2-142/2

2-142/2

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

21 DECEMBER 1999


Wetsontwerp houdende instemming met de Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, de Bijlagen I, II, III, IV, V, VI en VII, Protocollen 1, 2, 3, 4 en 5, en Slotakte, gedaan te Brussel op 20 november 1995


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR DE HEER MAERTENS


INHOUD


    1. Uiteenzetting van de heer Armali, Palestijns algemeen afgevaardigde, over de ontwikkeling van het vredesproces in het Midden-Oosten
    2. Bespreking
    1. Uiteenzetting van de heer Amor, ambassadeur van Israël, over de ontwikkeling van het vredesproces in het Nabije Oosten
    2. Bespreking
    1. Uiteenzetting van de staatssecretaris voor Buitenlandse Handel
    2. Bespreking
    1. Uiteenzetting van de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken
    2. Bespreking

De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landverdediging heeft het wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 25 november, 7, 14 en 21 december 1999.


Op verzoek van verschillende leden heeft de commissie besloten de heer Armali, Palestijns algemeen afgevaardigde, en de heer Amor, ambassadeur van Israël, te horen over de ontwikkeling van het vredesproces in het Midden-Oosten.

I.1. UITEENZETTING VAN DE HEER ARMALI, PALESTIJNS ALGEMEEN AFGEVAARDIGDE OVER DE ONTWIKKELING VAN HET VREDESPROCES IN HET MIDDEN-OOSTEN

De ondertekening van de akkoorden van Oslo in 1993 heeft grote verwachtingen gewekt, die door de vorige Israëlische regering tenietgedaan zijn. Het aantreden van een nieuwe regering onder leiding van Ehud Barak heeft deze hoop nieuw leven ingeblazen. Nu rijst de vraagt of deze hoop gerechtvaardigd is.

Concreet erkennen de Palestijnen dat er talrijke positieve punten zijn in het beleid van de regering-Barak.

Op 4 september 1999 hebben de Israëlische regering en de PLO het memorandum van Sharm-el-Sheikh ondertekend, dat in werkelijkheid een uitvoering is van het akkoord van Wye Plantation. Ter uitvoering van dit memorandum heeft het Israëlische leger zich teruggetrokken met 7 % van zone C naar zone B, 350 Palestijnse gevangenen zijn in twee fasen vrijgelaten en de partijen hebben een protocol ondertekend betreffende de vrije doorgang tussen Cisjordanië en de Gaza-strook.

Het memorandum voorziet ook in de hervatting van de onderhandelingen over de definitieve status van de gebieden.

Er blijven echter schemerzones in het standpunt van de Israëlische regering.

Deze weigert immers de kwestie van het statuut van Jeruzalem te bespreken (terwijl de internationale gemeenschap de aanhechting van Jeruzalem door Israël als nietig beschouwt) en ontzegt de Palestijne vluchtelingen het recht om terug te keren. Overigens voorziet resolutie nr. 194 van de Verenigde Naties in de terugkeer van de vluchtelingen, ofwel hun schadeloosstelling.

Een tiental dagen geleden heeft de heer Barak bovendien verklaard dat resolutie nr. 242 van de Veiligheidsraad niet van toepassing was. Alle akkoorden, ook dat van Oslo, zijn echter gegrondvest op die resolutie (van 22 november 1967).

De heer Barak wenst eveneens een scheiding te maken tussen de Palestijnse gebieden en de Staat Israël, hoewel de Palestijnen 30 jaar onder Israëlische bezetting hebben geleefd en economisch afhankelijk zijn van dat land. Deze scheiding zal dus geleidelijk voltrokken moeten worden, indien men de Palestijnse economie geen zware slag wil toebrengen. Ook de gevolgen van de jarenlange blokkering van de rechtstreekse Palestijnse uitvoer moeten weggewerkt worden. Dit is een probleem dat nog opgelost moet worden.

Het fundamentele probleem is echter dat de kolonisatie voortgaat. De heer Barak handhaaft dit kolonisatiebeleid en beweert dat het om een natuurlijke groei van de kolonies gaat. (Sinds het aantreden van de nieuwe Israëlische regering is beslist 3 500 nederzettingen te bouwen). De kolonisatie is echter strijdig met het internationaal recht. De Palestijnen wensen een modus vivendi met Israël te vinden, maar dan op voorwaarde dat de kolonisatie stopzet wordt en dat men de zware gevolgen van de vroegere kolonisatie uitwist.

Hoe kan men immers onderhandelen als men weet dat de kolonisatie voortgaat, terwijl de akkoorden van Oslo bepalen dat geen enkele van de partijen iets mag ondernemen dat een permanente oplossing in de weg kan staan. De onderhandelingen met de regering-Netanyahu waren trouwens afgebroken omdat de kolonisatie in Oost-Jeruzalem voortgezet werd.

Anderzijds zal Israël eveneens zijn houding op economisch vlak moeten veranderen.

