2-308/3 | 2-308/3 |
9 FEBRUARI 2000
Evocatieprocedure
Op 20 januari 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers het onderhavige optioneel bicamerale wetsontwerp (artikel 78 van de Grondwet) aangenomen met 84 stemmen tegen 42, bij 9 onthoudingen (Handelingen van de Kamer, 20 januari 2000). Parallel met dit wetsontwerp heeft de Kamer op dezelfde datum, met 85 stemmen tegen 43, bij 8 onthoudingen, een tweede wetsontwerp aangenomen dat een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (1). Beide ontwerpen geven samen gestalte aan de door de regering nagestreefde vereenvoudiging van de procedures tot verkrijging van de Belgische nationaliteit.
Aangezien de regering krachtens artikel 80 van de Grondwet voor het optioneel bicameraal ontwerp de spoedbehandeling had gevraagd, heeft de parlementaire Overlegcommissie de uiterste datum voor evocatie op 26 januari 2000 bepaald en de onderzoekstermijn tot 25 dagen ingekort (Stukken Senaat, nrs. 2-82/4 en 2-308/1).
Op 26 januari 2000 werd het ontwerp op verzoek van 21 senatoren geëvoceerd met als gevolg dat de onderzoekstermijn ten einde loopt op 21 februari 2000 (cf. Griffiebulletin nr. 19 van 26 januari 2000).
Ingevolge de evocatie werd het voorliggende wetsontwerp naar de commissie voor de Justitie verzonden die het samen met het bovenvermelde verplicht bicamerale ontwerp, in aanwezigheid van de minister van Justitie, op 2 en 9 februari 2000 heeft besproken.
Aangezien het zwaartepunt van de voorgestelde hervorming in het optioneel bicameraal ontwerp besloten ligt, zijn de inleidende uiteenzetting van de minister en de algemene bespreking betreffende twee wetsontwerpen in dit verslag samengebundeld.
Het wetsontwerp van de Belgische nationaliteit past volledig binnen de nieuwe maatschappijvisie die uit het regeerakkoord van 7 juli 1999 naar voren komt, een visie waarbij de klemtoon wordt gelegd op de positieve ingesteldheid van eenieder en waar slechts corrigerend wordt opgetreden tegen hen die misbruik maakten van deze positieve verwachtingen. De regering meent dat de jeugd anno 2000 zich in een sfeer van wereldburgerschap beweegt en dat ze de verscheidenheid van culturen als een meerwaarde in de maatschappij ervaart.
Het lijkt noodzakelijk om de passage van het regeerakkoord, waarvan het onderhavige wetsontwerp de uitvoering is, letterlijk aan te halen teneinde te kunnen aantonen dat het wetsontwerp volledig past binnen dit regeerakkoord en dat de verschillende bepalingen ervan een evenwichtig geheel vormen.
De minister citeert : « België moet een open en verdraagzame samenleving zijn. Iedereen die hier verblijft, moet zich aan de vigerende wetten en reglementen houden. Inburgering moet het uitgangspunt van de integratie in onze maatschappij zijn. Evenzeer moet iedere vorm van racisme, intolerantie en discriminatie kordaat worden bestreden.
De regering is van oordeel dat de verkrijging van de Belgische nationaliteit een belangrijke factor van integratie is in onze samenleving. Om deze integratie te bevorderen, zullen belangrijke wijzigingen aan het Wetboek van de Belgische nationaliteit worden aangebracht.
In het bijzonder zal de procedure tot verkrijging van de Belgische nationaliteit door middel van de naturalisatie op de bestaande procedure inzake nationaliteitsverklaring worden afgestemd. Meer bepaald zal de aanvraag tot naturalisatie kosteloos zijn en het engagement inhouden van de aanvrager om de Grondwet en de wetten van het Belgische volk, alsmede de verklaring van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens na te leven en uitdrukking te geven van de wil tot integratie. Tevens zullen de bepalingen van artikel 15 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit worden herzien teneinde de vragenlijst op te heffen.
Ook zal het koninklijk besluit van 13 december 1995 als volgt worden aangepast : « 1º geboortakte van de aanvrager of een gelijkwaardig document afgeleverd door de diplomatieke of consulaire overheden van het land van oorsprong. In geval van onmogelijkheid of zware moeilijkheden om dergelijke akte af te geven, kan deze vervangen worden door een akte van bekendheid zoals voorzien in de artikelen 71 en 72 van het Burgerlijk Wetboek. »
Daarnaast zal ook de rol van het parket worden geherdefinieerd. Zo zal het parket binnen een termijn van één maand een advies omtrent de eventuele aanwezigheid van zware persoonlijke feiten in hoofde van de aanvrager dienen uit te brengen. Indien dit advies negatief is, zal het dossier voor beslechting aan de Kamer worden overgezonden. In dezelfde geest zal de minister van Justitie aan de parketten ook een omzendbrief richten om de naturalisatieaanvragen welke een crimineel doel beogen, te bestrijden.
Ook de nationaliteitsverklaring zelf zal worden vereenvoudigd door de termijn voor het advies van het parket in te korten tot één maand en de leeftijdsvoorwaarden te versoepelen.
De regering zal de desbetreffende ontwerpen onmiddellijk na het zomerreces bij het Parlement indienen. De regering zal de nieuwe regeling één jaar na haar inwerkingtreding beoordelen. »
De hoofddoelstellingen van het wetsontwerp zijn :
1. Het wetsontwerp beoogt in hoofdzaak de wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit wat betreft de nationaliteitsverklaring (artikel 12bis ) en de naturalisatie (art. 19) en dit met respect voor de artikelen 8 en 9 van de Grondwet die inhouden dat de nationaliteitsverklaring een subjectief recht tot verkrijging van de Belgische nationaliteit verleent, terwijl de naturalisatie een gunst is die door de Kamer in laatste aanleg wordt toegestaan of geweigerd.
Het Arbitragehof stelde in zijn arrest nr. 75/98 van 24 juni 1998 als volgt :
« Door de bevoegdheid om naturalisatie te verlenen niet over te laten aan een administratieve overheid maar ze voor te behouden aan een wetgevende macht die uit verkozen vergaderingen bestaat, terwijl het uitzonderlijk is dat een louter individuele beslissing uitsluitend bij een dergelijke overheid berust, heeft de grondwetgever willen aangeven dat hij de traditionele opvatting handhaafde volgens welke de verkrijging van de Belgische nationaliteit door naturalisatie geen recht is, maar voortvloeit uit de uitoefening van een soevereine beoordelingsbevoegdheid. »
Tevens werd rekening gehouden met de adviezen van de Raad van State van 8 oktober en 10 november 1999 die stelden dat voor de nationaliteitsverklaring en voor de naturalisatie in verschillende toegangsvoorwaarden moet worden voorzien; dat gebeurde rekening houdend met de coherentie van het Wetboek van de Belgische nationaliteit waarbij de procedure des te eenvoudiger is naarmate de band met België groter is.
Beide procedures werden merkelijk gewijzigd zodat er gemakkelijker een beroep op kan worden gedaan.
Van de procedure inzake nationaliteitsverklaring zal voortaan gebruik kunnen worden gemaakt door de vreemdelingen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt (in plaats van thans tussen 18 en 30 jaar) en die de volgende voorwaarden vervullen :
hetzij in België geboren zijn en er sedert zijn geboorte zijn hoofdverblijf hebben gevestigd : de in het huidige artikel 12bis gestelde voorwaarden worden overgenomen maar door de voorwaarde dat de belanghebbenden 30 jaar oud moeten zijn, af te schaffen, zullen veel meer vreemdelingen van deze procedure gebruik kunnen maken;
hetzij in het buitenland geboren zijn uit ouders van wie er tenminste één op het tijdstip van de verklaring Belg is : het minderjarige kind van een vreemdeling die Belg wordt, wordt automatisch Belg, dus hier betreft het enkel het meerderjarige kind van een persoon die Belg is geworden; dat aantal zal sterk beperkt zijn, wetende dat 60 % van de toegestane naturalisaties personen betreffen die na 1960 geboren zijn; bovendien moet de verklaring afgelegd worden voor de ambtenaar van de burgerlijke stand en kan deze niet in het buitenland afgelegd worden.
hetzij sedert ten minste 7 jaar zijn hoofdverblijfplaats in België hebben gevestigd en, op het tijdstip van de verklaring, in het bezit zijn van een verblijfsvergunning van onbeperkte duur of een machtiging tot vestiging overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980; een hoofdverblijf in België dat niet door een wettelijke verblijfsvergunning gedekt wordt, zal de vreemdeling in geen geval in staat stellen een nationaliteitsverklaring af te leggen; vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen.
De vreemdelingen die aan de volgende voorwaarden voldoen, kunnen een beroep doen op de naturalisatieprocedure :
de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt (zoals dat thans de regel is) en
hun hoofdverblijf in België hebben gevestigd gedurende 3 jaar (in plaats van thans 5 jaar) of sedert 2 jaar voor de vluchtelingen en de staatlozen (thans 3 jaar); het verblijf in het buitenland kan worden gelijkgesteld met het verblijf in België, wanneer de aanvrager bewijst dat hij, gedurende de vereiste duur, door een werkelijke band met België verbonden is geweest (zoals dat thans ook het geval is).
2. Naast de maatregelen met het oog op het vergemakkelijken van de toegang tot de procedures van de nationaliteitsverklaring en de naturalisatie, worden eveneens maatregelen genomen om het verloop van alle procedures van nationaliteitsverkrijging te bespoedigen en worden een aantal bevoegdheden van het parket herzien.
De termijn waarbinnen het parket zijn advies moet uitbrengen, wordt eenvormig verminderd tot 1 maand (thans 2 maanden voor de nationaliteitsverklaring en 4 maanden voor naturalisatie en nationaliteitskeuze). De termijn binnen welke de Dienst Vreemdelingenzaken en de dienst Veiligheid van de Staat aan de Kamer hun advies moeten geven in het kader van een verzoek tot naturalisatie wordt tevens vastgesteld op 1 maand (in plaats van 4 maanden). Ook in het kader van de nationaliteitsverklaring moeten deze beide diensten worden geraadpleegd; de wijze waarop beide instanties moeten worden geraadpleegd, inzonderheid wat de termijnen betreft, wordt nader omschreven in een ministeriële circulaire die moet worden uitgevaardigd op grond van artikel 24bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.
In het kader van de procedure inzake nationaliteitsverklaring zal de procureur des Konings niet enkel een negatief advies kunnen uitbrengen wanneer er een beletsel is wegens gewichtige feiten, eigen aan de persoon, doch eveneens wanneer de grondvoorwaarden van de procedure niet zijn vervuld.
In de procedure van de nationaliteitskeuze en in de naturalisatieprocedure beschikt de procureur des Konings niet langer over de mogelijkheid een negatief advies uit te brengen wanneer hij van oordeel is dat de aanvrager onvoldoende blijk geeft van zijn wil tot integratie. Die wil wordt verondersteld aanwezig te zijn door de verklaring van nationaliteitskeuze of door het verzoek tot naturalisatie zelf.
3. De mogelijkheid om de akte van geboorte te vervangen door een akte van bekendheid is voorzien.
Personen die in de onmogelijkheid verkeren om zich een akte van geboorte te verschaffen, mogen in de plaats van die akte een soortgelijk document voorleggen dat werd afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden van het land van herkomst; in het geval het de belanghebbende onmogelijk is om zich ook dit laatste document te verschaffen, kan de akte van geboorte vervangen worden door een akte van bekendheid (te weten een verklaring die door twee getuigen voor de vrederechter wordt afgelegd en die moet worden gehomologeerd door de rechtbank van eerste aanleg). Ingeval de betrokkene in de onmogelijkheid verkeert om zich deze akte van bekendheid te verschaffen, mag die akte met toestemming van de rechtbank worden vervangen door een beëdigde verklaring van de belanghebbende zelf.
Deze procedure waarbij met het oog op de verwerving van de Belgische nationaliteit, de akte van geboorte kan worden vervangen door een akte van bekendheid is volledig analoog met die welke in het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld in het kader van het huwelijk.
4. De met de hand geschreven vermelding die sedert 1 september 1999 moet voorafgaan aan de handtekening van de aanvrager op het formulier van naturalisatieverzoek wordt in die zin gewijzigd dat een verklaring wordt toegevoegd waarbij de aanvrager zich onderwerpt aan het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5. Net zoals de huidige procedure inzake nationaliteitsverklaring, zal de naturalisatieprocedure kosteloos zijn. Het Wetboek van de registratie-, hypotheek- en griffierechten is reeds in die zin aangepast door de wet van 24 december 1999 die in werking is getreden op 1 februari 2000.
Een lid neemt het in naam van zijn fractie op voor dit wetsontwerp, omdat het in de lijn ligt van het evenwichtige beleid dat de regering wenst te voeren om België te profileren als een open en tolerante samenleving. Zoals de minister heeft gezegd, is dit beleid op drie pijlers gebaseerd :
1. de integratie van de vreemdelingen, wat het doel is van het ter bespreking voorliggende wetsontwerp;
2. een realistisch en humaan asielbeleid;
3. de strijd tegen racisme en onverdraagzaamheid.
Inburgering moet het uitgangspunt van de integratie in onze maatschappij zijn. Spreker pleit voor een multiculturele samenleving waarin de verschillende culturen elkaar verrijken.
