2-6

2-6

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DONDERDAG 14 OKTOBER 1999 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęde eerste donorconferentie voor KosovoĽ (nr. 2-1)

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Op 28 juli 1999 kende de internationale gemeenschap op de eerste donorconferentie te Brussel voor meer dan 2 miljard dollar toe aan Kosovo. Dit geld gaat naar de heropbouw van de huizen, humanitaire hulp en UNMIK, het voorlopig VN-bestuur van Kosovo. De deelnemers aan deze conferentie bevestigden bereid te zijn om in de toekomst meer geld ter beschikking te stellen voor de heropbouw van heel de Balkan, de economische ontwikkeling en de stabiliteit van de regio.

Europese NGO's vrezen echter dat de EU, een van de belangrijkste geldschieters als medeorganisator van de donorconferentie, dit geld voornamelijk uit fondsen zou halen die voor Latijns-Amerika, AziŽ en de ACP-landen bestemd waren.

Bovendien zouden er ook herschikkingen komen in de nationale budgetten van de EU-lidstaten voor de ontwikkelingssamenwerking. Zo zal de Deense regering een vierde van haar UNDP-bijdrage afhouden voor Kosovo.

Graag had ik van de vice-eerste minister antwoord gekregen op volgende vragen.

Ten eerste, welke financiŽle bijdrage heeft BelgiŽ op 28 juli 1999 rechtstreeks aan de eerste donorconferentie geleverd? Bevat dit bedrag reeds eerdere financiŽle toezeggingen of zijn dit louter nieuwe uitgaven?

Ten tweede, op welke begrotingspost werd of wordt dit budget ingeschreven?

Ten derde, in welk budget voorziet de minister voor de tweede donorconferentie ?

Ten vierde, wordt de financiŽle bijdrage door de Belgische regering geheel of ten dele beschouwd als een bijdrage tot ontwikkelingssamenwerking? Zo ja, ten koste van welke ontwikkelingsprogramma's?

Ten vijfde, is het correct dat de Europese bijdrage aan de eerste donorconferentie voor Kosovo ten koste gaat van andere Europese ontwikkelingsfondsen? Zo ja, zal de Belgische regering hiertegen dan protesteren?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Deze vraag betreft een fundamenteel probleem. Wanneer een overheid, een Europese of een nationale, wordt geconfronteerd met dringende humanitaire prioriteiten en hulpverlening, moeten bepaalde keuzes worden gemaakt.

Zoals mevrouw Thijs lid zelf heeft opgemerkt, dreigt de toestand in Kosovo de komende weken verontrustend te worden. De winter staat voor de deur en talrijke gebouwen zijn onbewoonbaar geworden door de gruweldaden die vůůr de interventie van de internationale gemeenschap werden gepleegd.

Het gaat hier over twee verschillende aspecten van noodhulp: enerzijds de noodhulp van BelgiŽ en anderzijds de noodhulp van de Europese Unie. Ik kan mevrouw Thijs het volgende antwoorden.

Ten eerste, op de conferentie van Brussel heeft BelgiŽ geen beloften gedaan. Wel heeft ons land sedert 16 april laatstleden 500 miljoen vrijgemaakt voor de humanitaire crisis in de Balkan. Van dat bedrag blijft 119 miljoen beschikbaar voor Kosovo.

Ten tweede, de middelen werden ingeschreven in de begroting van ontwikkelingssamenwerking.

Ten derde, de bevoegde diensten zullen de resultaten onderzoeken en zullen rekening houden met de verzoeken van de missie van de Verenigde Naties voor Kosovo en van de internationale instellingen en NGO's die ter plaatse actief zijn, alvorens bijkomende Belgische hulp toe te zeggen.

Ten vierde, het comitť voor ontwikkelingshulp van de OESO is de mening toegedaan dat de noodhulp moet passen in het kader van een aanpak die duurzame ontwikkeling nastreeft. Een dergelijke aanpak wordt door de lidstaten, waaronder BelgiŽ, gesteund.

Ten vijfde, de hulp van de Europese Unie bedraagt 392 miljoen euro of 16,5 miljard Belgische frank, en komt uit het Fonds voor humanitaire hulp. Deze middelen werden niet vrijgemaakt ten koste van andere ontwikkelingsprogramma's.

Er worden nog andere middelen ter beschikking gesteld door de Europese Unie voor de heropbouw. De bedragen en projecten zullen op de tweede conferentie worden vastgelegd.

Ik wil erop wijzen dat commissaris Nielson voortaan belast is met ontwikkelingssamenwerking en noodhulp, waaruit blijkt dat er een duidelijk verband is tussen beide.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Ik dank de vice-eerste minister voor zijn antwoord.

Wordt het geheel berekend op de begroting van staatssecretaris Boutmans? Wie zal deze materie verder afhandelen?

De staatssecretaris verklaart dat nog 119 miljoen beschikbaar is. Wanneer wordt dat bedrag ter beschikking gesteld? Van welke begroting wordt het afgehaald?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Van de begrotingen van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Van beide dus.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Dat is normaal.