2-22

2-22

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DONDERDAG 23 DECEMBER 1999 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Michiel Maertens aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "de niet deelname door België aan de snelle interventie oil spill response ter voorkoming van olieverontreiniging in de Noordzee" (nr. 2-79)

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Het Kanaal is de drukste vaarroute ter wereld en volgens de BMM vinden er jaarlijks vele bijna-olierampen plaats. De recente olieramp met de tanker Erika voor de Bretoense kust doet ons terugdenken aan de Mont-Louis en aan het Belgica-symposium eind oktober 1994 te Oostende, waar de vele onvolkomenheden van het Belgisch olierampenplan werden blootgelegd. Het hoofd van de BMM heeft daar trouwens in De Morgen van 16 december op gewezen.

Uit het jaarverslag voor 1998 van de Belgische Petroleum-federatie blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken, in tegenstelling tot het advies van het West-Vlaams provinciebestuur dat het rampenplan moet coördineren, niet is ingegaan op het recente voorstel van de petroleumindustrie zelf die te Southampton het "oil spill response"-project opzette. Dit houdt in dat men 24 op 24 uur met de meest moderne middelen stand-by is om olierampen in het kanaal te bestrijden en dit tegen de jaarlijkse erg lage prijs van
625.000 fr.

Toen ik de minister van Binnenlandse Zaken daarover vorige week ondervroeg, zei hij terzake niet bevoegd te zijn, zodat ik mij nu tot de voogdijminister over de BMM moet wenden.

Er is een zeer goede coördinatie tussen de BMM en de dienst Burgerlijke Bescherming ter bestrijding van oliepollutie. Die werd ten andere uitgeprobeerd bij het simuleren van rampen. Maar de grote onvolkomenheden die eruit bleken en die ons systeem door zijn logheid onefficiënt maken, werden nog altijd niet weggewerkt. Ik heb dan ook het volste begrip voor de houding van de provincie terzake en ik dring erop aan dat wordt ingegaan op het oil spill response-aanbod dat goedkoop en degelijk is.

Waarom werd nog steeds niet ingegaan op dit aanbod? Zijn er andere engagementen die dit verhinderen? Zo ja, welke? Wat is de mening van de werkgroep Rampenplan Noordzee terzake? Zal de minister deze dringende zaak aan de regering voorleggen en wat is zijn advies terzake? Welke oplossingen werden tot op heden geboden voor de lacunes die reeds in 1994 werden vastgesteld? Binnen welke termijn komt er een degelijk en snel werkend oliebestrijdingssysteem voor onze kust?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Het provinciebestuur van West-Vlaanderen heeft nooit aangeraden dat de Staat een contract zou sluiten met OSRL Southampton. Een contract met OSRL Southampton zou de minst efficiënte oplossing zijn voor ons probleem, want dan zou er waarschijnlijk nooit meer worden geïnvesteerd in de onontbeerlijke eigen bestrijdingsmiddelen en eigen ervaring.

In de Belgische havens zijn inderdaad geen bestrijdingsmiddelen aanwezig. Als deze vanuit Southampton moeten komen, is het te laat.

De middelen in Southampton zijn niet geschikt voor een snelle en efficiënte interventie in België. We zijn er niet mee vertrouwd en we hebben geen schepen om ze op zee te ontplooien. Bovendien zouden ze enkel in hun verpakking binnen de twaalf uur op de luchthaven van Oostende worden afgezet. Daarna wordt er geïmproviseerd. Er is immers niets gepland om die middelen effectief in te zetten en de vraag wie over wat beslist, blijft open.

Wat we nodig hebben, is een kern aan bestrijdingsmiddelen waarmee ons personeel, marine, civiele bescherming, Unie voor Redding en Sleepdiensten, BMM, kan trainen en die in geval van ramp door eigen vaartuigen onmiddellijk ter plaatse kunnen worden gebracht.

OSRL Southampton is feitelijk een investering van de oliemaatschappijen, niet van de regering van het Verenigd Koninkrijk. Die investering werd langs de internationale organisaties door de regeringen aan de industrie opgelegd. De bedoeling is de industrie te verplichten eigen middelen ter beschikking te stellen in geval van ramp met eigen schepen of installaties. Door de overheid contracten aan te bieden, probeert de industrie blijkbaar een gedeelte van die investering terug te winnen.

De prijs van 625.000 frank is bovendien misleidend, want van zodra de middelen worden gemobiliseerd, moet een huurprijs worden betaald. Die bedraagt de helft van het commercieel tarief en wordt ook door de overheid voorgeschoten tot de vervuiler betaalt. Die bedragen kunnen heel hoog oplopen.

Op het moment kunnen binnen de twaalf uur de Nederlandse, de Britse en Franse strike teams de plaats van de ramp bereiken en eigen middelen ontplooien met eigen vertrouwd personeel onder Belgische coördinatie.