Het verkrijgen van de Belgische nationaliteit is een fundamentele voorwaarde voor de integratie van vreemdelingen die al lang, soms zelfs zeer lang in België wonen. Spreker staat dus achter de twee wijzigingen die door het wetsontwerp worden ingevoerd inzake de nationaliteitsverklaring en de naturalisatieaanvraag.
a) Men dient te reageren op het duidelijke signaal dat iemand bereid is om zich in België te integreren. De wetgeving kan bij die integratie een rol spelen. Dat is hier ongetwijfeld het geval.
b) Dit wetsontwerp is voornamelijk bedoeld voor mensen die nooit naar hun land van oorsprong zullen terugkeren en daar waarschijnlijk als « vreemdelingen » beschouwd zouden worden. Dit is zeker het geval voor mensen die al langer dan zeven jaar in België verblijven, wat de nieuwe procedure van nationaliteitsverklaring duidelijk rechtvaardigt. Indien wij dit gebaar niet maken, zal België een hele groep feitelijke staatlozen creëren.
c) Op het meer juridische vlak is rekening gehouden met de interessante opmerkingen van de Raad van State, meer bepaald met betrekking tot het onderscheid tussen de nationaliteitsverklaring en de naturalisatieaanvraag (Stuk Kamer, nr. 50-292/1 en 50-293/1, blz. 27-29 en 39-43).
d) Spreker verheugt zich bijzonder over het verdwijnen van de beruchte « vragenlijsten » die een inbreuk op het privéleven betekenden (zie de wijziging van artikel 15 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit).
e) De termijn van een maand die het parket volgens het ontwerp heeft om zich te verzetten of een negatief advies te geven, is inderdaad nogal kort. Spreker gelooft echter dat dezelfde problemen zouden rijzen bij een termijn van twee of drie maanden. Het is allemaal een kwestie van goede wil en voldoende middelen, vooral in Brussel. Met de huidige stand van de informatica kan deze verkorte termijn overigens geen onoverkomelijke moeilijkheden meebrengen. Uit de evaluatie van de nieuwe regelgeving een jaar na de inwerkingtreding, zal hoe dan ook blijken of de termijn eventueel met een maand moet worden verlengd.
f) Er dient op te worden gewezen dat het parket zich enkel moet uitspreken over de niet-naleving van de procedure en over gewichtige feiten, eigen aan de persoon, die de wetgever niet verder kan omschrijven. Indien het parket in één maand niet kan nagaan of de feiten gewichtig genoeg zijn, zullen twee maanden ook niet volstaan.
g) Hierbij herinneren we er ook aan dat de heer Eerdekens in de Kamercommissie voor de Justitie heeft benadrukt hoe belangrijk het is om bij problemen het advies te kunnen vragen van de dienst Veiligheid van de Staat (Stuk Kamer, nr. 50-292/7, blz. 15).
h) Wat betreft de naturalisatieaanvragen, is spreker het eens met de versoepeling van de toegangsvoorwaarden, met name de vermindering van de vereiste duur van het hoofdverblijf in België van vijf naar drie jaar (artikel 9 van het ontwerp).
i) Spreker blijft weliswaar voorstander van het stemrecht voor vreemdelingen op gemeentelijk vlak, maar vindt het door de regering ingediende en door de Kamer aangenomen ontwerp volledig aanvaardbaar.
Tot slot spreekt het lid zijn tevredenheid uit over dit wetsontwerp, dat hem klaar en duidelijk lijkt. Voortaan zijn de twee belangrijkste manieren om de Belgische nationaliteit te verkrijgen :
de nationaliteitsverklaring voor mensen die minstens zeven jaar hun hoofdverblijfplaats in België hebben;
de naturalisatieaanvraag voor mensen die reeds drie jaar in België verblijven.
Dit ontwerp is dus onmiskenbaar een stap voorwaarts voor België en voor eenieder die de humanistische beginselen wil bevorderen.
Een volgende spreker verklaart al jaren te ijveren voor een vlottere procedure voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit. In dat verband verzet hij zich tegen de verwarring die door sommigen in de Kamercommissie voor de Justitie werd gecreëerd rond het onderscheid tussen Belgische staatsburgers en vreemdelingen, onder andere wat het genot van sociale rechten betreft (bijvoorbeeld het recht op hulp vanwege het OCMW). Dergelijke rechten komen toe aan alle burgers, zowel Belgen als vreemdelingen die over een wettelijke verblijfsvergunning beschikken.
Het verheugt spreker dat ons land het in deze voor de democratie moeilijke tijden aandurft een vooruitstrevende wetgeving inzake nationaliteitsverkrijging goed te keuren. Het zet zich daarmee af tegen het extreem-rechts gedachtegoed dat door sommige democratisch verkozen partijen wordt gepropageerd die bijvoorbeeld in Oostenrijk regeringsverantwoordelijkheid zullen nemen. Indien dat scenario bewaarheid wordt, vormt dit niet alleen een bedreiging voor de democratie, maar ook een smet op de eer van Europa.
Spreker gaat vervolgens in op welbepaalde aspecten van de voorgestelde hervorming.
1. Het wetsontwerp komt in artikel 2 tegemoet aan een aloude eis van de allochtonen die dikwijls grote moeilijkheden ondervinden om zich een akte van geboorte te verschaffen. Veel vreemdelingen die de Belgische nationaliteit wensen te verkrijgen, zijn afkomstig uit ver gelegen landen waar ze dan nog dikwijls op het platteland woonachtig waren. Zij moeten dan een lange en moeilijke reis ondernemen om het uittreksel uit hun akte van geboorte te laten legaliseren. Met de in artikel 2 van het ontwerp vervatte regeling wordt de nodige soepelheid gecreëerd.
2. Het onderzoek dat de politie instelde naar de wil tot integratie van de kandidaat-Belg, is wegens zijn gebrek aan objectiviteit meermaals terecht aangeklaagd. Hoe valt immers te verklaren dat er een negatief advies wordt uitgebracht over een vreemdeling omdat hij de taal niet spreekt en geen wil tot integratie vertoont, wanneer hij reeds dertig jaar als buschauffeur bij de Brusselse vervoersmaatschappij werkt ? Idem dito voor een jongere die de volledige schoolcyclus in België heeft afgewerkt en van wie alle familieleden reeds de naturalisatie hebben verkregen. Dergelijke voorbeelden zijn legio .
Samen met tal van verenigingen die zich hebben ingezet om de commissie voor de Naturalisaties ervan te overtuigen dat deze of gene persoon wel degelijk geïntegreerd was, verheugt spreker zich bijgevolg over het feit dat dit onderdeel van de procedure wordt afgeschaft.
3. Een ander punt van kritiek op de commissie voor de Naturalisaties is dat zij haar beslissing houdende verwerping of verdaging van het verzoek om naturalisatie motiveert op grond van het gebrek aan integratie met een formule die onbegrijpelijk is (bijvoorbeeld afwezigheid van contact met de overheid). Bij gebrek aan een klare en duidelijke motivering dienen de betrokkenen of de verenigingen die hen bijstaan, thans via een omweg de ware reden voor de weigering te achterhalen. Die blijkt dan voornamelijk gebaseerd te zijn op de weinig objectieve enquêtes van de politie en in sommige gevallen op een advies van de dienst Veiligheid van de Staat (bijvoorbeeld gewichtige feiten, lidmaatschap van een terroristische organisatie enzovoort). Het ontwerp verhelpt deze lacune enigszins door de procureur des Konings ertoe te verplichten om, wanneer hij een negatief advies uitbrengt inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit omdat er een beletsel is wegens gewichtige feiten, eigen aan de persoon, die feiten in de motivering van zijn advies te omschrijven (artikelen 4 en 6 van het ontwerp). Een standaardformule zoals gebrek aan integratie volstaat derhalve niet langer.
4. Spreker wenst te weten of de in artikel 16 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bepaalde voorwaarden voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit door de vreemde echtgenoot van een Belg behouden blijven. Dezelfde vraag geldt voor de in artikel 11bis van het Wetboek bepaalde procedure voor kinderen jonger dan 12 jaar.
5. Een andere vraag is of diplomaten en consulaire agenten, zakenmensen en studenten die zich wettelijk in België hebben gevestigd, eveneens de naturalisatie kunnen aanvragen. Met betrekking tot de studenten heeft de commissie voor de Naturalisaties haar rechtspraak in 1996 gewijzigd, maar de lat daarbij zeer hoog gelegd door een verblijf van tien jaar te eisen. Onnodig te zeggen dat dit tot grote ongelijkheden heeft geleid. Terwijl studenten vóór 1996 na vijf jaar verblijf in België de naturalisatie konden verwerven, dienen zij nu ten minste tien jaar in België te verblijven. Gelet op het groot aantal buitenlandse onderzoekers aan de Belgische universiteiten van wie er sommigen de Belgische nationaliteit wensen te verkrijgen, rijst de vraag of zij op grond van het voorgestelde artikel 19, eerste lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, na ten minste drie jaar hoofdverblijf in België de naturalisatie zullen kunnen aanvragen.
6. In het vorige punt werd reeds verwezen naar de rechtspraak van de commissie voor de Naturalisaties van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Spreker wenst te weten of deze commissie dezelfde koers zal blijven varen na de voorgestelde hervorming dan wel of de Kamer een nieuwe gedragslijn zal uitstippelen.
7. Spreker heeft begrip voor het feit dat de dienst Veiligheid van de Staat bij de adviesprocedure wordt betrokken. Wat de dienst Vreemdelingenzaken betreft, heeft hij zijn twijfels. Het advies van deze dienst zal immers alleen handelen over het verblijf of de vestiging van de betrokken vreemdeling in België, niet over de persoonlijke gewichtige feiten of strafbare feiten, waarvoor de dienst Veiligheid van de Staat en het parket bevoegd zijn. Aangezien de gemeenten over de informatie van de dienst Vreemdelingenzaken inzake het verblijf en de vestiging beschikken, heeft het geen zin deze dienst nog in de adviesprocedure te betrekken, des te meer omdat er zich bij deze instantie een grote vertraging voordoet bij de behandeling van de dossiers.
Een volgende spreekster verheugt zich over dit wetsontwerp waardoor de procedures voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit aan vlotheid zullen winnen. De stap die hiermee wordt gezet, ligt in de lijn van een evolutie die zich de jongste jaren duidelijk aftekende en die werd aangezwengeld onder meer door de analyses van de commissie voor de Naturalisaties van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Zo stelde de commissie voor bepaalde beletsels op te heffen zodat vreemdelingen die het wensen, op soepele wijze de Belgische nationaliteit kunnen verkrijgen. Het ontwerp is kenschetsend voor de opvatting in onze gemondialiseerde samenleving dat personen die zich duurzaam in een land vestigen, zo gemakkelijk mogelijk de nationaliteit van dat land moeten kunnen verwerven.
Aldus wordt een dubbel signaal gegeven. Langs de ene kant geeft de overheid van het gastland blijk van openheid en van haar bereidheid te evolueren naar een multiculturele samenleving. Sommigen, blind voor de feiten, blijven zich echter daartegen verzetten en eisen een strenge nationaliteitswetgeving. Langs de andere kant kunnen vreemdelingen die zich in een ander land vestigen, hun wil tot integratie manifesteren door de nationaliteit van hun gastland aan te nemen.
Spreekster haalt vervolgens een aantal punten uit het wetsontwerp aan ter illustratie van de hiervoor verdedigde versoepeling van de nationaliteitsverkrijging.
In de eerste plaats is er de reeds door de vorige spreker aangehaalde regeling voor de personen die in de onmogelijkheid verkeren zich een akte van geboorte te verschaffen. Door rekening te houden met de ontoereikende administratie in sommige landen, komt het wetsontwerp tegemoet aan een voor vele kandidaat-Belgen onoverkomelijke hindernis (artikel 2 van het ontwerp).
Ten tweede is er de verplichting voor zij die de naturalisatie aanvragen, om het EVRM na te leven. Met deze verbintenis wordt de eerbiediging van de mensenrechten in onze samenleving tot de maatstaf verheven die in het dagdagelijkse leven moet worden gerespecteerd. Daarom zouden eigenlijk alle Belgen deze verbintenis moeten aangaan.
Tot slot vraagt het lid de minister om opheldering over de volgende punten.
1. Wat de verkrijging van de Belgische nationaliteit door nationaliteitsverklaring betreft, wordt in het voorgestelde artikel 12bis , § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de leeftijdsgrens van dertig jaar terecht afgeschaft (artikel 4 van het ontwerp). Om welke reden ? Weet de minister hoeveel personen hierdoor in aanmerking zullen komen voor deze vorm van nationaliteitsverkrijging ?
2. De termijn binnen welke de procureur des Konings een negatief advies kan uitbrengen omtrent de verkrijging van de Belgische nationaliteit wordt teruggebracht van twee maanden tot één maand. De dienst Vreemdelingenzaken en de dienst Veiligheid van de Staat moeten binnen dezelfde termijn worden geraadpleegd. Tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de Kamercommissie voor de Justitie werd meermaals twijfel geuit over de haalbaarheid van deze termijn, zeker voor het parket van Brussel dat verhoudingsgewijs met de meeste dossiers inzake nationaliteitsverklaring en naturalisatie wordt geconfronteerd (Stuk Kamer, nr. 50-292/7, blz. 46). Spreekster juicht de verkorting van de adviestermijn toe, maar wenst van de minister te vernemen welke concrete maatregelen hij zal nemen om ervoor te waken dat de betrokken diensten de termijn van één maand zullen respecteren.
3. In verband met dit advies vraagt spreekster de minister om enige uitleg over zijn verklaring in zijn inleidende uiteenzetting dat hij aan de parketten een omzendbrief zal richten om naturalisatieaanvragen te bestrijden welke een crimineel doel beogen. De versoepeling van de nationaliteitswetgeving mag er inderdaad niet toe leiden dat zij door de georganiseerde criminaliteit wordt misbruikt om zich een plaats in de bovenwereld te verwerven.
4. De minister zou tot slot enige toelichting moeten verstrekken over de wijze waarop de regering de nieuwe wetgeving een jaar na haar inwerkingtreding zal evalueren. Zal er een statistisch overzicht worden gegeven van de mate waarin op de verschillende wijzen van nationaliteitsverkrijging een beroep wordt gedaan, welke problemen er op administratief vlak rijzen, bijvoorbeeld in verband met de adviestermijn van één maand, enzovoort ?
