2-38 | 2-38 |
Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Het zal de staatssecretaris zeker niet verwonderen dat ik hem bij de eerste de beste gelegenheid vragen stel over het dossier dat wij hebben samengesteld met betrekking tot de hervorming van het ABOS.
Aan die hervorming is een volledige regeerperiode gewerkt. De staatssecretaris heef zelf nog deelgenomen aan de laatste besprekingen in de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van de Senaat.
Wij leven in een democratische staat, wat betekent dat de beslissingen door de meerderheid worden genomen en dat de minderheid zich daarbij moet neerleggen, ondanks de vele voorstellen die zij vaak formuleert. Ik heb vastgesteld dat geen enkele Agalev-senator tijdens die besprekingen heeft verklaard niet akkoord te gaan met de hervorming van het ABOS. De staatssecretaris zelf heeft zich bij de eindstemming onthouden. De hervorming van het ABOS is in wetten en besluiten vastgelegd en is vanaf 1 juli 1999 eigenlijk een feit.
Ik begrijp dat bij het begin van een nieuwe regeerperiode rekening moet worden gehouden met een studieperiode. Negen maanden na het aantreden van de regering is er van hervormingen op het terrein echter nog nauwelijks iets merkbaar. De staatssecretaris is erg geïnteresseerd in ontwikkelingssamenwerking en het uitblijven van de hervorming van het ABOS is dan ook des te erger. De feitelijke inpassing van de nieuwe directie-generaal binnen de structuren van Buitenlandse Zaken staat nergens. De diverse personeelsaanpassingen, de integratie van de diensten in de beschikbare gebouwen en de overheveling van projecten naar de BTC laten op zich wachten. Ondertussen leven de ambtenaren van het vroegere ABOS in de grootste onzekerheid inzake hun baan, reaffectatie, werkomgeving en nieuwe opdrachten.
Ik heb vragen bij deze traagheid. De ambtenaren wachten al een jaar op hun reaffectatie en zijn door de onzekerheid niet meer gemotiveerd. Tot vandaag werd nog geen enkel uitvoeringsbesluit aan de Raad van State voorgelegd. Nochtans werden bij het aantreden van de nieuwe regering alle uitvoeringsbesluiten klaargemaakt en konden ze op 12 juli worden voorgelegd. Waarom werden deze uitvoeringsbesluiten nog niet doorgestuurd naar de Raad van State?
Op vraag van de opvolgingscommissie ABOS in de Kamer besliste de vorige regering tot een geografische concentratie en halveerde ze het aantal partnerlanden tot vijfentwintig. Nu beweert de staatssecretaris dat er geen lijst van partnerlanden bestaat omdat de vorige regering geen koninklijk besluit maakte. Deze lijst van partnerlanden moest pas in een koninklijk besluit worden vastgelegd op het moment dat de wet op de Belgische internationale samenwerking gepubliceerd werd. Dat gebeurde op 1 juli 1999. Na deze datum wou de Raad van State evenwel geen ontwerpen meer behandelen. Enkel de lopende zaken werden nog behandeld. Deze lijst bestond echter reeds in 1997. In het beleidsplan "Kleur Bekennen" staat de lijst eveneens vermeld en zelfs op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken worden de vijfentwintig partnerlanden opgesomd. Ondertussen vragen deze landen zich af of ze al dan niet geselecteerd blijven. Wanneer een nieuw land wordt aangewezen, valt een ander land immers af.
Daarenboven stelde de staatssecretaris twee deskundigen aan die de geografische keuzecriteria operationeel moesten maken. Op basis van hun werk werd een ontwerp van koninklijk besluit opgesteld dat zich nu bij de minister van Buitenlandse Zaken bevindt. Wat was het besluit van deze deskundigen en welke nieuwe elementen hebben ze aangebracht? Wanneer kan de lijst met de partnerlanden worden verwacht?
Ik kom nu bij de Belgische Technische Coöperatie. De human resources-capaciteit is wel vastgesteld, maar nog niet alle plaatsen zijn ingevuld. Nog problematischer zijn de projecten. Tot nu toe werd maar 40 tot 50% van de lopende projecten aan de BTC overgedragen en, erger nog, blijkt er een gebrek aan nieuwe projecten te zijn. Sinds 12 juli van vorig jaar zou er geen enkel nieuw project zijn bijgekomen. Naar verluidt ligt de oorzaak in het feit dat de omkadering ontbreekt. Omdat er geen lijst van 25 landen bestaat, kunnen de gemengde commissies niet samenkomen. Bijgevolg is het ook moeilijk om nieuwe projecten te lanceren.
We vragen ons af of het welslagen van de BTC hierdoor niet bijzonder ernstig in het gedrang komt. We hebben een beetje het gevoel dat men de BTC een langzame dood wil laten sterven en dat kan toch niet de bedoeling zijn. We vangen zelfs geruchten op dat de staatssecretaris met iets anders bezig zou zijn, een instelling die in de plaats zou komen van de BTC. Misschien zijn dat allemaal loze geruchten, maar in elk geval is het belangrijk op dit punt klaarheid te scheppen. We hebben immers allemaal het beste voor met de ontwikkelingssamenwerking.
Bovendien zou beslist zijn noch de financiële samenwerking, noch het Overlevingsfonds, noch de schuldverlichting naar de BTC over te hevelen. Klopt dit en zo niet, wanneer mogen we de overheveling dan verwachten? De staatssecretaris heeft in deze materie toch inspraak en aangezien vice-eerste minister Michel hier enkele weken geleden heeft verklaard dat staatssecretaris Boutmans zijn beste vriend is, zal hij hem bij deze materie toch wel betrekken, veronderstel ik.
Acht maanden nadat twee leden van de raad van bestuur van de BTC, de heren Dallemagne en Geens, collega's van ons werden, zijn ze nog altijd niet vervangen. Wanneer zal dat gebeuren en wie zijn de nieuwe leden?