Vijf dagen geleden hebben de Palestijnse exporteurs van bloemen en fruit gemanifesteerd omdat de Israëliërs hun vrachtwagens verhinderen de grensposten over te steken.

Bovendien blijven de producten die uit de kolonies afkomstig zijn, het etiket made in Israel dragen en genieten zij zo op bedrieglijke wijze de preferentiële regeling die volgens de overeenkomst EU-Israël voorbehouden is voor de producten die van het grondgebied van de Staat Israël afkomstig zijn. Daarover loopt trouwens een geschil tussen de Europese Commissie en Israël. Het probleem was ter tafel gebracht door commissaris Manuel Marin.

De heer Armali vraagt de leden van de commissie de goedkeuring van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Israël uit te stellen.

Indien het verdrag niet goedgekeurd wordt, schaadt men de Staat Israël niet echt maar legt men deze Staat op een of andere manier een morele sanctie op. In elk geval is er sinds 1996 een overgangsakkoord van kracht voor de uitvoering van het verdrag.

De heer Armali verklaart aan het slot van zijn uiteenzetting dat een olifant en een muis naast elkaar staan als men de Palestijnen alleen laat in de onderhandelingen met Israël.

I.2. BESPREKING

Een lid wenst te vernemen of de Palestijnen niet bang zijn dat ze het slachtoffer worden van een soort apartheid.

Een ander commissielid vraagt hoever het staat met de luchthaven van Gaza, die zeer belangrijk is voor de autonomie van het Palestijns gezag, en met de zeehaven van Gaza, waarvoor Europese kapitalen vrijgegeven zijn.

Een derde spreker wenst te weten welke de minimale voorwaarden zijn voor het bestaan van een Palestijnse Staat en ook of de Palestijnen naar hun mening voldoende steun ontvangen van België en van de Europese Unie.

Ten slotte vraagt een lid of de Palestijnen wensen dat er een systeem wordt ingesteld om de naleving van de akkoorden te controleren, en zo ja, op welke punten.

De heer Armali verklaart dat hij daadwerkelijk vreest dat zijn landgenoten het slachtoffer worden van een soort apartheid en dat de terugtrekking van de Israëlische troepen Palestijnse eilandjes doet onstaan die omgeven zijn door grote Israëlische kolonies.

In verband met de luchthaven van Gaza merkt de heer Armali op dat men 6 tot 8 uur nodig heeft om Gaza binnen te kunnen. Na de landing toont men zijn paspoort aan een Palestijnse soldaat, die het op zijn beurt moet doorgeven aan een Israëlische soldaat. Dan begint het wachten.

De uitvoer van Palestijnse producten naar Europa brengt ook problemen mee aangezien er voorraden geblokkeerd worden aan de grensovergangen met Israël, Jordanië en Egypte.

Wat de zeehaven van Gaza betreft, antwoordt de heer Armali dat de bouw ervan in de maand november moest beginnen maar dat de werken gehinderd worden door de vertraging in de Israëlische terugtrekking. De Nederlanders, de Italianen en de Fransen hebben een eerste krediet van 65 miljoen dollar gefinancierd voor het eerste deel van de werken.

In verband met de vraag naar de minimale voorwaarden verklaart de heer Armali dat men in het onderhandelingsproces niet alleen rekening moet houden met de veiligheid van Israël maar ook met die van de Palestijnen. Dit vergt nog veel inspanningen en een intense internationale hulp. Het Palestijnse volk heeft echter bewezen dat het over voldoende creativiteit en verbeeldingskracht beschikt om te slagen.

De Palestijnen bekleden immers sleutelposities, onder meer in de water- en elektriciteitsmaatschappijen van de Golflanden. Men kan dus gebruik maken van de knowhow van deze Palestijnen in het buitenland.

In verband met de standpunten van België en van de Europese Unie verklaart de algemeen Palestijns afgevaardigde dat de nieuwe regering, zoals de oude, de oprichting van een Palestijnse Staat gunstig gezind is.

De gewezen staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, de heer Moreels, heeft als een van de eersten de Palestijnse gebieden opgenomen in de groep van landen die Belgische hulp ontvangen. De bilaterale samenwerking is toegenomen maar moet nog verbeterd worden. Op dit ogenblik ziet een speciale ambtenaar van Ontwikkelingssamenwerking onder meer toe op de uitvoering van de gezondheids- en onderwijsprogramma's. De heer Armali meent dat de Belgische bijdrage nog opgevoerd moet worden.

Hoewel de Europese Unie alsook België een positief standpunt hebben ingenomen in verband met de oprichting van een onafhankelijke Palestijnse Staat, wekt het instellen van een NGO-forum EU/Israël bij de heer Armali de vrees dat Europa een complex heeft ten opzichte van Israël en dat het stilzwijgend voorbijgaat aan de praktijken die niet in het vredesproces passen.

De Palestijnen zijn voorstander van het invoeren van een systeem van toezicht op de naleving van de akkoorden : men kan vragen dat er een contactgroep wordt opgericht om de voortgang van de beslissingen te bewaken. Waarschijnlijk zal Israël zich daartegen verzetten.