Bij wijze van slotbeschouwing verklaart spreekster dat een soepele procedure voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit een betere integratie van de vreemdelingen in onze samenleving mogelijk maakt. Het bezit van de Belgische identiteitskaart op zich volstaat echter niet. Vooral in grote steden worden allochtone Belgen door administratieve diensten en politiemensen niet altijd op gelijkwaardige wijze behandeld als hun autochtone landgenoten. Bijgevolg moeten in eerste instantie de overheidsdiensten op alle niveaus blijven kampen tegen het racisme en zich inzetten voor een humane en multiculturele maatschappij. Dat veronderstelt niet alleen een aangepast onderwijs- en werkgelegenheidsbeleid afgestemd op de integratie van jonge allochtonen, maar ook de toekenning van het stemrecht aan niet-Europese-Unieonderdanen, alleszins voor de gemeenteraadsverkiezingen.
Een volgende spreekster schaart zich achter de door de vorige leden verkondigde opvattingen, inzonderheid die volgens welke de verkrijging van de Belgische nationaliteit op zich geen garantie vormt voor een vlotte maatschappelijke integratie.
Het voorliggende wetsontwerp verdient alle steun omdat het een belangrijke stap voorwaarts is in de richting van een multiculturele samenleving. Het getuigt van een positieve ingesteldheid en streeft naar wereldburgerschap.
Volgende punten uit het ontwerp springen in het oog :
1. De procedures inzake naturalisatie en nationaliteitsverklaring krijgen een menselijk gezicht omdat het door velen als arbitrair ervaren politieonderzoek waarbij de wijkagent aan de hand van niet altijd relevante vragen de wil tot integratie van de aanvrager peilde, wordt afgeschaft.
2. De versoepeling van de procedures heeft als voordeel dat allochtonen gemakkelijker aan het openbare leven zullen kunnen deelnemen en functies zullen kunnen bekleden die thans aan Belgische onderdanen voorbehouden zijn. Dat vergroot hun zichtbaarheid en dus hun integratie. Op dit ogenblik zijn de allochtonen nog ondervertegenwoordigd in overheidsdiensten en sociaal-economische instanties zodat hun stem onvoldoende wordt gehoord.
3. In dat verband spreekt het lid zich uit voor de toekenning van het stemrecht aan de niet-Europese-Unieonderdanen voor de gemeenteraadsverkiezingen, zodat er geen discriminatie bestaat tussen de EU-burgers en de niet-EU-burgers die hier reeds dertig jaar verblijven en belang hebben bij wat er op gemeentelijk vlak beslist wordt.
4. Tot slot wenst spreekster van de minister te vernemen :
of vreemdelingen die naar België worden gedetacheerd en hier een vijftal jaren verblijven, eveneens de naturalisatie kunnen aanvragen op grond van hun driejarig hoofdverblijf in ons land;
welke maatregelen hij zal nemen opdat de parketten, de dienst Vreemdelingenzaken en de dienst Veiligheid van de Staat de adviestermijn van één maand zullen naleven.
B. Antwoorden van de minister van Justitie
1. Filosofie van het wetsontwerp
De minister stelt vast dat de commissie in het debat tot de kern van de zaak doordringt, zonder daarbij de zin voor sereniteit te verliezen. Op dat laatste vlak ontbrak het de Kamercommissie voor de Justitie wel eens aan de nodige koelbloedigheid en afstandelijkheid.
De minister schaart zich achter de maatschappelijke en filosofische beschouwingen die de vorige sprekers ten beste hebben gegeven en waarbij ze zich hebben aangesloten bij de aan het ontwerp ten grondslag liggende doelstellingen (cf. Hoofdstuk II. Inleidende uiteenzetting van de minister van Justitie).
Net zoals mensen in hun onderlinge verhoudingen uitgaan van elkaars goeder trouw, zo gaat het wetsontwerp uit van de wil tot integratie die verondersteld wordt aanwezig te zijn bij de kandidaat-Belgen. Hanteert men een ander uitgangspunt, dan wordt het maatschappelijk leven ondraaglijk.
De minister is het voorts volmondig eens met de opmerking dat de integratie van allochtonen wordt bevorderd wanneer zij functies met verantwoordelijkheid opnemen in de private en de publieke sector.
2. Gemeentelijk stemrecht voor niet-Europese-Unieonderdanen
Het onderhavige wetsontwerp betreft vreemdelingen die zich integreren door de verkrijging van de Belgische nationaliteit met alle daaraan verbonden rechten en plichten, onder meer de stemplicht.
3. Behoud van de bestaande procedures van nationaliteitsverkrijging
Het wetsontwerp doet geen afbreuk aan de bestaande procedures van nationaliteitsverkrijging. De in de artikelen 11bis en 16 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bepaalde procedures blijven derhalve van toepassing.
4. Diplomaten, zakenmensen, studenten en gedetacheerden
Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de procedure voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit door naturalisatie en die inzake nationaliteitsverklaring.
De naturalisatie is een gunst die door de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt verleend. Deze assemblee beslist vrij over de aanvragen tot naturalisatie volgens het reglement en de rechtspraak die ze zelf heeft ontwikkeld. De minister kan niet voorspellen op welke wijze de Kamer van volksvertegenwoordigers haar reglement en rechtspraak zal aanpassen aan de nieuwe regeling. Hij veronderstelt echter dat de Kamer de gevestigde rechtspraak zal blijven huldigen.
De procedure inzake nationaliteitsverklaring staat open voor diplomaten, zakenmensen en studenten uit het buitenland indien ze aan de wettelijke voorwaarden voldoen (cf. het voorgestelde artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit). Zo moeten zij onder andere ten minste zeven jaar hun hoofdverblijf in België hebben gevestigd en, op het tijdstip van de verklaring, gemachtigd zijn tot een verblijf van onbeperkte duur of toegelaten zijn om er zich te vestigen.
5. De dienst Vreemdelingenzaken
Het advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijft onmisbaar. Het heeft geen zin deze opdracht aan de gemeenten toe te kennen. Zij beschikken immers niet over alle elementen van het dossier. Zo hebben de gemeenten geen weet van het bevel dat aan een vreemdeling is gegeven om het Rijk te verlaten, of van de door hem in het buitenland opgelopen strafrechtelijke veroordelingen. Alleen de dienst Vreemdelingenzaken kan deze informatie verstrekken.
Deze dienst kan wel problemen ondervinden om zijn advies binnen de ingekorte termijn van één maand uit te brengen. Op dit ogenblik wordt deze termijn niet gehaald. Het is echter de verantwoordelijkheid van de regering en inzonderheid die van de minister van Binnenlandse Zaken onder wie de dienst ressorteert, om de nodige maatregelen te nemen opdat de termijn van één maand zal worden gerespecteerd.
Daarom zal de Dienst Vreemdelingenzaken worden geherstructureerd. Het takenpakket zal over drie afdelingen worden verdeeld, waarvan er een zal instaan voor het tijdig verstrekken van de adviezen over de nationaliteitsverklaringen.
6. Motivering van de beslissingen van de commissie voor de Naturalisaties
Het feit dat de commissie haar beslissingen houdende weigering van de naturalisatie niet motiveert, lokt veel kritiek uit. De minister beklemtoont dat, aangezien de naturalisatie een gunst is die door de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt verleend, het aan deze assemblee toekomt tot op een bepaling te in artikel 94 van haar rgelement nemen die haar de mogelijkheid geeft de weigering te motiveren. Gelet op het principe van de scheiding der machten, kan de minister van Justitie de Kamer op dat vlak niets opdringen.
Daartegenover staat dat in de procedure van de nationaliteitsverklaring het negatief advies van de procureur des Konings gemotiveerd moet zijn. De belanghebbende die het niet eens is met het advies, kan zijn dossier laten overzenden aan de rechtbank van eerste aanleg die uitspraak doet over de gegrondheid van het negatieve advies (artikel 12bis , §§ 3 en 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit).
7. Afschaffing van de leeftijdgrens van 30 jaar voor de nationaliteitsverklaring
Overeenkomstig het vigerende artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit kunnen alleen vreemdelingen tussen 18 en 30 jaar de staat van Belg verkrijgen door de nationaliteitsverklaring. Deze leeftijdgrenzen stemmen overeen met die welke inzake de militieverplichtingen golden. Iedere mannelijke Belg diende namelijk zijn legerdienst te vervullen tussen de leeftijd van 18 en 30 jaar.
Aangezien de legerdienst inmiddels afgeschaft, is ligt de opheffing van de maximumleeftijd van 30 jaar voor de hand.
Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal vreemdelingen ouder dan dertig jaar die een beroep zullen kunnen doen op de in het wetsontwerp bepaalde procedure inzake nationaliteitsverklaring.
8. Adviestermijn van één maand voor het parket
Aangezien een derde van de naturalisatiedossiers in Brussel wordt ingediend, zal inzonderheid het parket te Brussel problemen ondervinden om tijdig zijn adviezen te verstrekken.
Tijdens de bespreking van deze kwestie in het college van procureurs-generaal is de inkorting van de adviestermijn tot één maand echter nooit voorwerp van betwisting geweest. De minister is ervan overtuigd dat, indien deze termijn niet haalbaar zou zijn voor om het even welk parket, het college van procureurs-generaal dat zou hebben opgeworpen en hij daarmee ook rekening zou hebben gehouden.
Het college heeft wel gesteld dat er bijkomende middelen moeten worden vrijgemaakt, inzonderheid mankracht, om de adviezen tijdig te kunnen uitbrengen. Hierbij mag men niet uit het oog verliezen dat de adviesopdracht van het parket vereenvoudigd is in die zin dat niet meer hoeft te worden nagegaan of de kandidaat-Belg al dan niet geïntegreerd is in onze samenleving. Het onderzoek van het parket zal zich voortaan op twee punten toespitsen :
Is er een beletsel wegens gewichtige feiten, eigen aan de persoon ? Loopt er bijvoorbeeld tegen de betrokkene een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek ? Zijn de adviezen van de dienst Vreemdelingenzaken en de dienst Veiligheid van de Staat negatief wegens het bezit van een strafblad in het buitenland ?
Voldoet de betrokkene aan de wettelijke voorwaarden ? Deze laatste controle is veeleer technisch en vergt weinig tijd.
De minister verklaart dat hij er zich in de Kamer van volksvertegenwoordigers publiekelijk toe heeft verbonden de personeelsformatie bij de parketten uit te breiden om de gevolgen van de gewijzigde regeling op te vangen. Daarom heeft hij het college van procureurs-generaal gelast hem mee te delen of in elk arrondissement de nodige maatregelen zijn genomen opdat de adviezen tijdig zullen worden uitgebracht.
De minister verheelt niet dat de inkorting van de termijn voor heel wat commotie in de pers heeft gezorgd. Wat is er werkelijk gebeurd ? Het college van procureurs-generaal, onder het voorzitterschap van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, heeft deze kwestie op 23 september 1999 besproken en geen bezwaar gemaakt. Achteraf ontving de minister een brief, ondertekend door de heer J. De Lentdecker, advocaat-generaal bij het hof van beroep te Brussel, waarin deze laatste verklaarde dat de termijn van één maand zeer kort is. Hij heeft echter niet gesteld dat deze termijn absoluut onhaalbaar is. De uiteenlopende verwoording van het standpunt van het college van procureurs-generaal, enerzijds, en van de heer De Lentdecker, anderzijds, die niet aanwezig was op de vergadering van het college, ligt aan de bron van de uit partijpolitieke overwegingen opgestarte polemiek over de inkorting van de termijn. Het is de verantwoordelijkheid van de regering, zo beklemtoont de minister, ervoor te waken dat het parket de nodige middelen krijgt om zijn taak behoorlijk te vervullen.
9. Evaluatie
De evaluatie zal voornamelijk de toepassing van de nieuwe regeling betreffen. Indien er zich op dat vlak moeilijkheden voordoen, kan de wetgeving tijdig worden bijgestuurd.
Een lid verklaart dat haar partij de voorstellen tot versoepeling en verkorting van de procedures inzake naturalisatie en nationaliteitsverklaring steeds heeft gesteund wanneer zij erop gericht waren onoverkomelijke problemen voor de kandidaat-Belgen weg te nemen. Nochtans roept het voorliggende wetsontwerp vragen op omdat niet duidelijk is op welke filosofische visie het is gestoeld. De coherentie van het ontwerp wordt daardoor geschaad.
1. Opportuniteit
Tijdens de vorige legislatuur werd het Wetboek van de Belgische nationaliteit op grond van een brede parlementaire consensus gewijzigd door de wet van 22 december 1998 die op 1 september 1999 in werking is getreden.
Het komt dan ook erg verwonderlijk over dat, vooraleer deze wetswijziging de tijd heeft gekregen in de praktijk door te dringen, hetzelfde wetboek binnen een zo korte tijdsspanne opnieuw fundamenteel wordt gewijzigd.
Zonder in het traditioneel schema meerderheid-oppositie te willen worden gevangen, stelt spreekster zich vragen bij de in België heersende gewoonte om continu fundamentele wetgeving te wijzigen zonder dat de vorige wetswijzigingen op hun doeltreffendheid zijn getoetst. Wetten moeten gedurende een voldoende tijdsspanne kunnen aarden opdat ze kunnen worden geëvalueerd.
