2-17

2-17

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

WOENSDAG 15 DECEMBER 1999 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Wetsontwerp houdende instemming met de Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds, de Bijlagen I tot en met VII, de Protocollen 1 tot en met 4, en de Slotakte, gedaan te Brussel op 24 november 1997 (Stuk 2-174)

Algemene bespreking

De heer Michiel Maertens (AGALEV), rapporteur. - Bij stuk 174/3 betreffende de associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië anderzijds werd gevraagd of er een tussentijdse overeenkomst bestaat zoals met Israël en of deze overeenkomst in voorkomend geval voor de Europese Unie werd geëvalueerd.

De minister heeft geantwoord dat er geen overeenkomst bestaat en dat er dus ook geen evaluatie voorhanden is.

Enerzijds werd de tevredenheid uitgesproken over het afsluiten van deze overeenkomst, die zeker ook te danken is aan de houding van Jordanië, dat ondanks de zeer moeilijke omstandigheden waarin het zich bevindt, zeer gematigd is gebleven. Anderzijds betreurde men dat de inhoud van de overeenkomst eerder onevenwichtig is. Zo zouden de bepalingen betreffende de mensenrechten en de sociale en ecologische kwesties eerder intentieverklaringen zijn, terwijl de doelstellingen van het commerciële gedeelte zeer gedetailleerd zijn.

Er werd beklemtoond dat de bepalingen betreffende de mensenrechten en de sociale dialoog grondig dienen te worden uitgediept.

De artikelen 80 en 81 over de sociale dialoog vermelden overigens niets over de IAO-overeenkomst terzake. Men vraagt zich dus af of Jordanië die overeenkomst wel heeft ondertekend.

Deze opmerkingen gelden niet alleen voor de overeenkomst afgesloten met Jordanië, maar gelden voor de algemene discussie over de toepassing van de sociale bepalingen in al de overeenkomsten die vandaag worden besproken.

Wat Jordanië in het bijzonder betreft, wordt opgemerkt dat het parlement van dat land onlangs de bepaling van zijn strafwet heeft bevestigd die aanvaardt dat een moord wordt begaan wegens eerroof. Dit betekent dat een vrouwelijk familielid om het leven mag worden gebracht wanneer men van oordeel is dat zij de eer van de familie heeft geschonden. De regering had nochtans gevraagd om deze bepaling te wijzigen.

Er werd ook opgemerkt dat Turkije als kandidaat-lid van de Europese Unie wordt aanvaard hoewel het nog steeds de doodstraf toepast en de Turkse staat een deel van een ander land ten onrechte bezet houdt. Inmiddels is in deze toch enige evolutie te merken.

Tot daar de opmerkingen van de commissieleden, die ook gelden voor het merendeel van de andere overeenkomsten.

- De algemene bespreking is gesloten.