Bijkomend belangrijk punt voor de nieuwe stijl van de ontwikkelingsprogramma's zijn de "privé-sectorontwikkelingsprogramma's". Ik vind dit een bijzonder goed initiatief, omdat het de hele ontwikkelingssamenwerking een extra impuls kan geven. In juli 1999 was er al een beleidsnota over de PSOP klaar. Er dienden alleen nog drie landen te worden geselecteerd voor het organiseren van proefprojecten. Zijn deze landen intussen gevonden en wanneer mogen we op dit vlak enige vooruitgang verwachten?
Ik kom nu tot de integratie van het ABOS in het departement van Buitenlandse Zaken. In het organiek reglement van 3 juni 1999 werd de specificiteit van internationale samenwerking veiliggesteld. Ik herinner me nog dat we staatssecretaris Moreels meermaals op het hart drukten ervoor te zorgen dat hij greep bleef houden op de internationale samenwerking zodat niet alles in de grote mastodont van Buitenlandse Zaken zou verdwijnen. Het organiek reglement legt een aantal bevoegdheden vast. Volgens artikel 4 bepaalt de minister van Buitenlandse Zaken de structuur van het ministerie. Voor DGIS dient dit wel te gebeuren in overleg met de minister of staatssecretaris die bevoegd is voor internationale samenwerking.
Minister Michel ondertekende op 26 januari het structuurbesluit.
Werd de staatsecretaris geconsulteerd, is hij het eens met de genomen beslissing?
Volgens artikel 31, paragraaf 1, mag de minister die bevoegd is voor internationale samenwerking een achtste lid van de directieraad voor de Buitenlandse Carrière aanwijzen. Op deze post werd mevrouw Ribeiro-Vanderauwera van de PRL benoemd. Werd ze benoemd door de staatssecretaris of door minister Michel?
Volgens artikel 34, paragraaf 2, wijst de minister van Buitenlandse Zaken voor DGIS de ambten toe, in overleg met de minister of staatssecretaris die bevoegd is voor internationale samenwerking. Welk overleg heeft met de staatssecretaris plaatsgevonden en wat is zijn positie? Deze week stonden de kranten vol van berichten over politieke benoemingen. De staatssecretaris had daar blijkbaar weinig mee te maken. Heeft hij dan geen inspraak? We hebben allemaal gezegd dat het moet gedaan zijn met de politieke benoemingen. Voor een departement als Ontwikkelingssamenwerking is dat heel belangrijk. In mei 1999 werd het personeel geraadpleegd. Wat is er met die consultatie gebeurd? Wordt er rekening gehouden met de suggesties van het personeel?
De diverse werkgroepen die de praktische organisatie van de integratie moeten voorbereiden en begeleiden, zijn pas op 14 februari 2000, zeg maar zes maanden te laat, gestart. Eén van deze werkgroepen buigt zich over de samenvoeging van de begrotingen van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking. Is de staatssecretaris voor of tegen een samenvoeging van de begrotingen?
Hoe staat het met de werving van attachés voor Internationale Samenwerking en van deskundigen met bijzondere bevoegdheden?
Een laatste punt betreft de beleidsnota. Reeds twee keer meende ik, ten onrechte, niet aanwezig te kunnen zijn bij de voorstelling van de beleidsnota, maar na acht maanden is er nog steeds geen beleidsnota over internationale samenwerking. Krijgen we binnenkort een beleidsnota?
Wordt het initiatief van Réginald Moreels in verband met de lichte wapens gevolgd?
Mogen we ervan uitgaan dat de teksten die op de website staan nog altijd de officiële beleidsvisie terzake vertolken?
Mme Anne-Marie Lizin (PS). - Je voudrais ajouter quelques considérations aux propos formulés de façon objective par Mme Thijs.
Monsieur le secrétaire d'État, nous espérons beaucoup de vos réalisations en matière de coopération au développement mais je voudrais insister sur deux points.
Je rentre d'un séjour de cinq jours au Bénin où, avec le ministre belge des Affaires étrangères, le président et le ministre de l'Intérieur béninois, nous avons eu l'occasion de faire le tour du pays et d'évaluer le grand intérêt de villes et de communes belges. Pendant cette période, cinq communes étaient en train de travailler à divers endroits du Bénin où la situation le mérite. Rien que pour la ville jumelée avec Huy, Natitingou, la capitale du Nord, une énorme opération d'excision est en préparation. Cette opération a lieu tous les trois ans. Elle touche des enfants de 7 à 18 ans, bien au-delà parfois. La prochaine grande séance d'excision aura lieu en 2001. Toutes les autorités publiques essaient de l'éviter, de la reporter, de trouver des formules, notamment en recyclant les femmes pratiquant l'opération, la seule façon d'empêcher que cette cérémonie ait lieu.
L'idéal serait qu'une législation soit élaborée mais, en l'absence de loi, les autorités publiques comptent sur notre capacité de convaincre et sur le travail de proximité que nous pouvons réaliser dans cette zone où, sur 30 ethnies différentes, seulement trois ne procèdent pas aux excisions rituelles.
À côté des nombreuses villes belges qui s'intéressent à ce problème, il y a aussi l'armée - je vous en ai parlé - qui est en train de préparer la formation d'une compagnie de l'armée béninoise en prévision d'opérations de peace keeping à d'autres endroits.
Mise à part cette présence massive qui pourrait justifier un intérêt particulier - c'est en tout cas ce qu'espèrent le président et le ministre des Affaires étrangères -, je voudrais vous poser la question plus générale de la coopération entre villes et du rôle que vous pensez que l'on peut jouer. Je crois qu'à ce stade de la coopération décentralisée, de nombreuses villes belges sont mûres à cet effet et attendent de votre part un pilotage et des conseils sur la façon d'organiser un cadre dans lequel nous pourrions agir d'une façon efficace.
Je voulais saisir cette occasion pour vous dire que beaucoup de gens considèrent de manière très positive ce qui peut être réalisé en termes de coopération au développement sous votre houlette ; mais parfois, on a aussi besoin que vous nous disiez avec précision les directions que vous souhaitez donner à la coopération, notamment entre les villes.