2. Onderscheid tussen naturalisatie en nationaliteitsverklaring
Zoals de minister in zijn inleidende uiteenzetting heeft aangestipt, heeft de Raad van State in zijn adviezen over het voorliggende wetsontwerp duidelijk de nadruk gelegd op het op de Grondwet gebaseerde verschil tussen de procedure tot verkrijging van de Belgische nationaliteit door nationaliteitsverklaring en de naturalisatieprocedure. Bijgevolg dienen er voor de twee verschillende toegangsvoorwaarden te gelden (Stuk Kamer, nr. 50-292/1 en 50-293/1, blz. 27-29 en 39-43). Terwijl de naturalisatie een gunst behelst die discretionair door de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt toegekend en niet hoeft te worden gemotiveerd, gaat het bij de nationaliteitsverklaring om een subjectief recht. Betwistingen hieromtrent worden voorgelegd aan de hoven en rechtbanken.
In het licht van het voorgaande rijst de vraag waarom de naturalisatieprocedure moet behouden blijven wanneer de voorwaarde van de wil tot integratie wordt afgeschaft. De enige voorwaarde waaraan de belanghebbende krachtens het voorgestelde artikel 19, eerste lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit zal moeten voldoen, is de vestiging van zijn hoofdverblijf in België sedert ten minste drie jaar. Dit vormt de grondslag van het vermoeden van zijn wil tot integratie.
Spreekster verheelt niet dat de appreciatie van de wil tot integratie een moeilijke oefening is. Het gebruik door sommige gemeenten van weinig aangepaste vragenlijsten is in het verleden terecht op zware kritiek gestuit.
Met de in het wetsontwerp vervatte regeling vervalt men echter in het andere uiterste. De naturalisatie wordt als gunst toegekend door de Kamer van volksvertegenwoordigers louter op grond van de vervulling van de voorwaarde inzake de verblijfsduur en zonder enige inhoudelijke toetsing van het dossier. In deze procedure is de rol van de Kamercommissie voor de Naturalisaties doorslaggevend. Eerste vaststelling is dat niet alle in de Kamer vertegenwoordigde partijen in deze commissie zitting hebben. Ten tweede heeft deze commissie weliswaar een rechtspraak, maar het is niet duidelijk welke controle er effectief door de Kamer wordt uitgeoefend op de door de commissie voor de Naturalisaties genomen beslissingen. Op dit ogenblik heeft men geen zicht op de tendensen in deze commissie en de subjectieve criteria die de commissieleden hanteren bij het onderzoek van de naturalisatieaanvragen. Dat maakt het bijzonder moeilijk te weten op welke basis aanvragen worden verworpen. De goedkeuring van de aanvragen door de plenaire vergadering is immers een loutere formaliteit.
Een en ander maakt dat het verlenen van de naturalisatie een pure politieke beslissing is geworden.
Spreekster verzet zich daar niet tegen, maar vraagt zich af waarom uitsluitend de voorwaarde van het verblijf van drie jaar wordt behouden. Het lijkt haar daarom logisch dat de naturalisatie als een uitzonderlijke, discretionaire en politieke procedure wordt behouden en dat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers het vertrouwen wordt geschonken opdat de naturalisatie slechts kan worden verleend aan vreemdelingen die bijzondere banden hebben met België of het land bijzondere diensten hebben bewezen.
Spreekster stelt vast dat in de ons omringende landen die de naturalisatie verlenen, de beslissing niet alleen afhangt van een minimale verblijfsduur die steeds langer is dan de in het wetsontwerp voorgestelde drie jaar, maar ook van een voldoende integratie in dat land. Zo wordt in Frankrijk de naturalisatie bij decreet verleend het gaat veeleer om een administratieve procedure op voorwaarde dat de aanvrager gedurende vijf jaar in Frankrijk verblijft en zich geïntegreerd heeft in de Franse samenleving.
De vraag rijst of de naturalisatieprocedure ingevolge het voorliggende wetsontwerp geen automatisch karakter krijgt. Spreekster toont zich verontrust over de wijze waarop, enerzijds, de commissie voor de Naturalisaties haar taak zal vervullen en, anderzijds, de plenaire vergadering van de Kamer en de belanghebbende zelf hierop hun democratische controle zullen kunnen uitoefenen.
Indien de naturalisatie uitsluitend afhangt van de duur van het verblijf van de aanvrager, dan benadert zij zeer dicht de procedure inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit door de nationaliteitsverklaring. Spreekster onderschrijft de doelstelling van het onderdeel van het ontwerp dat ertoe strekt deze laatste procedure te vergemakkelijken, maar meent dat er meer duidelijkheid moet worden geschapen.
Op dit ogenblik hebben wij te maken met een hybride systeem. Aan de ene kant is er de naturalisatieprocedure, aan de andere kant de procedure van de nationaliteitsverklaring waarbij de aan dit subjectief recht verbonden waarborgen evenwel niet worden gerespecteerd. In geval van een negatief advies van het parket wordt het dossier immers aan de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden, tenzij de belanghebbende de aanhangigmaking bij de rechtbank van eerste aanleg wenst (artikel 12bis , § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit).
Daarom stelt zij voor om de procedure van de nationaliteitsverklaring te omringen met alle waarborgen eigen aan een subjectief recht, namelijk de verplichting tot motivering en de mogelijkheid van beroep bij de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde. Terloops deelt zij mee dat de in het voorgestelde artikel 12bis, § 1, bepaalde termijn van zeven jaar hoofdverblijf in België voor haar gerust tot vijf jaar mag worden verminderd.
Spreekster verklaart daartoe de nodige amendementen te zullen indienen (cf. infra ).
Indien men aan het concept van de naturalisatie als een gunst wil raken, dient de Grondwet te worden gewijzigd. Aangezien het desbetreffende artikel 9 van de Grondwet tijdens deze zittingsperiode niet voor herziening vatbaar is, kan de discussie hieromtrent nog niet ten gronde worden gevoerd.
Het lid is van oordeel dat, wanneer er voor de nationaliteitsverklaring minder strenge voorwaarden worden opgelegd, de wetgever de moed moet opbrengen strengere voorwaarden op te leggen voor de naturalisatie (cf. amendement nr. 8, Stuk Senaat, nr. 2-308/2). Uiteindelijk blijft de vraag of de naturalisatieprocedure nog zin heeft in onze samenleving. Het systeem waarbij het Parlement deze gunst verleent, steunt op een achterhaalde conceptie van het begrip Staat. Op termijn zou daarom moeten worden overgeschakeld naar een administratieve procedure gebaseerd op de verblijfsduur, waarbij de hoven en rechtbanken de naleving van de wettelijke voorwaarden controleren.
3. Stemrecht of nationaliteitsverkrijging
Het regeerprogramma van de huidige coalitie wordt gekenmerkt door de uiteenlopende opvattingen die de onderscheiden partners er op tal van punten op nahouden. Zo zijn de enen voorstander van de toekenning van het stemrecht aan de niet-Europese-Unieonderdanen, terwijl de anderen meer zien in een soepeler nationaliteitswetgeving.
Het voorliggende ontwerp is het resultaat van een politiek compromis tussen deze twee strekkingen en schenkt spreekster dan ook geen enkele voldoening. Haar voornaamste bezwaar is dat, zoals uit het verslag van de Kamercommissie voor de Justitie blijkt, het filosofisch debat over het stemrecht en het recht op nationaliteit nog niet ten gronde is gevoerd.
Volgens spreekster moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de begrippen natie en nationaliteit, enerzijds, en de begrippen burger en burgerschap onder meer door de uitoefening van het stemrecht, anderzijds.
Met dit wetsontwerp wordt de indruk gewekt dat het spoor van het actief burgerschap met daaraan gekoppeld het actief en het passief stemrecht wordt opgegeven. Op deze wijze wordt het stemrecht ontzegd aan vreemdelingen die in België verblijven en hier geïntegreerd zijn, maar de Belgische nationaliteit niet wensen te verkrijgen.
Spreekster betreurt dat deze problematiek niet nader is uitgediept.
4. De gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2000
In het licht van de komende gemeenteraadsverkiezingen stelt spreekster zich vragen bij de agenda die de regering heeft gevolgd om het onderhavige wetsontwerp op dit ogenblik door het Parlement te laten goedkeuren. Het is evident dat de nieuwe regeling na haar inwerkingtreding een impact zal hebben op de resultaten van deze verkiezingen.
Deze werkwijze valt te betreuren omdat, zoals reeds gezegd, de discussie over de begrippen nationaliteit en burgerschap nog niet is afgerond.
5. Akte van geboorte
Spreekster verheugt zich over de versoepeling van de procedure inzake het overleggen van de akte van geboorte (artikel 2 van het ontwerp). Zij heeft echter haar twijfels over de toepasbaarheid van de voorgestelde tekst. Is het cascadesysteem met, eerst, het aan de geboorteakte gelijkwaardig document, dan de akte van bekendheid en tot slot de beëdigde verklaring van de belanghebbende wel werkbaar ? Wie zal oordelen over de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om zich het gelijkwaardig document te verschaffen ?
6. Adviestermijn van één maand
Spreekster deelt de bezorgdheid van de vorige commissieleden. Inzonderheid wat het parket van Brussel betreft, heeft het antwoord van de minister haar ongerustheid niet weggenomen. Zij dringt er derhalve bij de minister op aan dat hij uitvoering zou geven aan de hervormingsvoorstellen die de Nederlandstalige en de Franstalige magistraten van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde hem unaniem hebben gedaan.
7. Adoptie
Spreekster verklaart dat het wetsontwerp niet duidelijk is omtrent de invloed van de nieuwe bepalingen op geadopteerde kinderen, de verschillende vormen van adoptie en de natuurlijke kinderen. Zij wenst te weten of het ontwerp niet moet worden gewijzigd opdat de verschillende vormen van adoptie op voet van gelijkheid worden behandeld en er geen discriminatie is tussen de door het Burgerlijk Wetboek erkende categorieën van kinderen (cf. infra ).
Een volgende spreker verklaart niet te kunnen ingaan op de wens van de minister om het voorliggend wetsontwerp in een sfeer van sereniteit te bespreken. Zonder zich enige illusies te maken over de overtuigingskracht van zijn argumenten, acht hij het zijn plicht zijn verzet tegen het wetsontwerp kenbaar te maken.
1. Evolutie van het nationaliteitsrecht
In de evolutie van het Belgische nationaliteitsrecht zijn er drie fasen te onderscheiden. Eerst was er het ius sanguinis, dat gebaseerd was op het gevoelen van de bevolking dat vreemde heersers hun landgenoten niet naar onze gewesten mochten laten overkomen om zo de plaatselijke bevolking te minoriseren. In de jaren 80 kwam de kentering met de invoering van het principe van het ius soli, waardoor personen die hier uit buitenlandse ouders geboren zijn, de Belgische nationaliteit konden verwerven. Met het voorliggende wetsontwerp zijn we in de derde fase aanbeland waar het ius domicilii als grondvoorwaarde geldt. De nationaliteit wordt voortaan gekoppeld aan het recht op permanent verblijf. Oorlogsvluchtelingen die hier slechts tijdelijk verblijven, kunnen derhalve geen beroep doen op de nieuwe regeling.
Aan de voorwaarde van het recht op permanent verblijf dient de kandidaat evenwel slechts te voldoen op het ogenblik van de aanvraag. Een buitenlandse student die na zijn studies in België een permanente verblijfsvergunning verkrijgt, kan dankzij de nieuwe regeling vrijwel onmiddellijk de Belgische nationaliteit verkrijgen omdat zijn studiejaren mee in aanmerking worden genomen.
2. Afschaffing van het onderzoek naar de wil tot integratie
Het onderzoek naar de integratiebereidheid van de vreemdeling wordt afgeschaft. Het enige wat nog zal worden geverifieerd, is het bezit van een strafblad in België of het buitenland.
Het wetsontwerp leidt er dan ook toe dat België in Europa de meest soepele toegang tot de nationaliteit invoert. Dat veroorzaakt nefaste problemen voor ons land dat als zetel van tal van internationale instellingen en met zijn functie als transitland een grote aanzuigingskracht uitoefent op buitenlanders die zich niet langer genoodzaakt voelen zich hier te integreren. Met andere woorden, zij vertonen niet de wil om een blijvende band met het land en zijn bevolking te creëren.
3. Impact van de versoepeling van de procedures
Een ander nadeel van het wetsontwerp is dat de verkrijging van de Belgische nationaliteit veel rechten schept, maar weinig verplichtingen. Zo legt het ontwerp de kandidaat-Belgen niet de logische verplichting op om afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit.
Een en ander maakt dat ons land in de komende maanden met een grote toeloop aan naturalisatieaanvragen en nationaliteitsverklaringen zal worden geconfronteerd. Gelet op het principe van het vrij verkeer van personen in de Europese Unie, ontlenen de 400 miljoen inwoners van de EU aan hun recht op permanent verblijf in België een subjectief recht op nationaliteitsverkrijging. Zij zullen natuurlijk niet allemaal overwegen de Belgische nationaliteit aan te nemen. Maar om te voorkomen dat het belang van de Belgische identiteitskaart verder wordt uitgehold, betoont spreker zich voorstander van een voorafgaande integratieproef. De versoepeling van de voorwaarden inzake nationaliteitsverkrijging zal immers tot gevolg hebben dat een buitenlander binnenkort zijn identiteitskaart uit een automaat zal kunnen halen.
Op dit ogenblik bestaat er nog een aanzienlijk verschil tussen de procedures inzake naturalisatie en de verkrijging van de Belgische nationaliteit door nationaliteitsverklaring. Deze laatste procedure betrof vreemdelingen van de tweede generatie die in België geboren zijn. Zij werden geacht voldoende geïntegreerd te zijn zodat er op dat vlak geen onderzoek meer werd gedaan, hetgeen spreker betreurt. In de naturalisatieprocedure onderzochten de Kamer van volksvertegenwoordigers en het parket nog wel de integratiebereidheid van de belanghebbenden.