De Verenigde Staten wil bovendien de voornaamste peetvader van het vredesproces blijven. In het vooruitzicht van de verkiezingen zal de regering-Clinton zich waarschijnlijk minder met het vredesproces inlaten, dit om de Amerikaans-Joodse lobby niet voor het hoofd te stoten.

Een lid verklaart dat hij tijdens zijn reis in Israël bijzondere aandacht geschonken heeft aan twee projecten op het vlak van de volksgezondheid :

­ de financiering van een bijkomende opleiding voor 20 Palestijnse artsen in Israëlische universiteiten, in het kader van People to people ;

­ de financiering van twee artsen in een kamp te Gaza ten laste van de Belgische begroting voor Volksgezondheid.

Hij verzoekt de staatssecretaris voor Buitenlandse Handel te informeren naar de voortgang van deze projecten.

Op de vraag welke economische obstakels de betrekkingen met de Europese Gemeenschap verstoren, herhaalt de heer Armali dat de de grootste hinder veroorzaakt wordt door :

­ het etiket made in Israel dat aagebracht wordt op producten die afkomstig zijn van de nederzettingen die niet tot de Staat Israël behoren;

­ de controle aan de grensposten (met name die van Erez) en de lange wachttijden ten gevolge daarvan, die schade berokkenen aan de rechtstreekse Palestijnse export, onder meer van fruit en bloemen. Israël heeft echter beloofd dit probleem op te lossen.

II.1. UITEENZETTING VAN DE HEER AMOR, AMBASSADEUR VAN ISRAËL, OVER DE ONTWIKKELING VAN HET VREDESPROCES IN HET NABIJE OOSTEN

De heer Amor heeft het eerst over de Euro-mediterrane Associatieovereenkomst.

Hij herinnert eraan dat deze Overeenkomst al door dertien lidstaten van de Europese Unie is geratificeerd, met uitzondering van België en Frankrijk. In Frankrijk zou de ratificatieprocedure eind januari 2000 aflopen.

De ambassadeur herinnert er ook aan dat de Overeenkomst in België al geratificeerd is door de gewest- en gemeenschapsraden. Alleen het federale Parlement en de Vlaamse Raad moeten ze nog bekrachtigen.

De ambassadeur benadrukt dat de Overeenkomst van voornamelijk economische aard is en in het belang van beide partijen. Toch brengt de Overeenkomst ook een geïnstitutionaliseerde politieke dialoog op gang. Zonder de ratificatie kan die dialoog niet plaatsvinden. Israël meent dat deze dialoog gunstig zal zijn voor beide partijen. Voor de Europese Unie is het een mogelijkheid om een belangrijkere en meer geloofwaardige rol te spelen in het vredesproces. In dat verband zij eraan herinnerd dat de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken, David Levy, tijdens zijn jongste bezoek aan Brussel aan zijn ambtsgenoot Louis Michel heeft laten weten dat hij de banden tussen Europa en Israël versterkt wil zien. Voor Israël zou de dialoog een hart onder de riem betekenen op een cruciaal ogenblik van de vredesonderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen. Logischerwijze zal de Unie nauwer betrokken worden bij dit proces.

Wat het economische aspect van de Overeenkomst betreft, Europa is de belangrijkste handelspartner van Israël en de handelsbalans vertoont een tekort van 5,8 miljard dollar ten nadele van Israël. Daarom hecht Israël veel belang aan de verbetering van de handel en van de toegankelijkheid van de markten. Een van de gevolgen van deze Associatieovereenkomst is de toetreding van Israël tot het 5e Europese programma voor onderzoek en ontwikkeling. Een toenemend aantal Israëlische vennootschappen ontplooien hun activiteiten in België, wat nogmaals wijst op de toenemende belangstelling voor de Europese markten van de Israëlische zakenwereld.

Daarnaast staan de aandelen van steeds meer Israëlische vennootschappen op pan-Europese beurzen genoteerd waardoor ze trachten Europees kapitaal aan te trekken. Nog een sprekend voorbeeld is de belangstelling die Israël onlangs en voor het eerst toonde voor de aankoop van Airbus-vliegtuigen. Kortom, deze Associatieovereenkomst zal de concurrentiesfeer verbeteren in het voordeel van beide partijen.

Daarna snijdt de heer Amor de kwestie van het vredesproces aan. Sinds haar aantreden streeft de nieuwe Israëlische regering uitdrukkelijk naar algemene vrede in het Midden-Oosten. Al in haar regeringsverklaring liet de Israëlische regering weten dat zij vredesakkoorden wil sluiten met de Palestijnen en met Syrië en Libanon.

