Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-10

ZITTING 1999-2000

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu

Vraag nr. 359 van de heer Maertens d.d. 18 januari 2000 (N.) :
Kaasindustrie. ­ Bewaarmiddel « Calciumsorbaat » (E 203). ­ Invloed op volksgezondheid.

Volgens de richtlijn 95/2/EG van 20 februari 1995 betreffende levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen, moesten de lidstaten volgens artikel 7 binnen de drie jaar na inwerkingtreding van de richtlijn systemen inrichten voor het registreren van het gebruik en het verbruik van levensmiddelenadditieven en hun bevindingen rapporteren aan de Commissie. Pas drie jaar later werd deze richtlijn in intern Belgisch recht omgezet door middel van het koninklijk besluit van 1 maart 1998.

Volgens de bijlage van het koninklijk besluit van 1 maart 1998 betreffende in voedingsmiddelen toegelaten toevoegsels met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen, hoofdstuk III, mogen onder voorwaarden bepaalde conserveermiddelen en anti-oxidanten worden toegestaan. Blijkens het hoofdstuk I mogen ze worden toegevoegd volgens het « quantum satis-beginsel ».

Calciumsorbaat mag volgens het hoofdstuk IIIA bij de kaas worden gevoegd in een maximumconcentratie van 1 000 tot 2 000 mg per kilo of liter, of 1 à 2 gram per kilo of liter. Anderzijds wordt in de kaasmakerijen de kazen na de persing gedurende langere tijd ondergedompeld in calciumsorbaatoplossingen van 5 % tot 10 % teneinde schimmelvorming te voorkomen en de bewaartijd te verlengen.

Deze concentraties zijn beduidend hoger dan de wettelijke norm en dringen tot op zekere diepte ook in de kaas door. De invloed op de volksgezondheid is daarbij van belang.

Volgens de richtlijn 98/72/EG van 15 oktober 1998 tot wijziging van voormelde richtlijn 95/2/EG, bijlage 3b), is de maximumconcentratie van calciumsorbaat voor kaas en analogen voor kaas, uitsluitend oppervlaktebehandeling : « quantum satis ». De vraag moet worden gesteld wat « genoeg » precies is !

Graag had ik in dit verband vernomen :

1. welke de sanitaire norm is voor de opname van E 203, calciumsorbaat, in het menselijk organisme, en welke de eventuele schadelijke gevolgen zijn bij opname van hogere dosissen;

2. welke concentraties in België door de inspectiediensten worden gehandhaafd in toepassing van het « quantum-satis-principe » voor E 203 in de kaasindustrie;

3. welke de voorwaarden zijn die in hoofdstuk III worden voorzien;

4. hoeveel monsternames de voorbije vijf jaar op E 203 in kaasmakerijen en in de distributie werden verricht; welke de eventuele overschrijdingsprocenten waren, en welke gevolgen daaraan werden gegeven;

5. of het « quantum-satis-principe » in overeenstemming is met het voorzorgsprincipe, zo neen, op welke wijze de geachte minister de volksgezondheid in dit specifieke geval waarborgt;

6. op welke wijze aan artikel 7 van de richtlijn 95/2/EG werd voldaan, en welke de verdere beleidsopties van de geachte minister ter zake zijn.

Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid het volgende mee te delen.

1. Ik veronderstel dat hier de ADI (aanvaardbare dagelijkse inname) van de stof wordt bedoeld. Met de ADI wordt de toxicologische status van een bepaalde stof weergegeven. Deze dosis is de hoeveelheid die door een normaal individu gemiddeld dagelijks mag worden ingenomen gedurende een lange periode (in principe een leven lang), zonder dat deze persoon een merkbaar risico voor zijn gezondheid oploopt, rekening houdend met al de op dat ogenblik gekende feiten. Deze hoeveelheid wordt uitgedrukt in mg van de stof per kilogram lichaamsgewicht en per dag.

In haar advies van 25 februari 1994 stelde het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding de ADI voor het totaal van sorbinezuur en de calcium- en kaliumzouten tussen de 0-25 mg/kg/dag.

Men mag hieruit echter niet afleiden dat indien de norm van 25 mg/kg/dag wordt overschreden er een rechtstreeks nadelig gevolg kan zijn voor de gezondheid. In het boek Vreemde stoffen in onze voeding samengesteld door professor doctor Deelstra en andere professoren die onder meer titularis zijn in de bromatologie, wordt zelfs gesteld dat de toxiciteit van sorbinezuur en haar zouten verwaarloosbaar is.

Sorbinezuur wordt vlot uitgescheiden en metaboliseert zoals vetzuren. Het sorbinezuur wordt hierbij geoxideerd in koolstofdioxide en water.

2. Zoals gesteld in de artikelsgewijze bespreking van de richtlijn 95/2 betekent de toepassing « quantum satis » dat er geen maximumhoeveelheid wordt aangegeven. Additieven dienen echter toegepast te worden overeenkomstig goede productiemethoden, in hoeveelheden die niet groter zijn dan voor het beoogde doel nodig is en op voorwaarde dat de consument niet wordt misleid. De fabrikant heeft er alle belang bij zich aan deze formule te houden want een overmaat aan additieven kan nadelige gevolgen hebben voor de organoleptische eigenschappen van het product en ook zal het de kostprijs voor de fabricage van het voedingsmiddel onnodig doen stijgen.

3. De voorwaarden gesteld in hoofdstuk III betreffen de toegelaten additieven (hier conserveermiddelen en anti-oxidanten) in de opgesomde voedingsmiddelen en met de bepaalde maximale concentratie.

4. Er zijn in de voorbije vijf jaar in de kaasmakerij of in de distributie geen monsternames geweest naar sorbinezuur. Dit omwille van het feit dat het gebruik van sorbinezuur niet direct als toxisch voor de mens en dus niet prioritair wordt beschouwd en ook vanwege het feit dat er geen klachten in dit kader werden ingediend.

Bovendien komt hierbij nog het verslag van de Scoop-taak 4.2 van december 1997 (studie tot het op punt stellen van een methodologie voor de monitoring en additieveninname binnen de Europese Unie), waarin wordt gesteld dat sorbinezuur en haar zouten geen verder nationaal onderzoek behoeven daar er geen risico bestaat tot overschrijding van de ADI.

5. Het voorzorgsprincipe is van toepassing wanneer de risico-evaluaties onvoldoende werden afgerond, wat niet het geval is voor de algemeen toegestane additieven en voor de sorbaten in het bijzonder.

6. Zoals inderdaad gesteld in artikel 7 van de richtlijn 95/2 dienen de lidstaten een systeem in te richten voor het registreren van het gebruik van additieven. In oktober 1997 werd reeds een voorstel tot nationale voedselconsumptiepeiling ingediend bij de vorige minister verantwoordelijk voor de Volksgezondheid. Sindsdien werden er in de loop van 1998 en 1999 een aantal projecten uitgevoerd waarin een aantal aspecten van voedselconsumptiepeiling meer in detail werden uitgewerkt.

Gezien de noodzaak van een dergelijke voedselconsumptiepeiling, niet enkel omwille van juridische redenen (met name een aantal richtlijnen ter zake van de Europese Unie) maar ook vanuit het oogpunt van de volksgezondheid, acht ik het één van de prioriteiten om met dergelijke voedselconsumptiepeiling te starten. De nodige contacten hiertoe zijn reeds gelegd.