Met de afschaffing van ieder onderzoek naar de integratiewil in de naturalisatieprocedure vervalt in de praktijk het onderscheid met de procedure van de nationaliteitsverklaring. Doordat het wetsontwerp iedere drempel wegneemt, wordt de Belgische nationaliteit via de naturalisatie kosteloos en op vrijwel automatische wijze verkregen.
Geen enkele vreemdeling zal nog opteren voor de procedure van de nationaliteitsverklaring omdat de drempel ten opzichte van de naturalisatieprocedure te hoog ligt. In de eerste plaats is er de voorwaarde van het hoofdverblijf van zeven jaar in België. Bovendien moet de belanghebbende nog zelf naar de ambtenaar van de burgerlijke stand gaan om er zijn verklaring af te leggen. Bij een negatief advies van het parket moet de belanghebbende dan een keuze maken tussen de rechtbank van eerste aanleg of de Kamer van volksvertegenwoordigers als beroepsinstantie. In die omstandigheden zullen de vreemdelingen voor de naturalisatie kiezen.
In het voorontwerp van de regering was voor de beide procedures een hoofdverblijf van vijf jaar vereist. De Raad van State heeft er de minister op gewezen dat onder die voorwaarden niemand nog voor de naturalisatie zou kiezen zodat de grondwettelijke bevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers inzake naturalisatie zou worden uitgehold. Met het voorliggende wetsontwerp komt men in het tegenovergestelde scenario terecht. Door voor de naturalisatie de duur van het hoofdverblijf van vijf jaar tot drie jaar te verminderen, en die voor de nationaliteitsverklaring op zeven jaar te brengen, verhoogt het wetsontwerp de aantrekkingskracht van de naturalisatieprocedure.
4. Inkorting van de adviestermijn tot één maand
Spreker heeft de indruk dat het wetsontwerp met de inkorting van de adviestermijn tot één maand de bevoegdheden van het parket en van de dienst Veiligheid van de Staat in belangrijke mate ondergraaft. Bovendien bepaalt het ontwerp dat, wanneer deze termijn verstrijkt zonder dat er een advies is verstrekt, het advies geacht wordt gunstig te zijn.
Gelet op de enorme werkdruk die op de twee voormelde instanties rust, komt de inkorting van de termijn volgens spreker neer op een weloverwogen sabotage. Daarom dient de termijn weer te worden verlengd opdat zowel het parket als de dienst Veiligheid van de Staat hun opdracht correct kunnen vervullen.
5. Nationaliteitsrecht en stemrecht
Het onderhavige wetsontwerp vormt geen op zichzelf staand element. Na de regularisatietrein wordt met dit ontwerp wereldwijd het signaal gegeven dat België « the place to be » is. Op die manier zal ons land voor talloze niet-Europese-Unieonderdanen als toegangspoort tot Europa fungeren. Eenmaal zij de Belgische nationaliteit hebben verkregen, zullen zij zich overal in Europa kunnen vestigen. Met de verlaging van de drempel voor de nationaliteitsverkrijging wordt de identiteitskaart herleid tot een grabbelpas. Spreker verwacht dan ook dat het wetsontwerp op de nodige kritiek zal stuiten in de rest van de Europese Unie.
Voorts heeft het lid problemen met de spoed waarmee dit ontwerp door het Parlement wordt gejaagd. Eerst was er de regularisatietrein. Nu koppelt het wetsontwerp tersluiks de derde trein met het stemrecht voor vreemdelingen aan de naturalisatietrein. Door de versoepeling van de naturalisatieprocedure wordt de discussie over het door sommige partijen verdedigde stemrecht voor vreemdelingen die regelmatig in België verblijven, overbodig. De komende gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2000 vormen volgens spreker mogelijk de verklaring voor de wijze waarop de huidige coalitie de karwats hanteert om dit wetsontwerp en de invoering van het onvoorwaardelijk stemrecht voor niet-Europese-Unieonderdanen door het Parlement te jagen.
Een lid benadrukt dat haar fractie in de discussie over de nationaliteitswetgeving uitdrukkelijk uitgaat van een integratiemodel. Spanningen met vreemdelingen moeten worden opgelost op een constructieve manier, via de ondersteuning van en de aansporing tot integratie. Enkel deze houding kan leiden tot een duurzame en verdraagzame samenleving. De wetgeving met betrekking tot de nationaliteit is een element van dit integratiemodel. De nationaliteitswetgeving is fundamenteel en mag niet misbruik worden om politieke spanningen binnen de regering op te lossen.
De opeenvolgende aanpassingen van de nationaliteitswetgeving doen een achterliggende politieke agenda vermoeden. Voorliggend wetsontwerp brengt opnieuw fundamentele wijzigingen aan, terwijl de laatste belangrijke wijziging van de nationaliteitsbepalingen nog geen kans heeft gekregen om uitwerking te hebben, zodat het onmogelijk is reeds na te gaan op welke manier deze wijziging de integratie en de samenhang binnen onze natie bevordert. Men kan dan ook vermoeden dat de voorgestelde wijzigingen worden aangebracht om de discussies in verband met het gemeentelijk stemrecht voor niet EU-onderdanen te ontlopen en om de noodzakelijke evenwichten in onze federale constructie in Brussel te doorbreken of minder belangrijk te maken. De opeenvolgende vereenvoudigingen van de naturalisatieprocedure hebben immers gevolgen voor de positie van de Vlamingen in Brussel en er is geen enkele waarborg ingebouwd voor de Vlaamse democratische vertegenwoordiging in Brussel.
De Belgische nationaliteitswetgeving heeft thans een zeer logische structuur. Naarmate er meer aanwijzingen zijn dat de aanvrager van de Belgische nationaliteit eigenlijk geïntegreerd is of alleszins bereid is zich te integreren, kan de betrokkene meer rechten doen gelden op het verwerven van de Belgische nationaliteit en is het onderzoek naar de integratiebereidheid beperkt. Naarmate deze aanduidingen minder aanwezig zijn, is er meer sprake van een gunst en moet de betrokkenen inderdaad zijn integratiebereidheid aantonen.
Voorliggend ontwerp maakt een einde aan dit coherent integratiebeleid. Het onderzoek naar de wil tot integratie van de aanvrager wordt opgeheven. Men kan nog nauwelijks vermoeden dat de betrokkene inderdaad bereid is zich te integreren of geïntegreerd is op het moment dat de aanvraag wordt geformuleerd. Het onderzoek naar de integratiewil moet behouden blijven en de inburgering moet bijvoorbeeld blijken uit kennis van één van de landstalen.
Deze integratievereiste is niet alleen belangrijk voor de lokale bevolking, maar ook voor de migranten zelf. Hoe meer geïntegreerd ze zijn, hoe meer kansen ze hebben in onze samenleving, in het onderwijs, op de arbeidsmarkt, enz. Het bezit van de Belgische identiteitskaart neemt de handicaps waarmee migranten worden geconfronteerd niet weg.
Voorliggend wetsontwerp geeft een verkeerd signaal. Het neemt de aansporing tot integratie weg. Waarom zouden de migranten nog enige inspanning tot inburgering moeten doen, indien een bepaalde verblijfsduur (3 jaar of 7 jaar) reeds een quasi-recht geeft op de Belgische nationaliteit ? Het ontwerp is geen uitnodiging tot integratie, maar doet net het tegenovergestelde.
Tevens doet voorliggend ontwerp het veiligheidsbeleid aan geloofwaardigheid inboeten. Men kan haast spreken van een soort automatisme in de verwerving van de Belgische nationaliteit. Eens de Belgische nationaliteit verworven, kan de georganiseerde criminaliteit België gebruiken als toegangspoort tot Europa.
De controle en de evaluatie van de aanvraag van de Belgische nationaliteit worden bijna onmogelijk gemaakt. De voorwaarden zijn minimaal en de periode voor verblijf is beperkt. De vraag rijst hoe het parket een effectieve controle kan uitvoeren binnen de maand. Het volstaat dat een aanvrager van gerechtelijk arrondissement verhuist om het verlenen van het advies binnen de bedoelde termijn al onmogelijk te maken. Bovendien bestaat het vermoeden dat er geen bezwaren zijn als de termijn van één maand is verlopen. Hetzelfde geldt voor de controle door de Staatsveiligheid en de Dienst Vreemdelingenzaken.
Terwijl het aldus duidelijk is dat de controleprocedure absoluut niet waterdicht is, voorziet het ontwerp niet in de mogelijkheid om de Belgische nationaliteit te ontnemen wanneer later zou blijken dat deze is toegekend op basis van valse informatie. Herroeping is niet mogelijk.
Spreekster vraagt zich af waarom zo'n korte periode voor de advisering wordt ingebouwd. Bovendien wordt daaraan het vermoeden gekoppeld dat bij gebrek aan advies, het advies geacht wordt gunstig te zijn. Wat is de eigenlijke doelstelling hiervan ? Moet alles zo snel worden afgewerkt voor de gemeenteraadverkiezingen, met de bedoeling op dat ogenblik zoveel mogelijk Belgen te hebben ?
Het grootste bezwaar tegen dit ontwerp is dat alle aansporingen tot integratie worden gebanaliseerd en weggenomen. Er moet een soort tweerichtingsverkeer zijn. De Belgische bevolking moet uiteraard open en verdraagzaam zijn, maar de migranten die het Belgische staatsburgerschap beogen moeten ook de nodige inspanningen leveren.
Een ander lid verklaart dat het voorliggend wetsontwerp haar volle steun wegdraagt. Dit ontwerp is immers een stap in de richting van de verhoging van de gelijkheid van kansen van onze medeburgers.
Een algemene opmerking betreft het feit dat discussies rond gelijkaardige thema's al te zeer worden gevoerd in termen van « wij » en « zij ». Sociologisch gesproken wordt deze discussie steeds meer acherhaald. Dit geldt ook op cultureel vlak. Het begrip « culturele identiteit » moet worden genuanceerd. Men kan niet meer spreken van het bestaan van één cultuur tegenover andere culturen. Mensen evolueren in verschillende richtingen waarbij zij verschillende elementen uit deze mondiale samenleving opnemen. Het lijkt dan ook perfect logisch dat iemand die zich goed voelt in een land waar hij is geboren of waar hij landurig en naar eigen keuze verblijft, op een bepaald ogenblik de nationaliteit van dat land wil dragen en erbij wil horen. Er wordt te weinig stilgestaan bij de betekenis van een gevoel van uitsluiting.
Spreekster kan het standpunt bijtreden dat het bezit van een Belgische identiteitskaart niet volstaat. Op vele vlakken moeten langdurige inspanningen worden geleverd om het gevoel van opdeling tussen « betere » en « mindere » mensen weg te werken.
Wat betreft het integratiegegeven, of de inburgering, is spreekster van mening dat integratie betekent dat de betrokkene mee in het sociale weefsel wil stappen. Dit gegeven heeft echter niets met afkomst te maken. Er zijn sociaal geëngageerde mensen en mensen die totaal niet sociaal zijn geëngageerd in alle milieus. Verder moet de integratie van twee kanten komen. Het is duidelijk dat de wil tot integratie bij de migrantengemeenschap soms groter is dan de mogelijkheden die worden geboden vanuit onze samenleving. Het gebrek aan mogelijkheden kan dan ook demotiverend werken (zie de lange wachtlijsten voor de taallessen). Echte inburgering of integratie vereist ook een zekere verantwoordelijkheid van de Belgen, die bereid moeten zijn een aantal verdergaande maatregelen te nemen ter bestijding van de discriminatie. Het is belangrijk verantwoordelijkheid te nemen en te zorgen voor een behoeftedekkend aanbod.
Voor de eerste generatie migranten rijst vooral het probleem van de taalkennis. Voor de tweede generatie situeert het probleem zich eerder op de arbeidsmarkt (geen gelijke kansen), op school, enz.
Spreekster verklaart zich zorgen te maken over de doorzichtigheid van de huidige naturalisatieprocedure. Er is geen mogelijkheid tot beroep. Indien bepaalde inlichtingen onvoldoende worden nagetrokken, heeft de betrokkene geen beroepsmogelijkheid. Dit past niet in de huidige mentaliteit.
Het lid besluit dat zij zich voluit achter het wetsontwerp schaart. Ook blijft zij ijveren voor het gemeentelijk stemrecht voor migranten. De piste van de versoepelde nationaliteitsverwerving werd steeds verdedigd als één van de integratiehefbomen. Het begrip nationaliteit lijkt steeds verder te evolueren weg van de bloedband met het vaderland, die enkel een toevalligheid is. Als men de nationaliteit van een bepaald land aanvraagt, houdt dit een positieve stap in en duidt het een zekere liefde aan voor het betreffende land.
Een lid onderstreept dat integratie geen assimiliatie inhoudt. Integratie betekent dat men zich in de gemeenschap inburgert, evenwel met in zekere mate behoud van zijn cultuur van oorsprong. Uiteraard zwakt deze band met de oorspronkelijke cultuur af doorheen de verschillende generaties.
Men heeft ook niet altijd de keuze afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is ook afhankelijk van de reglementeringen in het land van afkomst. Arbeid is de belangrijkse factor voor integratie. Er bestaat nog steeds discriminatie, racisme bij de aanwerving. Een tweede element voor integratie is de huisvesting. Men stelt in vele steden vast dat het sociale woningbeleid discriminatoir is. Het valt dan ook niet te verwonderen dat men concentraties vindt van personen van dezelfde afkomst in bepaalde wijken. Wat betreft de factor van taalkennis, stipt spreker aan dat vele migranten de taal van hun land van afkomst zelfs niet meer kennen (zie de Turken en personen uit Maghreb-landen die hier reeds zijn sedert 3 à 4 generaties). De meeste migranten kennen één van beide landstalen; ze werken hier, winkelen en dialogeren met de lokale bevolking. Dit betekent echter niet dat zij over een getuigschrift van taalkennis beschikken. Het gaat niet op dat kinderen die hier zijn geboren en opgegroeid niet in aanmerking komen voor naturalisatie. Wat verstaat men dan wel onder integratie ?
