Tijdens de voorbije vijf jaar werden een dertigtal Belgische vissersschepen door reders van Nederlandse nationaliteit opgekocht, maar om redenen van economische en fiscale aard onder Belgische vlag gehouden, zodat ze dan ook de maatschappelijke zetel van de rederij van het betreffende schip in België hebben gevestigd. Heel vaak maakt deze rederij nochtans deel uit van een andere financiële structuur dewelke in Nederland is gevestigd. Door het koninklijk besluit van 3 februari 1999 werd de economische band van deze schepen met het vlaggenland België vastgelegd, zodat bijvoorbeeld een minimum van 50 % van de bemanning van het Nederlandse schip onder Belgische vlag uit al dan niet in België gedomicilieerde bemanningsleden van Belgische nationaliteit kan bestaan, of 50 % van de vangsten in België kan worden geveild, of beide tezamen. Wanneer daar niet aan wordt voldaan, kan de visvergunning van dit schip worden geschorst. De juridische afdwingbaarheid van dit koninklijk besluit wordt Europees niet in vraag gesteld.
Ook al valt alles op het eerste gezicht dus legaal binnen de Europese concurrentieregels en het vrije ondernemerschap in de lidstaten van de Europese Unie, toch zou ik aan de geachte minister willen vragen in hoeverre een aantal daarmee verband houdende feiten elk afzonderlijk juridisch ook aanvaardbaar zijn :
1. Sommige vaartuigen, die zeer kortelings met onder meer voor 50 % Belgische en/of Vlaamse subsidies werden gebouwd of gerenoveerd om de Belgische en niet de Nederlandse visserij te steunen, werden zonder enige vorm van retributie door Belgische reders aan een andere lidstaat op korte termijn doorverkocht.
De vraag moet worden gesteld of deze subsidies niet moeten teruggevorderd worden, en of de geachte minister daar reeds stappen voor heeft ondernomen, en zo ja welke, en eventueel met welke resultaten.
2. De verkoopsom werd door sommige Belgische verkopers onmiddellijk opnieuw geïnvesteerd in Nederlandse financiële instellingen die de Nederlands-Belgische rederij aan wie ze het eigen schip hebben verkocht, van de nodige kredieten voorziet om het schip aan te kopen. Op deze wijze kunnen immers bepaalde fiscale voordelen worden bekomen die in België niet mogelijk zijn.
De vraag moet worden gesteld of hier niet een fiscaal « ontwijkingsmanoeuver » aan de orde is, en of de geachte minister in dit specifiek kader reeds stappen heeft ondernomen, en zo ja welke, en eventueel met welke resultaten.
3. De maatschappelijke zetel van deze Nederlandse rederijen is in België gevestigd omwille van de Belgische quota, maar evenzeer omdat de controle op de investeringen en het fiscaal stelsel voor een niet-onbelangrijk deel ontsnapt aan de Belgische overheid.
De vraag moet worden gesteld of terzake geen Belgisch-Nederlands protocol moet worden gesloten, of de geachte minister daartoe reeds stappen voor heeft ondernomen, en zo ja welke, en eventueel met welke resultaten.
4. Omdat het schip onder Belgische vlag vaart kunnen de aan België toegekende visquota volledig door de Belgisch-Nederlandse onderneming worden opgevist, maar volgens het koninklijk besluit moeten slechts 50 % van de toegevoegde waarde of de bemanning Belgisch zijn, en ook de herstellingen of renovaties van het schip kunnen volledig in Nederland gebeuren.
De vraag moet worden gesteld of de nationaal toegekende quota's en de koppeling van de vergunning aan het schip dan nog wel enige zin hebben, en zo neen, of de geachte minister reeds stappen heeft ondernomen om daarin een wijziging te brengen en eventueel met welke resultaten.
Een Belgische vakbond die de hachelijke sociale situatie van de Belgische maatschapsvissers op bedoelde schepen aanklaagde vindt deze situatie zo ernstig dat ze onlangs in een visserijtijdschrift schreef : « De Nederlanders overschrijden de (afgeschafte) Belgisch/Nederlandse grens alleen om te nemen waar ze voordeel mee kunnen doen : vennootschap, schip, quota. »
Graag had ik van de geachte minister op de verschillende vragen een uitgebreid antwoord.