Wat het vredesproces met de Palestijnen betreft, is in september jongstleden een akkoord ondertekend in Sharm el Sheikh, dat sindsdien door beide partijen wordt toegepast. De terugtrekking van de Israëlische troepen uit Cisjordanië, de vrijlating van honderden Palestijnse gevangenen, de opening van de eerste vrije doorgang tussen de Gaza-strook en Cisjordanië en het akkoord over het opstarten van de bouw van een haven in de Gaza-strook, zijn allemaal concrete bewijzen van de oprechte wil van Israël om tot duurzame oplossingen te komen met de Palestijnse partners. Bovendien zijn de partijen het eens geworden over een agenda met het oog op het sluiten van een raamakkoord in februari 2000, waarbinnen de onderhandelingen zullen worden gevoerd met betrekking tot het akkoord over de definitieve status.

De ambassadeur benadrukt dat de regering naast de Palestijnse kwestie evenveel belang hecht aan de vredesonderhandelingen met Syrië en Libanon.

Alle mogelijkheden om vooruitgang te boeken in deze dossiers op diplomatiek vlak worden momenteel onderzocht.

Israël heeft nooit aanspraak gemaakt op Libanees grondgebied. De Israëlische aanwezigheid in Zuid-Libanon is alleen ingegeven door veiligheidsoverwegingen aangezien het noorden van Israël voortdurend bedreigd wordt door terroristische acties vanuit dat gebied. Israël blijft ervan overtuigd dat men kan komen tot een terugtrekking van de troepen uit Zuid-Libanon in het kader van een akkoord met Libanon en Syrië; volgens de verklaringen van de Israëlische eerste minister hierover is een unilaterale terugtrekking vóór de zomer van 2000 echter ook niet uitgesloten.

Duurzame en algemene vrede in het Nabije Oosten is alleen mogelijk op basis van een vredesakkoord met Syrië. De heer Barak bevestigt dat hij binnen 12 tot 15 maanden met Damas de « Vrede van de moedigen » wil ondertekenen. Momenteel is nog niet duidelijk wat Syrië precies wil. Syrië stelt nog steeds de totale terugtrekking van de troepen uit de Golan-hoogte als voorafgaande voorwaarde voor het aanknopen van onderhandelingen. Israël eist van Syrië een duidelijker standpunt over alle belangrijke kwesties (veiligheid, terrorisme, watervoorziening). Momenteel worden van verschillende kanten diplomatieke stappen ondernomen om het contact tussen beide partijen te herstellen en de besprekingen op gang te brengen.

In de vijftig jaar van zijn hernieuwde bestaan als natie heeft Israël verschillende oorlogen moeten voeren en zijn bestaan moeten verdedigen. Israël heeft nooit de hoop opgegeven op een betere toekomst en op vrede met zijn buurlanden.

De strijd voor de vrede wordt voortgezet. Hoop en vrees, twee sterke emoties die elk menselijk wezen kent, staan tegenover elkaar. Enorme afgronden scheiden Israël van zijn Arabische en Palestijnse partners. Met goede wil en vastberadenheid kunnen we echter bruggen bouwen en het nodige wederzijdse vertrouwen scheppen om de belangen van beide partijen en de vrede in het Midden-Oosten te bevorderen.

II.2. DISCUSSIE

Een commissielid vraagt of de nieuwe Israëlische regering genoeg door de bevolking wordt gesteund om vorderingen te maken in het vredesproces.

Een ander lid wenst te weten of de ambassadeur niet denkt dat de Palestijnen het slachtoffer zullen worden van apartheid.

Een derde lid vraagt of Israël zou aanvaarden dat er een mechanisme komt waarmee men kan inschatten en controleren of de overeenkomsten worden nageleefd, in het bijzonder artikel 2 van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Israël. Dat artikel bepaalt dat « de betrekkingen tussen de Partijen en alle bepalingen van deze Overeenkomst berusten op de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen die ten grondslag ligt aan het interne en externe beleid van de Partijen en die een essentieel onderdeel van deze Overeenkomst vormt. »

Een ander lid zou graag de mening van de heer Amor kennen in verband met de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen, de vermelding van de oorsprong van producten afkomstig van de Palestijnse gebieden en de redenen voor het vastlopen van de politieke dialoog (de Europese Commissie heeft immers stappen ondernomen die op een mislukking zijn uitgelopen).

Ten slotte snijdt een lid de kwestie van de kolonies aan : welk standpunt neemt de Israëlische regering hierbij in ? Het gaat om een onderwerp dat bijzonder gevoelig ligt voor de Palestijnen en de onderhandelingen over het definitieve statuut van de gebieden dienen in een positief klimaat plaats te vinden.

Op de vraag in verband met de rechten van de mens antwoordt de ambassadeur van Israël dat het Israëlische parlement zeven jaar geleden een wet heeft aangenomen over de mensenrechten van de Israëlische burgers. De bevoegdheden die in dit verband aan het Israëlische hooggerechtshof werden gegeven, zijn zo belangrijk dat noch het parlement, noch de regering er enige invloed op hebben. Israël werkt trouwens op het gebied van de mensenrechten samen met de Europese landen.

