Deze vraag gaat over de interpretatie van hoofdstuk VII van BTW-omzendbrief nr. 4 van 9 mei 1996 met betrekking tot het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit, gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel krachtens artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek.
Dit hoofdstuk betreft het geval waarin een belastingplichtige een goed onder bezwarende titel ter beschikking stelt van een derde (bijvoorbeeld : een voertuig wordt ter beschikking gesteld van een personeelslid tegen betaling van een huurprijs).
In dat geval wordt overeenkomstig artikel 26 van het BTW-Wetboek volgens de normale regels belasting geheven op de som die bij deze gelegenheid in rekening is gebracht, zonder dat de beperking bedoeld in artikel 45, § 2, van hetzelfde wetboek geldt voor de belastingplichtige-verhuurder, als het zou gaan om een voertuig dat onder deze bepaling valt.
Wat gebeurt er wanneer het goed tegelijk gebruikt wordt voor de doeleinden van de « belastingplichtige-verhuurder » en voor de privé-doeleinden van de gebruiker, en de gebruiker als tegenprestatie voor de terbeschikkingstelling van dit goed voor privé-doeleinden de gebruikskosten van het goed geheel of gedeeltelijk op zich neemt ?
Nemen we het voorbeeld van een wagen die wordt gebruikt door een handelsvertegenwoordiger in loondienst, zowel voor zijn beroepsactiviteit als voor privé-doeleinden. Als deze werknemer als privé-persoon de kosten van onderhoud en brandstof op zich neemt als tegenprestatie voor ten minste het privé-gebruik van het voertuig, moet de werkgever-belastingplichtige dan nog een (betaalde) factuur opstellen ? Zo ja, moet hij op de gefactureerde som de BTW toepassen als de BTW van de onderhouds- en brandstoffacturen niet is afgetrokken ?
Het spreekt vanzelf dat de werknemer de bewijzen van zijn deelname in de kosten van het voertuig bewaart.