Indien dan nog middelen zijn vereist, kunnen we in een derde fase een beroep doen op OSRL Southampton, die bereid zijn hun middelen ter beschikking te stellen tegen commerciële prijzen. Daarvoor hebben we geen voorafgaand contract nodig, wel een krediet en een persoon die bevoegd is om de bestelling te ondertekenen. Hiervoor wordt momenteel in de werkgroep van het rampenplan Noordzee een procedure onderzocht. Op de federale begroting is hiervoor geen krediet uitgetrokken.

De problematiek werd destijds in detail aan minister Peeters voorgelegd. Op 19 oktober van vorig jaar heeft de heer Peeters op het voorstel van de Belgische Petroleumfederatie geantwoord. Hij vond het niet opportuun dat de Belgische Staat zich in deze context zou verbinden tot permanente contractuele verplichtingen met het OSRL. De financiële implicaties ervan zouden kunnen worden geïnterpreteerd als een subsidie van de overheid aan de industrie.

Op basis van een studie heeft mijn administratie een voorstel uitgewerkt, waarbij wordt uitgegaan van een investering van ongeveer 100 miljoen in eigen, nationale bestrijdingsmiddelen. Met dit doel werd in de begroting 2000 een veel te klein bedrag ingeschreven, maar bij de begrotingscontrole van februari zullen we onderzoeken of het kan worden opgetrokken. In elk geval ligt het in de bedoeling deze investering gedurende twee à drie jaar verder uit te bouwen, teneinde over eigen middelen te beschikken.

In paragraaf 2 van artikel 32 van de wet van 20 januari 1999 wordt bepaald welke ministers moeten samenwerken en optreden tegen zeeverontreiniging. Dat zijn de ministers van Leefmilieu, Binnenlandse Zaken, Wetenschappelijk onderzoek en Landsverdediging, alsmede de minister die bevoegd is voor de scheepvaart. Het nodige overleg tussen de betrokken kabinetten kan in de onlangs opgerichte subcommissie Noordzee van de interministeriële economische commissie plaatsvinden.

In de Kamer heb ik in antwoord op een vraag in hetzelfde verband aangekondigd het initiatief te zullen nemen om de betrokken ministers begin volgend jaar samen te brengen, teneinde te onderzoeken wat de diverse departementen kunnen doen.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Het verheugt mij dat de minister de desinformatie van de oliemaatschappijen in dit belangrijke dossier heeft rechtgezet, wat ons toch weer enige hoop geeft.

Uit haar antwoord blijkt dat de maatschappijen waarschijnlijk het spreekwoordelijke "doekje voor het bloeden" hebben klaargemaakt om niet het verwijt toegestuurd te krijgen dat zij in de olie-industrie weglopen met de lusten, met de winsten, en dat de overheid met de lasten, de olievervuiling, wordt opgezadeld. Het verhaal wordt nog perverser want de oliemaatschappijen willen door het aanbieden van contracten de kosten recupereren die de internationale organisaties hen opleggen. Die verplichtingen moeten zij ernstig nemen. Hun handelwijze is ronduit onaanvaardbaar.

Ik ben het met de minister eens wanneer ze wijst op de eigen plannen die sedert enkele jaren in samenwerking met de andere Noordzeelanden worden uitgeprobeerd. Toch is daarvan op het terrein nog niet veel te merken. Het olierampenplan zal een papieren tijger blijven als de noodzakelijke kredieten niet snel op de begroting worden uitgetrokken. Het verheugt mij dat de minister bij de volgende budgetcontrole de nodige voorstellen zal formuleren.

Ik ben er echter van overtuigd dat nog niet de helft van de kostprijs van het opruimen van de gevolgen van een eventuele ramp voor onze kust, kan worden gedekt.

Onze kust heeft een belangrijke toegevoegde waarde. De heer Lansens heeft daarover in de Kamer vragen gesteld en in een krantenartikel liet hij uitschijnen dat we onvoldoende gewapend zijn om een ernstige olieramp op te vangen. Een dergelijke ramp zou niet alleen de visserij, maar ook het toerisme aan de kust om zeep helpen. De schade zou enorm hoog oplopen. Een zeer snelle interventieploeg is absoluut nodig. We moeten ervan uitgaan dat een oliebestrijding niet binnen de twaalf, maar wel binnen de zes uur moet worden gestart. De wind en de getijden zijn in het Kanaal zo intens dat een olievlek, die zich bijvoorbeeld in de Westhinder op tien mijl zou vormen, na enkele uren onze kust kan bereiken.

Ik hoop dat de minister de opdracht zal geven om zo efficiënt en zo vlug mogelijk op te treden, ook al kost dat geld. Het is dan ook goed dat deze zaak binnenkort in interministerieel verband zal worden besproken.