Wat de vluchtelingen betreft verklaart de ambassadeur dat hij zelf in Marokko is geboren en dat hij, hoewel hij in Israël een vluchteling is, minister is kunnen worden. De Arabische landen hebben echter niets gedaan om de vluchtelingen in eer te herstellen. In Israël zijn er zelfs Israëlische Arabieren die lid zijn van de veiligheidscommissies.

Er zijn vandaag vijf miljoen Joden in Israël en een miljoen Palestijnse Arabieren. Indien wij de terugkeer goedkeuren van vier miljoen Arabieren, betekent dat het einde van de Staat Israël. De heer Arafat zelf is ook niet in staat vier miljoen vluchtelingen op te vangen. Zijn dringendste taak is zich bezig te houden met de mensen die op dit ogenblik in de Palestijnse gebieden wonen.

De ambassadeur benadrukt ook dat het Israëlische beleid gericht is op de hereniging van de Palestijnse families.

Wat de nederzettingen betreft, zijn er tussen de Israëliërs en de Palestijnen onderhandelingen aan de gang.

In verband met de producten merkt de ambassadeur op dat zij vervaardigd worden door Palestijnse arbeiders en dat men bijgevolg hun broodwinning zou kunnen schaden.

Op de vraag van het eerste lid antwoordt de heer Amor dat er in Israël niet zoveel verschil meer is tussen socialisten en liberalen en dat de nieuwe regering het vredesproces wenst voort te zetten.

Wat het gevaar van apartheid betreft meent de ambassadeur dat dit slechts het geval zou zijn indien het vredesproces niet tot een oplossing zou leiden.

Overigens merkt de ambassadeur op dat Israël, op het vlak van de economische betrekkingen met de Europese Unie, van plan is om vliegtuigen te kopen van Airbus.

Een lid komt terug op de vraag over de kolonies en de vluchtelingen. Drie of vier miljoen vluchtelingen is inderdaad zeer veel, maar het aantal mensen dat wil terugkeren, ligt waarschijnlijk heel wat lager. Wat vindt de heer Amor van het voorstel van de heer Katz om ongeveer 100 tot 150 000 vluchtelingen op te nemen ?

De Israëlische ambassadeur antwoordt dat de nieuwe regering erg streng is met betrekking tot de nieuwe nederzettingen. Het leger heeft onlangs trouwens een aantal nederzettingen laten ontruimen.

Een paar andere kleine nederzettingen zullen bovendien verdwijnen en er zullen onderhandelingen plaatsvinden over de kleine dorpjes rond Jeruzalem.

In verband met de vluchtelingen benadrukt de ambassadeur dat Israël een beleid voert dat gericht is op de hereniging van families en dat het landen als Libanon, Egypte en Syrië zijn die de Palestijnse Arabieren in kampen hebben doen wonen en die hen nu als politiek pressiemiddel tegen Israël gebruiken. Israël is bereid die mensen te helpen door de families te herenigen en ze in de Palestijnse gebieden op te nemen.

III.1. UITEENZETTING VAN DE STAATSSECRETARIS VOOR BUITENLANDSE HANDEL

De staatssecretaris voor Buitenlandse Handel wijst erop dat de Euro-mediterrane associatieovereenkomst met Israël voor onbepaalde tijd wordt gesloten. Op grond van deze overeenkomst zullen de banden tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Israël, anderzijds, worden aangehaald door het instellen van betrekkingen die op wederkerigheid en partnerschap berusten. De eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten vormen tegen deze achtergrond een essentieel onderdeel van de overeenkomst.

De staatssecretaris geeft een overzicht van de inhoud van de overeenkomst. De voornaamste elementen ervan zijn de volgende :

­ Het organiseren van een regelmatige politieke dialoog;

­ de uitbreiding van de vrijhandelszone;

­ de handhaving van de traditionele handelsstromen en van de door Israël op een aantal landbouwproducten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap toegepaste invoerrechten;

­ nieuwe wederzijdse concessies op het gebied van de handel in landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten;

­ de verbintenis om de stand van zaken op het gebied van de handel in landbouwproducten met ingang van 1 januari 2000 opnieuw te bekijken met het oog op het vaststellen van nieuwe wederzijdse concessies, overeenkomstig de algemene doelstelling terzake van de geleidelijke liberalisering van deze handel.

De overeenkomst bevat ook een aantal bepalingen betreffende de vrijheid van vestiging, de liberalisering van dienstverlening, het vrije kapitaalverkeer en de mededingingsvoorschriften.

De economische samenwerking wordt zoveel mogelijk uitgebreid op alle gebieden die met de betrekkingen tussen beide partijen verband houden en is het voorwerp van een regelmatige dialoog.

Er zal een sociale samenwerking worden tot stand gebracht door middel van een regelmatige dialoog over alle sociale vraagstukken die voor de partijen van wederzijds belang zijn. In aansluiting op deze dialoog, komt er een culturele samenwerking.