Een ander lid gaat akkoord dat integratie niet betekent dat de personen afstand doen van hun eigen cultuur en dat er een volledige assimilatie zou plaatsvinden. Integratie betekent ook respect voor de andere cultuur.
Bovendien is spreekster ervan overtuigd dat een debat over de nationaliteit niet de volledige problematiek dekt. Het is eerder een debat over het recht op burgerschap (citoyenneté), dat moet uitdiepen welke de hinderpalen zijn die de migranten ondervinden om hier een gelijkwaardig leven te leiden. Meer en meer migranten vragen hier een waardig leven te kunnen leiden met alle mogelijkheden van toegang tot de arbeidsmarkt, de huisvesting en het verenigingsleven. Dit betekent niet noodzakelijk dat men een andere nationaliteit moet aannemen. De beweegredenen tot de aanvraag van de Belgische nationaliteit kunnen verschillend zijn; hetzij heeft men geen enkele band meer met het land van afkomst (dit komt zelden voor) en wenst men afstand te doen van zijn oorspronkelijke afkomst, hetzij wenst men bepaalde hindernissen om iets te verkrijgen uit de weg te ruimen (betrekking in de openbare sector), hetzij voelt men zich hier volkomen thuis en is zijn cultuur verbonden met de cultuur van het territorium waar men woont. Het verkrijgen van de Belgische nationaliteit ruimt niet alle obstakels uit de weg; zo is aanwerving in de privé-sector gebaseerd op een subjectieve appreciatie van de werkgever die zijn keuze kan laten beïnvloeden door bijvoorbeeld de huidskleur van de kandidaten. Een moderner debat over het recht op staatsburgerschap is aangewezen.
Een lid vraagt zich af wie juist wordt bedoeld door het ontwerp. De aangehaalde voorbeelden betreffen immers de tweede of derde generatie migranten. Gelet op de voortdurende aanpassing van de nationaliteitswetgeving, is het echter voor die mensen helemaal geen moeilijkheid meer om de nationaliteit te verkrijgen. Wie wil men dan wel op deze gemakkelijke manier, zonder controle, de Belgische nationaliteit verlenen ? Wie wordt beoogd door deze versoepeling ? Een eerste vereiste lijkt dat men minstens moet kunnen communiceren met de samenleving waarvan men een officieel lid wenst te worden. De taalkennis is een absoluut minimum.
Een ander lid uit de bedenking dat het bewerkstelligen van het minderhedenbeleid niet kan worden afgedaan met de nationaliteitswetgeving.
Het verlenen van de Belgische nationaliteit is een manier om de minderheden te betrekken in de maatschappij, en hun bepaalde kansen te geven. Daarnaast moet echter ook een volwaardig beleid gevoerd worden naar de ethnische culturele minderheden toe.
Verder is spreekster van oordeel dat de kennis van de taal niet de enige manier is om communicatie teweeg te brengen. De allochtone gemeenschap is zelf vragende partij om meer taallessen te krijgen. Het beleid moet dan ook zorgen voor een voldoende aanbod. Er zijn aanzienlijke wachtlijsten voor het volgen van die taallessen. Met betrekking tot de eerste generatie migranten is een heel ander beleid gevoerd. Deze migranten kwamen hier dertig à veertig jaar geleden aan om als gastarbeiders te werken en achteraf eventueel naar hun land terug te keren. Er is geen enkel onthaalbeleid gevoerd ten aanzien van deze eerste migranten, die de taal enkel op het werk hebben aangeleerd. Waarom zou men deze mensen plots verplichten om taallessen te gaan volgen ? Bovendien blijkt dat grotendeels de derde generatie over een onvoldoende taalkennis beschikt. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat deze jongeren school lopen in concentratiescholen, waar zij niet de mogelijkheid krijgen om de taal op volwaardige manier te leren. Een ander beleid is noodzakelijk. Het verkrijgen van de Belgische nationaliteit is enkel een sleutel tot toegang tot de Belgische gemeenschap.
B. Antwoorden van de minister van Justitie
De minister verheugt zich over het feit dat bepaalde leden van de oppositie een zeer vergaand standpunt innemen, dat op vele vlakken zelfs verder reikt dan het wetsontwerp. Gezien het adagium « qui peut le plus peut le moins », moet de mogelijkheid bestaan tot een eenduidig standpunt te komen met de meerderheid.
De minister kan absoluut niet akkoord gaan met de bemerking dat de wijzigingen van de nationaliteitswetgeving elkaar zeer snel opvolgen en dat de coherentie zoek is; hij verwijst terzake naar het regeerakkoord. Bovendien wijzigt de wet van 22 december 1998 enkel de procedure en niet de toelatingsvoorwaarden tot de Belgische nationaliteit. Voorliggend wetsontwerp beoogt daarentegen juist wel de toegangsvoorwaarden tot de Belgische nationaliteit te wijzigen, met het oog op een betere integratie van migranten in de gemeenschap.
Met betrekking tot het nut van de naturalisatieprocedure, verwijst de minister naar artikel 9 van de Grondwet. De voorwaarden tot de naturalisatie zijn bovendien verschillend. Het advies van de Raad van State werd terzake opgevolgd. De wijze waarop de commissie voor Naturalisaties functioneert, behoort tot de exclusieve verantwoordelijkheid van de Kamer. Deze commissie werd daarenboven gehoord in de Kamercommissie voor de Justitie, die tot het besluit kwam dat de commissie voor Naturalisaties ernstig en gewetensvol werk verrichtte.
De minister kan de suggestie met betrekking tot de afschaffing van de voorwaarde van verblijf inzake naturalisatie niet bijtreden. Het lijkt opportuun dat de wet de basisvoorwaarden vastlegt (zie artikel 8 van de Grondwet).
Inzake adoptie stipt de minister aan dat het wetboek geen enkel onderscheid maakt tussen wettelijke en natuurlijke kinderen. Bovendien is de situatie van geadopteerde kinderen zeer gelijklopend met deze van biologische kinderen (zie artikel 9, 11bis en 12 van het wetboek). Het wetsontwerp betreffende de adoptie zal trouwens binnenkort worden neergelegd.
De verwijzing naar de komende gemeenteraadsverkiezingen komt de minister eigenaardig voor. Hij verwijst terzake naar de grondige discussie over dit onderwerp in de commissie voor de Justitie van de Kamer. Men moet weten dat de kieslijsten worden vastgelegd op 1 augustus 2000. De persoon die ten gevolge van deze hervorming Belg wordt, zal in ieder geval niet meer in aanmerking komen voor de eerstvolgende gemeenteraadsverkiezingen.
De minister stipt aan dat bepaalde leden van de oppositie het probleem van de verkrijging van de Belgische nationaliteit op fundamenteel verschillende wijze benaderen. Zo gaan zij uit van een diametraal tegenovergesteld standpunt, namelijk dat iedereen de naturalisatieprocedure zal kiezen. De minister acht dat deze stelling onjuist is. De procedure van de nationaliteitsverklaring is immers veel eenvoudiger en sneller. Bovendien gaat het in deze laatste procedure om een afdwingbaar recht en niet om een gunst die al of niet wordt toegekend.
Men moet ook niet vrezen dat alle vreemdelingen ter wereld naar België zullen komen door de versoepeling van de wet op de Belgische nationaliteit. De toegang tot België blijft echter even moeilijk, vermits de wet van 15 december 1980 die de toegang tot het grondgebied verschaft ongewijzigd blijft.
Een lid legde voornamelijk de klemtoon op de integratiewil die behouden moet blijven. De integratiewil is wel degelijk behouden in voorliggend ontwerp. Men vertrekt wel van een positief uitgangspunt, namelijk dat degene die de aanvraag doet inclusief bij zijn aanvraag vermoed moet worden deze integratiewil te bezitten. Dit is een illustratie van het principe dat de kwade trouw niet wordt vermoed maar bewezen moet worden.
Met betrekking tot de vereiste kennis van de landstaal, verwijst de minister naar een vaststaande rechtsleer (Closset Charles-Louis, Traité de la nationalité en droit belge »), die als volgt stelt : « Le manquement grave aux devoirs du citoyen belge doit relever que l'intéressé ne manifeste pas l'attachement requis au pays et à ses institutions. Il ne peut être question de censurer les libertés constitutionnelles, notamment la liberté de pensée et d'opinion. De plus, la déchéance ne peut procéder de considérations relatives à la race, à la religion ou à la langue. » Dit laatste lijkt evident. Het zou kortzichtig zijn te stellen, in onze internationale samenleving, dat de aanspraak op de Belgische nationaliteit enkel en alleen wordt beoordeeld op basis van een taalgegeven. Nuancering is nodig.
Een lid wierp het probleem op van het eventueel verkrijgen van de nationaliteit op basis van valse informatie. Het algemeen rechtsprincipe « fraus omnia corrumpit » is hier toepasselijk. Bedrog brengt de nietigheid van de akte met zich mee. Ook de Raad van Europa heeft een gelijkaardig standpunt ingenomen. Er bestaat een Europese Conventie van 6 november 1997 die toestaat dat Staten het verlies van de nationaliteit in hun intern recht voorzien, wanneer die nationaliteit door een bedrieglijke handeling, door valse informatie of door het verbergen van een relevant feit werd verkregen. De oppervlakkigheid die men soms meent te onderkennen in de procedure, zou moeten fungeren als een aantrekkingspool voor de personen die valsheid wensen aan te wenden om de Belgische nationaliteit te verkrijgen.
Op de vraag wie juist wordt geviseerd door het ontwerp, antwoordt de minister dat geen specifieke groep wordt bedoeld. Men wil enkel de toegangsvoorwaarden om van de gunst van naturalisatie gebruik te maken versoepelen.
Verder stipt de minister aan dat er inderdaad een aantal factoren bestaan die maken dat men zich beter voelt en beter functioneert in een maatschappij, zoals de mogelijkheid om te werken, om gehuisvest te zijn en om de taal te leren. Dit mag echter niet geassimileerd worden met de eerste stap, namelijk de wil om Belg te worden en hier te verblijven. Er moet dus in eerste instantie werk worden gemaakt van deze eerste vereiste.
Wat betreft de afwezigheid van motivering en van een beroepsmogelijkheid bij de weigering van de naturalisatie, onderstreept de minister dat men in de logica van het systeem moet blijven. Naturalisatie is een gunst en geen recht. Bovendien kunnen de personen aan wie de gunst niet is toegekend de termijn afwachten om gebruik te maken van de soepelere procedure van de nationaliteitsverklaring.
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Verreycken dienen een amendement in (Stuk Senaat, 308/2, amendement nr. 1), dat ertoe strekt het gehele wetsontwerp te vervangen door een nieuwe tekst.
Een der indieners verduidelijkt dat dit amendement mede werd gemotiveerd door een verklaring van de heer Verwilghen in De Morgen van 25 mei 1999 : « Ik vind dat er veel te veel genaturaliseerd is. Men heeft op een bepaald ogenblik met de Belgische nationaliteit gesmeten... ».
Het amendement beoogt de invoering van een Wetboek Staatsburgerschap. Hiermee wensen de indieners de laksheid bij het verlenen van de nationaliteit terug te schroeven en een verstrenging door te voeren.
Het amendement is geïnspireerd door bestaande regelingen in de omringende landen. Het ligt niet in de bedoeling van de indieners om het voor buitenlanders quasi-onmogelijk te maken om de Belgische nationaliteit te verwerven. Wel willen zij degenen die « blijvend hun lot met het onze willen verbinden » ertoe aanzetten zich aan te passen en een ondubbelzinnige keuze te maken.
Er werd geopteerd voor de term staatsburgerschap. Spreker verduidelijkt dat de begrippen « staatsburgerschap » en « nationaliteit » helemaal niet identiek zijn. België kan niet beschouwd worden als een natie, in de oorspronkelijke betekenis van volk. Er bestaat immers geen Belgisch volk, alleen een Belgische bevolking, geen Belgische taal en geen Belgische cultuur. Het neutrale « staatsburgerschap » lijkt hem dan ook meer aangepast.
Het amendement respecteert de bevoegdheden van de federale instellingen, maar kent de gemeenschappen een zeer belangrijke taak toe. Door het feit dat verscheidene culturen gedwongen samenleven in één staatsverband, moeten de gemeenschappen een zeer belangrijke rol krijgen. Het aanleren van de taal van een gemeenschap en het aanvaarden van een reeks gewoonten en cultuuruitingen situeren zich op het vlak van de gemeenschap waarvan men lid wordt en niet op het vlak van de Staat als dusdanig, waar verschillende culturen zijn samengebracht.
Dit overgangsamendement bestaat uit verschillende delen.
Een van de krachtlijnen betreft het herstel van het afstammingsbeginsel. Het verblijf gedurende langere tijd op het grondgebied biedt geen voldoende reden om de nationaliteit op een snellere wijze te verkrijgen of om automatisch de nationaliteit te verkrijgen. Zo worden onmondige kinderen van wie één ouder in België werd geboren automatisch opgezadeld met de Belgische nationaliteit, terwijl men helemaal niet weet of deze in ons land wensen te blijven en willen integreren.
De aanvaarding van de nationaliteit of het staatsburgerschap moet een autonome en zelfstandige keuze zijn van elke persoon afzonderlijk en moet gebeuren in het volle bewustzijn van de draagwijdte ervan.
Tevens stelt het amendement voor de procedure van nationaliteitsverklaring en nationaliteitskeuze voor jongeren die hier geboren zijn en gedurende 18 jaar, respectievelijk 9 jaar, hier verbleven hebben, te doen vervallen. Het feit dat men hier geboren is bewijst vandaag minder dan ooit dat men zich automatisch als geïntegreerd kan beschouwen. Indien iemand echter wel geïntegreerd is, kan deze probleemloos de burgerschapsproef kunnen afleggen.
