".

Art. 41 § 1 van het koninklijk besluit op De Post van 1970 stelt dat De Post verplicht is de uitreiking van verkiezingsdrukwerk te verzekeren.

Is de minister het met mij eens dat uit beide bepalingen volgt dat het verspreiden van verkiezingsdrukwerk een overheidstaak is die uitgeoefend wordt door De Post?

Is de minister het met mij eens dat dit tot gevolg heeft dat het grondwettelijk verbod op voorafgaande censuur van toepassing is?

Kan de minister ons garanderen dat De Post alle verkiezingsdrukwerk zal uitreiken en dat dit zal gebeuren zonder enige vertraging of voorafgaande adviesprocedure van welke aard ook?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Minister Daems wilde inderdaad zelf de vraag van de heer Ceder beantwoorden maar hij is momenteel aanwezig in de Kamer om een wetsontwerp dat onder zijn bevoegdheid valt te verdedigen.

Het contract gesloten tussen De Post en de Staat regelt de contractuele verhoudingen tussen De Post en de Staat voor de uitoefening van de opdracht van openbare dienst die aan De Post werd toevertrouwd. In het tweede beheerscontract werden onder meer de voorwaarden betreffende de tarieven, de uitreiking en de afgifte geregeld voor de geadresseerde en niet-geadresseerde verkiezingsdrukwerken. In uitoefening van de contracten is De Post gehouden de wettelijke bepalingen na te leven.

Wat de geadresseerde verzendingen betreft, is artikel 148 ten zesde paragraaf 1.2 van de wet van 1991 van toepassing. Daarin wordt gesteld dat het verboden is om zendingen te vervoeren of te bestellen die aan de buitenkant vermeldingen dragen die duidelijk in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde.

Voor de niet-geadresseerde zendingen zal De Post, overeenkomstig de procedure die thans van toepassing is voor niet-geadresseerde zendingen, nagaan of de vermeldingen strijdig zijn met de openbare orde. De Post kan immers niet gedwongen worden mee te werken aan strafrechtelijk beteugelbare feiten en kan conform de beschikking van 26 april 2000 van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste aanleg van Brugge, in kortgeding niet gedwongen worden haar contractuele verplichtingen uit te voeren die de strafwet schenden of strijdig zijn met de openbare orde.

De heer Jurgen Ceder (VL. BLOK). - In tegenstelling tot de analyse van de minister is het duidelijk dat het verspreiden van verkiezingsdrukwerk tot een andere categorie behoort dan het verspreiden van ander niet-geadresseerd drukwerk.

Een eminent juridisch, dé specialist terzake, Dirk Voorhoof, analyseert het vonnis van de rechtbank in de zaak van Brugge als volgt: "Van censuur in strijd met artikel 25 van de Grondwet is volgens de rechter ook geen sprake aangezien men als privé-persoon niet kan verplicht worden om een publicatie uit te geven, te drukken of te verspreiden. Aangezien de bedeling van ongeadresseerd drukwerk niet ressorteert onder de opdracht als openbare dienst kon De Post volgens de rechter dan ook terecht weigeren om de teksten van het Vlaams Blok te verspreiden."

Deze redenering geldt a contrario niet wanneer er een overheidstaak wordt uitgeoefend. Het verspreiden van verkiezingsdrukwerk kan wel degelijk als een overheidstaak worden geïnterpreteerd. Zelfs indien men zou stellen dat dit juridisch gezien geen overheidstaak is, is het toch wel duidelijk dat elke zichzelf respecterende democratie een gelijke mate van toegang moet geven tot de openbare diensten voor het verspreiden van verkiezingsdrukwerk.

Ik was parlementair waarnemer van de OVSE bij verkiezingen in Bosnië. Indien ik daar zou hebben vastgesteld dat bepaalde partijen toegang kregen tot overheidsdiensten om hun verkiezingsdrukwerk te verspreiden en andere partijen uit de oppositie niet, dan zou ik uiteraard in mijn verslag geschreven hebben dat er een ernstige overtreding was van de democratische regels en van de essentiële spelregels van de verkiezingen.

Kan de minister ons garanderen dat alle verkiezingsdrukwerk zonder enige vertraging en zonder enige vorm van adviesprocedure zal worden uitgereikt ?

Of, moet ik uit het antwoord van de minister afleiden dat dezelfde procedure zal worden gevolgd als degene die destijds werd ingesteld door minister Di Rupo en pater Leman?