Met het oog op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst worden een Associatieraad en een Associatiecomité opgericht, met beslissingsbevoegdheid. Daarnaast zal de samenwerking tussen het Europese Parlement en het Economisch en Sociaal Comité enerzijds, en de hiermee overeenkomstige Israëlische instellingen anderzijds, vergemakkelijkt worden.

Daarenboven wijst de staatssecretaris erop dat alle landen van de Europese Unie behalve België de overeenkomst geratificeerd hebben. Sedert 1 januari 1996 is evenwel een interimovereenkomst betreffende louter gemeenschapsaangelegenheden van kracht.

Het probleem van de ratificering van de voorliggende overeenkomst is eind 1997 gerezen doch de bespreking van het wetsontwerp werd sine die uitgesteld omdat het vredesproces in een patstelling was terechtgekomen.

Door de ondertekening van de Wye Plantation-overeenkomst kwam er voor het eerst weer beweging in dit proces, dat kon worden voortgezet door de ondertekening van het memorandum van Sharm el-Sheikh.

Wat de joodse nederzettingen betreft, heeft de minister van Buitenlandse Zaken, de heer David Levy verklaard dat er geen nieuwe nederzettingen komen. Eerste minister Ehud Barak, die in zijn coalitie over weinig bewegingsruimte beschikt, heeft de moed gehad tien kolonies te laten ontmantelen. De Israëlische regering heeft voorts aanvaard af te zien van elke actie die in strijd zou zijn met het internationaal recht. België zal op de naleving van dit beginsel toezien.

De staatssecretaris voor Buitenlandse Handel ziet in de voorliggende overeenkomst een gelegenheid om de dialoog met Israël in een juridisch kader te plaatsen, wat het mogelijk maakt de noodzakelijke maatregelen te nemen indien een van de partijen haar verbintenissen niet nakomt. Hij vraagt de senatoren het wetsontwerp goed te keuren om België niet langer te isoleren binnen Europa.

III.2. BESPREKING

Een lid wijst erop dat een soortgelijke raamovereenkomst gesloten is met Tunesië, Marokko en Jordanië.

Een commissielid acht het nodig om druk te blijven uitoefenen op het vredesproces maar is van oordeel dat het niet zinvol zou zijn dat alleen België de overeenkomst niet zou ratificeren.

Volgens een andere spreker mag artikel 2 van de overeenkomst geen dode letter blijven. Zowel Palestijnse mensenrechtenorganisaties als Human Righs Watch hebben schendingen van de mensenrechten aan de kaak gesteld. Het lid vindt het moeilijk om de overeenkomst te ratificeren, wetende dat de bepalingen van artikel 2 niet in acht worden genomen. Hij stelt voor om een interpretatieve verklaring op te stellen waarbij België de uitvoering van de overeenkomst strikt afhankelijk zou maken van de naleving van de rechten van de mens.

Een ander commissielid verklaart dat de bepaling in artikel 2 reeds voorkomt in de interimovereenkomst doch niet wordt nageleefd. Ontbreekt het aan controlemiddelen of aan politieke wil om die bepaling te doen naleven ? Dienen er geen begeleidende maatregelen genomen te worden ?

Wat de nederzettingen betreft, is het weliswaar juist dat tien kolonies werden ontmanteld, maar men kan zich afvragen hoeveel er illegaal zijn gebouwd sedert het aantreden van de nieuwe regering. Vergt de voortzetting van de nederzettingenpolitiek niet de toepassing van artikel 79, dat onder meer het volgende stelt :

« 1. De partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens de overeenkomst te voldoen. Ze zien erop toe dat de in de overeenkomst aangegeven doelstellingen worden bereikt.

2. Indien een van de partijen van mening is dat de andere partij een verplichting van de Overeenkomst niet is nagekomen, kan zij passende maatregelen treffen. Alvorens dit te doen, behalve in bijzonder dringende gevallen, verstrekt zij de Associatieraad alle terzake doende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden. »

De Palestijnse algemeen afgevaardigde heeft overigens aangeklaagd dat op de producten afkomstig van de nederzettingen het label made in Israel wordt aangebracht. De vroegere Europese Commissie had het probleem met Israël besproken doch zonder resultaat. Wanneer zal men een oplossing vinden voor dit probleem ?

Verschillende leden wensen eveneens te weten of men beschikt over een evaluatie van de interimovereenkomst.

Een spreker vraagt zich af of het nog mogelijk zal zijn druk uit te oefenen op de Israëlische regering wanneer de overeenkomst geratificeerd is en heeft vragen over de territoriale toepassing van de overeenkomst.

Een lid antwoordt dat niemand het vredesproces wenst te vertragen en dat iedereen weet dat nog vooruitgang moet worden geboekt in problemen zoals de nederzettingen, de vluchtelingen enz. De nieuwe Israëlische regering wil evenwel een oplossing vinden.

Het lid is zelf in Israël geweest en hij weet dat de oplossing voor de problemen bij het betreden en het verlaten van de Gaza-strook steeds gestrand is op het streven van de Israëliërs naar een gewaarborgde veiligheid.