M. Georges Dallemagne (PSC). - Je souhaitais me joindre à la demande d'explications de Mme Thijs parce que je fais partie de ceux qui sont préoccupés par l'évolution des relations entre les Affaires étrangères et la Coopération.
Je me félicitais qu'un ministre écologiste soit à la tête du département de la Coopération. Je me félicitais également des nouvelles intentions du gouvernement, notamment en ce qui concerne les nouvelles priorités et l'augmentation du budget de la Coopération. Malheureusement, j'ai l'impression de ne pas voir venir grand-chose.
Nous n'avons toujours pas reçu votre note de politique générale que vous avez pourtant annoncée à plusieurs reprises. Nous devions vous recevoir en commission le 14 mars dernier, mais nous n'avons pas pu obtenir cette note.
Par ailleurs, les communications entre votre département et celui du ministre Michel ne semblent pas très bonnes. Par exemple, vous n'étiez pas présent à la semaine des experts sur l'Afrique centrale et votre cabinet n'y était représenté que par une seule personne. Quelques jours plus tard, vous avez organisé un exercice similaire avec les chefs de coopération sur le même sujet. Dans ces conditions, il paraît difficile de travailler de manière vraiment efficace.
Nous n'avons toujours aucune nouvelle d'une éventuelle convention de coopération entre votre département et celui de M. Michel. On aurait même renoncé, de part et d'autre, à obtenir un accord de ce type, ce qui me semble également très préoccupant.
Indépendamment de ce qui s'est dit récemment sur les nominations à la DGCI, j'ai cru comprendre que la cellule de programmation budgétaire avait été transférée en même temps que ce paquet de nominations, par les bons soins de notre ministre des Affaires étrangères, à la direction générale A, qui est directement sous son autorité. Cette cellule avait été prévue dans le cadre de la réorganisation de la Coopération et du ministère des Affaires étrangères et un arrêté ministériel était en préparation sous l'ancienne législature en vue de permettre à la DGCI de travailler étroitement avec votre cabinet.
Je ne sais pas si cet élément vous préoccupe, mais je me demande si vous aurez toujours la possibilité de procéder aisément aux exercices d'allocation et de programmation budgétaires. Ne s'agit-il pas d'une première étape vers une gestion directe de l'enveloppe de la Coopération par le ministre des Affaires étrangères, comme ce dernier l'a toujours souhaité ?
De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. - Ik dank de sprekers voor de hartelijke woorden die ze tot mij hebben gericht. Mevrouw Thijs, die me ook heel wat kritische vragen stelt, wil ik wel vragen voortaan mijn antwoord af te wachten in plaats van tevoren al aan de pers te gaan vertellen dat ik geen beleid die naam waardig voer. Maar goed, ik ben niet van plan aan dergelijke incidenten veel aandacht te spenderen.
Ik probeer in grote lijnen de vele uitvoerige vragen te beantwoorden.
De wet op de internationale samenwerking en de wet op de BTC zijn twee belangrijke basiswetten voor onze internationale samenwerking. Eerlijk gezegd verkies ik nog altijd de term ontwikkelingssamenwerking, die veel duidelijker zegt waar het over gaat en die trouwens in de bewuste wet meermaals terugkomt.
Het eerste wat ik als staatssecretaris vaststelde, is dat de wet op de internationale samenwerking geen overgangsbepalingen bevatte, hoewel die wel door het Parlement waren goedgekeurd. Ik heb dit rechtgezet door in het Belgisch Staatsblad een bijkomende overgangsbepaling te publiceren die zegt dat de wet in werking treedt naarmate ze bij koninklijke besluiten in werking wordt gesteld. Er is dus geen probleem voor de continuïteit, tenminste niet meer sinds ik dit initiatief heb genomen.
Mevrouw Thijs zegt terecht dat mijn voorganger een reeks koninklijke besluiten klaar had waarvoor hij aan de Raad van State een spoedbehandeling gevraagd had. De Raad heeft die urgentie echter afgewezen.
Inzake de BTC zaten we met het veel grotere probleem dat er helemaal geen overgangsbepalingen bestonden. Ik heb op een bepaald ogenblik overwogen die nog uit te werken, maar heb daar later van afgezien, omdat dit een hele parlementaire procedure en dus veel tijd vereist. De gevolgen voor de BTC zijn niet gering. Hoewel ik de "schepping" ervan nooit met enthousiasme begroet heb, zal ik de wetten daaromtrent onverkort naleven en uitvoeren. Dat heb ik van bij mijn aantreden gezegd, onder meer op de conferentie van de diplomatieke dagen. Dat is ook wat we zonder enige bijbedoeling in praktijk brengen. Ik heb trouwens een regelmatig en goed overleg met de leiding van de BTC.
De heer Dallemagne zal me zeker niet tegenspreken wanneer ik zeg dat het desalniettemin veel beter zou geweest zijn indien er destijds in de wet een overgangsregeling was uitgewerkt. Het gevolg is immers dat ik theoretisch vanaf 1 juli 1999 geen enkele uitvoering aan enig bilateraal werk mag geven dat niet langs de BTC passeert. Op die datum had de BTC echter nog geen personeel en was dus niet in staat om wat dan ook te presteren. We hebben dan maar afgesproken, met goedkeuring van de Inspectie van Financiën, de continuïteit van het bestuur te laten voorgaan op de strikt formele, maar reële bekommernis.
Mevrouw Thijs beklaagt zich over de afwezigheid van nieuwe projecten. Ik wil er in dit verband op wijzen dat het voor de BTC heel wat gemakkelijker zou zijn indien men een overgangsbepaling had opgesteld om ervoor te zorgen dat de lopende projecten konden worden afgewerkt door de personen of instanties die ermee waren begonnen, zeker in de landen waar maar weinig projecten lopen. Vele lopende projecten moeten worden overgedragen aan de BTC hoewel het veel rationeler zou zijn deze projecten te laten afhandelen door de secties die in sommige landen nog steeds operationeel zijn. Ik geef een voorbeeld. Aangezien de bilaterale samenwerking met Indonesië werd stopgezet, moet er thans een zeer kleinschalig project voor het boren van een waterput op een afgelegen Indonesisch eiland naar de BTC worden overgeheveld, wat uiteraard een verspilling van energie en middelen betekent.