Een tweede pijler van het amendement betreft de burgerschapsproef. Naast afstamming en adoptie wordt de naturalisatie de belangrijkste weg om het staatsburgerschap te verwerven. De nationaliteitsverklaringen en de nationaliteitskeuze vallen weg. De integratiebereidheid moet niet alleen verbaal beleden worden, maar moet ook werkelijk bewezen worden. Naar Amerikaans, Australisch en Canadees voorbeeld wordt een objectieve burgerschapsproef ingevoerd. De grondvoorwaarden voor deelname aan de burgerschapsproef zijn bijvoorbeeld een verblijfsduur van 10 jaar, een leeftijd van 25 jaar, de solvabiliteit van de betrokkene en de afwezigheid van veroordelingen.
De burgerschapsproef wordt ingericht door de gemeenschappen en bestaat uit een mondeling en schriftelijk gedeelte.
Spreker is van oordeel dat de burgerschapsproef de hefboom is waarmee de inburgering kan worden verzekerd.
Een derde pijler van het amendement is de afwijzing van de dubbele nationaliteit. Binnen de zes maanden na de publicatie van de naturalisatie-akte moet afstand gedaan worden van de oorspronkelijke nationaliteit. Hiermee zijn de problemen van de dubbele nationaliteit voorgoed de deur uit.
Ook de nationaliteitsverwervingen sinds 1991 zouden moeten worden herzien. De « nieuwe » Belgen moeten dan kiezen tussen de oorspronkelijke nationaliteit en de Belgische. Uiteraard valt een meervoudig staatsburgerschap nooit uit te sluiten (zie kinderen uit gemengde huwelijken). Aldus bevat het amendement een bepaling waarbij de prioritaire wetgeving wordt aangeduid.
Een vierde krachtlijn van het amendement is de snellere ontneming van het staatsburgerschap. Het is onmiskenbaar dat vreemdelingen een belangrijk aandeel hebben in de criminaliteit (zie verslag van de onderzoekscommissie naar de georganiseerde criminaliteit). Dit crimineel gedrag heeft niets te maken met de afkomst; daarentegen zijn de ontworteling en het ontbreken van een samenhangend cultureel referentiekader wel criminogene factoren. Het is duidelijk dat criminele « nieuwe » Belgen het staatsburgerschap moet kunnen worden afgenomen. Het staatsburgerschap vervalt van rechtswege bij een veroordeling tot een effectieve celstraf van drie maanden binnen de vijf jaar, en tot een celstraf van één jaar binnen de tien jaar na de verwerving van het staatsburgerschap.
Dit is een beveiligende maatregel, die trouwens ook wordt gehanteerd in Groot-Brittannië. Enkel op die manier kan men deze personen terug uitwijzen naar de landen van herkomst.
Spreker is zich bewust van het feit dat ook in de huidige reglementering de rechter de mogelijkheid bezit om het verval van nationaliteit uit te spreken. Van deze mogelijkheid werd echter geen gebruik meer gemaakt sinds 1945.
Dit wetboek van staatsburgerschap betekent in zekere mate een breuk met het verleden, omdat het een drastische verstrenging inhoudt. Deze verstrakking is grotendeels geïnspireerd op de wetgeving van de buurlanden.
De indiener meent dat deze verstrenging gewettigd is, gezien de bijzondere precaire situatie van Vlaanderen binnen Europa. Door de internationale functies van Brussel en door de centrale ligging van België verblijft een steeds groeiend aantal buitenlanders voor kortere of lange tijd op Belgisch grondgebied. Door het vrij verkeer van personen kan België fungeren als toegangspoort tot Europa. Een bescherming moet kunnen worden ingebouwd. In Zwitserland bijvoorbeeld gaan de wetgeving en de praktijk inzake het staatsburgerschap nog heel wat verder; daar kunnen buitenlanders nooit definitief het staatsburgerschap verwerven.
Dit amendement is eenparig verworpen door de 8 aanwezige leden.
Artikel 2
De heer Verreycken dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 13) dat ertoe strekt een tekstverbetering aan te brengen in het voorgestelde artikel 5, § 2. De woorden « de akte ervan » worden vervangen door de woorden « de akte van geboorte » en de woorden « indien er zijn » door de woorden « indien er getuigen zijn ».
De minister wijst erop dat de tekst van het voorgestelde artikel 5, § 2, volledig in concordantie is met de tekst van de artikelen 70 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Nochtans heeft hij geen bezwaar tegen de in het amendement voorgestelde tekstverbetering, op voorwaarde dat dit wordt weerhouden als zuivere tekstcorrectie.
Naar aanleiding van deze beschouwing trekt de heer Verreycken zijn amendement in.
De heer Verreycken dient verder een amendement in (Stuk Senaat, amendement nr. 12), dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 5, § 1, aan te vullen met de woorden « De vrederechter kan de afgifte van deze akte weigeren, bij onbekendheid van de vrager. » Artikel 5 stelt immers dat een akte van bekendheid wordt afgegeven door de vrederechter van de hoofdverblijfplaats van de vrager. Nergens in de tekst wordt echter gestipuleerd of de vrederechter ook de mogelijkheid heeft de akte te weigeren. Men verplicht dus de vrederechter de akte te aanvaarden, wat een grote inmenging betekent.
De minister kan niet akkoord gaan met dit amendement, omdat dit afbreuk doet aan de gevolgde procedure. De akte van bekendheid wordt achteraf ter homologatie overgezonden aan de rechtbank van eerste aanleg, het openbaar ministerie gehoord. De rechtbank heeft dus de mogelijkheid de homologatie te verlenen of te weigeren. Het document wordt pas effectief na de homologatie. De vrederechter moet in deze materie geen andere handelingsmarge kennen dan bijvoorbeeld op het vlak van een huwelijksakte.
Een lid vraagt wie oordeelt over de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de akte van geboorte te verschaffen. Is er hier enige appreciatiemogelijkheid vanwege de officiële instanties ? In de eerste zin van hetzelfde artikel wordt bovendien geen gewag gemaakt van deze « ernstige moeilijkheden ». Is er een gradatie ingebouwd ?
De minister antwoordt dat deze gradatie voortvloeit uit het regeerakkoord. De rechtbank oordeelt over de al dan niet toereikendheid van de betreffende documenten. Op het ogenblik van de aanvraag is er een controle van de burgerlijke stand. Indien er echter discussie ontstaat kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de knoop niet doorhakken. De uiteindelijke beslissing ligt bij de rechtbank die de akte van bekendheid al dan niet zal homologeren.
Het amendement is eenparig verworpen door de 8 aanwezige leden.
Artikel 2bis
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 16) ter invoeging van een artikel 2bis . Dit amendement strekt ertoe het woord « hoofdverblijf » te vervangen door de woorden « onafgebroken wettelijk verblijf dat tegelijkertijd ook de hoofdverblijfplaats is ».
De indiener verduidelijkt dat de hoofdverblijfplaats de plaats is waar de leden van het gezin dat uit verscheidene personen is samengesteld gewoonlijk leven. Het is dus een feitelijke situatie. Het zegt ook als dusdanig niet veel over de rechtmatigheid van het verblijf in ons land. Verduidelijking is nodig : het
betreft een verblijf dat gebaseerd is op een legitieme verblijfsvergunning.
De minister verwijst naar de discussie in de Kamer. De term « hoofdverblijfplaats » heeft in het Burgerlijk Wetboek volledig ingang gevonden. Het is dus belangrijk, in functie van de concordantie, dat men ook in dit wetsontwerp dezelfde term weerhoudt.
Bovendien heeft het woord hoofdverblijfplaats ook in de rechtspraak en rechtsleer een zeer duidelijke omschrijving gekregen, die trouwens ook voortvloeit uit de wetten met betrekking tot de wettelijke verblijfsvergunning. Er is voldoende coherente rechtspraak die stelt wat onder hoofdverblijfplaats wordt verstaan.
Het amendement is verworpen met 6 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 2ter
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 17, met dezelfde strekking als het amendement nr. 16 (cf. supra , artikel 2bis ).
Het amendement is verworpen met 6 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 3
Mevrouw Nyssens dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 2), dat ertoe strekt het artikel te doen vervallen.
De indienster meent dat de termijn van één maand te kort is. Het parket, respectievelijk de dienst Vreemdelingenzaken en de dienst Veiligheid van de Staat, moeten voldoende tijd krijgen om een goed advies te kunnen uitbrengen. De huidige termijn van twee maanden dient aldus te worden behouden.
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in met dezelfde strekking (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 18). De termijn van één maand lijkt haar niet realistisch om het onderzoek in het belang van het kind te voeren.
De minister verwijst naar de reeds gevoerde discussie (cf. supra ). De termijn van één maand, die in het regeringsakkoord is opgenomen, staat niet ter discussie en is voldoende. Er moeten wel maatregelen worden getroffen om de nodige middelen te voorzien. Het advies dat door het wetsontwerp vereist wordt van het openbaar ministerie is trouwens veel minder uitgebreid dan tot op heden het geval is.
De amendementen zijn verworpen met 6 tegen 2 stemmen.
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 19) met dezelfde strekking als het amendement nr. 16 (zie artikel 2).
Het amendement is verworpen met 6 tegen 2 stemmen.
Artikel 4
Mevrouw Nyssens dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 3), dat er toe strekt de termijn van een maand te vervangen door de termijn van twee maand, om de betrokken diensten (parketten en de dienst Vreemdelingenzaken en Veiligheid) toe te laten hun werk naar behoren te verrichten.
De minister antwoordt dat de dienst Veiligheid van de Staat formeel heeft bevestigd dat het hun perfect mogelijk was een advies uit te brengen binnen de maand. Op het niveau van de dienst Vreemdelingenzaken zal een herstructurering plaatsvinden.
Het amendement is verworpen met 8 tegen 2 stemmen.
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 20), dat ertoe strekt artikel 4, 1º, te doen vervallen.
De indiener van het amendement wijst op het uitdeinend effect van de naturalisatie. Via de naturalisatie verkrijgt iemand de Belgische nationaliteit, maar vanaf dat ogenblik zijn ook de kinderen gerechtigd de Belgische nationaliteit aan te vragen, zelfs als zij niet in België hebben verbleven. Deze versoepeling gaat te ver.
De minister verwijst naar de algemene bespreking. Het amendement vertrekt vanuit de vrees dat een groot aantal personen van deze maatregel zullen gebruik maken. Dit is niet het geval. Bovendien maakt deze versoepeling deel uit van het regeerakkoord.
Het amendement is verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Mevrouw De Schamphelaere dient een subsidiair amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 39) dat een schrapping beoogt van de woorden « in het buitenland geboren » in de voorgestelde § 1, 2º.
De indiener meent dat hier een belangrijke discriminatie wordt ingebouwd. Zij haalt de casus aan waarbij een dame met een vreemde nationaliteit komt studeren in België en in die periode hier een baby krijgt. Achteraf bevalt zij in het buitenland van twee andere kinderen. Indien de vrouw later terug naar België komt wonen, en de Belgische nationaliteit verwerft, kunnen de inmiddels meerderjarige kinderen B en C die in het buitenland geboren zijn overeenkomstig het voorgestelde artikel 12bis § 1, 2º, de Belgische nationaliteit verwerven door een verklaring. Kind A, dat in België is geboren, kan dit niet. Het artikel brengt dus een discriminatie mee tussen kinderen met dezelfde afstamming.
De minister antwoordt dat kind A, dat in België is geboren, een verklaring tot nationaliteitskeuze kan indienen. Het zal dus ook de Belgische nationaliteit kunnen verwerven, maar via een andere procedure.
Het amendement is verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Een lid wenst een verduidelijking over de draagwijdte van de woorden « of toegelaten werd om er zich te vestigen » in het eerste lid van de voorgestelde § 2.
De minister onderstreept dat de wet van 15 december 1980 niet wordt gewijzigd. De voorwaarden van deze wet moeten worden nageleefd. Toelating of machtiging is noodzakelijk.
Mevrouw De Schamphelaere dient 2 amendementen in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendementen nrs. 21 en 22), die ertoe strekken het woord « hoofdverblijf » te vervangen. Er kan worden verwezen naar amendement nr. 16 (cf. supra artikel 2bis ).
Deze amendementen zijn verworpen met 8 tegen 2 stemmen.
Mevrouw Nyssens dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 4), dat de termijn van 7 jaar, bepaald voor de verkrijging van de nationaliteit door verklaring, terugbrengt tot 5 jaar.
De minister is van mening dat de termijn van 7 jaar logisch is en verwijst terzake naar het advies van de Raad van State. Dit standpunt werd trouwens grondig besproken binnen de regering en in de Kamer.
Het amendement is verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 23), dat de schrapping beoogt van het 2º. De huidige procedure van nationaliteitsverklaring en de huidige adviestermijn van twee maanden voor de procureur des Konings dient behouden te blijven.
De minister verwijst naar zijn antwoord met betrekking tot het amendement nr. 16 (zie artikel 2bis ). De termijn van een maand moet volstaan gezien de inperking van het advies.
Het amendement is verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 24) dat ertoe strekt het woord onmiddellijk te vervangen door de woorden « van zodra de verklaring volledig is en voorzien van al de vereiste stukken ». Het lijkt minstens de bedoeling dat de ambtenaar van de burgerlijke stand moet nakijken of al de vereiste stukken aanwezig zijn. Het woord onmiddellijk geeft een verkeerd beeld en geeft de indruk van een automatische doorverwijzing.
De minister bevestigt dat het geenszins om een automatische doorverwijzing gaat. Het dossier wordt aangeboden bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, die een verantwoordelijkheid draagt terzake. Het spreekt dus voor zich dat deze ambtenaar een eerste controle verricht, omdat hij dienaangaande een specifieke eigen verantwoordelijkheid heeft. Dit is nu reeds het geval.