Hij is van mening dat het niet-ratificeren van de overeenkomst een negatief signaal zou zijn. De overeenkomst creëert immers een rechtskader dat het mogelijk maakt bepaalde verplichtingen te doen naleven. De sanctiemogelijkheid is een politiek instrument dat zwaarder doorweegt dan het uitblijven van ratificering.

De staatssecretaris voor Buitenlandse Handel is van mening dat er een signaal moet worden gegeven waaruit blijkt dat vooruitgang kan worden geboekt in het vredesproces door de goedkeuring van het voorliggende wetsontwerp.

Hij deelt het standpunt van de leden die willen voorkomen dat België geïsoleerd raakt. Het niet-ratificeren van de overeenkomst bevordert het vredesproces niet en verhindert het creëren van een juridische omgeving waarbinnen de naleving van bepaalde verplichtingen kunnen worden afgedwongen.

Daarenboven vestigt de staatssecretaris de aandacht op het feit dat in het kader van het algemene mediterrane beleid van de Unie de lidstaten soortgelijke raamovereenkomsten ondertekend en gesloten hebben met Marokko, Tunesië en Egypte. Egypte is evenwel een eenpartijstaat. De staatssecretaris voor Buitenlandse Handel herhaalt dat de ratificering van de overeenkomst het vredesproces zal ondersteunen.

Een commissielid antwoordt dat de ratificering van de overeenkomst door België buiten kijf staat, maar dat ingegaan moet worden op het verzoek tot evaluatie van de interimovereenkomst.

Een ander lid verklaart het eens te zijn met het standpunt van de staatssecretaris dat de ratificering van de overeenkomst niet mag worden geblokkeerd, maar de regering moet vaststellen dat de mensenrechten niet worden nageleefd. Hij wenst dat een zin wordt toegevoegd waaruit blijkt dat de regering weet dat er nog heel wat te doen is op het gebied van de naleving van de mensenrechten. Hij vraagt de regering de toestand terzake op de voet te volgen.

Een lid antwoordt dat iedereen weet dat er onvolkomenheden zijn maar dat de nieuwe doorbraak in het vredesproces die door de regering-Barak is bewerkstelligd, gesteund moet worden. Hij stelt voor in ieder geval aan de regering te vragen de stand van zaken op het gebied van de mensenrechten objectief te evalueren.

De staatssecretaris voor Buitenlandse Handel is verheugd vast te stellen dat er een consensus is over de ratificering. Hij zal aan de Europese Commissie een evaluatierapport over de interimovereenkomst vragen. Hij wil erop wijzen dat het juridisch niet mogelijk is een interpretatieve verklaring toe te voegen aan het wetsontwerp houdende instemming met de overeenkomst.

Verschillende leden stellen voor een resolutie op te stellen die op hetzelfde tijdstip als het wetsontwerp zou worden goedgekeurd en die de ongerustheid over de bovenvermelde punten zou vertolken.

IV.1. UITEENZETTING VAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BUITENLANSE ZAKEN

De vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken verklaart dat de standpunten van de regering-Barak momenteel niet helemaal voldoen aan de verwachtingen van de internationale gemeenschap, maar dat het vredesproces zich toch in een andere fase bevindt dan ten tijde van de regering-Netanyahu.

De minister vindt het daarom een strategische vergissing dat België ten aanzien van de nieuwe Israëlische regering de strafmaatregelen zou handhaven die werden toegepast op de vroegere regering en de ratificering van de overeenkomst opnieuw zou uitstellen. België loopt het risico zich binnen de Europese Unie te isoleren door de ratificering opnieuw uit te stellen.

Hij benadrukt bovendien dat de opschorting van de ratificatieprocedure door België en Frankrijk de houding van de regering-Netanyahu niet heeft beïnvloed. De overeenkomst moet nu worden geratificeerd. De Europese Unie vindt dat in dossier vooruitgang moet worden gemaakt en de minister hoopt dat de EU in het vredesproces de onderhandelaarsrol zal kunnen spelen die de Verenigde Staten momenteel vanwege de naderende presidentsverkiezingen niet meer kunnen vervullen.

De minister van Buitenlandse Zaken is het eens met de goedkeuring van een voorstel van resolutie dat Israël ertoe aanzet voort te gaan op de ingeslagen weg.

IV.2. BESPREKING

Een lid vestigt de aandacht op artikel 53 van de overeenkomst dat inzonderheid bepaalt dat « de partijen de samenwerking bevorderen op het gebied van het vervoer en de vervoersinfrastructuur teneinde de doeltreffendheid van het verkeer van reizigers en goederen zowel op bilateraal als op regionaal niveau te verbeteren ». Hij merkt op dat er uren gewacht moet worden om Gaza via de luchthaven te bereiken en dat de zeehaven geblokkeerd is. Hoe kan men een overeenkomst ratificeren die de samenwerking op het gebied van het vervoer bevordert terwijl in de praktijk op dit terrein niets gebeurt ?