Het zou nuttig zijn dat de leden van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landsverdediging overleg plegen met de directie van de BTC. Bij het opstellen van de wettekst is men blijkbaar vergeten dat onze wetten in Benin, Vietnam, Bolivia en Peru niet van toepassing zijn. Ons ABOS-coöperanten werden tot nu toe min of meer gelijkgesteld met diplomaten en genoten in vrijwel alle landen een vrijstelling van invoerbelastingen en BTW. Deze regeling moet thans land per land opnieuw worden besproken. Vele landen kennen immers geen belastingvrijstelling toe aan een vertegenwoordiger van een naamloze vennootschap, zelfs wanneer het om een publiekrechtelijke vennootschap gaat en wij verzoeken om deze personen hetzelfde statuut toe te kennen als de vroegere medewerkers van de sectie. Deze onderhandelingen zijn zeer omslachtig en vergen heel wat tijd. Waarschijnlijk zal alles op termijn in orde komen, maar de diensten van Buitenlandse Zaken aarzelen - terecht - om deze personen een diplomatiek paspoort toe te kennen. Er wordt thans een regeling uitgewerkt om de betrokkenen een dienstpaspoort te geven.
Iedereen weet dat de Belgische reglementering inzake verblijfsvergunningen zeer streng is. Dit geldt ook voor sommige partnerlanden, maar niet voor allemaal. Voor personen met een diplomatiek of semi-diplomatiek statuut is er geen enkel probleem; zij krijgen een onbeperkt verblijfsstatuut. Voor een personeelslid van de naamloze vennootschap BTC is dat echter minder evident. Ik wil de publieke opinie hiermee niet lastig vallen, maar aangezien men mij deze vraag stelt, moet ik erop wijzen dat deze aangelegenheid de directie van de BTC en het staatssecretariaat van Ontwikkelingssamenwerking reeds geruime tijd bezighoudt. Het regelen van verblijfsvergunning en status van een coöperant zorgt vaak voor heel wat problemen. Bovendien mag men niet vergeten dat het niet-verlenen van een belastingvrijstelling, de kosten voor onze coöperatie aanzienlijk doet toenemen.
Ik heb al vaak gezegd dat ik een grote waardering heb voor mijn voorganger, die zelf heeft verklaard dat hij een groenlinkse visie op ontwikkelingssamenwerking heeft, al verschil ik van mening met hem op een heel wat punten.
Een discrete kritiek heb ik wel op zijn voorliefde om wetten, decreten, reglementen en contracten uit te werken in de beslotenheid van zijn kabinet. De briljante juristen zaten op dat ogenblik wellicht elders, want wij hebben vandaag nogal wat moeilijkheden met die teksten.
Vandaag verwijt het Rekenhof mij dat hetzelfde advocatenkantoor dat voor rekening van de administratie een aantal teksten voor de hervorming heeft uitgewerkt, ook de ontwerpcontracten voor de BTC heeft opgemaakt. Volgens het beheerscontract moet ieder project dat de Belgische overheid door de BTC wenst te laten uitvoeren, immers het voorwerp uitmaken van een contract, met inbegrip van een volledige inventaris, beschrijving en identificatie van het project. Die bepaling geldt voor elk project, ook het kleinste, dus bijvoorbeeld ook voor een eenvoudige missie van de BTC naar een partnerland. Goedkoper en simpeler maakt dat het er niet op.
De inspecteur van Financiën heeft opmerkingen gemaakt bij deze contracten en ze als leonien bestempeld. Een leonien contract of een leeuwenbeding, is een contract dat aan de ene partij alle voordelen biedt en aan de andere alle nadelen. Ik heb dus geweigerd deze leoniene contracten van de BTC te ondertekenen. Hierover is opnieuw onderhandeld moeten worden en nu is er een type-contract uitgewerkt waarmee zowel de administratie als de BTC en ikzelf in grote lijnen kunnen leven. Dat was evenwel niet de ideale manier van werken. Het ware misschien beter geweest dat mijn voorganger of ikzelf, samen met de BTC , de administratie en gespecialiseerde juristen, samen een contract hadden uitgewerkt.
De BTC moest een gebouw vinden en inrichten en personeel werven, terwijl de wet al van toepassing was zonder overgangsbepalingen. Zo daarover wat meer tijd was gegaan, dan ware dat beter geweest.
Is de BTC wel snel genoeg overgegaan tot wervingen en heeft ze wel de juiste mensen geworven? Voor die kwestie ben ik niet verantwoordelijk. Volgens de wet is de BTC zelf hiervoor verantwoordelijk. Ik lever geen kritiek op de BTC; gelieve dan ook op mij geen kritiek te geven voor die wervingen.
Toch kan ik vandaag wat optimistischer tegen de toekomst aankijken. Sinds een aantal weken krijg ik bijna dagelijks nieuwe overdrachten ter ondertekening voorgelegd. Op alle buitenlandse missie's, in het kader van programma's of ter voorbereiding van programma's, gaat iemand van de BTC mee, zodat ze van meetaf aan bij de nieuwe programma's zijn betrokken. Dat was onder andere het geval toen ik onlangs Bolivië heb bezocht.
Het heeft wat voeten in de aarde gehad - ik wil dat niet betwisten -, maar de nieuwe werkwijze is nu toch ingevoerd. Of mij schuld treft? Ik denk het niet, maar het staat iedereen vrij dat te veronderstellen.
Voor de geografische concentratie vewijs ik naar de wet op de internationale samenwerking, die een aantal criteria geeft voor het vastleggen van de lijst van maximum 25 concentratielanden. Sommige criteria zijn vrij objectief, zoals de armoedegraad, waarvoor statistieken worden opgemaakt door het UNDP.