Het amendement is verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 25), dat een invulling geeft aan de term gewichtige feiten. Deze gewichtige feiten moeten ook betrekking hebben op het gebrek aan integratiewil. In de huidige wet heeft het begrip gewichtige feiten alleen betrekking op het strafrechtelijk verleden van de betrokkenen. Een bredere interpretatie is noodzakelijk.
De minister meent dat de invulling van de term gewichtige feiten niet in de wet moet gebeuren. Hij verwijst naar de circulaire 81/8184 die deze materie duidelijk regelt en algemeen wordt toegepast inzake naturalisatie en nationaliteitskeuze.
Het amendement is verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.
Mevrouw Nyssens dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 5) dat de invoeging van een punt 2ºbis beoogt, waarbij wordt bepaald dat de ambtenaar van de burgerlijke stand het dossier van de betrokkene alsmede het negatief advies van de procureur des Konings overzendt aan de rechtbank van eerste aanleg. Tevens wordt voorgesteld het eerste lid te doen vervallen.
De indiener meent dat de rechtbank van eerste aanleg de natuurlijk bevoegde instantie is voor eventueel beroep, aangezien het verkrijgen van de nationaliteit een subjectief recht is. Elk gevaar voor politisering moet worden vermeden. De rechtbanken dienen te oordelen over subjectieve rechten en niet de Kamer.
De minister antwoordt dat de Kamer het volledige werk op zich neemt op het vlak van de betreffende procedure. Deze verwijzing naar het Parlement wordt bepaald door de wet van 1998.
Het amendement is verworpen met 9 tegen 2 stemmen.
Artikelen 5, 5bis en 5ter
Mevrouw De Schamphelaere trekt haar amendement nr. 26 (Stuk Senaat, nr. 2-308/2) in, gelet op de verwerping van het samenhangende amendement nr. 20 (zie supra ).
Mevrouw De Schamphelaere dient amendementen in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendementen nrs. 27, 28 en 29) ter vervanging van het woord hoofdverblijf. Er kan worden verwezen naar de bespreking van het amendement nr. 16 (zie artikel 2bis ).
Deze amendementen zijn verworpen met 9 tegen 2 stemmen.
Artikel 6
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 30) dat ertoe strekt de ambtenaar van de burgerlijke stand uitdrukkelijk de opdracht te geven na te kijken of al de vereiste stukken aanwezig zijn.
De minister verwijst naar zijn antwoord bij het amendement nr. 24 (zie supra, artikel 4).
Het amendement is verworpen met 9 tegen 2 stemmen.
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 31), dat ertoe strekt het 2º weg te laten.
De indiener wenst het woord « onmiddellijk » te schrappen. Dit kan immers de indruk geven dat ook onvolledige dossiers onmiddellijk moeten worden doorgezonden.
De minister verwijst naar het verslag van de Kamer. De instantie die het dossier toegeschoven krijgt moet het in ieder geval nakijken op volledigheid. Het woord onmiddellijk brengt niet mee dat de betrokken overheid een onvolledig dossier mag overzenden. Dit zou trouwens hun verantwoordelijkheid in het gedrang kunnen brengen.
Het amendement is verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.
Mevrouw Nyssens dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 7) dat ertoe strekt de termijn van een maand te vervangen door de termijn van twee maanden.
De minister verwijst naar amendement nr. 3 op artikel 4 en behoudt zijn standpunt.
Het amendement (A en B) is verworpen met 9 tegen 2 stemmen.
Mevrouw De Schampheleare dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 32) dat het huidige artikel 15, § 2, eerste lid, herstelt en aanvult met de bepaling dat de integratiewil moet blijken uit een redelijke kennis van één van de landstalen en uit de inburgering in de Belgische samenleving. Hoewel het taalgebruik inderdaad een constitutionele vrijheid is, wordt de vereiste van taalkennis ook weerhouden in andere landen (zie Duitsland, Frankrijk en Nederland).
De minister opteert voor het vermoeden van de integratiewil. Het vastkoppelen van de integratiewil aan bepaalde voorwaarden, zoals de kennis van een landstaal, zou eventueel strijdig kunnen zijn met de Grondwet. Daarenboven is taalkennis geen absolute vereiste om van integratiewil te gewagen.
Het amendement is verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.
Mevrouw De Schamphelaere trekt haar amendement nr. 33 (Stuk Senaat, nr. 2-308/2) in, gezien de verwerping van het samenhangende amendement nr. 32.
Mevrouw Nyssens dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 6), dat eenzelfde strekking heeft dan het amendement nr. 5 op artikel 4 (zie supra ).
De minister verklaart zijn standpunt te behouden.
Het amendement is verworpen met 9 tegen 2 stemmen.
Artikel 9
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 34) dat eroe strekt het artikel te schrappen. De huidige basisvoorwaarden voor naturalisatie dienen behouden te blijven, des te meer daar onze buurlanden termijnen van een verblijfsduur van 5 tot 8 jaar hanteren. Een verkorting van de verblijfsduur tot 3 jaar zou een aanzuigeffect kunnen teweegbrengen.
Het amendement is verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem.
Mevrouw Nyssens dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 8) dat verder gaat dan de amendementen die in de Kamer werden ingediend.
Gelet op het uitzonderlijke karakter van de naturalisatieprocedure en het belang dat aan de motivering gehecht wordt, lijkt het niet meer nodig een verblijfsduur te bepalen. Het is de bedoeling de reflectie te openen, bij een eventuele grondwetsherziening, over een meer moderne wijze om de nationaliteit, in de zin van burgerschap, te bekomen.
De minister antwoordt dat dit amendement « de lege ferenda » opereert. Er is geen sprake van een grondwetsherziening en de bepaling is nietig.
De indiener van het amendement preciseert dat het amendement geen verzoek tot grondwetsherziening inhoudt. Zij wenst enkel aan te duiden dat het voorliggende wetsontwerp de discretionaire beoordelingsmarge van de Kamer vergroot, door een aantal beoordelingscriteria af te schaffen. Elk gevaar voor politisering moet worden vermeden.
Het amendement is verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
De heer Verreycken dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 14), met betrekking tot de verwijzing naar het « oud » artikel 57. Indien men verwijst naar een vroeger artikel moet ook de wet die het artikel opheft worden vermeld.
De minister antwoordt dat het oud artikel 57 een uitdovend karakter heeft en nog toepasselijk is op de vreemdelingen die door de minister van Justitie kunnen worden gelijkgesteld met vluchtelingen. Dit is een beperkte categorie, maar ze bestaat nog. Iedereen weet wat met het oud artikel 57 wordt bedoeld.
Het amendement is verworpen met 11 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 10
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 35), dat ertoe strekt het 1º te doen vervallen.
Gelet op het feit dat het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden werd goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 is dit eigenlijk een dubbel gebruik met de vermelding dat men de wetten van het Belgische volk zal naleven. Het is niet nodig het verdrag specifiek te vermelden.
De minister antwoordt dat deze bepaling voornamelijk het gevolg is van de onderhandelingen binnen de regering. Er bestaat een gradatie in de normen, waarbij goedgekeurde internationale verdragen primeren op de Grondwet en de wetten. Toch werd geopteerd voor een uitdrukkelijke vermelding van het EVRM omdat dit verwijst naar een aantal bepalingen met betrekking tot ras- en geslachtsgebonden fundamentele/rechten en vrijheden.
Het amendement is verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
De heer Verreycken dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 15), tot invoeging van het woord Europees.
De indiener meent dat de juiste benaming luidt : Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In alle publicaties wordt trouwens gewag gemaakt van het EVRM.
De minister antwoordt dat de benaming conform is aan de publicatie in het Belgisch Staatsblad .
Het amendement is verworpen met 9 stemmen bij 2 onthoudingen.
Mevrouw De Schamphelaere had een gelijkaardig amendement ingediend (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 36, subsidiair op haar amendement nr. 35). Ingevolge de stemming over amendement nr. 15 vervalt amendement nr. 36.
Mevrouw Nyssens dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 11), dat ertoe strekt de termijn van één maand te vervangen door de termijn van twee maanden.
De minister verwijst naar zijn antwoord op het amendement nr. 3 op artikel 4.
Het amendement is verworpen met 8 tegen 2 stemmen.
Mevrouw Nyssens dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 9), dat de garantie inbouwt dat de Kamer beslist met een tweederde meerderheid, bij een gemotiveerde stemming en in de plenaire vergadering over het verlenen van de naturalisatie op de wijze bepaald in haar reglement.
De minister stipt aan dat dit amendement ongrondwettelijk is. Artikel 53 van de Grondwet bepaalt dat de beslissingen in de federale Kamers bij absolute meerderheid van stemmen worden genomen. Artikel 9 van de Grondwet is niet voor herziening vatbaar verklaard en bepaalt geen specifieke regel voor het verlenen van de naturalisatie.
Bovendien is de Senaat slecht geplaatst om een afwijking van deze regel voor te stellen, aangezien de naturalisatie tot de exclusieve bevoegdheid van de Kamer behoort (artikel 54 van de Grondwet).
Het amendement is verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Mevrouw Nyssens dient een amendement in ( Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 10), die de Kamer de bevoegdheid ontneemt op het vlak van het verkrijgen van de nationaliteit. Ook het beroep dient dan te worden ingesteld bij de rechtbanken.
De minister verwijst naar zijn antwoord op vorig amendement en vraagt de verwerping.
Het amendement is verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 10bis
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 37), dat een mogelijkheid inbouwt om de Belgische nationaliteit te ontnemen van de personen die de Belgische nationaliteit hebben verkregen op basis van documenten die achteraf vals blijken of van de personen die niet of onvoldoende bereid zijn zich te integreren. De mogelijkheid van de Belgische nationaliteit te ontnemen bestaat nu slechts in zeer uitzonderlijke gevallen.
De minister antwoordt dat er zeer weinig rechtspraak bestaat over de toepassing van het betreffende artikel 23. De rechtsleer is het evenwel unaniem eens over het feit dat het plegen van valsheden met het oog op het bekomen van de nationaliteit wel degelijk valt onder artikel 23.
Tevens geldt het principe « fraus omnia corumpit ».
Er bestaat eveneens een Europese Conventie van de Raad van Europa van 6 november 1997 die uitdrukkelijk bepaalt dat het aanwenden van bedrieglijke handelingen, valse informatie of verbergen van een relevant feit, volstaan om binnen het intern recht de nationaliteit te kunnen ontnemen.
Het amendement is verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 14
Mevrouw De Schamphelaere dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-308/2, amendement nr. 38) dat de inwerkingtreding brengt op de eerste dag van de tweede maand volgend op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad , zodat de overgangsperiode wordt uitgebreid.
Een lid wenst zich ervan te vergewissen dat de inwerkingtreding van voorliggend ontwerp strookt met de inwerkingtreding bepaald in de wet houdende fiscale en sociale bepalingen van 31 december 1999.
De minister antwoordt dat de wet houdende fiscale en sociale bepalingen in werking is getreden op 1 februari 2000. Er is echter geen enkele verplichting dat beide wetten op hetzelfde ogenblik in werking zouden treden. Voorliggende wet zal pas worden gepubliceerd als de minister de garantie heeft dat alles in het werk is gesteld opdat de parketten hun advies kunnen uitbrengen binnen de termijn van een maand.
Het amendement is verworpen met 9 tegen 2 stemmen.
De commissie besluit een aantal tekstcorrecties aan te brengen.
In de Franse tekst
Artikel 2
In § 1 van het voorgestelde artikel 5 worden de woorden « en rapportant » vervangen door de woorden « en produisant ».
In § 2 van het voorgestelde artikel 5 worden de woorden « d'en rapporter l'acte » vervangen door de woorden « de produire l'acte de naissance » en de woorden « s'il en est qui » vervangen door de woorden « s'il en est des témoins qui ».
In § 3 van het voorgestelde artikel 5 wordt het woord « rapporter » vervangen door het woord « produire ».
Artikel 4
In het 1º, § 2, worden de woorden « le déclarant » vervangen door de woorden « l'intéressé ».
In het 2º, § 2, derde lid, worden de woorden « lorsqu'il y a » vervangen door de woorden « lorsqu'il existe ». Dezelfde opmerking geldt voor artikel 6, 3º.
Artikel 12
De woorden « non-fondé » worden vervangen door de woorden « non fondé ».
Artikel 13
In de voorgestelde § 10 wordt het woord « applicable » vervangen door het woord « applicables ».
In de Nederlandse tekst
Artikel 2
In het voorgestelde artikel 5, § 1, wordt het woord afgeleverd » vervangen door het woord « afgegeven ».
In artikel 5, § 2, worden de woorden « de akte ervan » vervangen door de woorden « de akte van geboorte » en de woorden « indien er zijn » door de woorden « indien er getuigen zijn ».
Artikel 4
In § 1 worden de woorden « kunnen de staat van Belg bekomen » door de woorden « de Belgische nationaliteit kunnen verkrijgen ».
Artikel 6
In het 3º worden de woorden « vanaf de ontvangstmelding » vervangen door de woorden « van de ontvangstmelding ».
In beide teksten
Artikel 4
De indeling van het artikel (1º, § 1, 1º, 2º, 3º, 2º ...) schept verwarring. Het 1º, 2º et 3º, vóór de aanduiding van de paragraaf, worden vervangen door A, B, C.
Het wetsontwerp in zijn geheel is aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.
| De rapporteurs,
Meryem KAÇAR. Jean-François ISTASSE. |
De voorzitter,
Josy DUBIÉ. |
(1) Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 569 en 628 van het Gerechtelijk Wetboek Stuk Senaat, nrs. 2-309/1-3.