Een commissielid antwoordt dat de leden uiting hebben gegeven aan een terechte ongerustheid maar herinnert eraan dat het beter is die onrust te uiten in de vorm van een resolutie die op hetzelfde tijdstip als de voorliggende overeenkomst zal worden goedgekeurd, in plaats van de overeenkomst niet te ratificeren.

Een andere spreker wenst dat de minister een standpunt inneemt over de toepassing van artikel 2 betreffende de naleving van de mensenrechten en de territoriale toepassing van de overeenkomst.

De minister van Buitenlandse Zaken herhaalt dat de overeenkomst een belangrijke bepaling bevat die verwijst naar de mensenrechten en de democratische beginselen en waarbij het een van de partijen, namelijk de Europese Unie, vrij staat maatregelen te treffen indien zij van oordeel is dat de andere partij de verplichtingen die in de overeenkomst staan, niet is nagekomen. De inwerkingtreding van die bepaling zou de Unie een belangrijk pressiemiddel geven ingeval de mensenrechten of een andere bepaling van de overeenkomst geschonden werden.

Wat het territorialiteitsbeginsel en de evaluatie van de interimovereenkomst betreft, zegt de minister dat de Europese Commissie de nadruk heeft gelegd op het feit dat Israël de verplichtingen die voortvloeien uit de interimovereenkomst, niet naleeft en dat de Commissie op 13 augustus 1998 een mededeling heeft aangenomen met betrekking tot de uitvoering van die overeenkomst. Israël voert naar de Europese Gemeenschap producten uit waarop Israël staat als land van herkomst, maar die eigenlijk afkomstig zijn van de nederzettingen in Jeruzalem, de Golanhoogte, Cisjordanië en de Gaza-strook, wat een overtreding is van artikel 38. Deze gebieden vallen onder de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Palestijnse autoriteit, die in werking is getreden in juli 1997.

De raad Algemene Zaken van 26 juni 1998 heeft besluiten aangenomen die onderstrepen dat de problemen die voortvloeien uit de toepassing van de interimovereenkomst met Israël, op het technische niveau moeten worden opgelost om te voorkomen dat er zich een impasse voordoet wanneer de kwestie van de Israëlische grenzen ter sprake komt. Een afvaardiging van de Commissie die zich in het begin van de herfst van 1998 ter plaatse heeft begeven, heeft er de aandacht op gevestigd dat Israël de overeenkomst met de Europese Unie schendt en dat de overeenkomst tussen de Europese Unie en de PLO niet wordt nageleefd. Intussen werden de overeenkomsten van Wye Plantation gesloten, die bepalingen bevatten met betrekking tot de uitvoering van de vroegere overeenkomsten en de opening van de luchthaven van Gaza. De Europese Commissie vond dus dat de zaken ter plaatse geregeld moesten worden.

Een lid vindt dat de resultaten van de interimovereenkomst zeer slecht zijn. Hij stelt dus voor een krachtig geformuleerd voorstel van resolutie aan te nemen.

Een ander lid vreest dat men zo de nieuwe Israëlische regering op dezelfde manier beoordeelt als de vorige regering.

Een derde lid dringt erop aan dat men zich voor of tegen de overeenkomst uitspreekt.

De vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken wijst erop dat de Europese Commissie, na de samenstelling van de regering- Barak in september, een afvaardiging ter plaatse heeft gestuurd.

Die heeft vastgesteld dat de overeenkomst nog steeds wordt overtreden aangezien er nog steeds producten afkomstig van de Israëlische nederzettingen worden verkocht als Israëlische producten.

De Commissie vindt echter dat het politieke klimaat aanmerkelijk geëvolueerd is. Er is een duidelijk tijdschema opgesteld voor het vredesproces en de kaderovereenkomst die op 15 februari 2000 gesloten moet worden, zal hoogstwaarschijnlijk tot een goed einde worden gebracht. De Commissie zal binnenkort verslag uitbrengen over de situatie ter plaatse en de werkwijzen die overwogen worden.

De minister sluit zich aan bij een lid dat ervoor vreest dat niet-ratificatie van de overeenkomst erop zou neerkomen dat men de regering-Barak dezelfde beoordeling geeft als de regering-Netanyahu, wat onaanvaardbaar zou zijn.

Op de vraag van een lid betreffende het statuut van de heer Armali, Palestijns algemeen afgevaardigde, en in het bijzonder de vraag of deze over een diplomatiek paspoort zal kunnen beschikken, antwoordt de minister van Buitenlandse Zaken dat een lid hem daarover reeds ondervraagd heeft en dat de procedure voor de toekenning van een dergelijk paspoort lopende is.

V. STEMMINGEN

De artikelen 1 en 2 alsook het wetsvoorstel in zijn geheel worden aangenomen met 7 stemmen bij 1 onthouding.

Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

De rapporteur,
Michiel MAERTENS.
De voorzitter,
Marcel COLLA.