Het criterium van de constante Belgische aanwezigheid hebben we samen met experts trachten te kwantificeren in een gezamenlijk overleg tussen Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Op basis van dit overleg heb ik minister Michel ongeveer tien dagen geleden een voorlopig voorstel bezorgd dat op de Ministerraad zal worden besproken.
De vorige regering heeft terzake geen koninklijk besluit uitgevaardigd. Dit betekent niet dat ik mij niet gebonden acht door de lijst die de vorige regering heeft opgesteld. Zolang er geen nieuwe lijst is, zal ik de eerste, niet-rechtskrachtige lijst respecteren. De nieuwe lijst zal niet veel van de vorige afwijken, omdat ook continuïteit belangrijk is. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de lopende bilaterale samenwerking met landen die niet op de lijst staan, ineens wordt stopgezet. Op basis van de regel pacta sunt servanda worden de lopende contracten afgewerkt. Ik hoop dus dat de lijst binnenkort door de Ministerraad zal worden goedgekeurd en in het Belgisch Staatsblad kan worden gepubliceerd.
Dan waren er nog enkele bijkomende vragen over de BTC. Er wordt volop werk gemaakt van de werving van personeel en de overdracht van projecten en programma's. Ik schat dat deze operatie tegen de zomer kan worden afgerond.
Rekening houdend met de absorptiecapaciteit van de BTC en het vele werk dat gepaard gaat met het overnemen van de verplichte bilaterale samenwerking, draag ik in eerste instantie alleen datgene over waartoe ik wettelijk verplicht ben, namelijk de bilaterale samenwerking. Dit levert momenteel genoeg werk op.
Ik heb niet de ambitie om een andere "machine" dan de BTC op te richten. Wel meen ik dat de BTC na een periode van ongeveer twee jaar moet worden geëvalueerd. De BTC is gebaseerd op een Duits model, dat ginds nu ter discussie staat.
Ik heb twee grote problemen met de BTC. Ten eerste is het een machine die er vooral op gericht is om projecten te realiseren. In mijn beleidsnota, die volgende maandag officieel in beide landstalen in het Parlement zal worden ingediend, staat dat er een nieuwe tendens bestaat om steeds minder projecten te realiseren en meer aandacht te besteden aan werken op basis van programma's, conflictpreventie en budgethulp. Ik meen dat de BTC hiertoe niet het best is geschikt. Het is niet onmogelijk om ermee te werken, maar volgens mij is het een achterhaald concept. Om die reden hoed ik mij in mijn beleidsnota om zeer definitieve oordelen te vellen. Alles verandert zeer snel.
Zelfs het IMF en de Wereldbank hebben nu ingezien dat hun structurele aanpassingsprogramma's misschien toch niet aan het brein van een genie ontsproten zijn en dat ze hier en daar veel kwaad hebben gedaan. Dat kan dus ook allemaal veranderen.
De bilaterale financiële samenwerking dragen wij uiteraard over; dat moet ook. Dat betekent dat de operatie met betrekking tot Niger, die ik in november heb goedgekeurd, ook wel degelijk is afgerond. Deze operatie had betrekking op een budgethulp van 250 miljoen in het kader van de overgang van dat land van een dictatuur naar een ontluikende democratie. Dat geld hebben wij, na grondig internationaal overleg, rechtstreeks op twee maanden tijd overgemaakt en in januari was het dan ook in Niger. Nu vraagt dat land mij een tweede soortgelijke operatie. Het heeft dankzij die eerste operatie zijn ambtenaren een maand kunnen betalen. Als gevolg daarvan zijn ook Frankrijk en Denemarken beginnen meewerken, is de begroting van het land doorzichtig gemaakt, is er een financieel herstel op gang gebracht, weliswaar op een laag sociaal-economisch niveau, en konden de scholen worden heropend. Ik heb de voorbije maanden veel leuke en spannende zaken beleefd, maar dit laatste feit heeft mij de afgelopen acht maanden het meeste plezier gedaan. Er konden immers honderdduizenden kinderen opnieuw naar school gaan omdat de leerkrachten opnieuw werden betaald. Er zijn nu nieuwe onderhandelingen aan de gang, maar in de toekomst zal dit langs de BTC moeten gebeuren. Die zal daar kosten afhouden, maar ik betwijfel of de zaken sneller zullen gaan. De wet schrijft echter voor dat in bilateraal verband op die manier moet worden gewerkt.
Ik kom nu tot het Overlevingsfonds. De Raad van State heeft geadviseerd om de vermelding van de BTC in het koninklijk besluit over het Overlevingsfonds te schrappen. Dat besluit bepaalt echter dat ten minste 15 % van de projecten via bilaterale weg moeten worden gefinancierd, dus via de BTC.
Op de vraag of we in de toekomst meer zullen overdragen dan we verplicht zijn, kan ik nog niet antwoorden. Dat hangt af van de omzetcapaciteit van de BTC, van de praktische werking, van afspraken. Ik verbind mij daar nu dus niet toe, maar ik zeg ook niet dat ik het niet zal doen.
Ik heb ook vragen gekregen over het "privé- sectorontwikkelingsprogramma", PSOP genoemd. Mevrouw Thijs zegt dat mijn voorganger eind juni een beleidsnota over het PSOP klaar had. Die beleidsnota was niet helemaal afgerond. Ze voorzag in steun aan Belgische ondernemingen die in partnerlanden bepaalde zaken tot stand wilden brengen, zoals investeringen, haalbaarheidsstudies, enzovoort. Ze voorzag ook in de mogelijkheid om in die partnerlanden bepaalde economische initiatieven van partnerbedrijven te ondersteunen. Dit laatste punt vind ik wel zinvol, maar over het eerste heb ik twijfels. Een van de redenen daarvoor is dat het hier om gebonden hulp gaat en dat bepaalde Belgische bedrijven worden bevoordeeld.
