2-11

2-11

Sénat de Belgique

Annales parlementaires

MERCREDI 10 NOVEMBRE 1999 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Vincent Van Quickenborne au vice-premier ministre et ministre de la Mobilité et des Transports sur «l'utilisation d'éthylotests par la gendarmerie et la police» (n° 2-16)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De Belgische rijkswacht en politie doen voor de controles op de weg een beroep op alcoholtesters om alcoholmisbruik tegen te gaan. Rond dit thema is onlangs deining ontstaan in de Nederlandstalige pers. De organisatie Safe Riders Club vzw kwam in conflict met het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid naar aanleiding van de BOB-testcampagne die gelanceerd zou worden in de cafés. Het gaat om een belangrijke sensibiliseringsactie die gericht is op "uitgaand" Vlaanderen en België en die de installatie van alcoholtesters in cafés en discotheken beoogt. Op die manier zou men eigenhandig kunnen controleren of het nog wettelijk toegelaten is om te rijden. De kortsluiting tussen de Safe Riders Club en het BIVV deed een aantal vragen rijzen met betrekking tot het gebruik en de aankoop van alcoholtesters.

Mijn oorspronkelijke vraag om uitleg werd gedeeltelijk gereduceerd en omgezet in een schriftelijke vraag. Er blijven echter nog twee vragen waarop ik graag een antwoord kreeg in de plenaire vergadering.

Door haar functie als minister van Mobiliteit en Vervoer is de minister ook voorzitter van het BIVV. Wat is haar verantwoordelijkheid met betrekking tot het sluiten van overeenkomsten? Heeft zij reeds contact gehad met het instituut? Welke aankoopprocedure volgt de overheid bij de aankoop van dergelijke alcoholtesters ?

Waarom wordt de organisatie Safe Riders Club vzw, die instaat voor de organisatie van de BOB-testscampagnes in cafés, op basis van een overeenkomst van 11 juni 1999 verplicht de toestellen van een welbepaalde firma te gebruiken? Men weet nochtans dat er goedkopere toestellen bestaan, die misschien zelfs efficiënter zijn. Ik zal de minister een kopie bezorgen van het rapport van enkele eminente Duitse professoren die tot het besluit zijn gekomen dat het toestel dat in België wordt gebruikt, van een minderwaardig niveau is en veel te hoge gebruikskosten meebrengt.

Is er voor de aankoop van deze toestellen een aanbesteding gegund?

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - De vraag van de heer Van Quickenborne betreft hoofdzakelijk de installatie van alcoholtesters in horecazaken aangezien zijn vraag om uitleg gedeeltelijk werd omgezet in een schriftelijke vraag.

Ten eerste, wat mijn verantwoordelijkheid over het sluiten van overeenkomsten betreft, kan ik de heer Van Quickenborne meedelen dat de verkeersveiligheid tot mijn bevoegdheid behoort. Ik ben dus ook verantwoordelijk voor het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid. De statuten van het BIVV bepalen dat ik van rechtswege voorzitter ben van dit instituut. Ik zit zowel de algemene vergadering als de raad van beheer voor. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn dezelfde als in de meeste vzw's. Ik heb geen reden om aan te nemen dat de gevolgde werkwijze met betrekking tot het dossier van de Safe Riders Club onregelmatigheden zou vertonen. Reeds enkele weken na mijn aantreden als minister van Mobiliteit en Vervoer heb ik persoonlijk gesprekken gevoerd met het BIVV. Bovendien zijn er geregeld contacten tussen het BIVV en mijn kabinet.

Ten tweede, wat de organisatie van de BOB-tests in horecazaken betreft, kan ik antwoorden dat de rol van het BIVV inzake de alcoholtesters of horecatoestellen, die door de firma Dräger worden geproduceerd, beperkt is tot twee zaken, namelijk het toekennen van de naam BOB-tester aan deze toestellen en de bescherming van het BOB-concept. Dit gebeurt zowel ten aanzien van de producent van de toestellen als ten aanzien van de verdeler van de toestellen, in casu de Safe Riders Club.

In die zin sloot het BIVV op 11 juni met de Safe Riders Club en met de firma Dräger zelf een contract af voor een periode van zes maanden, dit wil zeggen tot 31 december 1999. Volgens de informatie van het BIVV is de firma Dräger de enige fabrikant of invoerder in België die zo'n toestel kan leveren. Het is het enige toestel dat bij testen een gunstig resultaat haalde. Als andere fabrikanten intussen ook toestellen op de Belgische markt brengen en als die bovendien de nodige testen kunnen doorstaan, dan hebben we een nieuwe situatie. Het BIVV zal daarmee rekening moeten houden bij de eventuele toekenning van de benaming BOB-tester na 31 december 1999. Er zijn twee mogelijkheden. Ofwel kunnen al deze toestellen de benaming BOB-tester krijgen. Ofwel zal moeten worden onderhandeld over een vergoeding voor de benaming BOB-tester. Voor mij is dit eerder een zakelijke transactie die binnen het BIVV moet worden afgehandeld. We willen evenwel de installatie en het gebruik van deze openbare alcoholtesters aanmoedigen met het oog op de verkeersveiligheid. Dat is ook de bedoeling van het BIVV, dat de succesvolle BOB-campagne heeft gecreëerd. Het BIVV wil daarover terecht controle blijven uitoefenen.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Het BIVV, waarvan de minister voorzitter is, beweert dat er momenteel geen andere toestellen in omloop zijn. Ik heb daarover andere informatie. Een Duitse fabrikant produceert soortgelijke toestellen in Duitsland en plaatst ze ook in horecazaken. Die toestellen zijn drie keer goedkoper dan de toestellen die in België worden gebruikt. Vandaar ook mijn terechte bezorgdheid. Belastinggeld mag niet zomaar, zonder een effectieve controle, worden uitgegeven. Volgens het rapport, dat ik de minister heb overhandigd, zijn de toestellen van die andere fabrikant bovendien van een betere kwaliteit. Ik vraag de minister dan ook met aandrang informatie in te winnen over het bestaan van andere toestellen en de markt eventueel ook voor andere fabrikanten open te stellen. Ik heb immers een beetje de indruk dat Dräger een soort monopoliepositie bekleedt. Ik ben een absolute voorstander van preventiecampagnes, maar als ze in handen van privé-firma's komen, dan word ik een beetje bang, want ik vind dat de overheid hierover de absolute controle moet houden. De situatie mag niet afglijden naar onderlinge overeenkomsten tussen enerzijds het BIVV - waarvan de minister dan wel de voorzitter is - en anderzijds de firma Dräger. Ik zal dus waakzaam blijven en noteer in elk geval de datum van 1 januari 2000.

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Ik wil de heer Van Quickenborne vragen mij zijn informatie over de bestaande apparaten door te spelen. Ik zal hierover met het BIVV overleggen. Ik houd immers niet van monopolies. Alle inlichtingen zijn dus welkom.

- L'incident est clos.