2-18

2-18

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DONDERDAG 16 DECEMBER 1999 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Michiel Maertens aan de minister van Binnenlandse Zaken over źde niet deelname door BelgiŰ aan de snelle interventie oil spill response ter voorkoming van olieverontreiniging in de Noordzee╗ (nr. 2-75)

De heer Michiel Maertens (AGALEV). -Het Kanaal is de drukste vaarroute ter wereld. Volgens de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee worden jaarlijks vele olierampen op het nippertje vermeden. De recente scheepsramp voor de Bretoense kust met de tanker Erica doet ons terugdenken aan de ramp met de Mont Louis en aan andere rampen, maar vooral aan het Belgica-symposium einde oktober 1994 te Oostende waarop de vele onvolmaaktheden van het Belgische olierampenplan werden blootgelegd. Het hoofd van de BMM heeft deze zaak vandaag in de krant opnieuw aan de kaak gesteld.

Ook al moet BelgiŰ het voorzorgsprincipe in de Noordzee meer dan wie ook strikt toepassen, toch blijkt uit het jaarverslag 1998 van de Belgische Petroleumfederatie dat het departement van Binnenlandse Zaken, in strijd met het advies van het West-Vlaams provinciebestuur, dat het rampenplan moet co÷rdineren, niet is ingegaan op het recente voorstel van de petroleumindustrie zelf, die in Southampton in het Verenigd Koninkrijk het project Oil Spill response heeft gerealiseerd, dat 24 uur op 24 met de meest moderne middelen stand-by is om olierampen in het Kanaal op een zeer snelle en degelijke manier te bestrijden, tegen de jaarlijks bijzonder lage bijdrage van 625 000 frank. Dat is een peulschil vergeleken met de plannen die de voorganger van de minister terzake ooit eens koesterde.

Nu is er wel een zeer goede co÷rdinatie tussen de BMM , dat ressorteert onder het departement van Volksgezondheid, en het departement van Binnenlandse Zaken, meer bepaald de civiele bescherming, die zich ook bezighoudt met de bestrijding van olieverontreiniging en die de voorbije jaren al vaak simulatie-oefeningen heeft gehouden. De vele fouten die daaruit bleken, zijn echter nog altijd niet weggewerkt en ons logge systeem maakt heel de procedure nagenoeg onwerkzaam. We hebben veel geluk dat de Erica voor de Bretoense kust is gezonken. Hij was immers in Duinkerke vertrokken en indien hij daar was gezonken, zaten we nu met de gevolgen.

Ik kan dan ook perfect begrijpen dat het West-Vlaams provinciebestuur met het Oil spill response-project willen meedoen. Ik ben van oordeel dat ook de minister van Binnenlandse Zaken op dit aanbod moet ingaan. Het is goedkoop, degelijk en snel.

Waarom is het departement van Binnenlandse Zaken nog altijd niet ingegaan op het aanbod vanuit Southampton? Zijn er door vorige of huidige ministers misschien andere engagementen aangegaan die de minister verhinderen op dit aanbod in te gaan? Over welke engagementen gaat het dan? Wat is de mening van de werkgroep Rampenplan Noordzee over dit aanbod? Zal de minister deze zaak onverwijld voorleggen aan de regering en welk advies zal hij daarbij verstrekken? Het antwoord op mijn laatste vraag weet ik al wel, maar welke oplossingen zijn er gevonden voor de lacunes die reeds in 1994 werd vastgesteld en in Oostende tijdens het Belgica-symposium publiek werden gemaakt?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - In antwoord op de gestelde vragen kan ik de heer Maertens het volgende mededelen.

Allereerst moet ik erop wijzen dat de bestrijding van olieverontreiniging op zee behoort tot de bevoegdheid van het departement van Volksgezondheid. Het departement van Binnenlandse Zaken kan hierover dus geen overeenkomsten afsluiten.

Ten tweede heeft de vorige staatssecretaris voor Leefmilieu in januari 1998 een studie over oliebestrijding op zee laten maken met het oog op het uittrekken van de nodige nationale middelen. Hierbij werd onderzocht welke middelen op nationaal niveau beschikbaar zijn en welke er zouden moeten zijn. Het budget dat voor deze bestrijdingsmiddelen nodig is, werd geschat op 300 miljoen frank.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Ten derde mag niet veronachtzaamd worden dat het inroepen van de middelen van oil spill response te Southampton bij een effectieve bestrijding een aanzienlijk kostenplaatje zou opleveren. Hier moet ook verwezen worden naar de middelen verbonden aan de akkoorden van Bonn, die de landen die aan de Noordzee grenzen, hebben afgesloten.

Ten vierde wordt met regelmatige oefeningen - de laatste had plaats op 19 november 1999 - permanent getracht lacunes op te sporen en te verhelpen.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik dank de minister voor zijn antwoord, maar zeg er meteen nadrukkelijk bij dat ik bijzonder ontgoocheld ben. Het rampenplan behoort wel degelijk tot zijn bevoegdheid. De minister ontwijkt hier dus zijn bevoegdheid. Bovendien hebben de akkoorden van Bonn, die belangrijk zijn, op het rampenplan niet zoveel invloed.

Als de petroleumsector zelf een behoorlijk goedkoop aanbod doet, dan mag men dat niet zomaar vergelijken met het plan van 300 miljoen frank waarnaar de minister zelf verwijst. Dat is toch van een andere orde.

Ik vind het antwoord van de minister echt onvoldoende en zal ook de minister van Volksgezondheid over deze zaak verder ondervragen, zodat het probleem niet vergeten wordt. Als er een ramp gebeurt - en het heeft niet veel gescheeld - dan is immers onze hele visserij- en toerismesector om zeep. We mogen hier geen fouten maken.