Mijn voorganger heeft dat ter kennis gebracht van de Europese Commissie, wat zijn plicht was. De Europese Commissie heeft daarop een vragenlijst gestuurd. Die vragenlijst is zowel bij mijn voorganger als bij mij blijven liggen. Mijn voorganger was er niet in geslaagd een antwoord te formuleren en ik ben van mening dat het beter is die weg niet verder te bewandelen.
We zoeken nu een nieuwe visie op de PSOP. Daarvoor zullen we een aantal bruikbare elementen uit de strategienota van de heer Moreels overnemen en waarschijnlijk, maar ik zeg dit onder voorbehoud omdat de studie daarover nog niet af is, zullen we gaan in de richting van een naar Nederlands en Deens model op te richten investeringsfonds voor ontwikkelingslanden met aandacht voor de werkelijke nood aan risicokapitaal voor ontwikkelingslanden. Ik wil hier nog aan toevoegen dat mijn voorganger zelf, om redenen die hij ongetwijfeld kan uitleggen, de tweede fase van het onderzoek, dat hij aan professor Couvreur had opgedragen, heeft ingetrokken.
Ik stel voor om daar ook enkele bevoegde personen van de BTC bij te betrekken, maar men reageert ook daar niet erg enthousiast. Als de PSOP past in een bilateraal kader, zal ik het alleszins aan de BTC moeten overdragen. In de BTC is trouwens ook een structuur voor de PSOP uitgedacht. De invulling is echter nog niet gebeurd omdat de BTC het niet helemaal eens was met de visie die daarop door het vorige kabinet was ontwikkeld. Mevrouw Thijs kan dat zelf vragen.
Een ander probleem bij subsidies aan Belgische bedrijven is de bevoegdheidskwestie. Dat is in België altijd een heikel punt. In ontwikkelingslanden spreken we bij de minste administratieve hindernis onmiddellijk van een bureaucratie. Ik vraag mij echter af of de federale overheid wel Belgische bedrijven mag subsidiëren om in een ontwikkelingsland te investeren. Is dat geen taak van de Vlaamse overheid? Ik ben daar niet zo principieel in, maar de heer Caluwé laat dergelijke zaken niet zomaar voorbijgaan.
De derde poort van de hervorming van de ontwikkelingssamenwerking, waarover ik nooit enthousiasme heb betoond, maar waaraan ik met volharding meewerk, is, naast de wet op de internationale samenwerking en de BTC, de integratie van het Algemeen Bestuur Ontwikkelingssamenwerking in het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat is geen eenvoudige opdracht. Het is niet juist dat alle besluiten betreffende deze integratie bij het aantreden van de nieuwe regering klaar waren. Het personeel is geconsulteerd geweest, maar dat is nog iets anders dan een affectatie. Er is mij meegedeeld dat er nogal wat briefwisseling geweest is en dat een akkoord tussen de twee betrokken bewindslieden op een bepaald ogenblik zo goed als rond was. Een echt structuur- of affectatiebesluit is er in de vorige regeerperiode echter nooit gekomen. Wij hebben dat onafgewerkt geërfd. De vakbonden moesten nog worden geraadpleegd, enzovoort, maar ik heb misschien niet alle gegevens over wat zich tussen de betrokken bewindslieden in de vorige regering heeft afgespeeld.
Ik moet toegeven dat er veel vertraging is, wat bij het personeel heel wat ongerustheid heeft veroorzaakt. Ik heb goede contacten met het personeel. Ik heb in de nieuwjaarsperiode in de mate van het mogelijke persoonlijke gesprekken gehad, zodat ik een goed beeld heb van wat er leeft. Ik kan u verzekeren dat er zeer verschillende bekommeringen leven in zeer verschillende diensten waarin zeer verschillende mensen op een verschillende manier soms aan zeer verschillende zaken werken.
Ik begrijp dat er enige ongerustheid bestaat en hoop dat er zo snel mogelijk een oplossing uit de bus komt.
Er is een structuurbesluit waarover ik geraadpleegd werd. Meer recht geeft het organiek besluit van mijn voorganger mij niet. Mede namens minister Michel heb ik in de Kamer van volksvertegenwoordigers een antwoord verstrekt op een vraag over het affectatiebesluit, dat ik hier zal herhalen. De discussie van de laatste dagen gaat over het affectatiebesluit, dat de toewijzing aan ambtenaren betreft van functies die in het structuurbesluit worden omschreven. Het besluit wordt genomen ter toepassing van het organiek besluit dat door mijn voorgangers werd opgesteld. Het gaat hier dus om affectaties en niet om benoemingen. Ik werd niet geraadpleegd toen dit affectatiebesluit werd opgesteld en heb laten weten dat ik het met een aantal punten ervan inhoudelijk oneens was. De minister van Buitenlandse Zaken en ikzelf zullen binnenkort een oplossing zoeken voor het probleem dat nu is gerezen.
De benoeming van de bijzondere commissaris, de heer Van Craen, was geen schoolvoorbeeld van statutaire regelmatigheid. Sinds mijn aantreden heb ik met de commissaris echter zeer constructief samengewerkt en hem in onze wekelijkse ontmoetingen op maandagochtend en bij andere gelegenheden leren kennen als iemand met een hart voor ontwikkelingssamenwerking. Hij zette zich erg in en waardeerde dat wij op een volwassen manier met de administratie wilden samenwerken. Ondertussen is de heer Van Craen, na selectie door een headhuntersbureau, ingegaan op een benoemingsvoorstel van de Vlaamse regering en wordt hij binnenkort directeur van Export Vlaanderen. Hij nam deze beslissing geheel vrijwillig en zal medio april vertrekken. Ik moet zijn beslissing aanvaarden.
Volgens het benoemingsbesluit blijft de bijzondere commissaris in functie tot de directeur-generaal is benoemd. Dat kan nu niet, want hij heeft nu immers zelf ontslag genomen. De procedure voor het aanstellen van de directeur-generaal moet nog worden gestart. Dat is mijn bevoegdheid niet. De kandidaturen moeten worden ingewacht en volgens het organiek reglement moet er vóór de eindbenoeming met mij overleg worden gepleegd. Het is dus nog wachten op de toekomstige directeur-generaal.
Hoewel ik in een parlementair debat niet graag namen noem, kan ik bevestigen dat mevrouw Ribeiro tot bijkomend lid van de directieraad is benoemd. Ik ging akkoord met deze benoeming. Gelet op de huidige reorganisatie heb ik recent mijn extra vertegenwoordiger in de directieraad en een plaatsvervanger van de directeur-generaal aangewezen.
Het examenreglement voor de attachés is nog door mijn voorganger vastgelegd. Dat reglement zet bij sommige ABOS-medewerkers een beetje kwaad bloed, omdat niet iedereen aan dit examen kan deelnemen. Ik was het daar ook niet helemaal mee eens en heb onderzocht of we dit probleem niet konden oplossen. In dat geval hadden we echter de hele procedure van nul moeten herbeginnen en dat had waarschijnlijk eindeloze procedures voor de Raad van State opgeleverd. We hebben het dus maar niet gedaan, maar stellen wel vast dat wie naar de Raad van State is gestapt - ik ken één geval - toch gelijk heeft gekregen en tot het examen moet worden toegelaten. Het Vast Wervingssecretariaat organiseert de examens, maar wij hebben uiteraard de profielen opgesteld. De examens zijn nu zowat afgelopen. In een aantal gevallen moeten er nog taalexamens plaatsvinden. Ik hoop tegen de zomer de functies te kunnen verdelen, zodat de attachés waarschijnlijk begin september op post kunnen zijn. Ik moet er onmiddellijk bij vermelden dat er onvoldoende geslaagden zijn, vooral, om een mij onduidelijke reden die niets met taal te maken heeft, aan Franstalige kant. Dat is natuurlijk een reëel probleem waaraan ik niet veel kan veranderen. Waarschijnlijk zullen we dus een tweede reeks examens moeten organiseren,. Dat is opnieuw een tegenslag. In een aantal landen zal dat misschien opnieuw vertraging veroorzaken.
Ik heb ook mijn goedkeuring gehecht aan de profielen en rekruteringsprocedure voor de experts met bijzonder kwalificatie. We hebben een lijst opgesteld met de experts die we nog nodig hebben. Daarvoor moesten we eigenlijk wachten tot min of meer duidelijk was welke experts we nog bij DGIS konden vinden. Vele experts gaan immers naar de BTC of nemen deel aan het attaché-examen en stappen binnenkort waarschijnlijk een attachécarrière in. Vóór die twee procedures zijn afgerond, is het eigenlijk bijzonder moeilijk te weten welke bijkomende experts we voor DGIS nodig hebben. Toch heb ik al een lijst van gezochte experts goedgekeurd, meer bepaald om de duidelijke lacunes op te vullen die er op het ogenblik zijn, want de administratie is in deze overgangsperiode door allerlei omstandigheden natuurlijk gedecimeerd. De administratie is dan ook gestart met de procedure om experts te werven.
Over de beleidsnota kan ik kort zijn. Ik had ze aangekondigd voor eind februari. Door enkele buitenlandse reizen heb ik enige vertraging opgelopen, maar de uiterste datum van eind maart, die terecht naar voren is geschoven, wordt dus gerespecteerd. Ik heb een definitieve, zij het gemengd Frans-Nederlandse tekst aan de voorzitters van de Kamercommissie en de Senaatscommissie voor de Buitenlandse Betrekkingen bezorgd. Maandag bezorg ik alle commissieleden een volledige Nederlandstalige of Franstalige versie. In de Kamer is al afgesproken dat we komende week over de nota debatteren.
Daarmee heb ik op de vragen van mevrouw Thijs geantwoord.
Mme Lizin m'a parlé d'un projet qui, à première vue, me semble intéressant : le "recyclage des exciseuses" au Bénin.
Dans certaines régions, cette pratique est culturellement très bien enracinée et il n'est jamais simple de résoudre ce type de problème. Offrir une autre activité aux personnes qui se livrent à cette pratique déplorable me semble une fort bonne idée. Je la soutiens bien volontiers. Il va de soi que l'octroi des subventions dépendra du contenu exact du dossier qui nous sera transmis, comme c'est le cas pour toutes les autres demandes de subvention et de cofinancement qui sont introduites.
Je m'arrêterai un instant sur les possibilités de coopération entre des communes belges et des communes de pays partenaires. L'association qui chapeaute les villes et communes belges termine une enquête auprès de toutes les communes pour avoir une vision générale des formes de coopération que développent ces dernières. Nous voulons d'abord dresser un inventaire de ce qui se fait déjà et voir ensuite comment l'autorité fédérale peut intervenir pour mieux coordonner ou cofinancer. Toutes les possibilités restent ouvertes et toute décision ne sera prise qu'en concertation avec les institutions concernées.
Ma préférence va néanmoins à l'assistance technique. Celle-ci s'inscrit dans les demandes que nous recevons de plusieurs communes étrangères, notamment en Bolivie ou au Vietnam. Des pays partenaires nous demandent expressément ce type d'assistance soit pour la gestion d'une commune ou celle des déchets, soit pour l'épuration des eaux, ou encore pour d'autres secteurs. Notons à cet égard que la situation est très diversifiée, les mêmes matières ne ressortissant pas toujours à la compétence des communes dans tous les pays.
Cette idée d'assistance technique m'intéresse particulièrement et j'espère que nous pourrons adopter une réglementation rendant possibles de tels projets.
En réponse à M. Dallemagne, je dirai que nous avons profité de l'examen des attachés pour réunir des chefs de section ou des coopérants d'Afrique centrale. Cela nous a permis, dans la préparation d'une meilleure coopération avec cette région du monde, de mieux nous informer, de mieux coordonner, ce qui ne se faisait pas auparavant. Cette initiative me paraît très positive.
Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn uitgebreid antwoord. Ik vind wel dat hij nogal pessimistisch is, al kan ik mij moeilijk voorstellen dat hij pessimistisch van aard zou zijn. Ik heb echt niet de indruk dat hij veel verandering wil brengen.
Een eerste opmerking betreft de overgangsregeling. Ik heb de documenten erop nageplozen en daaruit blijkt dat men een overgangsregeling schuwt omwille van de continuïteit. Men gaat ervan uit dat het voor de ontwikkelingssamenwerking belangrijk is dat alle projecten worden afgewerkt. Overgangsmaatregelen daarentegen zouden ongetwijfeld problemen met zich brengen.
Volgens de staatssecretaris wordt de technische coöperatie veel moeilijker omdat de akkoorden van land tot land moeten worden gesloten. Er blijven toch maar 25 landen over? Of bedoelt de staatssecretaris de lopende projecten?.
De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. -Neen, het ging over de BTC. In ieder van de 25 landen moeten we het statuut van de BTC ter sprake brengen.
Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Ja, maar er zijn maar 25 landen meer.
De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. - Neen, het zijn er nog ongeveer 40 omdat ik het kleinste project in ieder land dat geen concentratieland meer is, moet overdragen. Als ze bijvoorbeeld in Indonesië zeggen dat ze voor die ene waterput een samenwerking met de BTC niet zien zitten, dan hebben we een probleem. Wettelijk ben ik verplicht de samenwerking via de BTC te laten verlopen.
Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Dit systeem is toch uitdovend.
De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. - Mijn optimisme kent geen grenzen. Het zal zeker goed lopen, maar we hebben een ernstig overgangsprobleem.
Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Dan ben ik al voor een groot gedeelte gerustgesteld.
Mijnheer de staatssecretaris, u hield daarstraks een heel betoog over uw medebevoegdheid bij benoemingen. Volgens u was er geen affectatievoorstel, maar ik heb hier een overeenkomst van toenmalig staatssecretaris Moreels en minster Derycke waaruit blijkt dat het voorstel tot affectatie helemaal klaar was; men kon het echter niet indienen zolang de wet niet was goedgekeurd. U had het toch gemakkelijk. Door de enquête die in het voorjaar bij het personeel was verricht, wist u met naam en toenaam op welke post iedereen benoemd was of voor welke post ze graag in aanmerking wilden komen. U kon onmiddellijk tot uitvoering overgaan. In het document waar ik daarnet over sprak, wordt wel rekening gehouden met het aantreden van een nieuwe regering. Door gewoon dat affectatiebesluit over te nemen, had men geen acht maanden moeten wachten vooraleer men van start kon gaan. Begin deze week zei de eerste minister trouwens dat u deze week nog overleg zou plegen met minister Michel. Dat is intussen nog niet gebeurd. Kan dat niet wat sneller?
Mijn vraag over de conclusies van de experts voor de partnerlanden werd niet beantwoord. Hebt u nog geen verslag ontvangen?
Ook mijn vraag over de timing van de invulling van de mandaten bij het BTC is niet beantwoord.
Op mijn vraag over de attachés en de sectiehoofden kreeg ik wel een antwoord.
De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. - Ik wil nog even op de kwestie van de raad van bestuur van de BTC ingaan, omdat die bijzonder goed illustreert hoe het probleem van de politieke benoemingen zich concreet voordoet.
Zoals geweten had de vorige regering de raad van bestuur van de BTC volgens een heel nauwkeurige partijpolitieke dosering samengesteld. Mijn voorganger was daar, voor zover ik weet, zelf geen voorstander van. Onlangs hebben twee bestuurders, een Nederlandstalige en een Franstalige, van wie er trouwens één hier aanwezig is, ontslag genomen en moeten we die vervangen. Mijn standpunt is dat we de raad beter `departicratiseren', maar dat is in de politiek rapper gezegd dan gedaan. We zouden dan ten minste mensen kunnen aantrekken met de juiste capaciteit, bijvoorbeeld iemand met financiële en iemand met een economische deskundigheid, maar met interesse voor ontwikkelingssamenwerking, zonder enige vraag naar politieke binding.
Op 14 oktober 1999 heb ik als tweede mogelijkheid geopperd dat we toch maar aan de partijen vragen mensen voor te stellen en daarbij bekwaamheid en interesse voor ontwikkelingssamenwerking laten doorwegen op partijpolitieke gebondenheid. In die logica zou er aan Vlaamse kant een VLD'er en aan Waalse kant een Ecolo'er moeten worden benoemd. Ik ben daar zelf geen voorstander van, maar, zoals men weet, moet de Ministerraad de knoop doorhakken. Het voordeel van de huidige regeling is dat de raad van bestuur nog altijd functioneert. Het ontslag van de twee bestuurders staat dat gelukkig niet in de weg.
Deze geschiedenis is een voorbeeld van de zeer slechte erfenis die we hebben meegekregen, een erfenis die niet met een simpele verklaring dat we allemaal tegen politieke benoemingen zijn, is weggewerkt. Het gaat hier trouwens om een regeling die een paar weken voor de ontbinding van de vorige regering nog snel in elkaar is gestoken.
Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Ik ben er in het geheel geen voorstander van om een raad van bestuur vol te stoppen met politieke benoemingen. Daar moeten de beste mensen in komen. Van het ogenblik af dat men echter aanneemt dat het om een politiek orgaan gaat dat politiek is samengesteld, dan moeten die mensen ook volgens dat criterium benoemd worden. Mensen van mijn partij komen daarvoor niet in aanmerking. Ik pleit dus niet voor eigen winkel, maar voor een behoorlijke samenstelling van de raad van bestuur. Ofwel neemt die in zijn geheel ontslag, ofwel wordt de raad van bestuur volledig opgevuld. Twee stoelen leeg laten kan echt niet langer.
De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. - Men heeft de raad van bestuur voor vijf jaar benoemd.
Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Dan moeten die twee vacante plaatsen snel opgevuld worden.
- Het incident is gesloten.